Dichters S

18-5-08

Fivos Stavridis

Fivos Stavridis (1938) werd geboren in Larnaka. Hij studeerde voor apotheker. Sinds 1995 houdt hij zich uitsluitend bezig met literatuur. Hij publiceerde drie gedichtenbundels. Samen met Lefteris Papaleontiou en Savvas Pavlou schreef hij Bibliografía Cypriakís Logotechnías, een bibliografie van de Cypriotische literatuur vanaf Machairas tot heden. Ook schreef hij de Bibliografía Cypriakís laikís piïsis, een bibliografie van de Cypriotische volkspoëzie en publiceerde hij Filládes kai aftotelís ekdósis 1884-1960, een collectie oorspronkelijke teksten uit de volkspoëzie.

Hij is redacteur van het culturele tijdschrift O Kyklos en hij publiceert in samenwerking met Lefteris Papaleontiou het blad Mikrofilologiká. Van zijn hand verscheen eveneens een aantal essays over de Cypriotische literatuur van de 19e en 20e eeuw. De gekozen gedichten zijn afkomstig uit zijn (tweede) bundel Tríto Prósopo (1982). Zij werden vertaald door Hero Hokwerda en eerder opgenomen in de bloemlezing Wij wonen in een taal, Brugge 2004. (Kees Klok)


    De symmetrie van de kosmos

Alles heeft een plaats in de symmetrie van de kosmos

Het rode overhemd van de namiddag
geweekt in de dorst van het vasteland
naast een naakt meisje dat ligt te zonnebaden

klanken die vervliegen in het licht

de oude vrouw die eens haar zoon te betreuren had
en nu zelfs niet hoopt op de dood
kijkend naar een hond die doelloos rondzwerft in de buurt

de jaren niet door ons verwacht maar toch gekomen
de jaren wel door ons verwacht maar die niet zullen komen

resoluties, mozaïeken, geblankette idolen
mythen, wonden, de voor- en keerzijde
van een onbesteld gebleven leven

de stemloze schreeuw
het barmhartig niets

Miranda, Charis, Stéfanos
en het zinnenbegoochelend stempel van de gift.


    Onzichtbaar

Welk gezicht aanvaard je uiteindelijk?
Ik herinner me jou dacht ik in andere gedaante
je had een wrat onder de wang
en trok een beetje met je rechterbeen.
Nu de zaken zijn zoals ze zijn en alles
met de grond gelijk gemaakt is in onze geest
is zelfs de wind, die overbrenger
van onvoltooide bewegingen of stemmen,
buitengesloten en kan niet binnenkomen
wat we ook zeggen wat we ook doen.

Als dit gezicht, dus, jou niet toebehoort
moet het van iemand zijn die in een droom in slaap viel
en eeuwen eerder is ontwaakt, zonder te weten
dat al die tijd met lege ogen wíj
lazen wat in het lot geschreven stond.


    Oud lied

Ach, had ik maar een blaadje! sprak de wind, en
ach, had ik maar twee vleugels! sprak de dichter.
Ze gingen samen door de tuin van God
vroeg op een zoele ochtend van zijn heiligheid,
een stralende zon keek van boven toe en
de wereld hing daar als een vrucht in 't licht.

De wind boog zijn gezicht over het meer en was onthutst:
hij zag zijn aangezicht doorgroefd door duizenden onweren
en niet te dragen was de pijn der dingen.
Toen waste met koud water hij zijn aangezicht
en zwoer een eed dat hij de mensen niet zou kwellen.
De dichter voerde met de schaduwen en kleuren een gesprek,
werd moe en zat toen neer om op verhaal te komen.


    Voor Miranda

Elk landschap dat we geleefd hebben,
elke hoek die door de jaren verbleekt is
is ónze zaak,

we zullen niet toelaten
dat grondwerkers en graafmachines
onze dagen slopen
onze nachten verjagen.

We hebben geen vergeving van zonden gegeven
aan stedenbouwer en landmeter,
we hebben geen boekhouders aangesteld
voor onze dromen vol gaten.


Fivos Stavridis
Vertaling: Hero Hokwerda

8-12-07

Hugo de Sanctis

Hugo de Sanctis werd in 1939 in San Juan, Argentinië, geboren. Hij is een veelzijdig kunstenaar van wie muziek op cd is uitgegeven en wiens plastisch werk in verschillende internationale instellingen is tentoongesteld. Hij heeft op vele plaatsen in de wereld gewoond. Gedurende jaren verbleef hij in Mexico waar hem in 1983 de hoogste onderscheiding te beurt viel, de Premio Aguascalientes, voor zijn werk Canción al prójimo, dat pas onlangs integraal is gepubliceerd. In 1972 is van hem Prontuario en el sol verschenen, dat zijn gedichten van 1959 tot 1970 bevat. Als groot reiziger en humanist vertolkt hij in zijn werk een krachtige spiritualiteit die intens verbonden blijft met de orde van natuur en kosmos. (Fa Claes)


HETE NOORDENWIND

Vannacht liep een hond schuin
door mijn geest.
Hij blafte de ongeregeldheden van augustus
en keek me zo onmogelijk aan
dat ik me niet kon inhouden
en de enorme afmetingen begon te bewenen
vanuit mijn gebeente.

Hij heette Buurman
en was heel erg hees
en ziek.

Ik gaf hem de lauwe maan
in een liter melk
deed al wat ik kon
en tenslotte
heb ik de vochtige zekerheid van zijn ogen
die gelijk een zoutweerkaatsing uitdoofden.

Ik legde hem voor altijd
onder de perzikboom neer,
ik zei: buurman buurman...
en ik begon plots opnieuw
naar de lente te verlangen.


VIENTO ZONDA

Anoche me pasó un
perro oblicuo por la mente.
Ladraba los desórdenes de agosto
y tan imposiblemente me miraba
que no supe contenerme
y eché a llorar la enormidad
desde los huesos.

Se llamaba Vecino
y estaba gravemente afónico
y enfermo.

Le di la luna tibia
en un litro de leche
hice todo lo que pude
y al fin,
tengo la húmeda constancia de sus ojos
apagándose como un reflejo de sal.

Lo acosté para siempre
debajo del durazno,
le dije vecino vecino...
y me volví de golpe
a esperar la primavera.

Uit: Prontuario en el sol, 1972


GELIJK MUZIEK

   Voor mijn vriend Luis Armando Pacheco

Die hanen die uit hun veren te voorschijn komen
terwijl ze hun mededelingen-in-de-dop uitstoten
stichten soms verwarring
door de kracht die ze tonen
bij het welgezind kenbaar maken van hun motieven.
Ze lichten hun transcendente waarheid toe: de nek
bergop om het
oneindige te drinken,
het ritme van de maïs
en zijn kleine religie van draden
en vijandige hanenkammen.
Het laterale leven aan twee kanten:
de seksuele snelheid en het respect
voor de legkippen.
Zijn gewone gedragingen
en het minachtend vooroordeel waardoor hem
vier uur in de morgen elke keer
te smal lijkt
om door mijn raam te komen
om mij met zijn wandelende
bedoelingen uit de slaap te schudden.

Was het niet dat hij even goed als ik
in de nacht past,
dan had ik hem hier bij mijn oren
om mij te overtuigen van zijn ruimtelijke ontijdigheid
en van de onloochenbare reden van zijn spoor
uit de schede getrokken voor zijn geknotte bevrijding,
van zijn humanistische origine
en van de pluimen die deze zomer versleten zullen worden,
van de meest onmiddellijke moeilijkheden op het erf:
zijn nauwkeurig buitenwereldlijke oorsprong
en het egoïsme van de anderen,
van de systematische verdelging van zijn zonen
en van de hoge kostprijs van de eieren...

Zeer interessant.
Zeer interessant maar ginds staat hij
met al mijn ijver
een eind voorop om de dag te ontvangen
de zijne op zijn manier.


IGUAL MÚSICA

A mi amigo Luis Armando Pacheco

Esos gallos que se salen del plumaje
lanzando sus comunicaciones en cierne,
desorientan a veces
por la fuerza que ponen,
al dar sus motivos de buen ánimo.
Explicando su verdad trascendente: el cuello
por beberse el infinito
cuesta arriba,
el ritmo del maíz
y su pequeña religión de alambres
y crestas enemigas.
La vida lateral a dos costados:
la velocidad sexual y el respeto
de las ponedoras.
Sus hábitos normales
y el desprejuicio con que
todas las cuatro de la mañana
le resultan estrechas
para llegar a través de mi ventana
a sacudirme el sueño
con sus designios ambulantes.

Si no fuera que tan bien como yo
cabe en la noche,
aquí lo tendría al oído
convenciéndome de su intemporalidad espacial
y de la razón innegable de la espuela
desenvainada por su liberación trunca,
de su linaje humanístico
y las plumas que se van a usar este verano,
de los problemas inmediatos del corral:
su origen exactamente ultraterreno
y el egoísmo de los otros,
del exterminio sistemático de sus hijos
y el alto costo de los huevos...

Muy interesante.
Muy interesante pero allá él
con todo mi fervor
adelantado a recibir el día
lo suyo a su manera.

Uit: Prontuario en el sol, 1972


ZANG VOOR DE NAASTE

I

Nu het zo ver weg is
en zoveel is verloren gegaan
keert een avondschemer terug naar zijn grote moeder.

De bijna onbewogen zee
omkringt het continent.
Ik kon gemakkelijk naar de eilanden gaan,
een lichte beweging maken
en in de zeeruimten gaan wonen.
Toestaan dat de bezorgdheid definitief
verdwijnt
zoals oude vaartuigen. Eenzaamheid
zonder opschudding,
water dat je hebt bereikt met opoffering
met kwelling en
iets dat haperend daalt naar rust
bij de uiteindelijke onverstoorbaarheid van de dag...

Maar mijn leven
is een aanduiding nauwelijks
een halsstarrige onomkeerbare daad.

Indien ze me een plaats gaven
om een ander leven uit te bouwen, koos ik deze zelfde rots,
ik kwam opzetten in deze gevoelige bolster
juist zoals de dingen.
Ik zou opnieuw planten
uit een of andere opvallende streek eten,
naar het vallen van de avond kijken
en weggaan daarna, altijd weggaan.

Ik ben een samenraapsel van wat zonder mij heeft bestaan,
liefhebbend en volwassen.

Laat later de hinderlijke wind
wat overblijft op zich nemen
en laat het vasthoudende schuim uit elkaar vallen
en opnieuw beginnen bouwen
op mijn innigste taaiheid.
En vaarwel gewichtigheid, vaarwel fragmenten, koffers,
benige vormen die ik ooit betrok
in de hoop onsterfelijk te zijn
en het niet kon.

Ik keer terug, juist zoals een weg,
ik bewoon deze rustige bocht
maar ik bezit hem niet...


III

Langzame beelden zie ik
dalen mettertijd,
ondoordringbare doorgangen en losgelaten stukken vliegen,
een tak schudt en
dof valt de harmonie,
een deel van het noodlot
stremt in zijn bekleding
en stort zich naar mij toe:
ik ben die de doeltreffendheid van de bloemen toetst,
een eeuwigdurende noodzaak van herinnering.
En Venus gaat stralen
en het zal nacht worden, roest, ellende.

De dag was een nutteloze schat
tot het uiterste samengetrokken
en opnieuw aan het verruimen ten koste van het leven;
laatste bleke zon van tussen de stenen,
velden van blond slinkend hooi.
De oude stad schommelt
de plaats van de vogels,
de vertrouwde voorwerpen
met de schemering gemengd...

Gelijk een vurige ommegang
schenen zijn harmonieën aan te komen.

Het stille leven dat naar de netvliezen komt.
Verder achter dit onbeweeglijk licht,
nog verder weg dan het geduld dat is
aangestoken door bitter hars.

