Dichters V

25-5-08

Francisco Véjar

Francisco Véjar werd geboren in 1967 te Viña del Mar, Chili. Hij is dichter en literair criticus. Hij publiceerde de verzenbundels Fluvial (1988), Música para un álbum personal (1992), Continuidad del viaje (1994), A vuelo de poeta (1996), Canciones imposibles (1998), País insomnio (2000) en Bitácora del emboscado (2005). Werk van hem is in verschillende bloemlezingen opgenomen en vertaald in het Engels, Italiaans, Catalaans, Portugees en Kroatisch. In 1999 heeft hij een bloemlezing uit jonge Chileense dichters uitgegeven. In 2002 publiceerde hij in samenwerking met Sven Olsson en Armando Roa Vial Georg Trakl. Homenaje desde Chile. Hij is docent aan de Universidad del Desarrollo in Santiago de Chile, columnist bij het dagblad El Mercurio en medewerker aan het Spaanse tijdschrift Clarín. Hij werkt momenteel aan een kroniek over de voornaamste Chileense auteurs uit de tweede helft van de 20ste eeuw.


DAAR SLAAPT MIJN VADER

Ik bezoek de begraafplaats:
daar slaapt mijn vader
op stof en nog meer stof
waar niets anders bestaat dan de doffe stilte
van andere stemmen,
door stormen bijna uitgewiste gedenkstenen:
zwakke sporen op het marmer.

De wind verstoort de orde van de omgeving.
Ik stap op verdroogde bloembladen
die met de aarde één worden,
op brokstukken van lippen
die samenkwamen om elkaar te beminnen.
Maar een antwoord is er niet.

Geest en lichaam
waren ooit sterk,
zwierven zonder haast
bij het lezen van de levenstekens in de lucht.

Rechtop sta ik in deze wereld,
kijk uit hoe de middag vergaat,
voel de dreigende gewaarwording
in één seconde andere echo’s te bevatten.

Er zijn stappen die horen,
er zijn ontbonden ogen die scherp toezien,
zelfs op de schittering van het niets.

Daar slaapt mijn vader,
koud en broos als de sneeuw.


ALLÍ DUERME MI PADRE

Visito el cementerio:
allí duerme mi padre
sobre polvo y más polvo,
donde no hay más que el silencio sordo
de otras voces,
lápidas casi borradas por las tempestades:
débiles huellas sobre el mármol.

El viento desordena el entorno.
Camino sobre pétalos resecos
que se unen a la tierra,
sobre pedazos de labios
que se juntaban para amarse.
Pero no hay respuesta.

Un día espíritu y carne
fueron fuertes,
vagaban sin prisa,
releyendo en el aire las señales de la vida.

Estoy de pie en este mundo,
mirando como muere la tarde,
sintiendo la enarbolada sensación
de contener en un segundo otros ecos.

Hay pasos que oyen,
hay ojos disueltos que observan,
también el destello de la nada.

Allí duerme mi padre,
frío y delicado como la nieve.


JOSEPH BRODSKY IS OVERLEDEN

Joseph Brodsky is overleden
In onze wijk speelde iemand
Op een anachronistische vleugelpiano
En het licht van uitgeputte melodieën ging branden
Die dagen passen niet in de kalender
En gelijk een punch vermengen ze zich
Zacht als het stromen van ons bloed
Maar niet alleen punch stroomt door de aders
Op straat komen motorfietsen voorbij gelijk wespen
En een puber stapt uit
Haar dubbel leven om naar huis te gaan
Joseph Brodsky is overleden en met hem
Een deel van het lezen
Van zijn gedichten wat we deden
Tijdens zomers aan zee
Zon, zee en maan volstaan niet meer
En het loont niet de moeite ons
Naar de waarde van het leven te vragen
Alleen het ronddwalen blijft over langs straten
En plaatsen waar wij graag
Zoals jij een universele liefdesbloemlezing wilden maken
Voor de geliefden uit de liefdeshotels.
Deze woorden van je willen we onthouden:
De dag is in de kast naar een hemd voor je aan het zoeken
Hopelijk komt spoedig de winter
En dekt met sneeuw
De steden de mensen bovenal het groen
Als ik ’s nachts een ster op het dak zie
Schiet die - volgens de wetten der verbranding -
Langs mijn wang tot op mijn hoofdkussen
Zonder me tijd te geven om een wens te bedenken.


HA MUERTO JOSEPH BRODSKY

Ha muerto Joseph Brodsky
En nuestro barrio alguien tocaba
Un anacrónico piano de cola
Y se encendía la luz de melodías cansinas
Esos días no entran en el calendario
Y se mezclan como un ponche
Suave como el fluir de nuestra sangre
Pero no sólo ponche corre por las venas
En la calle las motocicletas pasan como avispas
Y una adolescente abandona
Su doble vida para volver a casa.
Ha muerto Joseph Brodsky y con él
Parte de las lecturas
Que hacíamos de sus poemas
En veranos marítimos.
Ya no bastan sol, mar, ni luna
Y no vale la pena preguntarnos
Por el valor de la vida
Sólo queda vagabundear por calles
Y lugares donde nos gustaría
Hacer como tú una antología universal del amor
Para los amantes de hoteles de paso.
Queremos recordar estas palabras tuyas:
El día te va buscando en el armario una camisa
Ojalá llegue pronto el invierno
Y con la nieve cubra
Las ciudades los hombres sobre todo lo verde
Si de noche veo una estrella en el techo
Ella – según las leyes de combustión –
Me resbala por la mejilla hasta la almohada
Sin darme tiempo a pensar un deseo.


DE TRILLING VAN DE RIVIER OVER DE STAD

In de stad hebben we naakte bomen gezien
die weggetjes opzetten en wat van hen is opeisen.
Hun wortels omarmen elkaar als ondergrondse geliefden
die weet hebben van dromen en verlies.

Het is vreemd hier te staan en de schreeuw te horen van de meeuwen
die onzeker op het water neerstrijken.
Wachten op een houten barkas
of op de vlucht van de zon en de oceaan.
Half zeven ’s avonds op de oevers van de Mapocho,
het onvermijdelijke litteken van Santiago.

Deze geschriften zullen verloren gaan met het stromen van de rivier
en hun echo zal zijn alsof je jezelf ziet in een absurde film
waarvan de hoofdpersonages werden afgedankt.


LA VIBRACIÓN DEL RÍO SOBRE LA CIUDAD

Hemos visto árboles desnudos en la ciudad
que levantan veredas y reclaman lo suyo.
Sus raíces se abrazan como amantes subterráneos
que saben de sueños y pérdidas.

Es extraño estar aquí y oír el grito de las gaviotas
que caen inciertas sobre el agua.
Esperar una barcaza de madera
o la huida del sol en el océano.
Seis y media de la tarde en las riberas del Mapocho;
la inevitable cicatriz de Santiago.

Estos escritos se perderán con el fluir del río
y su eco será como verse en una película absurda
cuyos actores principales han sido dados de baja.


REGELS OVER DE HOES VAN EEN FONOPLAAT VAN STAN GETZ

We kwamen uit de liefde als uit een vliegramp
na het rondzwerven langs motels en eenzame stranden
waar onze sporen verdwenen met de vloed;
dagen en dagen van baden in champagne
en vrijen bij het huilen van de golfslag.
We waren een vreemde soort dieren
die op hun blote lichamen
sapfische imperfecta schreven.
Zo speelden we te geloven dat we de taal beheersten
zoals we dat ogenblik beheersten.

Vandaag verzamelen wij handschriften, jazzplaten, boeken
en die vlam die we wilden ontsteken
gelijk een afvallige die terugkeert tot zijn geloof
en de kaarsen op een geoxideerde kandelaar ontsteekt.

We kwamen uit de liefde als uit een vliegramp
zonder bagage en zonder retourbewijs.


LÍNEAS SOBRE LA CARÁTULA DE UN DISCO DE STAN GETZ

Salimos del amor como de una catástrofe aérea
después de vagar por moteles y playas solitarias
donde nuestras huellas desaparecían tras la marea;
días y días de bañarnos con champaña
y hacer el amor mientras gritaba el oleaje.
Fuimos una rara especie de animales
que escribían sáficos imperfectos
en sus cuerpos desnudos.
Así, jugábamos a creer que dominábamos la lengua
como dominábamos ese instante.

Hoy atesoramos manuscritos, discos de jazz, libros
y esa llama que quisiéramos encender
como un profano que retorna a su creencia
y enciende las velas de un oxidado candelabro.

Salimos del amor como de una catástrofe aérea
sin equipaje ni boletos de vuelta.


TEKST AANGETROFFEN OP EEN TAFEL IN HET RESTAURANT MIRAMAR (QUINTAY)

Als de afgrond met zijn stilte ons niet riep
konden wij Trakl niet lezen, en niet uren die anonieme
grafstenen blijven bekijken die de storm teistert
gelijk de schreeuw van de vogel die de doden begeleidt.
Versregels uit Sebastian im Traum aan het einde van het strand
met drijfzand gelijk schipbreukelingen. Onze tijd
moest eindeloos zijn als het zand van dat strand.
Maar alle as, alle donkenschap, alle duurzaamheid
is overbodig omdat wij vergaan. En op de kust - zoals je weet - duurt
het gestage schouwspel van de golfslag voort. Wij trekken verder
over verspreid gebeente dat de golven van de zee hebben teruggespoeld,
we trekken verder om zoveel deuren te openen,
stalen deuren, houten deuren, onzichtbare deuren,
- innerlijke verhuizing waarvan we ons willen bevrijden -
waar een woord alles met zich neemt wat we hebben kunnen bezitten.


