Dichters P

13-4-08

Michalis Pasiardis

De Cypriotische dichter Michalis Pasiardis (1941) werd geboren in Tseri. Hij maakte culturele programma’s voor de Cypriotische radio en publiceerde zestien dichtbundels, waarvan de eerste, Piïmata in 1962 uitkwam. Zijn recentste bundel, Tetrasticha, verscheen in 1999. De gedichten 'Vermist' en 'Het voorjaar' komen uit O dromos tis piïsis B’ (1976). 'Lidrastraat' werd gekozen uit Pente kykli (1981). Voor zijn bundels Dia-stásis (1972) en Párodos (1983) ontving hij de Cypriotische Staatsprijs voor poëzie. (Kees Klok)


  Lidrastraat

           I

Lidrastraat
lange straat
eenrichtingstraat
die nergens heen leidt
of
beter

naar de groene lijn.

           II

Ik zal deze straat nemen
die nergens heen
leidt
of
die andere tijden

doet terugkeren!

           III

Straat
met je oude
demonstraties
de moorden
in je zijstraten

de vrijheid
waarover we alleen maar lazen
in de kranten.

           IV

Deze straat
die zich heeft opgerold
als een slang

en ons giftig
in de hiel
beet.

           V (1963)

Mijn oude mitraillist
in de
Lidrastraat

die rende om op tijd te zijn

waarvoor?

           VI

De groene lijn
doorsnijdt je
de groene lijn
verwondt je;

en het gescheurde
overhemd
van de gesneuvelde landgenoot.

           VII

Nu delen meisjes
water rond
aan wie geen dorst hebben

nu delen ze
glimlachen uit
aan wie onverschillig
voorbijlopen.


  Vermist

Dromen blijven dromen,
maar jij niet,
in de hoek hangt nog steeds je warmte,
voor de spiegel ligt nog je kam
met een pluk van je haar,
onze deur wacht ’s middags
op jouw schaduw die verkoeling zoekt,
ik heb, als altijd, het eten klaar
en het raam voor je openstaan.
Dromen blijven dromen,
maar jij niet,
daarom schrik ik ’s nachts wakker en huil
omdat jij in de droom voorkomt
en ik je niet kan vinden.

Daarom schrik ik ’s nachts wakker en huil...

(Dat zei de vrouw in haar monoloog;
een meisje van tweeëntwintig dat dag en nacht
wacht op de terugkeer van haar man.)


  Het voorjaar

Het voorjaar - dat opfladderde in de droom
en in het water tot bloei kwam
zoals een bloem in een vaas.
Het voorjaar - met zijn zwarte wortels
in de grond van onze vaderen.


Michalis Pasiardis
Vertaling: Stella Timonidou & Kees Klok

23-3-08

Yuri Pérez

Yuri Perez

Yuri Pérez werd in 1966 in San Bernardo, Chili, geboren. Hij is één van de meest representatieve dichters van zijn generatie. Vooral bekend zijn de bundels Mala yerba, Antología registrada, Cumbia en Ceremonia del Cristo blanco. Teksten van hem verschenen in alle belangrijke tijdschriften en bloemlezingen van Chili. Tweemaal werd zijn werk bekroond met de literatuurprijs van zijn geboortestad. Hem werd de studiebeurs van de Neruda-stichting en de studiebeurs Fondart van het Ministerie van Opvoeding toegekend. (Fa Claes)


VAARWEL  MY  LOVE

De dag waarop ik rot zonder het juiste te hebben gezegd
Bij het licht van mausoleumkleurige kaarsen
Zul je mijn pestkeel komen aanraken
Met de droefenis van een mooie weduwe

Je zult mijn naam in je mond willen oppoetsen
En de eeuwige betovering van de dood ontdekken
In de grafkuil waar de doden elkaar ophitsen
Zul je de nieuwe dikte van mijn bloed proberen te raden

Je zult de graven van je verwanten gaan bekijken
Voor wie ik nooit iets betekende
En van wie ik niet meer wist dan dit.