Wat hier voorbijgaat, zouden dat menselijke wezens zijn?

Zouden het onvergetelijke thema’s zijn gelijk de wanhoop?

Of kan iemand mij begeleiden
doorheen deze streken,
vol verwachting langs weemoedige begroeiing lopen
die de verwarring verhult;
de leegte die de leguanen verafgoden,
de leegte die ik me anders voorstelde: droog
midden in de gebeurtenissen van de atmosfeer
zonder die hoogste ster,
zonder die rozen die mijn onzekerheid staan te betreuren...

Ik zeg dat de nacht voortschrijdt
en mogelijkerwijze loop ik verloren
of ben ik me in voorgevoelens aan het vergissen
en is dit alles niet meer dan een ironische grap,
een enkel individu
tegen de mythes van de tegenspoed,
tegen het doelloos in de tijd reeds bewaarde
in de zachtmoedigheid van mijn oude kamers
toen de wereld rondwentelde en
gebruik maakte van de schaduw en
bij elke draai een beetje van mij meenam,
een beetje van mijn ontroostbare lengte
zoals van een kluwen dat
wie weet wie losknoopt.

Maar
die moeilijke toestand
heeft me ondanks alles niet in de war kunnen brengen.

Andere getijden leiden de sterren
voor hun ogenblikken van tederheid,
bereiden een andere onstuimigheid voor;
misschien de wind waar de nacht doorheen blaast
of deze machtige duisternis die invalt
daar waar zijn ogen waren.


IV

Naar het westen toe raakt de stad meer bevolkt
onder hetzelfde kortstondig verraste gras.
Een energische en rustige stad
onder dezelfde aarde die de organismen voelt insluipen
die door het gebruik, door de onherstelbare
wijzigingen slaperig zijn geworden...

Zo eenzaam is de aarde gebleven,
zonder onder druk te zetten wat zijn geheugen
moet bewaren.

En uit dorre verwezenlijkingen
hebben in afwachting mijn beenderen zich gevormd;
bij het wentelen met fouten, pijn,
met sporen van andere levens nauwelijks
gerustgesteld door het mos.

Die verslagenheid is deel
van andermans rijkdom;
van de gemakkelijkheid waarmee andere elementen
door de ruimte bewegen.
en van een eindeloze vrijgevigheid
die door vernietiging wordt bedreigd.

Ik droomde van tedere dieren,
mijn bekommernis vestigde zich in de muren
tot op de hoogte van de daken
die doorgang verleenden aan het bedrog,
het systeem dat de aaneengesloten pijlers
aan de tegenspoed vastsloeg.

Laat in de nacht daalde het firmament
om te wandelen tussen onbruikbare allegorieën,
om berouwvol en eenzaam te lopen
tussen koude perken en flessen
achteraan bijeengestapeld
zoals andere ellende.

Ik schiep wegen in mijn geest,
overgrote dosissen vreugde
zochten in mij
hun gedwarsboomde gesteldheid,
bonsden in zwermen op de straatdeur
alsof ik een kind was
en niet kon luisteren naar die cantates,
die rituele bevolkingen van de dageraad
tot het uitrukken van hun pluimen toe, in de mist
gematerialiseerde instellingen
of grote ogen of campanula’s
die rondom aanvoelden als
een verwachting.

Ik was gezond en bitter.
IJskoud en belendend.

Je moest over een heel hoge muur springen
en beslist op weg gaan naar de valleien.
Groen dat nooit zal eindigen,
groen van agrarische offeranden
richting gebergte. Ondersteunde wijngaarden
bij hun eerste bestaansroeping;
waarheen mijn gevoelen in oude beddingen
gevangen haastig op weg is...


VII

Mijn vrouw werd in brand gestoken.
De onvergetelijke gezellin die ze me gaven om
plaats te zijn in mijn schaduw, om klaarheid
te zijn voor mijn twijfels vertroosting in
dit bittere uur...

Oh liefste
je werd naar de Troon der Ondankbaarheden meegevoerd
en onschuldig en naakt overgeleverd aan de Macht van het Beest.

Dat alles om nog meer mijn gevoelens te kwetsen.
Om mij verward achter te laten op de Berg.
Alleen op de toppen met mijn sperma en de tegenspoed.

De Geschiedenis was de geschiedenis van je ontbonden vagina.
Van het corrupte mysterie.
Van de enige natuurlijke tempel die ik bezat en ze roofden me leeg...

Zie me nu in het zingen van de zwanen.
In het water van de huiveringen, in alles
wat mijn onmogelijke klaagzang bevochtigt.

In deze stad bewoond door mijn afwezigheid en uitputting:

Wat is de tijd anders dan
de afschaffing van mijn kussen, het maaksel
van een stenen roos, de dood van een arme?

Al wat je liefhebt, al wat je omarmt en wat je doet
beven als het blad van de populier in de wind,
dat ben ik niet...
Wat je noemt ben ik niet.
Wat je zoekt ben ik niet, maar datgene wat tussen ons beide
aan het dansen is onder het medeplichtige blad dat
het leed zal bedekken...

Tussen wat we willen zijn en wat we zijn
zal mijn onhandig bloed je altijd gelijk handen
van een blinde komen zoeken.
Heb me heel erg lief dat het vloeien van de tijd
mijn voorhoofd niet nog meer rimpelt in andere levens.
En laat al wat niet kan zijn mij niet raken. Je enige liefde
die jou in de mist komt zoeken ben ik.

De eerste ster van het sterrenbeeld Virgo
die wit is en op dit uur schittert als je witte mantel
in de ruimte mijn liefste. Leed
van mijn goede voorvaderen, van mijn rechtschapen volk.
Eenvoudige en zuivere vrucht,
heb me een beetje lief waar alles onmogelijk is
behalve deze zang.


IX

Te midden van deze hete steenvlakten, buiten
het bos en ver van de zeeën.
In deze risicovolle velden waar het nooit regent
en de hoefindruk van wilde zwijnen jaren en maanden
blijft staan. Zonder schaduw,
zonder het minste geestelijk voedsel
met het geduldige bloed slaperig
onder de razernij van de zon.

Twee eeuwen al weegt mijn schaduw niet meer op het stof

Ik voel ernstige pijn bij het herinneren.
In deze velden is geen water...

Wat drinken de duiven en de tijgers?

De reine dauw... de zangen van de Grote Salomo?

De gedeeltelijke onwetendheid van mijn eigen verbittering,
getokkeld
door een methodische en ongeordende lier
tussen deze rode stenen en de
doornen.


XII

Matrone van de onzekerheden en het vurig verlangen. Jij die
leerde om het verzilverd mineraal geknield te baren.
Moeder van de erkende deugd: Vrouwe
van alle onbevlekte ontvangenis, ik zal nooit vrijkomen uit
de maat van mijn lichaam. Ik zal me niet kunnen uitbreiden
en iets beters zijn als ik niet op u reken.

Zal ik de kans krijgen nu en in dit
leven en met deze wil? Of zal ik iets beters zijn als ik terugkom,
als ik tot de studie terugkeer en mij als een heer
gedraag en zeg dat het goed is.
Dat alles goed is. Dat het geld, de ontucht en de macht
goed zijn. Dat al wat de mensheid nastreeft met
overspel, met afwijzing, met het vervalsen van
de woorden van je goede kinderen, van
je grote wijzen goed is, dat dat het leven is
en dat het normaal is en dat ik gek ben.

Jij zou dat niet toelaten, niet? Jij zou me niet alleen laten.

En je zou me hier gauw weghalen. En vlugger dan wie ook
ging ik achter de afgronden
meer tranen dan sterren zien.

Vergane tijd.

Afzegging. Leegte, sta niet toe
dat ik ooit mijn ogen sluit. Sta niet toe dat ik mijn
onwetend sleutelbeen in de Zon achterlaat.

Vooraleer de Woestijn binnen te gaan.


XV

Zomin de tijd als de plaats waar we ons troffen zijn belangrijk.
Ook niet wat het was dat je zei, woorden, metalen of een
greep zand. Het heeft geen belang wie je vergat of indien je
bij het veranderen van voorkomen schade of
een onverwacht goed veroorzaakte, maar wel de geheime
gedachte die thans schittert in de zee en
met waarheid in het schuim terugkeert.
Tarwevelden van smaragdkleurig water.
Schrander prisma.

Gezegend zij het zouthoudend water dat het Verlangen oplost.
En de zoete golf die duizend begeerten meesleepte. Gezegend wezen ze.

Gezegend wezen de alikruiken die alleen het geluid
van de zee bevatten.

Het heeft geen belang dat niemand zich herinnert of je grootneuzig was of kaal.
Of je enig speciaal geboortekenmerk had. Een
licht loensen, een zenuwtrek in je kaak of je schouder.
Of je González heette of een familienaam had die zo
moeilijk om uitspreken was dat ze je daarom
in je dorp Pepe verkozen te noemen.
Het heeft geen belang of je verzekeringsmakelaar was, apotheker,
danseres in Warschau of dierentemmer in een circus
dat langs de wegen liep te verslijten.

Het heeft geen belang of je er erg bedreven in was
om je slapend te houden. Een kasteel in
Saksen, trouw aan je stand en je ideeën.
Onpeilbare aanleg voor handel en cijfers
ofwel of je weinig sliep om de witte kameel van Mohammed te verzorgen
onder de hoogste dadelpalmen van Medina, zeer mooi en
vochtig onder de noordenwind bij dageraad.

Gezegend zij de afzonderlijke Verwachting.
en de tweeledigheid die samensmelt in een Enige Oorzaak.

Het heeft geen belang of je sterk bent en machtig, een man
met ontwikkelde en harmonieuze musculatuur en die nooit
één kies verloor, ofwel of je nauwelijks kon lopen wegens
je reuma en je schulden. Het heeft geen enkel belang.

Ik ben hier om je te volgen.
Om tot iets te dienen voor jou.

Om onverschillig welke daad of goede gedachte te beschouwen
als de grootste triomf die ons bij leven kan overkomen.
Al gelooft ons niemand en al vallen we
en staan we samen op, heel dikwijls...

Zie je die zedige tak van de pruimenboom nog voor
de lente hem bedroefd maakt?

Zie je de weerloze schapen aan het trappelen op korstmos
en mossen in de glasheldere weiden?

Zijn het geen tijgers allicht uit de hoogste hemel?

En wat denk je werkelijk?

Je hield er niet van om de waarheid te zien zoals ze je
haar deden zien of zoals je je voornam en het is goed.

Dat alles wat de ambitie van je ogen niet uitput
is goed. Onverschillig welk punt dat een schaduw nalaat
op je pupillen, dat is goed...

Zo zien ze ieder van ons
aan het werk op aarde.
Helderheden of twijfels aan het inslaan.
Aan het opeenhopen.
Moeder, weduwe en ziek, aan het onderhouden.
Met toewijding aan een edele wetenschappelijke bezigheid
planten aan het indelen of
een meer aan het koesteren.

Gezegend zij het stof waar mijn genegenheden bestaan
en de verbeelding tot as wordt.

Gezegend zij de ondankbaarheid of de beloning,
de zichtbare schoenen, de melkwegstelsels, de hernieuwde
bewijzen van vertrouwen en al wat wegvlucht van mij
om mij zuivere ruimte te gunnen.


XXXVII

De eenzaamheid laat in het zand dingen na
die tevoren aan de bomen toebehoorden
en daarvoor aan de wolken die de onduidelijke
lucht doorkliefden...
De grote ruimten die daarna
met de zwaluwen wegtrokken.
En de nacht ging voorbij.
En het grote feest ging voorbij en
over de grote lanen gloorde in de morgen
een zwak trillen van zachte koraalstruiken
en gekleurde groentemannen
en rode en koppige beenhouwers en
de schaduw ook van het vensterluik
in de regenplassen langs de straatjes.