ESCRITO ENCONTRADO EN UNA MESA
DEL RESTAURANTE MIRAMAR (QUINTAY)

Si el abismo no nos llamara con su silencio
no podríamos leer a Trakl, ni permanecer horas
mirando estas lápidas anónimas que golpea la tempestad
como el grito del ave que acompaña a los muertos.
Líneas de Sebastián en sueños al fin de una playa
de arenas movedizas como náufragos. Nuestro tiempo
debería ser infinito como las arenas de esa playa.
Mas toda ceniza, toda embriaguez, toda permanencia
es innecesaria porque perecemos. Y en la costa - como se sabe - sigue
el incesante espectáculo del oleaje. Caminamos
sobre osamentas dispersas que han devuelto las olas del mar,
caminamos para abrir tantas puertas;
puertas de acero, puertas de madera, puertas invisibles,
- mudanza interior de la cual queremos desprendernos -
donde una palabra lleva todo lo que hemos podido poseer.


Francisco Véjar
Vertaling Fa Claes

6-4-08

Charis Vlavianós

Vlavianos

De Griekse dichter Charis Vlavianós (Rome, 1957) is hoofdredacteur van het toonaangevende literaire tijdschrift Poiisi. Hij studeerde economie en filosofie te Bristol en politieke wetenschappen en geschiedenis in Oxford, waar hij ook promoveerde. Hij was in 2000 te gast op Poetry International in Rotterdam. Naast dichter is hij vertaler van onder andere Walt Whitman, John Ashberry en Zbigniew Herbert. Onlangs verscheen bij uitgeverij Ta Grammata in Groningen Na het einde van de schoonheid, een uitgebreide keuze uit zijn poëzie, vertaald en ingeleid door Hero Hokwerda. De onderstaande gedichten zijn afkomstig uit deze publicatie. (Kees Klok)


        BIECHT

De dood
vliegt laag over haar bed.
Zelf kan ze hem niet meer zien.
Maar de vrouw die haar bijstaat ziet hem
en slaat haar ogen neer.
Ze zijn alleen in de kamer.

De vrouw buigt zich over het gezicht,
om de adem te voelen, zich te vergewissen.
Met een vers watje
bevochtigt ze telkens de bleke lippen.

Alles is voorbij.
Maar de vrouw blijft
- zolang ze nog niet weg hoeft
van de drukbezette verpleegsters -
haar hun geliefde sprookje vertellen
(over het knappe meisje enz.
dat na jarenlange omzwervingen enz.
ten slotte beland is in de krachtige omhelzing enz. enz.),
ze blijft,
met weglating- het is ook al over middernacht, trouwens –
van alle vreselijke episodes
(maar die wel een zekere zin verlenen
aan de wanhopige smeekbeden van de heldin),
ze blijft
met dezelfde vaste, lieve stem
haar in het oor fluisteren
(hoe vaak eigenlijk nog?)
het enige verhaal dat ze kent,
het enige verhaal dat ze kan vertellen;

als een moeder die haar kleine dochter in slaap probeert te sussen
- haar kleine dode moeder.


        ROOD/ZWART

Ik ben het kind
dat thuis in de keuken
zijn ouders ruzie ziet maken,
hoe de vader de moeder een klap geeft
en de moeder de watermeloen van het marmeren aanrecht grijpt
en met kracht op de grond smijt,
en hoe die in tweeën splijt
en het sap over de witte tegeltjes loopt.

Ik ben de man
die terugdenkt aan die hete augustusdag,
terugdenkt aan de blik van de moeder
op het ogenblik dat de vader zijn hand hief,
terugdenkt aan haar rood aangelopen gezicht,
de plof, het gesnik, het geschreeuw, het gedreig,
die terugdenkt en - met het potlood van het kind
dat geen weet had, geen weet zou kunnen hebben
van het goedkope melodrama waarin het weldra
de hoofdrol zou spelen - schrijft:

            Bolronde Boeddha
            in lotuszit op tafel.
            Bolronde Boeddha
            in stukken op de grond.
            Ik eet de glimlach op,
            en spuug de tanden uit.


        FIN DE SIÈCLE, MAL DE SIÈCLE

                                    Alle dichters zijn joden
                                    Marina Tsvetajeva, 'Gedicht van het einde'

'Ik ben te jong geboren
in een wereld die al oud was,'
schrijf ik op mijn beurt
terwijl ook ik afscheid neem
van mijn eigen verlamde eeuw
die zich nu ten einde sleept.
Onder haar barbaarse Pompeji's
(Theresienstadt, Treblinka, Timisoara),
naast de verbrijzelde schedels van andersgezinden,
liggen de hoge filosofenladders begraven,
de zonnige dichterwroegingen.

Ik weet dat het lichaam ongeduldig is,
dat het brein tevergeefs tracht
te ontsnappen uit dit kleurloos,
ondeelbaar heden.
Dat de hete tranen der poésie
opdrogen voor ze zich goed en wel hebben gevormd.

                    Maar ik heb liefgehad,
ben liefgehad.

Bij me heb ik jullie,
de lichtende gezichten van mijn leven.
Ik heb geen behoefte aan meer melodramatische stappen,
vriendschapseden,
loopgraafbekentenissen.
Vanaf dit vaste punt
dat ik tot standpunt verkozen heb,
zal ik zien hoe de nieuwe messlassen ten hemel stijgen,
hoe het duister om mij heen zich verdicht.


        TATE GALLERY

                                onder de waakzame blik van R.W.

De trouwe wachter van de kunst
(Indiër uit Bombay,
thans inwoner van Oost-Londen,
die terugverlangt naar de Iron Lady
‘want sorry hoor, maar het land gaat naar de bliksem’)
kijkt vol trots
naar zijn nieuwe witte plastic stappers.
Nu zal hij vrijelijk
de hele dag toezicht kunnen houden
in de grote zaal van de Iste verdieping
zonder haar ook maar enigszins tot last te zijn,
de broze balletdanseres van Monsieur Degas
die op dit ogenblik
een moeilijke pirouette inzet
op zijn strak gewonden tulband.

Voilà!
En dan te bedenken
dat de grote leermeester
(wat hij al niet gedaan heeft voor het gilde
en voor de arme Toulouse),
die vereerder van het vrouwelijk lichaam
dat hij als geen ander bezong,
eens een zeldzame El Greco
gekocht had
- niet (gelukkig niet) de Heilige Petrus -
en daar zijn hele leven geen afstand van deed.
Ja zelfs, zoals zijn nauwste vrienden getuigen,
had hij hem altijd naast zijn smeedijzeren bed
tegen de wand staan,
en wanneer hij ging slapen
koos hij die uit - pas autre! -
om zijn dure broeken overheen te hangen.


        CARNAVALSMAANDAG

Het huidig ogenblik
                                 afgesneden
van zijn onvervalste verleden
                                 afgesneden
van zijn uitgewiste toekomst
(in het besef van zijn innerlijke volheid)
wendt ten slotte zijn transparant gezicht
naar de waarheid.

God
terugverlangend nog
naar de schone dagen van de val
(toen de tweedimensionale eerstgeschapenen
verstrikt in hun noodlottige
tijdloze rol
toekeken hoe de barmhartige Vader
zorgeloos hun ondergang regisseerde)
verlaat zwijgend het toneel.

De ziel
vrij nu
- veelkleurige vlieger
vakkundig uitgebalanceerd –
rijst zegevierend op
                                   ten hemel.


Charis Vlavianós
Vertaling: Hero Hokwerda

11-2-07

Francisco Álvarez Velasco

Francisco Alvarez VelascoFrancisco Álvarez Velasco (Cimanes del Tejar, León, Spanje, 1940) is hoogleraar in de literatuur, dichter, vertaler en columnist. Hij is stichter en uitgever van de website Portal de Poesía. Hij publiceerde o.a. de bundels Tiempo de maldición (Madrid, 1979), Del viejísimo jugo de la tierra (Gijón, 1988) en La hiedra del silencio (Madrid, 1993). Uit het Portugees vertaalde hij van Andityas Soares de Moura Lentus in Umbra (Gijón, 2002). Voor zijn nog niet gepubliceerde bundel Noche werd hem de belangrijke internationale prijs 'Antonio Machado in Baeza' toegekend. De prijs houdt publicatie in van de bundel door Uitgeverij Hiperión in het najaar van 2005. Hieronder vindt u de integrale vertaling van de mini-bundel La hiedra del silencio. (Fa Claes)


DE KLIMOP VAN DE STILTE


DE OGEN

De ziel
vertoont zich met haar
doodssluiers.

En hen beweegt de wind
die het leven aan de andere kant van de spiegel is.