Je zult me zoeken in het gegons van de vliegen
En moe van dat te proberen zul je onder de mooiste
Rozenstruik van de begraafplaats gaan liggen

Vanuit de grond met de hongerige wormen
Zal ik je het mooiste Russische gedicht lezen
Ik zal slapen
En je zult blij zijn dat je me hebt verloren


ADIÓS  MY  LOVE

El día que me pudra sin haber dicho lo justo
A la luz de velas color mausoleo
Vendrás a tocar mi garganta de peste
Con la tristeza de una viuda hermosa

Querrás pulir mi nombre en tu boca
Y descubrir el eterno embrujo de la muerte
En la fosa donde los muertos se excitan
Intentarás adivinar el nuevo espesor de mi sangre

Irás a contemplar las tumbas de tus parientes
A los que nunca importé
Y de los cuales no supe más que eso

Me buscarás entre el zumbido de las moscas
Y te echarás cansada de intentarlo
Bajo el rosal más bello del cementerio

Desde la tierra de gusanos hambrientos
Leeré para ti el mejor poema ruso
Dormiré
Y te alegrarás de haberme perdido

(Uit Cartas del interno)


DRONKEN  SCHRIJF  IK  SLECHTER

Er ontbreken gedichten - ik praat in mijn eentje -
De genialiteit verstopt zich op ieder ogenblik
Mijn uiterste ervaringen met het woord
Zijn liggende koeien, zonder luzerne of mest

Ik heb in mijn taal doornen van rozen
Overjarige bloedkorsten, infecties
Metaforen geplagieerd van symbolistische dichters
Van wie ik sommige troebele vertalingen meezeul

Zoals Martín Vargas zijn handschoenen aan de haak hing
Na voor de zesde wereldtitel vlieggewichten te hebben gevochten
Moet ik misschien van het slagveld wegvluchten

Ik dacht dat alles zwart of wit was
Maar hier sta ik zonder het ene te zijn of het andere
Op de rand van een volledige mislukking
Die niets te zien heeft met de initiële fantasie


BORRACHO  ESCRIBO  PEOR

Faltan poemas -comento a solas-
La genialidad se oculta a cada instante
Mis experiencias límites con la palabra
Son vacas echadas, sin alfalfa ni estiércol

Tengo en la lengua espinas de rosas
Costras de sangre añeja, infecciones
Metáforas plagiadas a poetas simbolistas
De los cuales cargo ciertas traducciones turbias

Así como Martín Vargas cuelga los guantes
Tras haber disputado el sexto título mundial de los mosca
Quizá deba huir del campo de batalla

Yo pensé que todo era blanco o negro
Pero heme aquí sin ser lo uno ni lo otro
A la altura de un perfecto desastre
Que nada tiene que ver con la fantasía inicial

(Uit Mala Yerba)


DESKTOP  PUBLISHING

Je zangen zijn een eindeloze oude lap, een paar lieve beesten - je weet het,
      Pérez -
De uitgevers zien in jou niet het talent waar je mee te koop loopt als je je
      bedrinkt
Ten hoogste publiceerden ze kleine gedichten van geringe literaire waarde
in universitaire tijdschriften, in vage bloemlezingen
Je bent verdwaald, alleen, gelijk een slechtgezinde en goddeloze oude vrouw

Overgeleverd aan desktop publishing loop je de trappen van de officiële
      gebouwen op en af
Je piepklein braakliggend imperium, je zwakke triomf
Je komt altijd op je vertrekpunt uit, met verlies van verbazing, geërgerd
Je gaat op de pleinen zitten om de lage kont van magere en blonde vrouwen te
      taxeren

Je slechte gedichten zijn het populairst onder je vrienden, arbeiders, bewakers
Zij bewonderen je eigenaardig gratis schrijverswerk, de schoonheid van de
      vriendschap
Dan keer je naar je saaie oefening terug, bitter, koppig
Je ontdekt het oog van de naaktslak die in alle vroegte naar de wasbak
      terugkeert

Altijd waren er betere generaties dan de jouwe - zeg je tegen jezelf - betere
      treffers
In de onzekere wereld van dichter in mineur zit je te klagen als een verdrietig
      kind
Over de taal, de anafoor, de onnauwkeurigheid van het adjectief, de toon, het
      werkwoord
Zonder uitgever, zonder professionele toekomst in de letteren, zonder vrede en
      zonder geld voor de verlichting


AUTOEDICIÓN

Tus cantos son un infinito trapo viejo, unas dulces bestias –lo sabes, Pérez-
Los editores no ven en ti el talento del que presumes cuando te emborrachas
A lo sumo te han publicado en revistas universitarias, en vagas antologías
Pequeños poemas de escaso valor literario
Estás desorientado, solo, como una anciana malhumorada y atea