Rook, rook van de eenzaamheid is het
die ik jullie wil vertellen.
Een karretje vol gedweeë groenten dat voorbijkomt
getrokken door een broodmager paard,
de jammerende driewieler van de bakkers,
de loterijbriefjesverkoper die om liefde stond te bédelen,
een noodlot dat reeds is gegeven
maar de liefde niet, terwijl de morgen
doorgaat...

En degenen die elkaar zoenen zonder op dit ogenblik
aan die wonde van je te denken, aan het litteken dat je
de vergetelheid en de koppigheid naliet.
Overlevende in de lava,
wandelaar in de mist,
maatnemer van de zon.
Ik val languit voor de eenvoudige beenderen
en ik sta op zoals wie
pas een munt heeft opgeraapt.
Tot niets dienen me je ogen,
noch de benauwenis die ik doorstond door je lief te hebben en je leven te verdedigen,
door over de oneindigheid van het water te lopen,
door je te volgen tot in de insolatie van het stof
en van de doornen.


LXXVII

Midden in mijn zang zijn de vogels
gevlucht.
Bekendheid en onbekendheid met de juiste maat.
Ik ben een man.
Ik weet niet wie de tuinen van Babylon liet hangen
en tot waar de historische meedogenloosheid mij kon meesleuren.
Wat gebeurde tenslotte met Cambyses of Alcibiades?
Dat zij het aan iemand anders zeggen.
Waar gingen de paardenmenners van de keizers
halt maken? Ik heb niets gezien. Of ze van ver
volgden, of ze snikkend in een afgrond zijn gevallen
zij zullen het weten. Dat zij het hun zeggen...

En de mannen van ijzer en metalen zoveel sterker
en zwaarder dan lood? Mij hoeven ze het niet te vragen
die afgezonderd in de tijd niets weet.
Ik begrijp niet wie Napoleon was
noch de grauwe gorzen.

Ik houd van gedeelde kennis. De leeftijden van de zang.

Bijgevolg versta ik niet wie eigenlijk de Egyptenaren
waren, noch waarom ze de piramiden bouwden,
noch welke reden de Hunnen aanhaalden om zo vaak
te emigreren, noch waar het genot naar toe is en de wijn;
noch wie wie doodsloeg voor een lamspoot of
diamant.

Ik ondervraag de Sfinx niet. Ik zoek gewoon de liefde
langs de wegen, en ik schrijf, schrijf tot ik moe ben
het langsgaan van de grote kuddes die
in de duisternis blijven.


LXXXI

Ik was een mens in het leven en met mijn lot.
En nog in de neergang en in de dood
zal ik mens zijn.

Zonder valse attributen of persoonlijke plannen.
Zonder rang of vluchtige naam die mij aan enige macht bindt.
Zonder gelijkenis met wat ook, zonder kenmerkende kleur
die me niettemin verrukt (alle kleuren zijn de mijne) met kracht,
evenwicht en optimisme.
Zonder ook maar een begin van bezit te zijn,
resultaat of actie, zoals die de zon wiegt in de molens
of uitrust in de schaduwen van de vloed;
en die, zonder iets te vragen, zijn muzikale ritme aan de bijenkorven
en de papavers geeft
en de zachte vlucht aan de tarwevelden van het binnenland,
rijp in hun genot en hun vertrouwen
opdat alle ogen van de wereld de helderheid
van mijn geestdrift verstaan,
de macht van de weinig vegetatieve en plechtstatige toorts.


LXXXIX

Zo voltrekt een uniek feit zich
aan de rand van de moeilijke weg.
En de haan kraaide
en de morgen kwam
en het verre lyrisme had een prijs:
Essentie en leven.

En niemand kon beter de oneindige zuiverheid
van de tijd vaststellen. Ik ben gerust.

Meer schittering noch een hogere top kun je hier bereiken,
want de deur naar de rozentuin ging open en ooit,
laat al in de nacht, terwijl de sneeuw viel en
toen alles onmogelijk leek,
besloten zij er aandacht aan te schenken en één voor één
iemands fouten weg te nemen,
en ze gingen het herhalen in de eerste bries
in de sterren.

Zonder overeenstemming of voorzorg van iemand,
zonder smeekbede voor liefde of verdriet, gingen ze voorbij
tot ze de projectie waren van een ander idee
door de merels gezongen.

Niets dat ons pijn doet is in ons geheugen
blijven hangen. Want zo moet het altijd gebeuren
telkens wij bijleren.

Ja?

De droom is voltooid
en de bagage staat klaar.

Ik zal niet hoeven terugkomen tenzij in een echo.

Vaarwel zeg ik tegen allen.
En vaarwel zegt me de wind.

Hopelijk wordt deze zang gehoord
en wat ik bezit aan genegenheid en begrip
zij met jou op al je wegen.


CANCIÓN AL PRÓJIMO

I

Ahora que es tan lejos
y tanto se ha perdido
un crepúsculo regresa a su gran madre.

El mar casi inmóvil
rodea al continente.
Podría ir fácilmente hasta las islas,
hacer un leve movimiento
y establecerme en los espacios marinos.
Dejar que la ansiedad desaparezca
definitivamente
como las viejas embarcaciones. Soledad
sin tumulto,
agua alcanzada con el sacrificio
con la tortura y
algo que entrecortado baja hacia la paz
a la última tranquilidad del día...

Pero mi vida
es un indicio apenas
un obstinado acto irreversible.

Si me dieran a elegir un lugar
donde elaborar otra vida,
elegiría esta misma roca,
sobrevendría en esta cáscara sensible
igual que las cosas.
Volvería a comer plantas
de alguna región vistosa,
a mirar los atardeceres
y después a irme, siempre irme.

Soy un agregado de lo que ha existido sin mí,
solícito y maduro.

Luego que los vientos pesados
carguen con lo que quede
y que la tenaz espuma se deshaga
y vuelva a construir
sobre mi íntima dureza.
Y adiós gravedad, adiós fragmentos, valijas,
formas huesudas que un día ocupé
queriendo ser eterno
y no pude.

Regreso lo mismo que un camino,
habito este recodo silencioso
pero no lo poseo...


III

Veo lentas imágenes
descender con el tiempo,
intrincados pasajes y desprendimientos vuelan,
se sacude una rama y
sordamente cae la armonía;
una parte del destino
cuaja en su envoltura
y se precipita hacia mí:
soy el que comprueba la eficacia de las flores,
una necesidad perpetua de recuerdo.
Y sale Venus
y estaremos a noche, a óxido, a miseria.

El día fue un tesoro inútil
contraído hasta el límite
y vuelto a agrandar a costa de la vida;
último sol pálido por entre las piedras,
campos de heno rubio disminuyendo.
La vieja ciudad se balancea
el sitio de los pájaros,
los objetos familiares
mezclados al crepúsculo...

Como en ardiente procesión
parecieran llegar sus consonancias.

Vida silenciosa que a las retinas viene.
Más allá de esa luz inmóvil,
más lejos aún de la paciencia
carcomida por resinas amargas.

¿Esto que pasa serán seres humanos?

¿Serán temas inolvidables como la desesperanza?

O es que alguien puede acompañarme
por estos parajes,
andar ilusionado por vegetaciones melancólicas
que ocultan la confusión;
el vacío que adoran las iguanas,
el vacío que yo imaginaba diferente: seco
entre los acontecimientos de la atmósfera
sin aquel astro altísimo,
sin aquellas rosas a lamentar mi incertidumbre...

Digo que está avanzando la noche
y posiblemente ando perdido
o me estoy equivocando de presentimientos
y todo esto no sea nada más que una ironía,
un individuo solo
contra los mitos de la adversidad,
contra lo ya guardado sin propósito en el tiempo,
en la mansedumbre de mis antiguas habitaciones
cuando el mundo giraba
aprovechando las sombras y
a cada vuelta se iba llevando un poco de mí,
un poco de mi inconsolable largura
como de un ovillo que vaya a saber
quién desata.

Pero
esta difícil situación
a pesar de todo no ha podido equivocarme.

Otras estaciones orientan las estrellas
para los momentos de ternura,
preparan una furia distinta;
quizás el viento atravesado por la noche
o esta poderosa oscuridad que cae
donde estaban sus ojos.


IV

Hacia el oeste se va poblando la ciudad,
bajo la misma hierba fugazmente sorprendida.
Una ciudad enérgica y tranquila
bajo la misma tierra que siente deslizarse
los organismos adormecidos por el uso,
por los irremediables cambios...

Así de sola se ha quedado la tierra,
sin apretar siquiera lo que debe conservar
su memoria.

Y de concreciones áridas
se han formado mis huesos a la espera;
girando con errores, dolores,
con huellas de otras vidas apenas
tranquilizadas por el musgo.

Esta desolación es parte
de la riqueza ajena;
de la facilidad con que otros elementos
se mueven a través del espacio.
y de una infinita generosidad
amenazada de aniquilamiento.

Yo soñaba con animales tenues,
mi preocupación se afincaba en las paredes,
hacia la altura de los techos
que dejaban pasar el engaño,
el sistema que clavó los palos unidos
a la desventura.

Tarde en la noche el firmamento
bajaba a caminar entre alegorías inservibles,
a andar arrepentido y solo
entre canteros fríos y botellas
amontonadas en el fondo
como otra desgracia.

Yo criaba caminos en la mente,
cuantiosas proporciones de júbilo
buscaban en mí
su condición contrariada,
golpeaban en la puerta de calle por bandadas
como si yo fuera un niño
y no pudiera escuchar esas cantatas,
aquellas poblaciones rituales del alborecer
hasta arrancarles plumas, establecimientos
materializados en la niebla
o largos ojos y campánulas
que sentían alrededor como
una espera.

Era sano y amargo.
Álgido y contiguo.

Había que saltar una pared altísima
y encaminarse decidido hacia los valles.
Verde que no se terminara nunca,
verde de inmolaciones agrarias
hacia la cordillera. Viñas sustentadas
en la primera vocación de existencia;
hacia donde corre mi sentir
atrapado en viejos cauces...


VII

Mi mujer fue incendiada.
La compañera inolvidable que me dieron para ser
lugar en mi sombra, para ser
claridad de mis dudas consolación en
esta hora amarga...

Oh amada
fuiste llevada al Trono de las Ingratitudes
y entregada inocente y desnuda al Poder de la Bestia.

Todo para herir más mis sentimientos.
Para dejarme confuso en la Montaña.
Solo en las cumbres con mi esperma y la desgracia.

La Historia, fue la historia de tu sexo disgregado.
Del misterio corrompido.
Del único templo natural que tuve y me saquearon...

Mírenme ahora en el canto de los cisnes.
En el agua de los temblores, en todo
lo que moja mi llanto imposible.

En esta ciudad habitada por mi ausencia y desgaste:

¿Qué otra cosa es el tiempo sino
la anulación de mis besos, la hechura
de una rosa pétrea, la muerte de un pobre?

Todo lo que amas, todo lo que abrazas y te hace
tiritar como la hoja del álamo en el viento,
no soy yo...
Al que nombras no soy yo.
Al que buscas no soy yo, sino lo que está danzando
entre nosotros, bajo la hoja cómplice que
cubrirá el dolor...

Entre lo que queremos ser y lo que somos
mi sangre torpe saldrá a buscarte siempre
como manos de un ciego.
Quiéreme mucho para que el fluir del tiempo
no arrugue más mi frente en otras vidas.
Y todo lo que no puede ser no me golpee. Soy tu único
amor que te busca en la niebla.

La primera estrella de la Constelación de la Virgen
que es blanca y arde a esta hora como tu manto blanco
en el espacio amada mía. Dolor
de mis antepasados buenos, de mi pueblo justo.
Fruta sencilla y pura,
quiéreme un poco donde todo es imposible
menos este canto.


