Interviews

21-8-05

Interview met Catherine Daly

Catherine DalyDe Amerikaanse dichteres Catherine Daly publiceerde in 2003 haar eerste bundel, DaDaDa (Salt Publishing). Een tweede bundel, Locket, verschijnt dit jaar bij Tupelo Press. In Stanza zijn vertalingen opgenomen van drie van haar gedichten: Ontbijt voor één: een formaliteit , Osculeren/Basium en Elektromagnetisch veld.

Catherine, waarom poëzie?

Gedurende mijn middelbareschooltijd was het een vereiste voor het vak fictie. Ik was direct verkocht, bleef er aan vastzitten, misschien wel voor een deel omdat ik fictie en non-fictie nog altijd zeer langzaam schrijf.

Met behulp van schrijven ontwikkel ik de meeste van mijn ideeën.

Je tweede boek, Locket, verschilt nogal van de eerste, DaDaDa. In DaDaDa staan het experiment, de taal en de vorm centraal. Locket lijkt veel meer een persoonlijk relaas, is minder experimenteel en schenkt meer aandacht aan inhoud, de zintuiglijke waarneming en lyriek. Van waar deze opmerkelijke verandering?

Ik heb bemerkt dat ik in diverse 'modes' schrijf, en deze twee boeken zijn geschreven in verschillende modes. Ik probeer om van elke mode tenminste één boek te publiceren. Wat is een mode? Nou, het is niet zozeer een uiting van schizofrenie maar eerder een reflectie van het informatietijdperk alsmede de enigszins hysterische reacties daar op, zoals het meervoudig persoonlijkheidssyndroom en wellicht ook de disassociatieve stoornis. Poëzie is verdeeld in scholen, filosofieën, en ik ben door veel van hen en op verschillende wijzen beïnvloed. Zo kan ik op de ene ochtend wakker worden en tandpasta van merk A gebruiken, gekocht bij het buurtwinkeltje om de hoek, en de andere ochtend Colgate in Spaanse verpakking uit de prijzenslagsuper. Soms krijg ik een idee en herken het als een mode. Dan weer ga ik er voor zitten en zeg 'ok, ik heb meer gedichten van DEZE mode nodig' en schrijf er dan een paar. En dan is er nog een hele tas vol andere dingen die ik schrijf, waarvan sommige hun basis vinden in projecten en andere weer niet. Een mode is iets anders dan stijl of strategie; een mode is een reactie, een wijze van interpreteren, een benadering van een proces, die altijd weer voldoende verschilt van andere benaderingen om door me te worden herkend.

De twee manuscripten werden met een verschillend doel en op verschillende tijden samengesteld. Locket is thematisch opgebouwd, de gedichten zijn al dan niet gekoppeld en de bundel begint met een gedicht over alleen zijn, beschreven op een Stevensiaanse zondagochtend, en eindigt met de voorbereiding op een huwelijksvoltrekking. DaDaDa is het eerste deel van een heel lang project, genaamd Confiteor, en bestaat uit drie secties, die oorspronkelijk drie verschillende manuscripten besloegen: Reading Fundamentals, Heresy en Legendary. Als hoofdprobleemstelling van het project geldt de biechtstoel, de catharsis, de Catherine en hoe identiteit en poëzie met elkaar in verband staan. Maar elk boek (er moeten er uiteindelijk minstens tien komen) heeft een eigen strategie. Ik schrijf dus nog steeds gedichten die in Locket zouden kunnen passen, al is Locket reeds enkele jaren geleden geaccepteerd om te worden uitgegeven en al vind ik dat de logische evolutie van deze gedichten de strategie geldt die ik vastleg in een nog onvoltooid manuscript, genaamd Vauxhall. En zo schrijf ik nog altijd gedichten die zouden passen in de diverse secties van DaDaDa, maar niet in de daarop volgende trilogieën: OOD (Object-Oriented Design), DEA en tot slot Addendum.

Dus, hoewel de bundels duidelijk van dezelfde maker zijn, delen ze niet dezelfde paden en betekenissen, wellicht met uitzondering dan van mijn fascinatie voor de etymologie van de woorden love en belief.

Er zijn, geloof ik, verschillende soorten ideeën, die zich verschillend zouden moeten gedragen.

In haar artikel After Language Poetry: Innovation and Its Theoretical Discontents verzucht Marjorie Perloff: 'Ik zou willen dat dichters weer eens poëzie gaan schrijven in plaats van de productie van zoveel theoretische proza.' Wat is jouw visie op de laatste ontwikkelingen in de hedendaagse Amerikaanse poëzie?