Je roept me naar je toe.


BITTER IS DE LIEFDE BIJ AFWEZIGHEID

Nu deze woestijn mij uit mijn handen groeit,
waar je ogen, waar,
waar je mond,
als de stiltes klimmen.

En waar je hoek
met schaduw, liefste,
om de zee te zoeken
waar het water zal zingen
en het zand doet bewegen en in het zand wegsterft.

Tot daar reikt mijn hand,
liefste, en mij ontgaat de wereld.

En enkel blijft brak spoor, contact koud.


MOOIE MEIMORGENDEN

            Al wat ik verloor
            keert met de vogels weer

                  Jorge Guillén

Je hart omhooggooien in de lucht
zodat er een vogel
door de hemel van
deze blauwe morgen vliegt,
en zingt.

Eén enkele vogel en vrij.


OVERGAVE

Met je schaduw aangeboden
aan de dorst van deze lippen die je zoeken.
Niet anders, liefste.

Met je hoek van vuur.
Precies zo,
met je hoek van schaduw en vuur.

En je oksels zuigen de schaduwen van het niets op.


LEVEN

Een beetje is het leven zo.
Het hangt ervan af aan welke kant
je gaat staan om het te bekijken.

Zoals een wilg die uitloopt
en wakker wordt
met zijn gegons van bijen
want maart komt al
en de donkere portieken
wachten op ons
met hun deur op een kier.


EENZAAM LANDSCHAP MET DORP EN RIVIER

De eenzaamheid is diep
en het riviertje zingt niet,
en geen populierentakken
versieren de deuren al.

Waar zijn de grote lisdodden
die ik sneed langs de rivier
en die ik in de straten strooide
als jij voorbijkwam, alleen?

(Je monstrans straalde
in het diepst van de nachten,
liefste, of in de kern
van die eigenste donderdag.)

Noot. In Spanje was (en is) Sacramentsdag (dat is de donderdag na Drievuldigheidszondag) een grote katholieke feestdag. Processies gaan uit waarin de hostie in een grote monstrans wordt meegedragen en daarna ter aanbidding uitgestald. Deuren en muren werden met takken versierd en de straten werden bestrooid met blaren en stengels van de grote lisdodde.


IN DE VERHEVEN GROT VAN DE STEEN

Als jij je begeerte zwijgt
zul je nooit in de diepe
duisternis van de grot
het goud van zijn lichaam zien
en de sleutel tot de koffer
van zijn ziel zul jij niet bezitten.


ZANDUURWERK

Eeuwen na eeuw de wind,
het water eeuw na eeuwen.

Van de stenen maakten ze
het vuur van deze tijd
dat nu ligt te trillen,
zandkorrel na korrel.

Breng je hartslag in de maat
en wacht op het woord.


DE TEKENS

Som van zoveel afwezigheid!
Als er mist hangt in het geheugen,
ongeveer zo is de dood.

Dit zijn de herinneringen:
mijn handen in de jouwe,
het tafelkleed gespreid,
de lakens aan het luchten,
de stem die je riep,
ogen die naar je keken,
het mos van de stilte,
de tederheid op je schouder,
de nevelige helling in november,
de dromen die we droomden
in de warme buik van de nacht...


LIGGEND LICHAAM

Naar zon en naar lavendel ruik je.
En de mieren van de begeerte zijn op weg
naar het zachtwarme sacrament van je vlees.


GESLOTEN TEMPEL

Ik spreek, ik roep, ik vraag,
ik hef deurkloppers op.

En enkel antwoordt mij
de sluwheid van de stilte van de goden,

en een zucht schemer die vergaat.


VROUW MET MAANUURWERK

In je nachten laat je maanzand
door je vingers glijden.

En je zaait stilte.


DE DODE SPIEGELS

In hun water verrotten
die ogen allemaal
en allemaal die lichamen,
draaikolk van schaduwen
die elkaar ooit bekeken.

De lippen van Narcissus,
de handen van Arnolfini en de buik van zijn vrouw,
de Venus van don Diego,
de bloemslinger van Ofelia,
de gespen van de Zonnekoning,
het purper van die paus Innocentius,
de vergulde kleren die ze droegen...

En het zo droevige stof
van zoveel klatergoud uit de geschiedenis.


RIVIER

Een lichtende vlucht
doorkruist de nacht,
zoals een verre rivier
in de vallei van een droom.

Naar een van zijn oevers
kom je om mij te roepen.


LANDSCHAP MET REGEN

                        Voor Carmina

Waartoe de woorden?
Deze regen en november
maken de stilte diep.

            (Naar mijn oever ben je gekomen
            en een boom geeft ons onderdak.)

Naar lavendel en regen
ruikt de hand die mij zoekt.


LIJKSCHOUWING

Iemand hield hem zijn ogen open
en in zijn binnenste zag je:
lichten van de dageraad,
trage ochtendtreinen,
een boom met zijn schaduw,
de bladerhopen van de herfst,
een gezicht voor de spiegel,
de rijp op de ruiten,
een paar lippen die opengaan,
andere ogen aan het kijken...


HAIKU’S MET MEEUWEN VOOR EVA

Asturias, je zee.
Een meeuw glijdt langs de hemel,
de dag gaat open.

Van over de berg
kiest de meeuw de weg terug.
De dag schuifelt dicht.

Daar, de volle maan!
Een paar vleugels kruisen haar,
de nacht tolt in ‘t rond.

Heldere meinacht.
Groene ogen - groene! - gaan
op zoek naar sterren.


HAIKU’S OVER DE EENZAAMHEID
VAN DE ÓRBIGO VOOR LUZ

De nacht gaat open.
Van de berghellingen daalt
water van de maan.

Op de dakpannen
heeft het mos hoogtij gevierd.
Hier is niemand thuis.

Niemand in de straat,
om de hoek verdwijnt een hond.
Schrale maartse wind.

Meimaand namiddag,
de lavendel staat in bloei.
Op de berg geen mens.


SLOTPAGINA

En waarom geef je niet op...?

De witte bladzijde zul je nooit kunnen vullen
(hier rollen de stenen van de rivier van het niets).

Dat ze vloeien, de woorden,
dat ze gaan en komen,
                        dat ze gaan
van de ene mond naar de andere.
Je zult ze niet willen weerhouden.

Van de ene mond naar de andere!
Je zou hun uitgespreide vleugels kunnen vastspijkeren:
op die manier zouden het water en de woorden sterven
en de lucht van hun vleugels.


LA HIEDRA DEL SILENCIO


LOS OJOS

El alma
se asoma con sus velos
de la muerte.

Y los mueve la brisa,
que es la vida al otro lado del espejo.

Me llamas al encuentro.


AMARGO ES EL AMOR EN LAS AUSENCIAS

Ahora que este desierto me crece por las manos,
dónde tus ojos dónde,
tu boca dónde,
si trepan los silencios.

Y dónde tu rincón
de sombra, amor,
para buscar el mar,
por donde el agua estará sonando
y mueve las arenas y muere en las arenas.

Allá mi mano llega,
amor, y el mundo se me escapa.

Y queda sólo salobre huella, tacto frío.


MAÑANITAS DE MAYO

            Todo lo que perdí
            Volverá con las aves

                  Jorge Guillén

Echar al vuelo tu corazón
para que vaya
un pájaro por los cielos
de esta mañana azul,
y cante.

Un único pájaro y libre.


ENTREGA

Con tu sombra ofrecida
a la sed de estos labios que te buscan.
No de otro modo, amor.

Con tu rincón de fuego.
Así, precisamente,
con tu rincón de sombra y fuego.

Y sorben tus axilas las sombras de la nada.


VIDA

Un poco así es la vida.
Depende de qué lado te pongas
con ternura a mirarla.

Como un sauce cuando brota
y se despierta
con su rumor de abejas,
porque ya viene marzo
y nos esperan
los zaguanes oscuros
con su puerta entrabierta.


PAISAJE DE SOLEDAD CON PUEBLO Y RÍO

La soledad es honda,
y el arroyo no canta,
ni las ramas de chopo
guarnecen ya las puertas.

¿Dónde las espadañas
que segué por el río
y esparcí por las calles,
cuando sola pasabas?

(Tu custodia esplendía
en mitad de las noches,
amor, o en el centro
del mismísimo jueves).


EN LA SUBIDA CAVERNA DE LA PIEDRA

Si callas tu deseo,
en las hondas penumbras de la cueva
nunca has de ver
el oro de su cuerpo
y no tendrás la llave
del arcón de su alma.


RELOJ DE ARENA

Siglo a siglo los vientos,
las aguas siglo a siglo.

De las piedras hicieron
el fuego de este tiempo
que ahora está palpitando,
grano de arena a grano.

Acompasa tus pulsos
y espera la palabra.


LAS SEÑALES

¡Suma de tanta ausencia!
Si hay niebla en la memoria,
un poco así es la muerte.

Los recuerdos son estos:
las manos en las tuyas,
el mantel extendido
las sábanas al aire,
la voz que te llamaba,
ojos que te miraron,
el musgo del silencio,
la ternura en el hombro,
la ladera brumosa de noviembre,
los sueños que soñamos
en el cálido vientre de la noche...