IX

En medio de estos pedregales calientes, fuera
del bosque y lejos de los mares.
En estos campos azarosos donde nunca llueve
y la pezuña de los chanchos silvestres queda marcada
por años y meses. Sin sombra,
sin alimento espiritual ninguno
con la paciente sangre adormecida
bajo la ira del sol.

Hace dos siglos que no pesa ya mi sombra en el polvo.

Siento una sincera pena al recordar.
En estos campos no hay agua...

¿Qué es lo que beben las palomas y los tigres?

¿El rocío casto... las canciones del Gran Salomón?

La ignorancia parcial de mi misma amargura, tañida
por una lira sistemática y desgobernada
entre estas piedras rojas y las
espinas.


XII

Matrona de las incertidumbres y el anhelo. Tú que
aprendiste a parir de rodillas el mineral plateado.
Madre de la virtud reconocida: Señora
de toda concepción inmaculada; nunca saldré
de la medida de mi cuerpo. No podré extenderme
y ser algo mejor si no cuento contigo.

¿Tendré la oportunidad ahora y en esta
vida y con esta voluntad? O seré algo mejor si vuelvo,
si regreso al estudio y me comporto como
un caballero y digo que está bien.
Que todo está bien. Que el dinero, la fornicación y el poder
están bien. Que todo lo que persigue la humanidad en
adulterio, en negación, en falsificaciones
de la palabra de tus buenos hijos, de
tus grandes sabios está bien, que así es la vida
y lo normal y yo soy loco.

¿Tú no permitirías eso, verdad? Tú no me dejarías solo.

Y me sacarías de ahí ligero. Y más rápido que nadie
iría a ver detrás de los abismos
más lágrimas que estrellas.

Tiempo ido.

Anulación. Vacío, no permitas que
jamás cierre mis ojos. No permitas que deje
mi clavícula ignorante en el Sol.

Antes de entrar en el Desierto.


XV

No importa la hora ni el lugar en que nos vimos.
Ni qué fue lo que diste, si palabras, metales o un
puñado de arena. No importa a quién olvidaste, o si
cambiando de parecer hiciste tanto daño o
un bien inesperado, sino el secreto
pensamiento que ahora resplandece en el mar y
retorna con verdad en la espuma.
Trigales del agua esmeraldina.
Inteligente prisma:

Bendita sea el agua salobre que disuelve el Deseo.
Y la ola dulce que arrastró mil anhelos. Benditos sean.

Benditos sean los caracoles que sólo contienen
el sonido del mar.

No importa que nadie se acuerde si eras narigón o calvo.
Si tenías alguna marca especial de nacimiento. Un
estrabismo leve, un tic nervioso en la mandíbula o el hombro.
Si te llamabas González o tenías un apellido tan
largo y difícil de pronunciar, que por lo tanto en
tu pueblo optaron por llamarte Pepe.
No importa si fuiste vendedor de seguros, boticario,
bailarín en Varsovia o domador de un circo
que se fue gastando en los caminos.

No importa si tenías una gran
habilidad para hacerte el dormido. Un castillo en
Sajonia, fidelidad a tu clase y tus ideas.
Capacidad insondable para el comercio y los números
o si apenas dormías por cuidar la camella blanca de Mahoma
bajo las altísimas datileras de Medina, muy hermosas y
húmedas bajo el cierzo del amanecer.

Bendita sea la Ilusión separada.
y la dualidad que se funde en una Causa Sola.

No importa todavía si eras fuerte y poderoso, hombre de
musculatura desarrollada y armoniosa y que jamás
perdió una muela, o si apenas podías caminar por
el reumatismo y las deudas. No importa nada.

Estoy aquí para seguirte.
Para servirte de algo.

Para considerar cualquier acto o pensamiento bueno
como el triunfo más grande que puede dársenos en Vida.
Aunque nadie lo crea y nos caigamos y
levantemos juntos muchas veces...

¿Ves esa casta rama del ciruelo antes de que
la primavera lo acongoje?

¿Ves las indefensas ovejas triscando líquenes
y musgos en las vegas cristalinas?

¿No son tigres acaso del altísimo cielo?

¿Y en el fondo qué piensas?

No has querido ver la realidad como te han
hecho verla o te has propuesto y está bien.

Todo aquello que no agote la ambición de tus ojos
está bien. Cualquier punto que deje una sombra
en las pupilas, eso está bien...

Así nos ven a cada uno de nosotros
trabajando en la tierra.
Haciendo acopio de claridad o dudas.
Acumulando.
Manteniendo madre viuda y enferma.
Clasificando plantas,
consagrados a una noble actividad científica o
acariciando un lago.

Bendito sea el polvo donde están mis apegos
y la imaginación se hace cenizas.

Bendita sea la ingratitud o el premio,
los zapatos visibles, las galaxias, las renovadas
muestras de confianza y todo lo que huye de mí
para dejarme espacio puro.


XXXVII

La soledad deja en la arena cosas
que antes pertenecieron a los árboles
y antes a las nubes que surcaron
el aire impreciso...
Los grandes espacios que después
se fueron con las golondrinas.
Y pasó la noche.
Y pasó la gran fiesta y
amaneció por las grandes avenidas
una débil palpitación de ceibos suaves,
y verduleros colorados
y carniceros rojos y empecinados y
también la sombra del lucero
en los charcos, por las callejuelas.

Humo, humo de la soledad que es
lo que quiero contarles.
Un carrito tirado por un caballo escuálido
que pasa lleno de mansas hortalizas,
el triciclo llameante de los panaderos,
el vendedor de lotería que fue pidiendo amor,
una suerte que ya está dada
mientras que el amor no, mientras sigue
la aurora...

Y aquellos que se besan sin pensar a estas horas
en la herida de ti, en la cicatriz que te dejó
el olvido y la terquedad.
Sobreviviente en la lava,
paseante de la niebla,
medidor del sol.
Caigo postrado ante los huesos simples
y me levanto como quien
acaba de alzar una moneda.
Ya de nada me sirven tus ojos,
ni el apuro que pasé por quererte y defender tu vida,
por andar sobre la infinidad del agua,
por seguirte hasta la insolación del polvo
y las espinas.


LXXVII

Han huido en la mitad de mi canción
los pájaros.
Conocimiento y desconocimiento de la medida justa.
Soy un hombre.
No sé quién dejó colgando los jardines de Babilonia
y hasta dónde pudo arrastrarme la inclemencia histórica.
¿Qué pasó al fin con Cambises o Alcibíades?
Díganle a otro.
¿A dónde fueron a parar las aurigas de
los emperadores? Yo no he visto nada. Si han
seguido de largo, si han caído a un abismo sollozando
ellos sabrán. Díganle a ellos.

¿Y los hombres de hierro y metales mucho más
fuertes y pesados que el plomo? No me lo pregunten
a mí que aislado en el tiempo no sé nada.
Ni entiendo quién fue Napoleón ni las calandrias.

Amo el conocimiento compartido. Las edades del canto.

Por lo tanto no comprendo quiénes fueron en esencia
los egipcios, ni para qué pusieron las pirámides,
ni qué razón aducen para transmigrar tanto
los hunos, ni adónde está el placer y el vino;
ni quién mató a quién por una pierna de cordero o
diamante.

No interrogo la Esfinge. Busco el amor simplemente
por los caminos, y escribo, escribo hasta el cansancio
el paso de los grandes rebaños que se quedan
en la oscuridad.


LXXXI

Fui un hombre en la vida y con mi suerte.
Y aun en el quebranto y en la muerte
seré un hombre.

Sin falsos atributos ni designios personales.
Sin rango o nombre pasajero que me anude a algún poder.
Sin parecido a nada, sin un color específico
que todavía me exalte (todos son mis colores) en fuerza,
equilibrio y optimismo.
Sin ser todavía ni siquiera un principio de posesión,
fruto o movimiento, como ese que mece el sol en
los molinos, o descansa entre las sombras de la pleamar;
y que, sin pedir nada, da su ritmo musical a las colmenas
y amapolas
y el vuelo dulce a los trigales del interior,
maduros en su gozo y su confianza
para que todos los ojos del mundo comprendan
la claridad de mi entusiasmo,
el poder de la antorcha menos vegetativa y
solemne.


LXXXIX

Se consume así un acto irrepetible
a la vera del camino difícil.
Y cantó el gallo
y llegó la mañana
y el lejano lirismo tuvo un precio:
Esencia y vida.

Y nadie pudo comprobar mejor del tiempo
su infinita pureza. Estoy tranquilo.

Aquí no hay más destello ni otra cumbre que tocar,
porque se abrió la puerta de rosal y un día,
ya avanzada la noche; mientras caía la nieve y
cuando todo parecía imposible;
resolvieron hacer caso y retirarse de a uno,
uno por uno los errores,
y se fueron a repetir en la primera brisa
en las estrellas.

Sin consonancia ni precaución de nadie,
sin súplica de amor o desconsuelo, pasaron
hasta ser la proyección de otra idea
cantada por los mirlos.

Nada ha quedado en la memoria nuestra
que nos duela.
Porque así debe suceder siempre
cada vez que aprendemos.

¿Si?

Está cumplido el sueño
y el equipaje listo.

Ya no habré de volver sino en un eco.

Adiós les digo a todos.
Y adiós me dice el viento.

Ojalá que esta canción se escuche
y lo que tenga de afecto y comprensión
vaya en todos tus caminos.

© Hugo de Sanctis
© Vertaling Fa Claes

26-8-07

Pauline Stainer

Stainer_pauline Pauline Stainer (1941) werd geboren in Burslem, bij Stoke-on-Trent. Zij studeerde Engels aan de universiteit van Oxford en promoveerde daarna aan de universiteit van Southampton. Haar eerste dichtbundel, The Honeycomb, publiceerde zij relatief laat, in 1989. Daarna volgden in snel tempo nog zeven bundels, waarvan de jongste, The Lady and the Hare: New and Selected Poems in 2003 bij uitgeverij Bloodaxe verscheen. Haar vierde boek, The wound-dresser's dream, werd in 1996 genomineerd voor de Whitbread Poetry Award. Zij woonde enige tijd op Rousay, een van de Orkney-eilanden, waarvan de weerslag te vinden is in Parable Island (1999). Tegenwoordig woont en werkt ze in het Zuidengelse graafschap Suffolk. (Kees Klok)


Het konvooi

Niet de diepzinnige mechanismen
van goden,
maar militaire voertuigen
die over een grote afstand aankomen,
koplampen die lucht krijgen
van de zandstorm.

Een heviger land –
het licht verliest zijn waakzaamheid
op het inmense stof
van de wereld,
zandadders
in hun gloeiend geel

en daarachter,
als waren er geen regels
voor de strijd,
rekken met pas geverfde sari’s,
golven
scharlakenrode wind.


The Convoy

Not the profound machinery
of gods,
but military vehicles
coming from great distance,
headlights scenting
the sandstorm.

A more intense country –
the light dropping its guard
on the great dust
of the world,
sand-vipers
in their hot yellows

and beyond,
as if there were no
rules of engagement,
racks of new-dyed sarees
billowing
the scarlet wind.


De ghostwriters van de keizer

Ze wonen nog immer in de taal
geklonken tussen het onuitgedrukte
en het onuitdrukbare,
met handen gevlekt als abrikozen
in het gerasterde licht

onderscheiden ze zich
als olifanten rond een liksteen
totdat alleen de tekst
en zijn geïnspireerde weglatingen
de stilte op het spel zetten.


Ghost Writers to the Emperor

They still inhabit language,
caught between the unsaid
and the unsayable,
hands dappled as apricots
in the latticed light

making their mark
like elephants at a salt-lick,
until only the text
and its inspired omissions
risk the silence.