Er zijn veel dichters. Hun poëzie is gevarieerd. Enkele van deze dichters lijken het vermogen te hebben om aan verschillende soorten poëzie het hoofd te kunnen bieden. Omdat dichters geïsoleerd zijn van andere dichters proberen veel van hen hun eigen poëzie te verklaren. Omdat er verhoudingsgewijs weinig kritieken en recensies van poëzie zijn, beginnen dichters het maar zelf te doen. En sommige dichters in dit tijdperk waarin literaire theorie relatief populair is, verzetten zich tegen het idee dat alleen recensenten weten wat dichters doen: sommigen willen graag het schrijven en theorievorming combineren.

In Los Angeles treft men veel goede dichters aan, maar nog meer dichters die voortbrengsels zijn van de media cultuur. Hier leeft het gevoel dat het steeds minder waarschijnlijk is dat de tijd uiteindelijk het poëtische kaf van het poëtische koren zal gaan scheiden. En dat is frustrerend. (Marjorie Perloff woont in Pacific Palisades, een buitenwijk van Los Angeles, ik woon in het centrum van LA.)

Ik zou willen dat het omarmen van de volgende uitspraken van Auden het ei van Columbus zou zijn: 'we moeten van elkaar houden of doodgaan' en 'we moeten van elkaar houden en doodgaan', maar er is meer aan de hand. Ik heb zojuist deze uitspraken gegoogled en ergens werden ze toegeschreven aan Jack Lemon.

In welke werken wortelt jouw eigen poëtische bewustzijn?

Toen ik na mijn middelbare school naar college ging, hield ik van de modernistische dichters en van poëzie dat zich op de een of andere wijze aan het schoolsysteem had weten op te dringen - vooral katholieke dichters! - geen Milton en vrijwel geen Yeats - toen ik college verliet, hechtte ik inmiddels aan middeleeuwse dichters, modernistische dichters, radicale feministische schrijvers, surrealisten en dadaïsten. Ik las toentertijd, zoals de meeste studenten die ik ken, meer fictie dan poëzie. Na mijn universitaire studie hield ik van de poëzie van de New York School en de L=A=N=G=U=A=G=E beweging, maar veel onderwijs in poëzie heb ik tijdens mijn studie in New York niet mogen ontvangen.

De constante factor in mijn poëtische bewustwording is dichter en fictieschrijver Toby Olson, een verre neef die ik afgelopen kerst nog ontmoette. Hij was mijn moeders favoriete neef toen ik opgroeide en we hadden naast de schoolboeken van mijn ouders al zijn boeken in huis. Zodoende las ik zijn gedichten en probeerde ze te snappen en te begrijpen waarom ze zo afwijkend zijn.

Wat komt er na Locket?

Er is inmiddels veel na Locket gekomen, maar het neemt een gemiddelde van negen jaar om een boek gedrukt te krijgen! Ik heb intussen negen manuscripten circuleren, dus wie weet?

Dit interview met Catherine Daly werd door A.T. van 't Hof per e-mail op 16 februari 2005 afgenomen.

Interview met Michael Farrell

Michael, hoe ontstaat jouw poëzie?

Ik heb geen universitaire studie poëzie achter de rug, maar ben autodidact. Ben daar in feite nog steeds mee bezig, lees dat wat me interesseert en integreer op die wijze nieuwe invloeden in mijn werk. In zekere zin voel ik me niet doelbewust experimenteel, mijn poëzie ontstaat gewoonweg wanneer ik Gertrude Stein lees en tegelijkertijd naar popmuziek luister. Ik probeer vervolgens de twee samen te smelten. Zo gaat dat in zijn werk.

Welke boodschap wil je aan jouw lezers overbrengen?

Een boodschap ... ik wil mezelf en anderen niet vervelen, alhoewel ik verveling anderszins wel kan waarderen als artistieke en vooral spirituele bezigheid. Misschien heb ik een ongehoord vertrouwen in lezen: 'lees jezelf gelukkig'.

Vorm speelt een belangrijke rol in je werk, je experimenteert er veel mee. Waarom?