CUERPO TENDIDO

A sol y a espliego hueles.
Y al tibio sacramento de tu carne
caminan las hormigas del deseo.


TEMPLO CERRADO

Hablo, grito, pregunto,
levanto las aldabas.

Y sólo me responde
la astucia del silencio de los dioses,

y un soplo de penumbra que se pudre.


MUJER CON RELOJ DE LUNA

Desgranas en tus noches
arenas de la luna.

Y siembras el silencio.


LOS ESPEJOS MUERTOS

En sus aguas se pudren
aquellos ojos todos,
y los cuerpos aquellos,
remolinos de sombras
que un día se miraban.

Los labios de Narciso,
las manos de Arnolfini y el vientre de su esposa,
la Venus de don Diego,
la guirnalda de Ofelia,
los bucles del rey Sol,
la púrpura de aquel papa Inocencio,
aquellas ropas chapadas que traían...

Y ese polvo tan triste
de tantos oropeles de la historia.


ARROYO

Cruza la noche un vuelo
luminoso,
como un lejano arroyo
en el valle de un sueño.

A una de sus orillas
vienes para llamarme.


PAISAJE CON LLUVIA

                        A Carmina

¿Para qué las palabras?
Esta lluvia y noviembre
hacen hondo el dilencio.

            (A mi orilla has venido
            y un árbol nos cobija.)

La mano que me busca
huele a espliego y a lluvia.


AUTOPSIA

Alguien lo abrió los ojos,
y en su interior había:
luces de amanecer,
lentos trenes del alba,
un árbol con su ombra,
la hojarasca de otoño
un rostro ante el espejo,
la escarcha en los cristales,
unos labios abriéndose,
otros ojos mirando...


HAIKUS CON GAVIOTAS PARA EVA

El mar de Asturias.
Una gaviota vuela,
empieza el día.

De la montaña
regresa la gaviota.
Se cierra el día.

¡La luna llena!
Unas alas la cruzan,
rueda la noche.

Noche de mayo.
Verdes los ojos -¡verdes!-
Buscan estrellas.


HAIKUS DE LA SOLEDAD
DEL ÓRBIGO PARA LUZ

La noche se abre.
De las montañas baja
agua de Luna.

En el tejado
el musgo ha florecido.
Nadie en la casa.

Nadie en la calle,
dobla un perro la esquina.
Viento de marzo.

Tarde de mayo,
el espliego florece.
Nadie en el monte.


PÁGINA FINAL

¿Y por qué no renuncias...?

Nunca podrás colmar la blanca página
(aquí ruedan las piedras del río de la nada).

Que fluyan las palabras,
vayan y vengan,
                        vayan
de unos labios a otros.
No quieras retenerlas.

¡De unos labios a otros!,
Pues podrías clavar sus alas desplegadas:
así, se morirían el agua y las palabras
y el aire de sus alas.


Francisco Álvarez Velasco
Vertaling Fa Clas

21-1-07

Juan José Vélez Otero

Juan José Vélez Otero Juan José Vélez Otero werd in 1957 te Sanlúcar de Barrameda (Cádiz) geboren. Hij studeerde aan de universiteiten van Sevilla en Cádiz. Hij is licentiaat in Engelse Filologie en is momenteel leraar Engels aan een middelbare school. Als dichter staat hij vrij van elke richting in de poëzie. Hij publiceerde zes bundels: Panorama desde el ático (1998), Ese tren que nos lleva (1999), Juegos de misantropía (2002), El álbum de la memoria (2004), La soledad del nómada (2005) en El sonido de la rueca (2005). Elk van die bundels werd bekroond, weliswaar met nationale prijzen. Internationale erkenning (voor Spanjaarden betekent dat op de eerste plaats erkenning in de Spaanssprekende landen van Amerika) heeft hij (nog) niet. Hij geniet bekendheid om zijn verhalen. (Fa Claes)


XIV

Hoe eenzaam staan de schommels op het plein
door wind gewiegd en door de lichte regen.
Als motregen doorweekt in het geheugen
ligt onvermurwbaar tijd over de daken.
Alleen maar schommels staan onder de regen,
alleen maar eenzaamheid, de onverstoorbare
façade vóór onze ogen. En de vergetelheid.
Geen vogels en geen licht, geen witte bloemen,
geen linten met de kleuren van papaver.
Zo eenzaam staan de schommels op het plein
geen kinderen, geen betovering, geen verleden.
De regen op de ondoorgrondelijke façade,
geen licht, geen witte steen, geen blauw rumoer
en geen opschepperig liederengezeur.
De regen van kobalt vóór onze ogen,
de regen van oktober die niet ophoudt.
Achter vitrages staan de silhouetten
van menselijk gedeelde eenzaamheid.


XIV

Qué solos los columpios de la plaza
mecidos por el viento. Y la llovizna.
E1 tiempo inexorable en los tejados
que cala como orvallo en la memoria.
Tan sólo los columpios en la lluvia,
tan sólo la quietud, la imperturbable
fachada ante los ojos. Y el olvido.
Ni pájaros, ni luz, ni flores blancas,
ni cintas del color de la amapola.
Tan solos los columpios de la plaza
sin niños, sin ensueño, sin pasado.
La lluvia en la fachada inescrutable
sin luz, sin piedra blanca, sin rumores
azules, sin ufanas cantinelas.
La lluvia de cobalto ante los ojos,
la lluvia de este octubre que no cesa.
Detrás de los visillos hay siluetas
de humanas soledades compartidas.


© Juan José Vélez Otero, 'XIV' uit: Panorama desde el ático (1998)
© vertaling Fa Claes

Juan José Vélez Otero

BRENG me wijn aan mijn lippen. Mij bezielt geen andere drang
dan de vergetelheid en het geluk van witte korstmossen.

De serene stilte heeft me als stigma getekend
met de lethargie van goden en zwarte poppen.

Breng me wijn aan mijn lippen met de jouwe. (Het geeft niet
dat het glas de kleur heeft van je huid
of van het zoele kristal van je naakte dijen).

Breng me wijn voor de machtige sleutel dat hij
de toegangen opent tot de zee van het constant verlaten.

Breng me wijn rustig aan op de oever van de droom
zo dat ik ze vergeet, zoveel gemiste treinen.


PONME vino en los labios. Ya no tengo otro afán
que el olvido y la dicha de los líquenes blancos.

El sereno silencio me ha marcado en estigma
con letargo de dioses y crisálidas negras.

Ponme vino en los labios con los tuyos. ( La copa
no me importa que sea del color de tu carne
ni del tibio cristal de tus muslos desnudos ).

Dame vino en la llave poderosa que abra
las entradas al mar del constante abandono.

Ponme vino despacio a la orilla del sueño
de tal forma que olvide tantos trenes perdidos.


© Juan José Vélez Otero, 'PONME vino en los labios...' uit: Ese tren que nos lleva (1999)
© vertaling Fa Claes

Juan José Vélez Otero

WAT wil ik nog meer.
Het is in deze tijd moeilijk om te schrijven
over de witte magnolia’s
over de herfstschemeringen,
over lippen van aalbes,
handen van zijde
en halzen als de meiden van Giorgione.

En wat wil ik nog meer
dan over ogen of sterren spreken
of over haren in de wind,
over de bramen van de kinderjaren
over de lege hoeken van de ziel.

Wat wil ik nog meer dan een sonnet voor je te schrijven
en het je sturen als telegram
zelf als dat me een hele
dag werk kost.

Ik was de rekening aan het maken
en de adjectieven klopten niet
zomin als de verplichte accenten;
de verwijzing naar de zoen bleef ouderwets.

Wat wil ik nog meer, liefste,
dan je een droom als geschenk te geven,
dan je een bloemblad cadeau te doen.


QUÉ más quisiera.
Es difícil escribir, en estos tiempos,
de las magnolias blancas,
de los crepúsculos de otoño,
de labios de grosella,
manos de seda
y cuellos de muchachas de Giorgione.

Yo qué más quisiera
que hablar de ojos o de estrellas
o de cabellos al viento,
de las zarzamoras de la infancia,
de los huecos vacíos del alma.

Qué más quisiera que escribirte un soneto
y enviártelo en telegrama
aunque en ello se me fuera
el jornal del día.

Estuve haciendo cuentas
y no me cuadraban los adjetivos
ni los acentos obligados;
quedaba antigua la referencia al beso.

Qué más quisiera, amor,
que regalarte un sueño,
que regalarte un pétalo.


© Juan José Vélez Otero, 'QUÉ más quisiera...' uit: Juegos de misantropía (2002)
© vertaling Fa Claes

Juan José Vélez Otero

IN mijn keuken woont een rode kakkerlak.

Als ik ‘s nachts binnenkom
ontvangt hij me door te vluchten,
en ik, naar gewoonte dronken,
ga op de beige formicastoel zitten
en praat zachtjes tegen hem
met een stem van katoen
en van alcohol uit de kroegen.