De hazen van Mantegna

We keken naar buiten –
het weer diepblauw,
hazen die renden op de wind
boven water
waar de zon nooit komt.

Geef mij
de hartslag van een haas,
die zigzag tussen
adem en ogenblik –
de hazen van Mantegna, nog steeds boksend
bij het lijden in de hof.


Mantegna’s Hares

We looked out –
the weather whistle-blue,
hares running with the wind
above water
where the sun never reaches.

Give me
the pulse of a hare,
that zigzag between
breath and the moment –
Mantegna’s hares, still boxing
beside the agony in the garden.


© Pauline Stainer
© vertaling: Kees Klok
De vertalingen verschenen eerder in Poetry Review, vol. 95/2 (2005)

29-12-06

Anne Sexton

Anne Sexton De Amerikaanse dichteres Anne Sexton werd in 1928 geboren als Anne Gray Harvey in Newton, Massachusetts. Toen ze negentien was trouwde ze met Alfred Muller Sexton. In 1960 debuteerde zij met de bundel To bedlam and Part Way Back, wat het begin betekende van een opmerkelijk succesvolle carrière als dichteres. In 1967 kreeg ze de Pulitzer Prize voor haar bundel Live or Die. Haar poëzie vond veel weerklank, leverde haar verschillende eredoctoraten op en uiteindelijk een hoogleraarschap aan de universiteit van Boston.

Ondanks dit literaire succes werd haar leven getekend door een aaneenschakeling van neuroses en fobieën en was zij hoogstwaarschijnlijk manisch depressief. Ook kende zij perioden van excessief drankgebruik en verliep haar huwelijk, deels als gevolg daarvan, nogal tumulteus. Behalve aan de alcohol en talloze minnaars gaf zij zich over aan een toenemende varieteit van pillen, waar haar geestelijke en lichamelijke gezondheid sterk onder leed. In de loop der jaren ondernam zij verschillende zelfmoordpogingen. Nadat zij na 25 jaar huwelijk scheidde van haar man, ging haar gezondheid snel achteruit, tot zij in oktober 1974 een einde maakte aan haar leven. In 2001 publiceerde vertaalster Katelijne de Vuyst een omvangrijke bloemlezing uit het werk van Sexton onder de titel Kreupel Hart bij uitgeverij Wagner & Van Santen. De onderstaande gedichten zijn uit deze uitgave gekozen. (Kees Klok)


      Zei de dichter tegen de therapeut

Ik werk met woorden. Woorden zijn als labels,
of munten, of liever, als zwermende bijen.
Ik beken: alleen de bron der dingen kan me breken;
woorden tel je niet als dode bijen op een mansarde,
waarvan de gele ogen en droge vleugels zijn losgereten.
Ik moet voorgoed vergeten hoe het ene woord het andere
uitkiest, het andere zin geeft, tot ik iets krijg
dat ik had kunnen zeggen...
maar niet zei.

Het is jouw werk op mijn woorden te letten. Maar ik
geef niets toe. Zo haal ik het beste uit mezelf
als ik een nikkelmachine kan bezingen,
die nacht in Nevada: zeggen hoe de magische jackpot
klikkend drie klokjes op het geluksscherm liet zien.
Maar als je vindt dat dit iets is wat het niet is, dan
word ik week, dan weet ik weer hoe vreemd mijn handen aanvoelden
en belachelijk en beladen met al
het goedgelovige geld.


      Said the Poet to the Analyst

My business is words. Words are like labels,
or coins, or better, like swarming bees.
I confess I am only broken by the sources of things;
as if words were counted like dead bees in the attic,
unbuckled from their yellow eyes and their dry wings.
I must always forget how one word is able to pick
out another, to manner another, until 1 have got
something I might have said...
but did not.

Your business is watching my words. But I
admit nothing. I work with my best, for instance,
when I can write my praise for a nickel machine,
that one night in Nevada: telling how the magic jackpot
came clacking three bells out, over the lucky screen.
But if you should say this is something it is not,
then 1 grow weak, remembering how my hands felt funny
and ridiculous and crowded with all
the believing money.


Anne Sexton
© vertaling Katelijne de Vuyst

Anne Sexton

      Slaapliedje

Een avond in de zomer.
Gele motten hangen slap
tegen de gesloten schermen
en de verschoten gordijnen
strijken over het raamkozijn
en in een ander gebouw
mekkert een gek in zijn droom.
Dit is de tv-hoek
in de beste zaal van het gesticht.
De nachtzuster deelt
de pillen voor de avond uit.
Ze loopt op twee vlakgommen,
een voor een komen we aan de beurt.

Mijn slaappil is wit.
Een schitterende parel;
ik zweef weg uit mezelf,
mijn tintelende huid zo vreemd
als een losse rol stof.
Ik zal het bed negeren.
Ik ben linnen op een plank.
Laat de anderen in stilte kermen:
laat elke verloren vlinder
naar huis gaan. Oud wollig hoofd,
neem me als een gele mot
terwijl de gek sst sist
sus.


      Lullaby

It is a summer evening.
The yellow moths sag
against the locked screens
and the faded curtains
suck over the window sills
and from another building
a goat calls in his dreams.
This is the TV parlor
in the best ward at Bedlam.
The night nurse is passing
out the evening pills.
She walks on two erasers,
padding by us one by one.

My sleeping pill is white.
It is a splendid pearl;
it floats me out of myself,
my stung skin as alien
as a loose bolt of cloth.
I will ignore the bed.
I am linen on a shelf
Let the others moan in secret;
let each lost butterfly
go home. Old woolen head,
take me like a yellow moth
while the goat calls hush –
a-bye.


Anne Sexton
© vertaling Katelijne de Vuyst

Anne Sexton

      Blootsvoets

Van me houden met mijn schoenen uit
is houden van mijn lange bruine benen,
de lieverds, zo degelijk als lepels;
en mijn voeten, twee kinderen die
in hun nakie buiten mogen spelen. Complexe stompjes,
mijn tenen. Niet langer gebonden.
En dan houdt het nog niet op want zie, teennagels en
grijpgrage gewrichten in het gelid en
aan hun wortel, de tien treden op een rij.
Zo onstuimig en wild, dit
varkentje ging naar de markt en dit varkentje
bleef thuis. Lange bruine benen en lange bruine tenen.
Wat hoger, liefste, verklapt
de vrouw haar geheimen, kleine huizen,
kleine tongen die het je vertellen.

We zijn hier moederziel alleen
in dit huis op de landtong.
De zee draagt een klokje in haar navel.
En een week lang ben ik je hoer
op blote voeten. Wil je een stukje salami?
Nee. Zal ik je een scotch inschenken?
Nee. Je bent niet echt een drinker. Je
drinkt mij. De meeuwen vreten vis,
schreeuwend als een kind van drie.
De branding is verdovend, ze schreeuwt:
ik ben, ik ben, ik ben,
de hele nacht. Blootsvoets
roffel ik je rug op en neer.
's Morgens ren ik van deur naar deur
in de hut en speel pak me dan.
Nu grijpje me bij mijn enkels.
Nu werk je je langs mijn benen omhoog
en doorsteekt me aan mijn hongerteken.


      Barefoot

Loving me with my shoes off
means loving my long brown legs,
sweet dears, as good as spoons;
and my feet, those two children
let out to play naked. Intricate nubs,
my toes. No longer bound.
And what's more, see toenails and
prehensile joints of joints and
all ten stages, root by root.
All spirited and wild, this little
piggy went to market and this little piggy
stayed. Long brown legs and long brown toes.
Further up, my darling, the woman
is calling her secrets, little houses,
little tongues that tell you.

There is no one else but us
in this house on the land spit.
The sea wears a bell in its navel.
And I'm your barefoot wench for a
whole week. Do you care for salami?
No. You 'd rather not have a scotch?
No. You don't really drink. You do
drink me. The gulls kill fish,
crying out like three-year-olds.
The surf’s a narcotic, calling out,
I am, I am, I lam
all night long. Barefoot,
I drum up and down your back.
In the morning I run from door to door
of the cabin playing chase me.
Now you grab me by the ankles.
Now you work your way up the legs
and come to pierce me at my hunger mark.


Anne Sexton
© vertaling Katelijne de Vuyst

Anne Sexton

      Gesloten deuren

Voor de engelen die hier in de stad wonen
laten we, hoewel ze voortdurend van vorm
veranderen, elke nacht wat koude aardappelen
en een kommetje melk op de vensterbank staan.
Meestal wonen ze in de hemel waar,
tussen haakjes, tranen verboden zijn.
Ze duwen de maan van hot naar her als
een gekookte yam.
De melkweg is hun klokhen
met haar vele kuikens.
Als het nacht is gaan de koeien liggen,
maar de maan, die dikke stier,
staat pal.

Hoe dan ook, daarboven bevindt zich een gesloten kamer
met een ijzeren deur die niet open kan.
Ze bevat al je kwade dromen.
Het is de hel.
Sommigen zeggen dat de duivel de deur
aan de binnenkant vergrendelt.
Anderen zeggen dat de engelen de deur
aan de buitenkant vergrendelen.
De mensen binnenin hebben geen water
en mogen nergens aan komen.
Ze barsten als macadam.
Ze zijn stom.
Ze schreeuwen niet om hulp
behalve vanbinnen
waar hun hart met maden is bedekt.

Ik zou graag de deur openmaken,
de roestige sleutel omdraaien
en al wie gevallen is in mijn armen nemen,
maar ik kan niet, ik kan niet.
Ik kan alleen hier op aarde
op mijn plaats aan de tafel zitten.


      Locked Doors

For the angels who inhabit this town,
although their shape constantly changes,
each night we leave some cold potatoes
and a bowl of milk on the windowsill.
Usually they inhabit heaven where,
by the way, no tears are allowed.
They push the moon around like
a boiled yam.
The Milky Way is their hen
with her many children.
When it is night the cows lie down
but the moon, that big bull,
stands up.

However, there is a locked room up there
with an iron door that can't be opened.
It has all your bad dreams in it.
It is hell.
Some say the devil locks the door
from the inside.
Some say the angels lock it from
the outside.
The people inside have no water
and are never allowed to touch.
They crack like macadam.
They are mute.
They do not cry help
except inside
where their hearts are covered with grubs.

I would like to unlock that door,
turn the rusty key
and hold each fallen one in my arms
but I cannot, I cannot.
I can only sit here on earth
at my place at the table.


Anne Sexton
© vertaling Katelijne de Vuyst

Anne Sexton

      Lessen in honger

'Vind je me aardig?'
vroeg ik de blauwe blazer.
Geen antwoord.
Stilte stuiterde uit zijn boeken.
Stilte viel van zijn tong
en zat tussen ons
en kneep mijn strot dicht.
Ze sloeg mijn vertrouwen aan diggelen.
Ze rukte sigaretten uit mijn mond.
We wisselden blinde woorden uit,
en ik huilde niet,
en ik smeekte niet,
maar zwartheid vulde mijn oren,
zwartheid stootte door tot mijn hart,
en iets wat goed was geweest,
een soort weldadige zuurstof
veranderde in een gasoven.

Vind je me aardig?
Hoe stom!
Wat voor een vraag is dat?
Wat voor een stilte is dat?
En wat zit ik hier te lummelen,
benieuwd naar wat zijn stilte zei?

      7 augustus 1974


      Lessons in Hunger

'Do you like me?'
I asked the blue blazer.
No answer.
Silence bounced out of his books.
Silence fell off his tongue
and sat between us
and clogged my throat.
Ir slaughtered my trust.
It tore cigarettes out of my mouth.
We exchanged blind words,
and I did not cry,
and I did not beg,
but blackness filled my ears,
blackness lunged in my heart,
and something that had been good,
a sort of kindly oxygen,
turned into a gas oven.