Mijn eerste gedichten hadden allemaal dezelfde vorm: korte proza gedichten. Daarna ben ik overgestapt naar de 14 regels van het sonnet. Ik oefende, speelde met inhoud, formuleringen enzovoort (alhoewel niet altijd even bewust, geloof ik, maar zo komt het me nu voor). Ik was er zeker niet op uit om vorm te veranderen om het veranderen alleen. Op een gegeven moment voelde ik de drang om langere gedichten te gaan schrijven, teneinde meer ruimte te verkrijgen om dat wat ik las en hoorde te kunnen verwerken. Vooral onder invloed van mensen als John Cage en George Perec werd mijn belangstelling gewekt voor het fenomeen toevalligheid: welke gedichten zouden kunnen worden gecreëerd als ik het hele creatieve proces nu eens niet zou controleren? Ik gebruikte zelfs dobbelstenen om regellengtes vast te stellen. Een tijdje heb ik zo getracht nieuwe poëzie te maken. Vervolgens verschoof mijn interesse naar de leeservaring: kan alles gelezen worden? Maar ik ben niet zo extreem dat ik buiten het gebied van de tekst, het alfabet, wil treden. Ik ben niet tevreden met wat ik tot nu toe heb geschreven, daarom blijf ik experimenteren met het sonnet, klanken en collage.

Welke oudere dichters vormen jouw inspiratiebron en in welke traditionele lijn zou je jezelf als dichter plaatsen?

Ik wil aldoor nieuwe grote dichters en romanschrijvers ontdekken, daar zoek ik voortdurend naar. In mijn beginjaren heb ik me laten inspireren door onder meer James Joyce, Gertrude Stein, Wallace Stevens, John Ashberry, Frank O'Hara en ee cummings. Ook de theorieën van Barthes, Foucault, Cage, Perec en Brecht trokken me aan. Daarnaast zijn er dan nog de kunst van Andy Warhol, popmuziek en meer recent elektronische muziek en hiphop. Van de moderne schrijvers waardeer ik Gig Ryan, Susan Howe, Joan Retallack en Lionel Fogarty. Ik veronderstel dat ik behoor tot de experimentele traditie, maar ik zie mezelf ook graag ingedeeld bij de pop: dat van de dingen leuk vinden.

Dit interview met Michael Farrell werd door A.T. van 't Hof per e-mail op 29 april 2004 afgenomen.

Interview met Graham Foust

Waarom poëzie?

Inderdaad.

Ik geloof dat ik tot de poëzie kwam vanwege de volledige verzadiging van mijn jeugd met popmuziek alsmede het geclicheerde, jongensachtige, romantische idee van het schrijven van de grote Amerikaanse roman. Het overgrote deel van mijn tienerjaren werd besteed aan het luisteren naar rock-'n-roll en het lezen van fictie en verder nog wat lanterfanten. Ik herinner me niet ooit een gedicht te hebben gelezen totdat ik werd gedwongen om de bundel Some Gangster Pain van Gillian Conoley door te nemen tijdens een les over de film noir (!). Daarna besloot ik deel te nemen aan een college over Milton. Vervolgens ontdekte ik in de bibliotheek Give 'em Enough Rope van Bruce Andrews. Etc.

Op een gegeven moment, na veel hopeloze pogingen tot het schrijven van verhalen, realiseerde ik me dat ik meer geobsedeerd was door wat kon worden gedaan met een enkele zin, met een regel van een zekere lengte, met een enkel woord, met verschillende soorten interpunctie, dan met het plot en de karakters en de andere dingen die belangrijk zijn voor een goed verhaal. Niet dat fictieschrijvers niet ook geïnteresseerd zijn in de zojuist opgesomde zaken, maar vermoedelijk toch minder dan ik dat ben. Misschien. Je zou dat eigenlijk niet aan mij moeten vragen, aangezien ik er nooit in ben geslaagd om ook maar één leesbaar stuk proza te schrijven. Uiteindelijk leek de poëzie (waarmee ik voor mijn 19e dus nauwelijks in aanraking was gekomen) het meest geschikt (alhoewel, en gelukkig maar, niet helemaal passend) om de dingen te exploreren waarvoor ik interesse had.

Ik neig ernaar om van gedichten te houden die de hele dag bezit van mijn hoofd kunnen nemen, gedichten die mijn hersens kunnen binnendringen tot aan het punt van veel plezier en nuttige irritatie, zoals popliedjes - die ik leuk vind, die ik denk niet leuk te vinden (totdat ik ze, natuurlijk, wel leuk vind) - dat kunnen. Ik verbeeld me dat ik dat soort gedichten probeer te schrijven.

Jouw gedichten zijn 'karig', bevatten alleen de onvermijdelijke woorden. Ik geloof dat het Ron Silliman was die je een 'meester der dichtheid' noemde. Deze wijze van schrijven geeft de lezer maximale vrijheid van interpretatie. Heb je altijd zo geschreven? Is het een bewuste keus?

Ron heeft wellicht bedoeld dat ik gewoonweg dom ben ['dense' kan zowel 'dicht/compact' als 'dom' betekenen - redactie], daarom zal ik niet ingaan op zijn commentaar.