Maar hij, geduldig en onbeleefd,
wacht af tot het licht uitgaat
om terug buiten te komen,
met voorbedachten rade en nachtelijk,
om in mijn spullen te gaan snuffelen,
achter mijn rug,
met misprijzen voor mijn teerhartigheid.

Vandaag ben ik ertoe gekomen te denken
dat we onverzoenlijk zijn
en dat er voor ons twee
echt geen plaats is
in dit huis.


EN mi cocina vive una cucaracha roja.

Cuando llego por las noches
me recibe huyendo,
y yo, por costumbre ebrio,
me siento en la silla de formica beige
y le hablo dulcemente
con voz de algodón
y alcohol de tabernas.

Pero ella, paciente e irrespetuosa,
espera a que se apague la luz
para salir de nuevo,
alevosa y nocturnal,
a hurgar en mis cacharros,
obviándome,
despreciando mi ternura.

Hoy he llegado a pensar
que somos incompatibles
y que no hay ya lugar
para los dos
en esta casa.


© Juan José Vélez Otero, 'EN mi cocina...' uit: Juegos de misantropía (2002)
© vertaling Fa Claes

Juan José Vélez Otero

ZOEN mij op mijn mond
met je mond van rozen,
met je mond van mirte,
met je mond van schil van mandarijntje.
Zoen mij op mijn mond
en verjaag mijn droefheid van blikje bij het afval.
Breng me naar de garage,
de dag is koud en ik loop op drie poten.
Zoen mij.
Met uitgehongerde lippen kruip ik in het kacheltje
en rook van de herinnering.
Zoen mij op mijn mond,
kleur je lippen met donker karmijn
en zoen mij op mijn mond
met je mond van schil van mandarijntje.


BÉSAME la boca
con tu boca de rosas,
con tu boca de mirtos,
con tu boca de cáscara de naranja mandarina.
Bésame la boca
y ahuyenta mi tristeza de lata en la basura.
Llévame al garaje,
el día es frío y ando a tres pistones.
Bésame.
Famélico de labios me ato a la camilla
y fumo del recuerdo.
Bésame la boca,
píntate los labios de carmín oscuro
y bésame la boca
con tu boca de cáscara de naranja mandarina.


© Juan José Vélez Otero, 'BÉSAME la boca...' uit: Juegos de misantropía (2002)
© vertaling Fa Claes

Juan José Vélez Otero

TATOEAGE

Doe geen moeite om te vluchten
of om horizonten te zoeken verder weg
dan de bergen.

Speel niet de zoektocht
naar het ongekende land
of naar nieuwe valleien
van vrede
tussen de bergen van de ziel.

De eenzaamheid zal jou moeten vinden
in het meest verwijderde leger,
in het koudste vergeten huis,

want met de zwarte mascara
van haar gezicht
draag je je huid getatoeëerd


TATUAJE

No te esfuerces en huir
ni en buscar horizontes más allá
de las montañas.

No juegues a encontrar
el país desconocido,
ni valles nuevos
de paz
entre los montes del alma.

La soledad te habrá de hallar
en el cubil más lejano,
en la más fría casa olvidada,

pues con la negra máscara
de su rostro
tatuada llevas la piel.


© Juan José Vélez Otero, 'Tatuaje' uit: La soledad del nómada (2005)
© vertaling Fa Claes

Juan José Vélez Otero

LAATSTE BEZIGHEID

            Ik ben moe van te dromen
            maar ben het dromen niet moe

            F. Pessoa

Verbrand de foto’s uit je albums
als je die hebt,
en sla in je huis de spiegels stuk.

Sluit je kasten met hun sleutels
en gooi die in de put van de vergetelheid.

Dat je buren het licht
in je ramen niet zien,
en dat geen twijfelberichten
met de rook door de schouw naar buiten gaan.

Verhuis naar een nieuwe plek en blijf
op jouw beurt het verschil gadeslaan
tussen de mens en zijn droom om meer leven.

Je zult rustig en alleen terugkeren
om door de vreemde straten te wandelen,
want je troebel gezicht van tweederangsacteur
mag je niet verraden.

De deuren naar het podium
gaan een zeldzame keer open.

Ontdoe je voor altijd van het draaiboek
en presenteer op het dienblad je bloedende hoofd.

Dat wat kon zijn is niet geweest.


ÚLTIMO ASUNTO

             Estoy cansado de haber soñado
             pero no cansado de soñar

             F. Pessoa

Quema las fotos de los álbumes,
si tienes,
y rompe los espejos de la casa.

Cierra los armarios con sus llaves
y tíralas al pozo del olvido.

Que tus vecinos no vean
la luz en las ventanas,
ni salgan mensajes de duda
con el humo de tu chimenea.

Cámbiate a un nuevo lugar y sigue
contemplando a tu vez la diferencia
entre el hombre y su sueño de más vida.

Volverás tranquilo y solo
a pasear por las calles extrañas,
pues no te habrá de delatar
tu rostro turbio de actor secundario.

Las puertas a escena
pocas veces se abren.

Deshazte para siempre del guión
y exhibe en la bandeja tu cabeza sangrante.

Lo que pudo ser no ha sido.


© Juan José Vélez Otero, 'Tatuaje' uit: La soledad del nómada (2005)
© vertaling Fa Claes

Juan José Vélez Otero

DE druiven, klare amber van september,
zijn druppels van kristal geelbruin en goud,
zijn lampen van de zon en van de schaduw
die aan de stilte hangen: licht en stof.

Tekens zijn het dat de zomerdoodsstrijd
uit de diepte het duistere hart der wortels
aan de aarde opdraagt in een vertraagde
gewillige bevalling harmonieus.

Zacht in de perserijen zingt de stem
van schaduw reeds aanwezigheid van herfst.


LAS uvas, claro ámbar de septiembre,
son gotas de cristal tostado y oro,
son lámparas de sol y de rocío
que penden del silencio: luz y polvo.

Son signos que el estío en su agonía
ofrece hasta la tierra desde el hondo,
oscuro corazón de las raíces
en dócil parto lento y armonioso.

La dulce voz de sombra en los lagares
ya canta la presencia del otoño.


© Juan José Vélez Otero, 'LAS uvas...' uit: El álbum de la memoria (2004)
© vertaling Fa Claes

Juan José Vélez Otero

HET LICHT VAN HET HEIMWEE

Als het niet nacht was
ging ik naar buiten om toekomst te zoeken,
ging ik naar buiten
om naakt tussen de bomen
het natuurlijke tegengif
tegen de hulpeloosheid te zoeken.

Als het niet nacht was
zou alles anders zijn: de onschuld,
de kleur, het huis, de spiegels,
het strenge licht van de kaden,
de niet weg te krijgen stem van de koorts,
het eindeloze zingen van de krekels.

Ik hoefde de halsstarrige en droge slag
van de tijd die me bewoont
niet met stilte te verkondigen.
Het geheugen is een opgezette vogel
die naar het niets kijkt
vanuit zijn mutisme,
het vasthoudende en herhaalde gif,
herhaald
en vasthoudend, het gif van het heimwee.

Anders zou het zijn als het niet nacht was,
maar in de vaas zette ik de uren al
te gisten die met de slaap ervandoor gingen
en ons alleen lieten toasten
in het voorportaal
met een glansloos glas van hun wijn.

Anders zou het zijn.
Nooit herinnerde ik me een gelukkig heden,
hoewel ik het verleden
in zijn licht gelukkig acht.

Als het niet nacht was
ging ik naar buiten om de schepen schoon te branden
van deze loden nostalgie.

Het is me een raadsel of de doden
het gebrek aan leven ondervinden.


LA LUZ DE LA NOSTALGIA

Si no fuera de noche
saldría a buscar futuro,
saldría a buscar
desnudo entre los árboles
el antídoto fugaz
contra el desamparo.

Si no fuera de noche
todo sería diferente: la inocencia,
el color, la casa, los espejos,
la luz severa de los muelles,
la voz irreductible de la fiebre,
el canto interminable de los grillos.

No debiera proclamar con el silencio
el golpe seco y pertinaz
del tiempo que me habita.
La memoria es un pájaro disecado
que mira hacia la nada
en su mutismo,
el veneno tenaz y reiterado,
reiterado
y tenaz de la nostalgia.

Sería diferente si no fuera de noche,
mas ya puse en la vasija a fermentar
las horas que se fueron con el sueño
y nos dejaron brindando solos
en el porche
con un vaso apagado de su vino.

Sería diferente.
Nunca recordé un presente feliz,
aunque estimo el pasado
en su luz como dichoso.

Si no fuera de noche
saldría a quemar las naves
de esta plomiza nostalgia.

Me pregunto si los muertos
echan de menos la vida.