Do you like me?
How absurd!
What's a question like that?
What's a silence like that?
And what am I hanging around for,
riddled with what his silence said?

      August 7, 1974

Anne Sexton
© vertaling Katelijne de Vuyst

30-9-06

Stephanos Stephanides

Van Stephanos Stephanides (Trikomo 1949) publiceerden we eerder het gedicht 'Besef' op Stanza. Het onderstaande gedicht komt eveneens uit zijn in 2005 in Nicosia uitgekomen Engelstalige bundel Blue Moon In Rajasthan and other poems (Kochlias Publications).

      JAYA DEVI

Godin, u bent vreselijk vanavond
Gisteravond verleidde u mij
In uw waterig blauw
Zelfs de maan was blauw.
Waarom laat u vanavond mijn lichaam trillen en beven
Tot er vuiligheid uit al mijn openingen stroomt
Op mijn knieën kokhals en kots ik
En smeek ik u mij schoon te wassen
Met warme dranken
Waarin geelwortel en neem*
In plaats daarvan stort u een wrede
En koude wolkbreuk over mij uit
Ik huiver en u werpt mij neer
Als een lege huls
Waarom Devi?
Ik weet dat ik uw troetelkind ben
Ken ik uw pest en stank immers niet?
En hoe vaak heb ik u niet zien dansen
op begraafplaatsen?
Ik ken ook uw lotusaanraking
Genees en laat mij slapen.
Morgen zal ik spreken.
Als u wilt verander ik mijn stem
Toon mij niet al mijn stront en smerigheid
Spoor me enkel iets zachter aan
En dan zal ik opnieuw uw lof zingen
Jaya Devi Jaya

Delhi (na de blauwe maan) januari 2004

*Medicinale, aromatische olie uit de vrucht van de Azadirachta indica.

      JAYA DEVI

Goddess, tonight you are dreadful
Last night you enticed me
In your watery blue
Even the moon was blue.
Why tonight do you shake and pump my body
Until filth flows out from all my orifices
On my knees I heave and puke
And beg you wash me clean
With warm liquids
Laced with turmeric and neem
Instead you shower me
With a deluge harsh and cold
I shiver and you throw me down
An empty shell
Why Devi?
I know I am your baby and
Don’t I know your pestilence and stench?
And how often have I seen you dance in burial
grounds?
I also know your lotus touch
Heal and let me sleep.
Tomorrow I will speak.
If you want I change my voice
Don’t show me all my shit and muck
Just prod me a little more gently
And again I’ll sing your praise
Jaya Devi Jaya

Delhi (after the blue moon) January 2004

© Stephanos Stephanides, 'Jaya Devi' uit: Blue Moon In Rajasthan and other poems, 2005
© vertaling Kees Klok

3-8-06

María Sanz

Maria Sanz María Sanz werd in 1956 in Sevilla (Spanje) geboren. Van jongs af schreef ze gedichten. Al vroeg had ze naam in de literatuur. In de loop van vijfentwintig jaar publiceerde ze een twintigtal verzenbundels waarvoor haar in binnen- en buitenland onderscheidingen werden toegekend. Dit jaar verschijnt een uitvoerige bloemlezing uit haar werk onder de titel Minimo sol de invierno. Zopas nog werd haar voor haar voorlopig laatste bundel Voz mediante de II Premio Internacional de Poesía 'San Juan de la Cruz - Ciudad de Úbeda' toegekend.

Van haar werk bestaan vertalingen in het Pools, Engels, Italiaans, Roemeens, Portugees, Frans, Chinees, en uitgaven in brailleschrift. Ook haar essays en bloemlezingen - Antología de la Poesía Femenina de España en el Siglo XX, Universidad de Pekín (2001) en Los cuarenta principales. Antología general de la poesía andaluza contemporánea (1975-2002), Edit. Renacimiento (2002) - zijn zeer bekend. (Fa Claes)


MOEILIJK IS HET ZICH OP IEDER OGENBLIK MENSELIJK TE VOELEN

Moeilijk is het zich op ieder ogenblik menselijk te voelen
wanneer bittere uitersten elkaar kruisen
en je vers na vers terug moet, met
gebroken vleugels, naar je uitgangspunt.
Al ga je naar een onderbreking, jou valt
te binnen dat een kelk je te wachten staat,
want leven is een zaak van weinigen
en jij kent alleen het onmogelijke.


DURO ES SENTIRSE HUMANA A CADA INSTANTE

Duro es sentirse humana a cada instante,
cuando se cruzan límites amargos
y hay que volver al punto de partida,
verso tras verso, con las alas rotas.
Y al ir hacia un paréntesis, te acuerdas
de que tienes un cáliz esperándote,
porque vivir es cosa de unos pocos
y tú sólo conoces lo imposible.


© María Sanz, 'Duro es sentirse humana a cada instante' uit: Variaciones en vísperas de olvido (1984)
© vertaling Fa Claes

María Sanz

OVER MIJN EIGEN ZIJN

Dit is de tweede keer.
Gelijk siddering voor de dood,
blauw van afscheid,
pad voor wind die verbant.

Afwezigheid en verwaarlozing
van het eigen zijn. Gesuste waanzin
die zijn oceanen in beweging brengt.

Gelijk een eeuwige vlaag,
gelijk marmeren vleugels,
uiteindelijk om terug te keren, zelfs zonder begin.
Dit is de tweede keer dat mijn lichaam wordt geboren.


DEL PROPIO SER

Es la segunda vez.
Como temblor de muerte,
azul de despedida,
sendero para un viento que destierra.

Ausencia y abandono
del propio ser. Locura sosegada
moviendo sus océanos.

Como ráfaga eterna,
como alas de mármol,
final para volver, ya sin principio.
Es la segunda vez que nace el cuerpo.


© María Sanz, 'Del propio ser' uit: Trasluz (1989)
© vertaling Fa Claes

María Sanz

MANNEN OP NATUURLIJK WIJZE

Het zijn grijze wezens,
ondubbelzinnig mannelijk,
die me even goed met vier
volle manen vertraging
een ruiker rozen toesturen
als dat ze me trachten te verrassen
door langs te komen in hun blikje
(lees auto) laatst nieuw model
waarin ze zich betoverend voelen.

Schitterende wezens,
dragers van een soort reukwater
dat hun aanwezigheid met vier
lentes voorsprong aankondigt;
mannen van straat en risico, in hun gewone doen,
die aan zichzelf zoeken te ontkomen
door me uit eten te nemen. Ik kan ze inslikken
vooraleer ze seniel worden,
maar een half uur later bezorgen ze me
een indigestie, en het loont
de moeite niet om dit avondje te vergallen.

Moeder Natuur,
je brengt ze binnen mijn bereik, en ik dank je
voor je wijze bedoelingen.
Maar ik ben altijd
ondubbelzinnig vrouwelijk geweest,
en ik getuig tegenover jou dat de afstand
die ons verenigt elke keer groter is.


HOMBRES AL NATURAL

Son seres grises,
inequívocamente masculinos,
que lo mismo me envían
algún ramo de rosas
con cuatro plenilunios de retraso,
que intentan sorprenderme
al llegar en su lata
(léase coche) último modelo
donde se sienten mágicos.

Seres brillantes,
portadores de un agua de colonia
que anuncia su presencia
con cuatro primaveras de adelanto;
hombres al natural, de calle y riesgo,
que buscan evadirse
llevándome a cenar. Puedo ingerirlos
antes de que caduquen,
pero se me indigestan
media hora después, y no merece
la pena estropear esa velada.

Madre Naturaleza,
los pones a mi alcance, y agradezco
tus sabias intenciones.
Pero yo siempre he sido
inequívocamente femenina,
y declaro ante ti que cada vez
es mayor la distancia que nos une.


© María Sanz, 'Hombres al natural' uit: Los aparecidos (1991)
© vertaling Fa Claes

María Sanz

ARGONAUT

Stoutmoedige jonge man
was dat... Hij zocht mijn tempel
onder honderden eilanden
om mij van dichtbij te zien,
om te weten of het zeker was dat ik
naakt stond tussen enkele mythische kolommen
waarvan de blankheid zich boven het serene
indigo van de golven verhief.

Mooie jonge man was dat... Hij gleed langs mijn benen
die brandden in de zon, betastte mijn door de bries
omsloten taille, en zijn goudblonde haar
raakte verward in mijn handen.

Lieve jonge man was dat... Hij kwam om naast mijn
voetstuk te slapen, maar bij dageraad
- altijd is er een dageraad - keerde hij naar zijn schip terug.

Voor deze vreemde sporen in mijn marmeren
lichaam hebben de archeologen
nooit een verklaring gevonden.


ARGONAUTA

Intrépido muchacho
aquél... Buscó mi templo
entre cientos de islas
para verme de cerca,
por saber si era cierto que yo estaba
desnuda entre unas míticas columnas
cuyo blancor se alzaba sobre el índigo
sereno de las olas.

Bello muchacho aquél... Rozó mis piernas
que ardían con el sol, tentó mi talle
ceñido por la brisa, y en mis manos
sus dorados cabellos se prendieron.

Dulce muchacho aquél... Llegó a dormirse
junto a mi pedestal, mas con el alba
-siempre hay un alba-, regresó a su nave.

Nunca se han explicado los arqueólogos
estas huellas extrañas
en mi cuerpo de mármol.


© María Sanz, 'Argonauta' uit: Aves de paso (1991)
© vertaling Fa Claes

María Sanz

CALLE DE LA GUADAÑA

Mij volgt een waarheid langs de straat.
Haar schaduw raakt bijna de mijne.
Ik hoor hoe ze verward raakt
in de bougainvillea’s, hoe ze zucht
om van de muren de omhelzing af te smeken
tot ze wezenloos op de grond neervalt.

Mijn God, als het mogelijk is,
laat haar gezicht aan mij voorbijgaan,
deze ontmoeting op leven en dood met haar,
de zo langdurige droefheid die ze me voorspelt.

De straat wordt smaller nu,
vochtiger en vreemder. De bougainvillea’s
zetten het druppen van hun kardinaalrood voort.
Ik kijk achter mij. Daar staat zij,
rechtop in de tijd, door liefkozingen
geboetseerd. Ik kijk haar aan.
Ze is slechts mijn keerzijde.

Noot: Calle de la Guadaña, (letterlijk 'straat van de zeis') heette vroeger Calle de la Muerte en is een niet meer bestaande straat in Sevilla.


CALLE DE LA GUADAÑA

Una verdad me sigue por la calle.
Casi roza su sombra con la mía.
Oigo cómo se enreda
entre las buganvillas, cómo gime
implorando el abrazo de las tapias
hasta caer inerte sobre el suelo.

Dios mío, si es posible,
pase de mí su rostro,
este encuentro con ella a vida o muerte,
la tristeza tan larga que me augura.

La calle se hace ahora más estrecha,
más húmeda y extraña. Continúan
goteando su livor las buganvillas.
Vuelvo la vista atrás. Allí está ella,
erigida en el tiempo, modelada
por caricias. La miro.
Es sólo mi reverso.


© María Sanz, 'Calle de la Guadaña' uit: Vivir por dentro (1992)
© vertaling Fa Claes

María Sanz

THEORIE AANGAANDE DE WAARHEID

De waarheid is dat niets
van wat ik graag had
bij mij meer dan een
noodzakelijk onderdak zocht
of mijn lot beter
verhielp dan de droefheid.
Zeker is dat ik de waarheid
niet voor me zag
als het niet in de onvoorziene
tegenslag was, na veel
verlopen verwachtingen.
Nu is het valse van het ware
niet meer te onderscheiden,
en ik vind het niet noodzakelijk
om dat na te speuren. Ik zoek
al waarvan ik graag had
dat het mij had gezocht.