Entregado a la autoedición, subes y bajas las escaleras de los edificios públicos
Tu diminuto imperio baldío, tu débil victoria
Siempre terminas en el punto de partida, con pérdida de asombro, molesto
Te sientas en las plazas a tasar el hondo culo de mujeres flacas y rubias

Tus malos poemas son los más populares entre tus amigos, obreros, vigilantes
Ellos admiran tu curioso trabajo de escritor al gratis, la belleza de la amistad
Entonces vuelves a tu tedioso ejercicio, amargo, tieso
Descubres el ojo de la babosa que regresa de madrugada al lavamanos

Siempre hubo mejores generaciones que la tuya -te dices- mayores aciertos
En el precario mundo de poeta de tono menor te lamentas, como niño triste
Del lenguaje, de la anáfora, de la imprecisión del adjetivo, del tono, del verbo
Sin editor, sin futuro profesional en las letras, sin paz ni plata para la luz

(Uit Cumbia)


MAGERE  VROUWEN

Je vindt het leuk om de lage kont van de mageren te beloeren
Om in die kruik de vreemde Europese erfenis te ontdekken
Er zit iets ziekelijks in deze derdewereldse fixatie
Een uitputtend werk, aangenaam, poëtisch, verdorven

Een bank wordt overvallen, een motorrijder botst tegen een bakkerswinkel
De verkoopster van chuchufli’s huilt, een bus davert,
De Republiek brandt
Maar jij interesseert je voor het beloeren van de mageren hun kont

In de rij voor de apotheken, bij het trappen klimmen, in de kiosken
Achter de winkelruiten van de lingeriezaken, in de klinieken
In de krottenwijken
verstrekt de kont van de mageren een beetje licht van goedheid aan de
      omgeving

Dan springen de stenen van het ene gebouw naar het andere
De auto’s laten hun stofschoenen stoppen voor de secretariaten
De bedelaars vluchten met hun orthopedische benen
Dan bekrachtig je de geldigheid van de zonde


FLACAS

Te gusta observar el hondo culo de las flacas
Descubrir en esa vasija la extraña herencia europea
Hay algo enfermo en esa fijación tercermundista
Un trabajo agotador, dulce, poético, malvado

Asaltan un banco, choca una motocicleta contra una panadería
Llora la vendedora de cuchuflíes, patea una guagua
Arde la República
Pero a ti te importa observar el culo de las flacas

En la cola de las farmacias, subiendo las escaleras, en los kioscos
Detrás de las vitrinas de las lencerías, en los hospitales
En las barracas
El culo de las flacas otorga al ambiente una pequeña luz de bondad

Entonces las piedras saltan de un edificio a otro
Los automóviles detienen sus zapatos de polvo frente a las comisarías
Los mendigos huyen con sus piernas ortopédicas
Entonces ratificas la vigencia del pecado

(Uit Cumbia)


EERSTE  TUIN

Ik vertrek gelukkig en ontredderd
In jou was ik de slechtste worm uit de rivier
Ik verwedde de ouderloosheid van het hart, koe en bries
Op de fatale vampierzangen in de populieren

Ik ken je naam en het fatale risico van je bloed
Onze kwade zoen spuwde tussen wilde violieren
Geluk en ongeluk
Daarom verheug ik me onder deze schrikbarende storm

Ik ben in jou tot de onoverkomelijke regen van de dolk
Anderen dan ik of betere bloembladen van zieke zoetheid
Zullen je taille verheffen onder gieren en papavers
En zullen hun verse urine achterlaten onder de nissen van je patio.

Alleen ik heb je bemind met onvermoeibare droefheid
De razernij van de rijm op de maan uitgestrooid op het gezicht van de dood
De ton met bloed die de mug meesleept tot aan het graf
Veroordelen mij tot de brandstapel en tot de dodelijke verveling van de
      bruggen

Ik ben de onomkoopbare Yuri Richard, je ruggengraat van as en zout
Kom in dit gedicht als een vinger sneeuw op het water
Kom naar het stof van de tuin, naar het ijs van het dorp
Zoals een dichter binnengaat in de ongenade van de taal


PRIMER  JARDÍN

Me voy feliz y desquiciado
Fui en ti el peor de los gusanos del río
Aposté la orfandad del corazón, vaca y brisa
A los fatales cantos de los vampiros en los álamos

Sé tu nombre y el riesgo fatal de tu sangre
Nuestro beso malo escupió entre alhelíes bárbaros
Dicha y desgracia
Por eso me alegro bajo esta horrorosa tormenta