© Juan José Vélez Otero, 'La luz de la nostalgia' uit: La soledad del nómada (2005)
© vertaling Fa Claes

Juan José Vélez Otero

BRIEF AAN KARIA

Geliefde licht, liefste, ochtendklare Helena,
Persephone van zon, zachtheid van Styx:
De avond valt
en de deemstering likt hier
de vloeibare vensters van mijn schaduw,
het zijn de laatste stralen van deze oktoberavond
in een dorp in het zuiden, rachitisch en meedogend.
De kruiken staan leeg
en bedolven onder het stof van de stilte.
Wel vergat ik de wijn van Cyprus
en vandaag vecht ik tegen de herinnering
en zoek een antwoord dat nooit komt,
dat nooit daagt
want donker zijn de wegen van de vermoeidheid.
Mijn geliefde licht, Aphrodite der deemstering,
sterfelijke bode van de schoonheid,
vandaag klink je opnieuw en plots
in het lege slakkenhuis van deze verliefde vergetelheid.
Ulysses keerde weer maar leeft leeggelopen.
Je had de geur van de blaren van de vijgenboom
en was mooi als de bloem van de vijgencactus.
Ik zag je dijen schitteren op de stranden van de Egeïsche Zee
en je haren slieren in de vleugen westenwind.
Je droeg in je borsten
de naakte stevigheid van kweeperen uit Efese.
Ik keerde bij het kraaien van de haan naar mijn land terug
en liet je naakt en bevend achter
tussen blauwe bloembladen van stilte.
Gezuiverd en woordloos ging ik scheep
naar de stilte van deze wijngaarden
die rood worden in de herfst.
En bevend liet ik je achter,
en bleef slaaploos; snel vluchtend en verward.
Mij blijven geen boden over die je deze verzen brachten
of die je landerijen met olijven en pistaches bezochten,
geen boden blijven me over om mijn pijn naar je
marmeren tempels en je gele manen te sturen.
Kind van mijn zoenen, het is oktober hier
en de nederige distels beginnen uit te lopen,
de wijngaarden kleuren rood en de blaren van de wingerds
vallen op de grond en de wind voert ze naar de regen die ze laat rotten,
zoals deze verzen die nooit tot de drempel van je ogen kunnen komen,
die je nooit zult kunnen lezen onder de schaduwfrontons van de cipressen in Griekenland.


CARTA A KARIA

Amada luz, amor, amanecida Helena,
Perséfone de sol, dulzor de Estigia:
Cae la tarde
y aquí lame el crepúsculo
las líquidas ventanas de mi sombra,
es el último sol de esta tarde de octubre
en un pueblo del sur raquítico y misericorde.
Los jarros están vacíos
y cubiertos del polvo del silencio.
Olvidé ya el vino de Chipre
y hoy lucho contra el recuerdo
y busco una respuesta que nunca viene,
que no amanece nunca
pues son oscuras las sendas del cansancio.
Mi querida luz, Afrodita del crepúsculo,
mensajera mortal de la belleza,
hoy suenas de nuevo y de repente
en las caracolas vacías de este amoroso olvido.
Ulises volvió pero vive vacío.
Tenías el olor de las hojas de la higuera
y eras bella como la flor de la tuna.
Vi arder tus muslos en las playas del Egeo
y tu pelo volar con los vientos del Céfiro.
Llevabas en los pechos
la dureza desnuda de los membrillos de Éfeso.
Salí de regreso a mi tierra con el canto del gallo
y te dejé desnuda y temblando
entre pétalos azules de silencio.
Purificado y mudo tomé mis naves
hacia el silencio de estas viñas
que enrojecen en otoño.
Y te dejé temblando,
y me quedé sin sueño; fugaz y extraviado.
No me quedan mensajeros que te lleven estos versos
ni que visiten tus tierras de olivos y pistachos,
no quedan mensajeros para enviar mi pena
a tus templos de mármol y lunas amarillas.
Pequeña de mis besos, aquí es octubre
y empiezan a nacer los cardos humildes,
las viñas enrojecen y las hojas de las parras
caen al suelo y se las lleva el viento hacia la lluvia que las pudra,
como a estos versos que nunca han de llegar al umbral de tus ojos,
que nunca has de leer bajo los frontones de sombra
de los cipreses de Grecia.


© Juan José Vélez Otero, 'Carta a Karia' uit: La soledad del nómada (2005)
© vertaling Fa Claes

26-11-06

Benjamín Valdivia

Benjamín Valdivia Benjamín Valdivia werd in 1960 in Aguascalientes, Mexico, geboren. Hij is corresponderend lid van de Academia Mexicana de la Lengua en van de Academia Norteamericana de la Lengua Española. Hij is doctor in de Filosofie en de Pedagogie. Hij is professor aan de Universiteit van Guanajuato en is beroepsmatig verbonden geweest aan universiteiten in Canada, de Verenigde Staten en Spanje. Hij publiceerde poëzie, romans, verhalen, toneelstukken, essays en vertalingen (uit het Frans, Engels, Portugees, Italiaans, Duits en Latijn) in verschillende Mexicaanse en buitenlandse media. Bekende essaybundels zijn Indagación de lo poético (Tierra Adentro, 1993; 2ª ed. 2001), Nuevas meditaciones cervantinas (UAQ, 1997), Breviario del unicornio (Verdehalago, 1998), Argumentos para la retórica (Desierto, 1999) en Historia de la literatura guanajuatense (Ediciones La Rana, 2001). Hij is lid geweest van het Sistema Nacional de Investigadores en bursaal van het Fondo Nacional para la Cultura y las Artes (México). Hij publiceerde twee romans: El pelícano verde (Ediciones Castillo, 1989; Primer Premio Internacional "Nuevo León") en Veleidades de Numa Fernández al caer la tarde (Ediciones La Rana, 1999; Primer Premio Nacional "Jorge Ibargüengoitia"). Zijn poëtische productie is zeer uitgebreid en werd herhaaldelijk bekroond. In het jaar 2000 verschenen van hem de bundels Los ojos del espejo, Itinerario de espuma, Llegar desde la Tierra en Cantos Prohibidos. Verder verschenen Manual para las tierras fugaces (2001), Inscripciones en la piedra (2004) en Paisajes transparentes (2005). Hij is een graag geziene gast op allerlei literaire en culturele manifestaties. Werk van hem werd reeds vertaald in het Engels, Frans, Portugees. (Fa Claes)


GELIEFDEN

Langs ongekende koers leggen de geliefden
hun weggetje aan.
Te voet volgen ze het licht dat hen vooruit bestemt
en reeds weten ze wat te doen.
Over hen wordt gesproken in de stille
luidsprekers van de hemel.
Allen hier en ginder
komen te voorschijn om hen in de steen te bekijken.
De engelen kijken elkaar aan zonder hun zenuwachtigheid uit de weg te gaan,
de transcendente wezens zouden hen willen waarschuwen.
Maar de geliefden gaan voort met
het genieten van elkanders ziel in datgene wat de zee
ten einde voert.

Om ze te kunnen bekijken
blijft op straat het volk staan.


AMANTES

Por un rumbo desconocido los amantes
construyen la vereda.
Siguen a pie la luz que los designia
y ya saben qué hacer.
Se habla de ellos en los altoparlantes
silenciosos del cielo.
Todos aquí y allá
se asoman a mirarlos en la piedra.
Los ángeles se miran sin evitar el nerviosismo,
los seres trascendentes los quisieran alertar.
Mas los amantes siguen
disfrutándose el alma en lo que el mar termina.

El vulgo por la calle se detiene
por poderlos mirar.


© Benjamín Valdivia, 'Amantes' uit: Paseante solitario (1997)
© vertaling Fa Claes

Benjamín Valdivia

MNEMOSYNE

O, Mnemosyne,
als je je hoofd naar het dak draait
krijgen we nog eens die laag om laag gelegde
zonnestralen in de vacht
van de bomen.

Als je ogen opnieuw vol bewondering naar het droge stroompje kijken
zullen heel kleine hellingen
weer tot leven komen bij het elkaar oproepen.

Als je weer in mijn hart komt kijken
zal een of andere slapende liefde
je de structuren van oneirische spiegels tonen
en de vogels van gindse vroege dageraden
zullen de wereld de naam teruggeven
die wij verloren.


MNEMOSINE

Oh, Mnemosine,
si vuelves la cabeza hacia el tejado
tendremos otra vez aquellos rayos
de sol entreverados en el pelo
de los árboles.

Si tus ojos admiran de nuevo hacia el arroyo seco
minúsculas vertientes
renacerán al evocarse.

Si vuelves a mirar en este pecho,
algún amor dormido
te mostrará las estructuras de oníricos espejos
y las aves de aquellas madrugadas
devolverán al mundo el nombre
que perdimos.


© Benjamín Valdivia, 'Mnemosine' uit: Paseante solitario (1997)
© vertaling Fa Claes

Benjamín Valdivia

WATER VAN VANDAAG

Naar we lezen in het harde testament
van de spiegel
is er elke dag ruimte te over in de dingen van gisteren
en ontbreekt ze in die van morgen.
Nieuwe lijnen doorsnijden onze droefheid
en het voortvluchtige uur
waarin de liefde een vleug vuur
over ons blies
loopt in de schaduw van wat voorbij is.
Weinig bladeren blijven over
aan de hoop.
En de herinnering aan vroegere rijkelijke vruchten
fladdert in haar as als ik achterom kijk.

Ik wil die drinken, en de dag
gelijk het water in een gebroken kommetje
glipt uit mijn hand.