TEORÍA DE LA VERDAD

La verdad es que nada
de lo que yo quería
ha buscado mi techo
más de lo necesario,
ni remedió mi suerte
mejor que la tristeza.
Lo cierto es que no tuve
la verdad por delante
si no era en el fracaso
repentino, tras muchas
ilusiones gastadas.
Ahora no es distinto
lo falso de lo cierto,
ni me es imprescindible
averiguarlo. Busco
todo cuanto quería
que me hubiese buscado.


© María Sanz, 'Teoría de la verdad' uit: Tanto vales (1996)
© vertaling Fa Claes

María Sanz

JE WEET NIET OF JE HEBT OVERWONNEN OF GEWONNEN
Tussen beide bestaat een voorkomen
van absolute helderheid, maar het scherp
van het mes is altijd van jou geweest,
zelfs in tijden van vrede. Hoe met je eigen lot
in het reine komen, hoe deuren openen
voor het verstand wanneer het kapot gaat,
als je overwinning even ongekend is
als ongelukkig, door louter verstrooidheid.


NO SABES SI HAS VENCIDO O HAS GANADO
Entre ambas cosas hay una apariencia
de claridad rotunda, pero el filo
de la navaja siempre ha sido tuyo,
aun en tiempos de paz. Cómo entenderse
con el propio destino, cómo abrirle
puertas a la razón cuando fracasa,
si tu victoria es tan desconocida
como tan infeliz, de puro ausente.


© María Sanz, 'No sabes si has vencido o has ganado' uit: Mínimo sol de invierno (2006)
© vertaling Fa Claes

María Sanz

HOEWEL JE OPNIEUW DE LANDSCHAPPEN BEWONDERT
die ooit de bedding van je verwondering waren
herken je je alleen
in hen omdat de boom
daar, met wiens schaduw je versmolt,
blijft voortbestaan aan de kant van de weg
waarlangs jij bent voorbijgegaan en hij niet voorbijgaat.
Zelfs de beek blijft
het spoor van je ogen bewaren
ondanks het feit dat ze nu
alleen een herinnering op het water zien,
onmogelijk uit te diepen als vroeger.
Hoewel alles weggevlucht schijnt
van de natuur die jij verstond,
een zeker spoor klopt als een hart
achter ieder verslenst en kleurloos blad.
Je herkent je slechts
in de beschouwing van een eenzame boom,
diegene die op je eigen passen
bleef staan zonder je aan te kijken.


AUNQUE ADMIRES DE NUEVO LOS PAISAJES
que una vez fueron cauce de tu asombro,
sólo te reconoces
en ellos porque el árbol
aquél, con cuya sombra te fundiste,
continúa a la orilla de un camino
por el que tú has pasado y él no pasa.
Hasta el arroyo sigue
conservando la estela de tus ojos,
a pesar de que ahora
sólo ven un recuerdo sobre el agua,
imposible de ahondarlo como entonces.
Aunque todo parezca haber huido
de la naturaleza que entendías,
alguna huella late
tras cada hoja mustia e incolora.
Sólo te reconoces
en la contemplación de un árbol solo,
aquél que permanece
sobre tus propios pasos, sin mirarte.


© María Sanz, 'Aunque admires de nuevo los paisajes' uit: Mínimo sol de invierno (2006)
© vertaling Fa Claes

María Sanz

BESPAAR JE HET LEED, ER BESTAAT GEEN MANIER
waarop je de wereld overtuigt van je vlucht
naar gindse genietingen
waar je leegbloedde.
De winters volgen elkaar rusteloos op,
tekenen de eenzaamheid van zoveel uren
als wonden, leggen
hun handen op je gezwollen slapen.
Nu is er geen zachtheid voor meer nachten.
Dit doel dat je nooit hebt opgegeven
om je slapeloosheid vrij te houden
heeft zijn limieten reeds opgelost
in een voorbijgegaan genot
terwijl het je na de bittere ervaring
de nooit eindigende liefde ontzegt.
De winters verzachten
het koortsig landschap dat je omgeeft,
maar het volstaat niet
om uit de wereld je heengaan te verwijderen
naar het delirium waar je op sterven lag.


AHÓRRATE EL DOLOR, NO TIENES MODO
de convencer al mundo de tu huida
hacia aquellos placeres
donde te desangraste.
Los inviernos se siguen sin descanso,
trazan la soledad de tantas horas
como heridas, imponen
sus manos en tus sienes tumefactas.
Ahora no hay dulzor para más noches.
Ese fin al que nunca renunciabas
por mantener abierto tu desvelo,
ya diluyó sus límites
en un gozo transido,
negándote el amor interminable
después de la amargura.
Los inviernos alivian
el paisaje febril que te rodea,
pero no es suficiente
para alejar del mundo tu partida
hacia el delirio donde agonizaste.


© María Sanz, 'Ahórrate el dolor, no tienes modo' uit: Mínimo sol de invierno (2006)
© vertaling Fa Claes

María Sanz

JE BLIJFT SLECHTS OVER
met de hoogmoedige schoonheid
van Mahler en van Brahms,
met de zoete uitputting van Richard Wagner
en enkele diepzinnige boeken
waarin het je nog lukt je te verbergen.
Je blijft alleen over met je leven,
onterfde in de hoogste graad,
terwijl alles rondom
licht wordt en voorbijvliegt
over de geografie van een aantal periodes
die aan zichzelf gelijk waren,
ver van de abstractie waar jij uitrust.
Na zonder kleerscheuren tot zoveel
vrijheid te zijn geraakt, hoe verklaar je
dat je blijft verder gaan met het opsluiten
van je woord in het vers.


YA SÓLO TE HAS QUEDADO
con la belleza altiva
de Mahler y de Brahms,
la dulce extenuación de Richard Wagner
y algunos libros hondos
en los que aún consigues esconderte.
Ya sólo te has quedado con tu vida,
desposeída ahora en grado sumo,
mientras alrededor
todo amanece y vuela
sobre la geografía de unos tiempos
iguales a sí mismos,
lejos de la abstracción donde reposas.
Después de haber llegado sin fisuras
a tanta libertad, cómo explicarse
que sigas encerrando
tu palabra en el verso.


© María Sanz, 'Ya sólo te has quedado' uit: Mínimo sol de invierno (2006)
© vertaling Fa Claes

María Sanz

EEN OPWELLING VAN LIEFDE
heeft haar winter nodig,
haar lange buurtschap met de dauw,
leidraad waarzonder ze nauwelijks ademhaalt
een eind voorbij de vermoeidheid.
Je hebt nog heimwee naar die afdruk
van zaterdagen, in de roze nevel
van hun avonden gehuld,
die je geringe aanwezigheid profileerden
op vijandige trottoirs
die nergens heen leidden,
zelfs niet naar de intieme spiegels
waar de gezichten van de mensen
waagden te komen,
minuscule taferelen
voor een slecht geïnterpreteerde geschiedenis.
De echo van de liefde
doet je winter aangroeien,
slaat zonder bekende voetstappen hoeken om
en blijft je verder weg dan de stilte
naar de oorzaak vragen.


UN ALIENTO DE AMOR
necesita su invierno,
su larga vecindad con el rocío,
pauta sin la que apenas se respira
más allá del cansancio.
Añoras todavía aquella estampa
de sábados envueltos
en la neblina rosa de sus tardes,
perfilando tu mínima presencia
por aceras hostiles
que a nada conducían,
ni siquiera a los íntimos espejos
donde se aventuraron
los rostros de los hombres,
minúsculas escenas
para una historia mal interpretada.
El eco del amor
acrecienta tu invierno,
dobla esquinas sin pasos conocidos,
y sigues preguntándote la causa
más allá del silencio.


© María Sanz, 'Un aliento de amor' uit: Mínimo sol de invierno (2006)
© vertaling Fa Claes

María Sanz

ZIJ EN JIJ

Zelfs in het herinneren van zijn afscheidsfeestjes
was geen enkele man exact.
Innemend sierden ze zich met jouw lauweren
als ze hun komst aankondigden,
minuscule triomfators
zonder de moed te verliezen.
Nu komen ze dicht langs,
bekijken je verstolen
vanuit een album van onbruikbare foto’s
als wilden ze wat zeggen in de trant
van een nutteloze monoloog.
Jij hebt ook gewonnen.
De wandeling, het plein, het prieel,
voor eens en voorgoed
ging je de hele weg terug
zodat ze je nooit hun wachttijd,
hoe onbepaald ook, konden verwijten.
Jij ook hebt het bereikt jezelf
te ontmoeten zonder hen.


ELLOS Y TÚ

Hasta rememorar sus despedidas,
ningún hombre fue exacto.
Amables, se ceñían tus laureles
en cuanto daban fe de su llegada,
triunfadores minúsculos
sin pérdida de aliento.
Ahora pasan cerca,
te miran de reojo
desde un álbum de fotos inservibles,
como queriendo hablar en condiciones
de monólogo inútil.
Tú también has ganado.
El paseo, la plaza, la glorieta,
desanduviste todo
de una vez para siempre,
para que nunca puedan reprocharte
sus esperas, aún indefinidas.
Tú también has llegado
a encontrarte sin ellos.


© María Sanz, 'Ellos y tú' uit: Voz mediante
© vertaling Fa Claes

4-4-06

Edith Södergran

Edith_sodergran_picEdith Södergran (1892-1923) werd geboren in een welgestelde familie in het toenmalige Russische Finland. Zij bracht haar leven grotendeels door in Raivola op het Karelisch schiereiland. In haar jeugd leed zij aan tuberculose, ter genezing waarvan zij in verschillende Europese sanatoria verbleef. Daardoor kwam zij ook in contact met de moderne Europese literatuur. Haar eerste gedichten schreef zij in het Duits, maar al spoedig begon zij in het Zweeds te schrijven. Haar eerste bundel verscheen in 1916 te Helsinki. Hoewel Södergran en haar familie grote ontberingen en onzekerheden doorstonden tijdens de Russische revolutie en de gevolgen daarvan in Finland, verschenen van haar nog vier bundels, waarvan de laatste postuum, in 1925. Södergran wordt, in de woorden van haar vertaalster, ‘algemeen beschouwd als de beginfiguur van het modernisme in Scandinavië.’ De hier geplaatste en door Jytte Kronig vertaalde gedichten werden eerder opgenomen in het internationale poëzienummer van Kruispunt uit 2001 (Kees Klok).

Edith Södergran, 'Herfst' en 'De sterren'

Herfst

De naakte bomen staan rondom je huis
en laten eindeloos lucht en hemel binnen,
de naakte bomen dalen naar de oever af
en spiegelen zich in het water:
Nog speelt een kind in de grijze najaarsrook
en een meisje loopt met bloemen in haar hand,
en aan de hemelrand
vliegen zilverwitte vogels op. 

Höst

De nakna träden stå omkring ditt hus
och släppa in himmel och luft utan ända,
de nakna träden stiga ned till stranden
och spegla sig i vattnet.
Än leker ett barn i höstens gråa rök
och en flicka går med blommor i handen
och vid himlaranden
flyga silvervita fåglar upp. 

Edith Södergran
Uit: Dikter, Helsinki 1916
Vertaling: Jytte Kronig

De sterren

Als de nacht komt
sta ik op de trap en luister,
de sterren zwermen in de tuin
en ik sta in het donker.
Kling! Daar viel een ster!
Loop niet met blote voeten door het gras;
mijn tuin ligt vol scherven. 

Stjärnorna

När natten kommer
står jag på trappan och lyssnar,
stjärnorna svärma i trädgården
och jag står i mörkret.
Hör, en stjärna föll med en klang!
Gå icke ut i gräset med bara fötter;
min trädgård är full av skärvor. 