Estoy en ti hasta la inevitable lluvia del puñal
Otros como yo o mejores pétalos de dulzura enferma
Levantarán tu cintura entre buitres y amapolas
Y dejarán bajo los nichos la orina fresca de tu patio

Sólo yo te he amado con infatigable tristeza
La furia de la escarcha sobre la luna echada en la faz de la muerte
El tonel de sangre que arrastra el mosquito hasta la tumba
Me condenan a la hoguera y al aburrimiento mortal de los puentes

Soy el insobornable Yuri Richard, tu espina de ceniza y sal
Entra en este poema como un dedo de nieve al agua
Ven al polvo del jardín, al hielo del pueblo
Como entra un poeta a la desgracia del lenguaje

(Uit Cumbia)

Yuri Pérez
Vertaling Fa Claes

20-1-08

Nasa Patapiou

Nasa Patapiou

Nasa Patapiou (1952) werd geboren in het Cypriotische Rizokarpaso. Zij studeerde Griekse filologie in Thessaloniki en Athene. Zij was een aantal jaren werkzaam in het voortgezet onderwijs en als onderzoekster bij het Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek van Cyprus. Sinds enkele jaren is zij directrice van het Huis van Cyprus in Athene.

Zij publiceerde in verschillende vooraanstaande Griekse literaire tijdschriften. In 1988 verscheen haar debuutbundel, To Fonien soma, waarvoor ze de Cypriotische Staatsprijs voor Poëzie kreeg. Behalve poëzie publiceerde zij ook historische artikelen over de Frangokratie op Cyprus, de periode van het Latijnse koninkrijk onder het Huis Lusignan (1191-1489). In 2001 verscheen haar historische studie Het consulaat van de Ionische Republiek, 1800-1807, die bekroond werd door de Academie van Athene. Onderstaande gedichten zijn afkomstig uit de door Stella Timonidou en mij samengestelde bloemlezing Wij wonen in een taal, uitgegeven te Brugge in 2004. (Kees Klok)


   Afkomst

Ik ontspring
Aan de bergen van het
Schiereiland van Karpasía
En mond uit in mijn lichaam
In mijn binnenste bronnen
En plassen
Spiegelbeelden in het water
Schaduwen in het rode bloed
Weerkaatsingen in de ochtend
En ’s avonds andere
Laat de Engel met het
Zwaard maar komen
En mijn rechterzij
Doorsteken
Zodat het bloed wegvloeit
Het water overstroomt
Schuimende golven
Mij omringen
Licht
Je omtrek zichtbaar maakt
Je grenzen getrokken worden
Zoals vroeger
En dat van mijn bezittingen
Alleen mijn stem blijft
Ik ben de denkende plant
Op de steiltes
Van het eiland Cyprus


   Een rots in zee

Klein vaderland
Wereld waar woorden schaars zijn
Zoals de kroniekschrijver
Vertelt
Rots in zee
Uitspraak van de Franken
In het geschreven monument
Van mijn taal
Maar
Van de Klidhes Eilanden
Tot aan Akáma
Bloeit de oleander
Van de Klidhes Eilanden
Tot aan Akáma
Gedijt het bloed
Mijn kleine moeflon
Die herkauwt
Tussen de ceders
Voor hoelang nog zul je tot voedsel
Dienen aan de dis
Der goudomhulden


   Als een hert

Zo ontsnapte ik
Aan deze wereld
Met de helft van mijn dromen
Zonder einde
Rook, een flits
En verdwenen was ik
Maar dat lichaam
Uit de hemel neergedaald
Blijft hier achter
Het gaat raadselachtig rond
Over straat
En wordt verliefd
Er zijn ogenblikken
Dat het vermoeid raakt
En heen en weer zwaait
Als de manen van een paard
Als een hert
Dat niet toegeeft
Dat het dorst heeft
Narcistisch slaapt het
Met als enige trots
Zijn wonden