AGUA DE HOY

Según leímos en el duro testamento
del espejo,
sobra espacio cada día en lo de ayer
y falta de mañana.
Trazos nuevos nos surcan la tristeza
y la fugada hora
en la que el amor un hálito de fuego
sopló sobre nosotros
corre a la sombra de lo ido.
Pocas hojas le quedan ya
a la esperanza.
Y un recuerdo de antiguos opimos frutos
revuela en la ceniza si miro para atrás.

Quiero beberlo y el día,
como el agua en un cuenco roto,
resbala de la mano.


© Benjamín Valdivia, 'Agua de hoy' uit: Temporadas perdidas (1998)
© vertaling Fa Claes

Benjamín Valdivia

WAZIG, ONBEPAALD

Wazig, onbepaald, volgzaam
zoals tussen de kruiden
van de hallucinatie
ieder wezen wazig langskomt,
onbepaald de morgen,
volgzaam alle stilstaande materie.

En in de serene mistigheid van het beeld
bouw ik het heldere terug op,
begrens ik het specifieke:
de subtiele spelonk, de geparfumeerde orde,
het sprakeloze labyrint van het oor,
zijn gevoelige oorbel van minerale liefdesdranken.

Uit mij stel ik wat jij zou zijn opnieuw samen
in de nevel van het geziene
in de tijd waarin je bepaald was
als wazig en zo volgzaam.


BORROSA, INDEFINIDA

Borrosa, indefinida, dúctil
igual que entre las hierbas
de la alucinación
pasa borroso todo ser,
indefinida la mañana,
dúctil toda materia detenida.

Y en la brumosidad serena de la imagen
reconstruyo lo claro,
acoto lo específico:
la caverna sutil, el orden perfumado,
el mudo laberinto de la oreja,
su sensible arracada de filtros minerales.

Recompongo de mí lo que tú seas
en la neblina de lo visto
en el tiempo en que fuiste
de borrosa y tan dúctil definida.


© Benjamín Valdivia, 'Borrosa, indefinida' uit: Cantos prohibidos (2000)
© vertaling Fa Claes

Benjamín Valdivia

VAN VLUG VOORBIJE TIJD

Behalve je ogen schenk je me
deze verboden zangen
(die aan de andere kant van de wereld
jou eveneens toebehoren).

Ik zit naar je te kijken en opnieuw te bekijken.
En zo trouw klaar ik jou op:
regen van vlug voorbije tijd.

Stormen van het beslotene
om hier te houden.

Voor je onderworpenheid en verrukking
opnieuw het universum: nogmaals
water van de zang
voor je mooiste droom.


DE RAUDA TEMPORADA

Además de tus ojos tú me entregas
esos cantos prohibidos
(que por el otro lado del mundo
también te pertenecen).

Es que te miro y te remiro.
Y te escampo tan fiel:
lluvia de rauda temporada.

Tormentas de lo íntimo
para tener aquí.

Por tu sometimiento y gozo
de nuevo el universo: otra vez
agua del canto
por tu sueño mejor.


© Benjamín Valdivia, 'De rauda temporada' uit: Cantos prohibidos (2000)
© vertaling Fa Claes

Benjamín Valdivia

OUD HUIS

Water van god of van de duivel, de materie
die ons lichaam vormt, barst uiteen
gelijk het oude huis
der herinnering.

De sikkel van ieder ogenblik
haalt onze inspanning overhoop.

De vogels trekken en keren terug
- net als wijzelf -
altijd achter de warmte aan.


CASA VIEJA

Agua de dios o del diablo, la materia
que forma nuestro cuerpo se cuartea
como la casa vieja
del recuerdo.

La hoz de cada instante
trasiega nuestro esfuerzo.

Los pájaros emigran y regresan
—al igual que nosotros—
persiguiendo el calor.


© Benjamín Valdivia, 'Casa vieja' uit: Manual para las tierras fugaces (2001)
© vertaling Fa Claes

Benjamín Valdivia

GEEN RUST ZUL JE KENNEN

Bij leven zul je geen rust kennen.
De grote blaren van een eindeloze varen gaan zich te buiten op je bed van gloeiende keien.
Er is geen uitweg als je in de as van je gezicht naar je merktekens zoekt, naar het lichtste spoor van je naam. Op de oever kronkelen de uren gelijk woedende honden in hun eigen schuim.
De eenzaamheid is altijd het beste gesternte.
Het arctische gezwoeg van een verderop gelegen maan strekt zich uit naar de schaduw van de nacht, houdt zich schuil om de trekkingen van je doodsstrijd te bespieden. De nacht is de razernij van de zon aan de andere kant van de planeet: openlijke hoogmoed die je nooit voldoet. Onder arrest in de hoek van het kwaad zie je de beesten bedaard gloeiende kopal roken terwijl met horten en stoten het vastgestelde uur nadert.


NO TENDRÁS CALMA

No tendrás calma mientras vivas.
Las grandes hojas de un helecho infinito se desbordan sobre tu cama de guijarros ardientes.
No existe escapatoria cuando buscas en la ceniza tu rostro, tus señales, la huella más tenue de tu nombre. Las horas se revuelcan en la orilla como perros furiosos en su propia espuma.
La soledad es siempre la mejor estrella.
Los árticos desvelos de una luna ulterior se tienden a la sombra de la noche, se ocultan para espiar tus movimientos agónicos. Es la noche la ira del sol al otro lado del planeta: redonda soberbia que jamás te alcanza. Detenido en la esquina del mal, miras las bestias fumar pausadamente una brasa de copal mientras viene a tropezones la hora señalada.


© Benjamín Valdivia, 'No tendrás calma' uit: Inscripciones en la piedra (2004)
© vertaling Fa Claes

Benjamín Valdivia

WAARHEEN VLIEGT EEN VOGEL ZONDER OGEN?

Waarheen vliegt een vogel zonder ogen? Hoogten die andere zagen aankomen zullen hem niet zien.
De afgronden behoren hem toe, zelfs in de lucht.
Door ogen afgronden vogel die er niet toe kwam te zijn wat de vogels zijn. Bijna gelijk die honden, degene die ook wij zijn met andere afgronden erkend als ogen, als woorden.
In de vlucht komt hij dichter bij de vreugdevuren van een droombeeld dat niet aan hem beantwoordt: hij raakt de warmte in de constante eindigheid van zijn mobiliteiten. Maar zijn register kent geen koers in de boeken van de doorzichtigheid.
Hij raakt aan een punt en gaat weg zonder te weten van welk punt hij zich terugtrekt.
Op een morgen zullen we hem in de ruit vastgevroren zien. Om toe te geven dat ook ons uur is gekomen.


¿A DÓNDE VUELA UN PÁJARO SIN OJOS?

¿A dónde vuela un pájaro sin ojos? Alturas no lo verán que vieron otros llegando.
Los abismos son suyos, hasta en el aire.
Por ojos abismos, pájaro que no llegó a ser lo que los pájaros son. Casi como estos perros, estos que somos también con otros abismos reconocidos como ojos, como palabras.
En el vuelo se acerca a las fogatas de un ensueño que no le corresponde: toca el calor en la constante finitud de sus movilidades. Pero no tiene rumbo su registro en los libros de la transparencia.
Toca un punto y se va, sin saber de qué punto se retira.
Una mañana lo veremos congelado en el cristal. Para reconocer que ha llegado nuestra hora también.


© Benjamín Valdivia, '¿A dónde vuela un pájaro sin ojos?' uit: Inscripciones en la piedra (2004)
© vertaling Fa Claes

Benjamín Valdivia

ABSORPTIE

Nooit was ik hier.
Maar vandaag herken ik
de poorten van de hemel.

Iets wat niemand ziet.
Muziek ontstaan in de
achtergrond van het water.

Ik beklim met sprongen
de absorptie:

de wolken zijn vleugels van jaspis
van een eindeloze vogel.


ABSORCIÓN

Jamás estuve aquí.
Pero este día reconozco
las puertas del cielo.

Algo que nadie ve.
La música nacida en
el trasfondo del agua.

Subo a saltos la senda
de la absorción:

las nubes son alas de jaspe
de un pájaro infinito.


© Benjamín Valdivia, 'Absorción' uit: Paisajes transparentes (2005)
© vertaling Fa Claes

Benjamín Valdivia

WIST JE?

Wist je, Maria Eugenia,
dat de zang van oudere vogels wijzer is?

Kende je al de volgende golf:
die dezelfde is van gisteren en van veel tijdperken?

Wist je dat deze straling
niet de weerschijn is van een ver licht
maar een schitterende bron?

Er zijn dingen die je niet beantwoordt.
Ik weet het.

En nu, zoals toen,
weet ik ook dat er in deze wereld dingen bestaan
die ik je niet zal hoeven vragen.


¿SABÍAS?

¿Sabías tú, María Eugenia,
que es más sabio el canto de los pájaros más viejos?

¿Conocías ya la ola próxima:
que es la misma ola de ayer y la de muchas edades?

¿Sabías que este fulgor
no es el reflejo de una luz lejana
sino fuente brillante?

Hay cosas que no responderías.
Yo lo sé.

Y ahora, como entonces,
también sé que existen cosas de este mundo
que no habré de preguntarte.