Edith Södergran
Uit: Dikter, Helsinki 1916
Vertaling: Jytte Kronig



Edith Södergran, 'Portret' en 'De maan'

Portret

Voor mijn liedjes,
die vrolijk klagende, avondrode,
schonk mij de lente het ei van een watervogel.
Ik vroeg mijn liefste om op de dikke schaal mijn portret te schilderen.
Hij schilderde een jonge bloembol in bruine aarde –
en op de andere zijde een rond zacht heuveltje van zand. 

Porträttet

För mina små visor,
de lustigt klagande, de aftonröda,
skänkte mig våren ägget av en vattenfågel.
Jag bad min älskade måla mitt porträtt på det tjocka skalet.
Han målade en ung lök i brun mylla –
och på den andra sidan en rund mjuk kulle av sand. 

Edith Södergran
Uit: Landet som icke är, Helsinki 1925.
Vertaling: Jytte Kronig

De maan

Wat is toch al het dode wonderbaarlijk
en onzegbaar:
een dood blad, een dode mens,
en de maan.
En alle bloemen kennen een geheim,
en het bos bewaart het:
de kringloop van de maan - dat is de dood die wentelt
om onze aarde.
En de maan spint zijn wonderbaarlijk web,
dat bloemen lief is,
en de maan spint zijn sprookjesachtig net
rond al wat leeft.
En de maansikkel maait bloemen af
in late najaarsnachten,
en alle bloemen wachten, tot de maan hen kust,
vol eindeloos verlangen.

Månen

Vad allting som är dött är underbart
och outsägligt:
ett dött blad och en död människa
och månens skiva.
Och alla blornmor veta en hemlighet
och skogen den bevarar,
det är att månens kretsgång kring vår jord
är dödens bana.
Och månen spinner sin underbara väv,
den blommor älska,
och månen spinner sitt sagolika nät
kring allt som lever.
Och månens skära mejar blommor av
i senhöstnätter,
och alla blommor vänta på månens kyss
i ändlös längtan.

(September 1922) 
Edith Södergran
Vertaling: Jytte Kronig

17-10-05

Massimo Sannelli

Massimo SannelliMassimo Sannelli werd geboren in 1973, woont in Genova en voert de redactie van de websites Sequenze en Microcritica. Daarnaast is hij sinds 2003 redacteur bij het tijdschrift Bina. Naast de poëziebundels O (Cantarena, Genova 2001), Due Sequenze (Zona, Arezzo 2002), Antivedere (Cantarena, Genova 2003), La posizione eretta (L'impronta, Mori 2004), La giustizia (Edizione d'if, Napoli 2004), Undici madrigali, libro d'artista (Ettore Baraldi, Torino 2005) en Santa Cecilia e l'angelo (Edizione Atelier, 2005), schreef hij ook een pak essays en andere prozastukken. Een aantal van zijn teksten zijn bovendien online te lezen. (Sven Staelens)


De eigen devotie, die voortduurt, zal op de handpalm
en op de hoeken van de mond rusten;
de vervoering die wie haar ziet
bedroeft: ontvangt gaat verder, en alleen.
men zal zich zacht en glad zijde
voelen nabootsen, de dagelijkse geur en
de heilige vrede met het blussen, het lachen,
het ontknopen.

je herkent het "zuivere tribuut": een tegen-
licht tegenover het licht, straffeloos, en de veerloze
tegenover een andere vleugel.


Uit de nog niet gepubliceerde bundel 'Lo schermo' (Het scherm)
Copyright vertaling © Sven Staelens en Valeria Gallucci
Meer vertalingen van Massimo Sannelli zijn te lezen op Estro Poetico

17-9-05

Stephanos Stephanides

Stephanos Stephanides Stephanos Stephanides werd in 1949 geboren in Trikomo op Cyprus. Als kind verhuisde hij naar Groot-Brittannië, waar hij schoolging en literatuurwetenschap studeerde aan de Universiteit van Cardiff. In 1981 promoveerde hij aan dezelfde universiteit. Hij werkte jarenlang in Noord en Zuid-Amerika, waar hij ondermeer doceerde aan de Universiteit van Guyana. Hij publiceerde o.a. de studie Translating Kali's Feast: the Goddess in Indo-Carribbean Ritual and Fiction (Amsterdam, 2000) en maakte over dit onderwerp ook een tweetal documentaire films. In 1991 keerde hij terug naar zijn geboorteland waar hij meewerkte aan de oprichting van de Universiteit van Cyprus. Hij is aan deze universiteit verbonden als hoogleraar vergelijkende literatuurwetenschap en dekaan van de Faculty of Humanities. (Kees Klok)


Besef

Voor Aşik Mene

Dus wat zullen we doen voor de doden
        wier met schelpen omzoomde
grafheuvels ons levenslang aantrokken
als tot een magnetisch wereldrijk,
Derek Wallcott Midsummer XVL

Ik weet dat deze meidag de dag zal zijn
Waarop de doden slechts voor eenmaal zullen ontwaken
Volgend voorjaar zal te laat zijn
Volgende maand zal de welriekendheid van de lente
Verflauwen in de zomerse droogte
Zelfs de doden wachten niet voor altijd
We hebben een keer teveel gebeden
En als dit de dag moet zijn dan zal het de dag zijn
We voelen het aan de rilling over onze huid
Aan de roodheid van de klaproos
De doden sturen hun boodschappers overal heen
Maar velen wenden het hoofd af in vrees
We kunnen ons paspoort niet laten zien
Om over te steken door het hek zeggen ze
Toch moet ik op weg gaan om jou te zoeken
Met mijn ogen open
Vandaag weet ik dat je niet tijdens
Mijn zwijgende meditatie zult komen noch in mijn slaap
Maar precies op de plek in zee
Waar we de sensuele boezem voelen van onze dode moeder
In de geur van de struiken die onze grootmoeder
        gewoonlijk stookte
Om brood te bakken in haar oven van leem
Vandaag zul je een vreemdeling sturen om mij m'n verhaal te vertellen
Hij zal me eerst verse limonade geven
        om mijn dorst te lessen
En met een sleutel de deur openen van de kamer
Waar ik werd geboren en waar jij je dromen droomde
Terwijl je op dit groene balkon stond en
Met de zeewind door je haren
Over daken, klokkentorens en minaretten keek
Naar de weg met de acacia's en de eucalyptusbomen
En ik zal je horen spreken in de beweging van de wind
Je stem nagetrokken door een afwezige hand
Aşik zal mij op m'n wangen kussen
Om me te zeggen dat hij de doden ook heeft gezien
En met een handaanraking
Zal ik beseffen dat ik de zoog-
En bloedbroeder heb gevonden
Die ik meedogenloos had vergeten.

juni 2003


Uit: Blue Moon in Rajasthan and other poems (Kochlias Publications, Nicosia, 2005)
Vertaling: Kees Klok


Sentience

For Aşik Mene

So what shall we do for the dead,
        to whose conch-bordered
Tumuli our lifelong attraction is drawn
As to a magnetic empire,
Derek Walcott Midsummer XVI

I know this day of May will be the day
The dead will awaken only once
Next spring will be too late
Next month the fragrance of spring
Will fade away into the summer drought
Even the dead will not wait forever
We have prayed one too many times
And if this is to be the day it is to be the day
We feel it in the shudder of the skin
In the redness of the poppy
Everywhere the dead send their messengers
But many turn their heads away in dread
We cannot show our passport
To cross the gate they say
Yet I have to take the road to find you
With my eyes open
Today I know you will not come
In my silent meditation nor in my sleep
But in the exact spot in the sea
Where we feel the sensual bosom of our dead mother
In the aroma of the bush our grandmother
        used to burn
To bake the bread in her clay oven
Today you will send a stranger to tell me my story
He will first give me fresh lemonade
        to quench my thirst
And with a key open the door of the room
Where I was born and where you dreamed your dreams
As you stood on this green balcony
With the sea-breeze in your hair
Looking over rooftops, bell-towers, and minarets
At the road with the acacias and eucalyptus trees
And I will hear you speak in the movement of the wind
Your voice traced by an absent hand
Aşik will kiss me on the cheeks
To tell me he too saw the dead
And with a touch of the hand
I will know I have found the brother
In milk and blood
I had relentlessly forgotten

June 2003

21-8-05

Shirley Stephenson

De legende van Quintana Roo

Mijn bungalow is bedekt met stro en misvormd.
Eens vond ik een vogelspin in mijn ondergoed.
Ik vond een man in mijn bed.
      Ze noemen me Señor Amor, zei hij.
Ik wil geen liefdessonnetten, waarschuwde ik.
      Zijn mond viel open.
Maar je enkel is als een roos.

Urenlang kakelde er een haan onder mijn raam.
Toen ik de gordijnen opendeed,
zag ik een kind huilen.

* *

Grenspatrouilles hielden ons tegen tussen vreugdevuren in.
De vrouw met haar als lava boog zich naar voren vanuit haar stoel
en sprak gehaast -
      Ik zie hoe je het vrijgezellenbestaan vereert
      en schone lakens maar 's nachts glas breekt
      en je bent water.

Ze haalde haar nagel over mijn handpalm
en likte haar lippen.
      Je hebt alles
      en dan heb je niks.
      Behalve parasieten.

* *

Hij bracht me kaarsen, bessen en vlooien.
Hij bracht me geparfumeerde zeep.
      Kijk, zei hij. Diep in je zit iets
      ruws verborgen want ik weet
      hoe je ervan houdt
      jezelf te verliezen.

Zijn tong eindigde op zekere
      offerbergen
omdat ik de vermenging verbeeldde
van onze huidskleuren.

* *

Waarom niet een tijdje blijven
daar waar alles groter wordt
dan je ooit had gedacht?

Klieren als kokosnoten,
mieren die aan munten sjorren en men kan alleen maar gissen
naar de rest.

Onzin en geschreeuw.

De lagune is al zeven keer
van kleur veranderd.
De jungle geeft zichzelf.

* *

Ik vond haar rokende
in een hangmat.
      Liefde is als een ei, zei ze. Verorber 't
      anders breekt 't en loopt weg.

Laat toch, zei ik. Iedereen wil
zichzelf volproppen. De volgende keer
herinner ik me dat er iets naars is
met volheid.
De volgende keer neem ik iets profylactisch.

      Trek geen cirkels op je tenen, zei ze.
      Denk aan je eenzame blauwe kom om middernacht,
      de dodelijke kracht van honing.

Ze raakte mijn haar aan en as bedekte onze voeten.

The Legend of Quintana Roo verscheen voor het eerst in No Tell Motel, juli 2005
Copyright Nederlandse vertaling © A.T. van 't Hof 2005

Shirley Stephenson is Development Director van The Poetry Center of Chicago.

Stacy Szymaszek

Stacy Szymaszek De Amerikaanse dichteres Stacy Szymaszek is als Literary Program Manager verbonden aan een van de bekendste boekenwinkels op poëziegebied in de VS - Woodland Pattern, Milwaukee. Daarnaast is ze ook redacteur van Gam: A Biannual Survey of Great Lakes Writing. Ze heeft inmiddels drie bundels op haar naam staan: Some Mariners, (EtherDome, 2004), Mutual Aid (gong, 2004) en Pasolini Poems (Cy Press, 2005). Haar vierde bundel, Emptied of All Ships, zal nog dit jaar verschijnen bij Litmus Press.

opeenvolging van golven eiwitrijk gist
drijvende witte pet neurie elegische lettergrepen

verander koers anker sleep naar zeebodem - slingers
darwin van grote meeuw klinkt obscuur

in open lucht - geklingel - meevoelend
onder tonnage van flora oceaan van spookbrein

treur met me mee -   Slavisch   Indisch   Arabisch

Uit: Some Mariners (Etherdome, 2004)
Copyright Nederlandse vertaling © A.T. van 't Hof 2005