Nasa Patapiou
Vertaling: Stella Timonidou & Kees Klok

23-8-07

Luis Manuel Pérez-Boitel

BoitelLuis Manuel Pérez-Boitel werd in 1969 in Remedios, Villa Clara, Cuba, geboren. Hij werd met talrijke nationale en internationale en literatuurprijzen bekroond. Hij publiceerde de dichtbundels Unidos por el agua (1998, Premio Nacional de la Ciudad de Santa Clara), Bajo el signo del otro (2002, Premio Nacional Pinos Nuevos), Aún nos pertenece el otoño (2002, Premio Internacional Casa de las Américas), No llames en la noche (2005, Premio Internacional Desiderio Macía Silvas), Memorial de invierno (Premio Internacional Casa de Teatro Santo Domingo). Gedichten van hem werden gepubliceerd in tijdschriften en bloemlezingen in Spanje, Chili, Ecuador, Puerto Rico, Mexico en de Verenigde Staten. Hij is stichter en hoofdredacteur van het in Mexico uitgegeven tijdschrift VozOtra. (Fa Claes)


ROEP NIET IN DE NACHT

Luis Manuel Pérez-Boitel


Aan de Mexicaanse dichter Javier de la Mora de la Peña
aan wie in deze landschappen wordt geloofd.
Aan de herinnering aan mijn vader, tussen deze banken
in het park waar een menigte, mensheid genoemd,
tussen woorden en gedichten
iets van haar tijd achterliet
en omdat ik tenslotte
geloof dat ze gisteren plaats vond,
die omarming die op de reeds vergeelde foto staat,
een foto zelfs uit een andere wereld.

The nights snapped out of sight like a lizard’s eyelid:
A world of bald white days in a shadeless socket.
A vulturous boredom pinned me in this tree.
If he were I, he would do what I did.

SYLVIA PLATH


dit is een onvervangbaar landschap.

op de arabesken en de plassen zijn bladeren gevallen,

elk verwachtte zijn onbeduidende wereld.

voor het beeld van Rimbaud zit een man die droomt,

een jongen, in gedachten, steekt een brug over.

in het overweldigende bos is de tijd datgene wat ontkomt

op een zomerdag.

tussen de verwelkte geraniums geeft de edelsmid ons de rust weer.

puisque l´aube grandit, puisque voici l´aurore (Verlaine).

in de tekening en in de regen bestaat la belle époque

waarin wij het geluk hadden een schuilplaats te vinden,

een gedicht over een bank ik het park.

het beeld van Sint Judas Tadeus fascineert ons (zijn onmetelijkheid?).

terwijl de vreemdeling verder gaat

ontroert me zijn afgrijselijk gezicht, zijn zichtbare stilte.


DIT IS EEN ONVERVANGBAAR LANDSCHAP

vanaf de dakrand overtuigt ons het majestueuze landschap. de septemberregen voorziet ons van valse verwachtingen, van een suggestief aroma. op de toegangstreden wenkt iemand. de koelte van de middag doet ons denken aan het meisje dat aan het raam verschijnt. in haar wereld groeien de wilgen en de nacht gaat rond. het schijnt dat enig wonder gaat plaatsvinden. ons kost het geen moeite om op dat neo-klassieke balkon uit de XVde eeuw te blijven staan om onze ellenden te verbergen. de volgende zomer zal onvervangbaar zijn zoals het landschap dat we nu vasthouden. op de heuvel steekt een man over tot in de diepte. de menigte op de markt, bijvoorbeeld, verbergt haar maskers. gisteren had ik een vreemd voorgevoel. er stond een lamp waar we allemaal vóór bleven staan zoals op een foto, aan deze kant verscheen een vaartuig op drift. de droevige lichamen op het water, het deed ons de Virgen del Cobre aanroepen. er gebeurde niets. werkelijk niets, en we besloten om voor een paar seconden deze manier van aanvaarden van de eeuwigheid (de uitdaging?) te wijzigen. Vanaf de dakrand is er een meisje dat in precies dezelfde dromen uiteenvalt. een overvangbare lucht doemt op bij de stad waar iemand een voorspoedig einde van de eeuw kwam aanbieden. intussen zie je de man niet meer op de heuvel. grijze rook bedekt het toneel. de baai gaat minutenlang verloren, en ik herinner me dat ik een roos op zak draag, ik tracht haar aan haar wereld te ontrukken, maar de wind slaat ons. de roos is de roos niet meer, het meisje staat niet meer bij het raam, het is ook geen winter. het vertraagde licht confronteert ons met de stad en de septemberregen heeft neiging om alles uit te wissen, of bijna alles, zonder iets anders te kunnen doen.