© Benjamín Valdivia, '¿Sabías' uit: Paisajes transparentes (2005)
© vertaling Fa Claes

Benjamín Valdivia

DE ZON VRAAGT GEEN LOF

De zon vraagt geen lof om dit
al te grote verlangen bij te lichten.
En de regen eist geen feestelijkheden
wanneer hij je vreugde en je haar nat maakt
boven andere plaatsen in de wereld.
Maar ik loof de zon
en vier de regen,
de zang van de lucht trosvol harmonieën
die alleen kunnen bestaan wanneer we
je voldoening schenkende leeftijd horen lachen
terwijl mijn duistere perceptie je zoent.
Van aarde of vuur zijn de dingen
een eerbiedige kroon van natuurlijke slaap.
Boven hen, naast hen, voer jij
de hoogste rang van de koets van je lichaam.
Ik loof en vier het festival van de dingen,
hun vreugde zo bijna gelijk aan mijn vreugde
onder de zon of de regen.
De kruimels van de tijd zijn er voor de anderen:
dat ze met droefheid korsten oud brood verdelen,
hebzucht, innerlijke ouderdom of zwartgalligheden.
Wij leggen de route van het nieuwe af,
de karigheid van een geheim
dat zich aan het licht vertoont.


EL SOL NO PIDE ALABANZAS

El sol no pide alabanzas por
alumbrar este deseo demasiado.
Ni la lluvia nos exige celebraciones
cuando humedece tu alegría y tu cabello
sobre otras partes del mundo.
Pero yo alabo al sol,
yo celebro la lluvia,
el canto del aire arracimado de armonías
que sólo saben ser cuando se escucha
reír tu edad satisfactoria
mientras te besa mi percepción oscura.
Las cosas son de tierra o fuego
una reverencial corona de sueño natural.
Sobre ellas, junto a ellas, conduces
el rango superior del carruaje de tu cuerpo.
Alabo y celebro el festival de las cosas,
su alegría tan casi semejante a mi alegría
bajo el sol o la lluvia.
Las migajas del tiempo se dan para los otros:
que repartan mendrugos con tristeza,
codicia, senectud interior o pesimismos.
Nosotros recorremos la ruta de lo nuevo,
la parsimonia de un secreto
que se asoma a la luz.


© Benjamín Valdivia, 'El sol no pide alabanzas' nog onuitgegeven
© vertaling Fa Claes

25-11-05

Nikiforos Vrettakos

Nikiforos Vrettakos (1912-1991) was een van de belangrijkste Griekse dichters uit de 20e eeuw. Lange tijd woonde hij in Piraeus en Athene. Tijdens het kolonelsbewind (1967-1974) verbleef hij in vrijwillige ballingschap buiten Griekenland. Na de val van de junta keerde hij terug en vestigde zich in zijn geboortestreek Lakoneia, waar in 2000, in de bibliotheek van de hoofdstad Sparta, het Vrettakosarchief werd geopend. Het werk van Vrettakos is in vele talen vertaald, maar bleef in Nederland vrij onbekend. In de Spiegel van de Griekse Poëzie van Warren en Molegraaf is slechts één gedicht van hem te vinden. Onderstaande vertalingen, op De Dinosauriërs na, verschenen eerder in De Tweede Ronde, zomer 2004. (Kees Klok & Stella Timonidou)


            Het wordt avond

Het wordt avond in de wereld, de ramen gaan dicht,
het licht wordt ontstoken en zo wordt de vreemde kamer
de wereld. De paar boeken die ik heb komen
en gaan, ze doorkruisen de ruimte
alsof het aardige lieden zijn met brood,
water, fruit, medicijnen in hun handen.
En een van hen blijft 's nachts dicht bij me,
geopend op de bladzijden waar mijn ogen zich sluiten,
bovenop mijn deken - een voorovergevallen
beschermengel die luistert naar mijn hart.


Copyright vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou

Nikiforos Vrettakos

            De treinen

De treinen nemen mij nu en dan mee en brengen me weer terug,
als een banneling van wie ze niet weten waar ze hem moeten achterlaten,
als een arrestant die ze in geen enkele gevangenis vertrouwen
- een arrestant die zijn misdaad niet kent,
behalve dat droefheid om het leven een misdrijf is, behalve
dat het hart dat liefheeft zijn verstand is kwijtgeraakt.

De seinwachters geven het spoor vrij,
de treinen rijden over de grenzen naar ginds
en over de grenzen naar hier en ik zit altijd aan het raam
terwijl ik reis. De conducteurs controleren mijn
papieren terwijl ze oplettend kijken naar
mijn diepgerimpelde gezicht
vol handtekeningen en stempels: 'gaat u maar...'
En ik ga verder tot ik weet niet waar, wanneer
en hoe de grote stationschef mijn paspoort inneemt.


Copyright vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou

Nikiforos Vrettakos

           De voorbereiding van het lied

Al mijn dagen eindigen zo:
met een glas vol verdriet in mijn hand.
De olie van de machine is het die de kleuren
    maakt.
De witte wol die de plattegrond van een
stad weeft. De schaar van een engel
die het zwarte zwijgen in oneindige maten
muziek knipt. Die met witte snaren
pentagrammen in de afgrond kerft.

Elke avond worstel ik op de rand
met de dood, bijna hangend, maar toch
rechtop, terwijl ik sta op het scherp
van een scheermes. Het glas in mijn hand
is altijd vol. Mijn hart
    werkt op vuur.


Copyright vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou

Nikiforos Vrettakos

            De dinosauriërs

Om ons heen alleen nog maar ijzer en beton, die
blootgelegde botten van de geest. Alles wat glinsterde
heb ik door de poorten van de steden zien vertrekken -
een stroom vluchtelingen. En ik heb mijn idee
van liefde zien wegzinken in een zee van bloed.
Ik ontdekte dat ik tevergeefs op mijn trommel sloeg
en dat het gesprek als wind tegen de wind was.
De straatnaamborden in de steden:
'Weg naar Verwoesting!' Kudden monsters
trekken over de aarde, wapens nemen de plaats
in van de wil der volkeren, dwingen
dichters te zwijgen, schuiven de filosofen terzijde.
De nieuwe dinosauriërs zetten de mens af, zij volgen hem op
zoals hij hen op onze planeet ooit zelf opvolgde.
Maar in ons moet op zijn minst nog wel één
druppel licht over zijn van de prachtige morgen
die geschapen werd door de dromen van heiligen. En toch,
God kan alles vergeven
behalve de teloorgang van een dichter
die zich zou neerleggen bij zijn lot.
                                                   Laat de zon niet zien
dat de laatste van zijn wachters zijn wapens overgeeft.


Copyright vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou

27-9-05

Francisco Álvarez Velasco

Francisco Alvarez VelascoFrancisco Álvarez Velasco (Cimanes del Tejar, León, Spanje, 1940) is hoogleraar in de literatuur, dichter, vertaler en columnist. Hij is stichter en uitgever van de website Portal de Poesía. Hij publiceerde o.a. de bundels Tiempo de maldición (Madrid, 1979), Del viejísimo jugo de la tierra (Gijón, 1988) en La hiedra del silencio (Madrid, 1993). Uit het Portugees vertaalde hij van Andityas Soares de Moura Lentus in Umbra (Gijón, 2002). Voor zijn nog niet gepubliceerde bundel Noche werd hem de belangrijke internationale prijs 'Antonio Machado in Baeza' toegekend. De prijs houdt publicatie in van de bundel door Uitgeverij Hiperión in het najaar van 2005. (Fa Claes)


            De luchten, het haar

Om tot bij je te komen:
tot aan de heuvelrug geraken
en de geur van je haar opsnuiven,
waar de zon al onderging
en de luchten kruisten.

In halfdonker lig je nu
rustig,
            je negeert de tijd
en de zachte stap van de dood.

En de zon?
Verder weg dan de heuvels.
En de wind?
                   Aan het fluisteren in de vallei.

Francisco Álvarez Velasco, uit: Noche (Nacht)
Copyright vertaling © Fa Claes


            De dode spiegels

In hun water verrotten
die ogen allemaal
en allemaal die lichamen,
draaikolk van schaduwen
die elkaar ooit bekeken.

De lippen van Narcissus,
de handen van Arnolfini en de buik van zijn vrouw,
de Venus van don Diego,
de bloemslinger van Ofelia,
de gespen van de Zonnekoning,
het purper van die paus Innocentius,
de vergulde kleren die ze droegen ...

En het zo droevige stof
van zoveel klatergoud uit de geschiedenis.

Francisco Álvarez Velasco, uit: La hiedra del silencio (De klimop van de stilte)
Copyright vertaling © Fa Claes

Zoeken

Colofon

Onder redactie van Chrétien Breukers en Ton van 't Hof. Vaste medewerkers: Fa Claes en Kees Klok. Reacties onder eigen naam of dichterspseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Brakke Verslog

Elders

Google Nieuws

Pagina's

Adverteren?

De Contrabas wordt meer dan 40.000 keer per maand bekeken. Wilt u ook tegen gunstige tarieven adverteren? Neem dan contact met ons op >> email

FeedCount

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005