Interview met Catherine Daly
De Amerikaanse dichteres Catherine Daly publiceerde in 2003 haar eerste bundel, DaDaDa (Salt Publishing). Een tweede bundel, Locket, verschijnt dit jaar bij Tupelo Press. In Stanza zijn vertalingen opgenomen van drie van haar gedichten: Ontbijt voor één: een formaliteit , Osculeren/Basium en Elektromagnetisch veld.
Catherine, waarom poëzie?
Gedurende mijn middelbareschooltijd was het een vereiste voor het vak fictie. Ik was direct verkocht, bleef er aan vastzitten, misschien wel voor een deel omdat ik fictie en non-fictie nog altijd zeer langzaam schrijf.
Met behulp van schrijven ontwikkel ik de meeste van mijn ideeën.
Je tweede boek, Locket, verschilt nogal van de eerste, DaDaDa. In DaDaDa staan het experiment, de taal en de vorm centraal. Locket lijkt veel meer een persoonlijk relaas, is minder experimenteel en schenkt meer aandacht aan inhoud, de zintuiglijke waarneming en lyriek. Van waar deze opmerkelijke verandering?
Ik heb bemerkt dat ik in diverse 'modes' schrijf, en deze twee boeken zijn geschreven in verschillende modes. Ik probeer om van elke mode tenminste één boek te publiceren. Wat is een mode? Nou, het is niet zozeer een uiting van schizofrenie maar eerder een reflectie van het informatietijdperk alsmede de enigszins hysterische reacties daar op, zoals het meervoudig persoonlijkheidssyndroom en wellicht ook de disassociatieve stoornis. Poëzie is verdeeld in scholen, filosofieën, en ik ben door veel van hen en op verschillende wijzen beïnvloed. Zo kan ik op de ene ochtend wakker worden en tandpasta van merk A gebruiken, gekocht bij het buurtwinkeltje om de hoek, en de andere ochtend Colgate in Spaanse verpakking uit de prijzenslagsuper. Soms krijg ik een idee en herken het als een mode. Dan weer ga ik er voor zitten en zeg 'ok, ik heb meer gedichten van DEZE mode nodig' en schrijf er dan een paar. En dan is er nog een hele tas vol andere dingen die ik schrijf, waarvan sommige hun basis vinden in projecten en andere weer niet. Een mode is iets anders dan stijl of strategie; een mode is een reactie, een wijze van interpreteren, een benadering van een proces, die altijd weer voldoende verschilt van andere benaderingen om door me te worden herkend.
De twee manuscripten werden met een verschillend doel en op verschillende tijden samengesteld. Locket is thematisch opgebouwd, de gedichten zijn al dan niet gekoppeld en de bundel begint met een gedicht over alleen zijn, beschreven op een Stevensiaanse zondagochtend, en eindigt met de voorbereiding op een huwelijksvoltrekking. DaDaDa is het eerste deel van een heel lang project, genaamd Confiteor, en bestaat uit drie secties, die oorspronkelijk drie verschillende manuscripten besloegen: Reading Fundamentals, Heresy en Legendary. Als hoofdprobleemstelling van het project geldt de biechtstoel, de catharsis, de Catherine en hoe identiteit en poëzie met elkaar in verband staan. Maar elk boek (er moeten er uiteindelijk minstens tien komen) heeft een eigen strategie. Ik schrijf dus nog steeds gedichten die in Locket zouden kunnen passen, al is Locket reeds enkele jaren geleden geaccepteerd om te worden uitgegeven en al vind ik dat de logische evolutie van deze gedichten de strategie geldt die ik vastleg in een nog onvoltooid manuscript, genaamd Vauxhall. En zo schrijf ik nog altijd gedichten die zouden passen in de diverse secties van DaDaDa, maar niet in de daarop volgende trilogieën: OOD (Object-Oriented Design), DEA en tot slot Addendum.
Dus, hoewel de bundels duidelijk van dezelfde maker zijn, delen ze niet dezelfde paden en betekenissen, wellicht met uitzondering dan van mijn fascinatie voor de etymologie van de woorden love en belief.
Er zijn, geloof ik, verschillende soorten ideeën, die zich verschillend zouden moeten gedragen.
In haar artikel After Language Poetry: Innovation and Its Theoretical Discontents verzucht Marjorie Perloff: 'Ik zou willen dat dichters weer eens poëzie gaan schrijven in plaats van de productie van zoveel theoretische proza.' Wat is jouw visie op de laatste ontwikkelingen in de hedendaagse Amerikaanse poëzie?
Er zijn veel dichters. Hun poëzie is gevarieerd. Enkele van deze dichters lijken het vermogen te hebben om aan verschillende soorten poëzie het hoofd te kunnen bieden. Omdat dichters geïsoleerd zijn van andere dichters proberen veel van hen hun eigen poëzie te verklaren. Omdat er verhoudingsgewijs weinig kritieken en recensies van poëzie zijn, beginnen dichters het maar zelf te doen. En sommige dichters in dit tijdperk waarin literaire theorie relatief populair is, verzetten zich tegen het idee dat alleen recensenten weten wat dichters doen: sommigen willen graag het schrijven en theorievorming combineren.
In Los Angeles treft men veel goede dichters aan, maar nog meer dichters die voortbrengsels zijn van de media cultuur. Hier leeft het gevoel dat het steeds minder waarschijnlijk is dat de tijd uiteindelijk het poëtische kaf van het poëtische koren zal gaan scheiden. En dat is frustrerend. (Marjorie Perloff woont in Pacific Palisades, een buitenwijk van Los Angeles, ik woon in het centrum van LA.)
Ik zou willen dat het omarmen van de volgende uitspraken van Auden het ei van Columbus zou zijn: 'we moeten van elkaar houden of doodgaan' en 'we moeten van elkaar houden en doodgaan', maar er is meer aan de hand. Ik heb zojuist deze uitspraken gegoogled en ergens werden ze toegeschreven aan Jack Lemon.
In welke werken wortelt jouw eigen poëtische bewustzijn?
Toen ik na mijn middelbare school naar college ging, hield ik van de modernistische dichters en van poëzie dat zich op de een of andere wijze aan het schoolsysteem had weten op te dringen - vooral katholieke dichters! - geen Milton en vrijwel geen Yeats - toen ik college verliet, hechtte ik inmiddels aan middeleeuwse dichters, modernistische dichters, radicale feministische schrijvers, surrealisten en dadaïsten. Ik las toentertijd, zoals de meeste studenten die ik ken, meer fictie dan poëzie. Na mijn universitaire studie hield ik van de poëzie van de New York School en de L=A=N=G=U=A=G=E beweging, maar veel onderwijs in poëzie heb ik tijdens mijn studie in New York niet mogen ontvangen.
De constante factor in mijn poëtische bewustwording is dichter en fictieschrijver Toby Olson, een verre neef die ik afgelopen kerst nog ontmoette. Hij was mijn moeders favoriete neef toen ik opgroeide en we hadden naast de schoolboeken van mijn ouders al zijn boeken in huis. Zodoende las ik zijn gedichten en probeerde ze te snappen en te begrijpen waarom ze zo afwijkend zijn.
Wat komt er na Locket?
Er is inmiddels veel na Locket gekomen, maar het neemt een gemiddelde van negen jaar om een boek gedrukt te krijgen! Ik heb intussen negen manuscripten circuleren, dus wie weet?
Dit interview met Catherine Daly werd door A.T. van 't Hof per e-mail op 16 februari 2005 afgenomen.







Laatste reacties