Ik weet niet zeker of ik het eens ben met de bewering dat een minimaal of 'karig' gedicht méér 'vrijheid van interpretatie' geeft dan een lang gedicht. Lange, onbehouwen gedichten staan soms ook verscheidene lezingen toe. Ik las recent Don DeLillo's onvergelijkelijke, prachtige roman The Body Artist en begon het te 'interpreteren' als een gek - ik dacht weken lang aan dat boek, denk er nog steeds aan.

Om een gedicht te kunnen 'interpreteren', heeft de lezer een zekere ruimte in het gedicht nodig. Teveel ruimte betekent echter dat men de weg kwijt raakt, te weinig ruimte en er is niks meer voor hem of haar om te doen. Maar anders dan, zeg, bij een hotel, zal een zeer comfortabel gedicht niet uitnodigen tot terugkeer - er is een soort karteling nodig waarlangs men zijn of haar geest en tong kan halen. Anders is een gedicht louter een te consumeren object, dat men maar gauw moet opeten en vergeten.

Ik vermoed dat er talloze manieren zijn om de juiste ruimtes in een gedicht aan te brengen, een witregel is er slechts één van.

Waar haal jij je inspiratie vandaan?

'Je kent Dasher en Dancer en Prancer en Vixen, Comet en Cupid en Donner en Blitzen. Maar herinner je je het meest beroemde rendier van allemaal?'

Dit bovenstaand stukje, dat me mededeelt dat ik kennis heb van de vele obscure rendieren die de slee van de kerstman trekken en me vervolgens vraagt of ik 'het meest beroemde rendier van allemaal' ken - DIT! slechte, slechte schrijven is mijn inspiratie! Ik bedoel, natuurlijk, 'men is vervreemd van datgene wat het meest dichtbij is', ik weet het, ik weet, maar kom nou ...

Nu even serieus: films, het winkelcentrum, muziek, andere gedichten, lange wandelingen, korte wandelingen, pijn, Wisconsin, Alan Dugan, Wallace Stevens, Emily Dickinson, Aretha Franklin, AC/DC, Merle Haggard, Flannery O'Connor, wodka, slaap, cartoons, autorijden, me wakker trekken bij het geluid van een sneeuwruimer, het gebruikelijke.

Recensenten van jouw poëzie hebben de neiging om naar een soort filosofisch programma achter je werk te zoeken, naar een reeks ideeën. Je spaarzame gebruik van woorden, dat je werk soms mysterieus maakt, is daar wellicht debet aan. Ik heb genoten van je boeken. Je verandert abstracte ideeën als 'schuld', 'mode' en 'politiek' in poëzie, maar je gedichten lijken niet gebaseerd op de een of andere filosofie. Hoe belangrijk is filosofie voor jouw schrijven?

Ik heb behoorlijk wat filosofie gelezen, maar ik kan niet met enige zekerheid zeggen dat ik dat grondig heb gedaan. Hoe dan ook, het is niet belangrijker dan, zeg, het winkelcentrum of country muziek of alle andere dingen die een toevlucht hebben gevonden in mijn werk. Mijn gedichten zijn gebaseerd op zaken die ik mooi vind en verwarrend, en veel van de filosofie die ik heb gelezen is beide.

Tot nu toe zijn er een 'chapbook' en twee bundels van je gepubliceerd. Verscheidene critici voorspellen je een rooskleurige toekomst. Ik ben nieuwsgierig: wat volgt?

Ik ben bezig met een nieuw boek, getiteld That and Your Nourishing Shove, waaruit enkele gedichten zijn gepubliceerd in een recent nummer van Conjunctions. Ik ben nogal goed in het ontmantelen van mijn eigen gedichten, waardoor het samenstellen van een bundel een heel karwei wordt, veel meer arbeid vergt dan zomaar gedichten schrijven. Dit boek blijkt terug te vechten, wat frustrerend is, maar waarschijnlijk ook een goed teken.

Dit interview met Graham Foust werd door A.T. van 't Hof per e-mail op 29 maart 2005 afgenomen.

Zoeken

Colofon

Onder redactie van Chrétien Breukers en Ton van 't Hof. Vaste medewerkers: Fa Claes en Kees Klok. Reacties onder eigen naam of dichterspseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Brakke Verslog

Elders

Google Nieuws

Pagina's

Adverteren?

De Contrabas wordt meer dan 40.000 keer per maand bekeken. Wilt u ook tegen gunstige tarieven adverteren? Neem dan contact met ons op >> email

FeedCount

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005