OP DE ARABESKEN EN DE PLASSEN ZIJN BLADEREN GEVALLEN

ik weekte de droge populierbladeren. het is herfst, misschien. met instemming herinner ik me het huis, de laatste huur, de boerse meubelen. misleid loop ik naast de tijd van de definities. niets ruimde zo barbaars de schoonheid op als deze regen, het wonder. de chaos. de stilte duurt voort na het spoor (het enige spoor?). we waren op de plechtigheid waar een man praatte met zijn lot. iets duidde aan dat in deze huizen de herfst verloren is gegaan op de arabesken en de plassen, definitief. en het kind op het schilderij kijkt met ontzetting naar de zieltogende hond. hij lag hier in de rue des Chanteurs, hij lag op sterven. zo verliep de middag samen met de amethist. we hadden enkele witte banderilla’s geplaatst. uit ieder blad kwam een hallucinatie, maar het was niet nodig om een ander huis te bouwen, of een ander land, of een andere wereld. naast de bergpas kwamen de mannen fluitend voorbij. we legerden op de onherbergzame plaats. we hadden geluk, een zeker geluk, met de regen om de magere dromen uit te wissen. en de landkaart strekte zich uit over de horizon. niets bleef over, zeiden ze me, van het voedsel en van de eenzaamheid. de ondankbaarheid is een troefkaart. maar zelf voelde ik ook een zekere weemoed voor dat diertje dat de wandelaars nu ontweken. vanaf de vensterbank duidden de lichten ons de terugkeer aan (het moeilijke uur?). in een hotelkamer was er niets dergelijks. ik was wakker, was de droge populierbladeren aan het weken naast het kompaskastje, was aan het trachten om de verzen van een memorabele dichter te herhalen, maar ik raakte de woorden niet gewoon (de neutraliteit van sommige woorden?). meedogenloos heeft de tijd zich over alles uitgespreid, heb je gezegd, om die andere afwachting te herdefiniëren, die heimwee die we van onszelf aan het maken zijn. ik weiger om wakker te worden. het is herfst en er bestaat niets anders, of het moet het gangpad van het hotel zijn, de rue des Chanteurs, en de boerse meubelen, dat ons op het tegendeel wijst.


ELK VERWACHTTE ZIJN ONBEDUIDENDE WERELD

wij gingen altijd naar dezelfde dorpskerk.
een klaaglijke stem kwam tussenbeide en sloeg tegen het trottoir. lucht verloopt langs de woorden waar ik mijn neutraliteit beoog te verbergen, de markante schaduw. En het gezicht van dat meisje met haar fiets lost op in het geheugen (mijn geheugen?). ze was definitief teruggekeerd naar de plaats die ze altijd toebehoorde. iets anders kon je niet verwachten. de pijnbomen leidden ons om de ontmoeting te bereiken. alles bleef intact in het holle reliëf. de olielamp bood ons de richting aan vóór de albasten deuren. iets tastbaars kon ieder ogenblik plaatsgrijpen.

de engelbewaarder huwde de kalmte aan de dorst en zij deelde in het schouwspel alsof zij altijd daar ter plaatse was geweest. de friste van de bruggen en de nacht deden ons rillen voor de illusie, de entr’acte, de routine. ik werd opnieuw vijfentwintig en ik herinnerde me dat ons geheugen ons dergelijk overwicht toestaat (de majestueuze werkelijkheid?).

de pijnbomen bezetten heel het pad,
maar in de stap van de Erinyen bestaat geen echte sleutel die ons de gelukzaligheid verschaft. elk verwachtte zijn onbeduidende wereld. zij meende met haar tegenzin mijn gezicht te doen vervagen. ik had verlangd om in dergelijke betwistingen te verdwalen.

de boegspriet lag op enkele mijlen,
en we voelden ogenschijnlijk een paar druppels agaat op de grond. een schijnbare wereld om van het verleden de halsstarrige leegte te maken. de andere geschiedenis waar ik nog geen vijfentwintig was, en het meisje met de fiets niet in de dorpskerk zat, want ongrijpbaar zijn de gevallen bladeren, de basis van het afwachten, zoals een duizendjarige boom of het schouwspel dat zich aan ons voordoet wanneer we ons trachten meester te maken van de stap van de Erinyen.


VOOR HET BEELD VAN RIMBAUD ZIT EEN MAN DIE DROOMT

er is een wijze man die zijn val toegeeft en een paar
      jodenfooien telt, als om zijn lot te negeren, het avondrood van de tijd, de beschimmelde muren van een huis, het ondoorgrondelijke licht dat ons nadert.

niemand luistert naar hem. in een ander tijdperk
      was hij een voornaam handelaar die op verboden plaatsen fruit verkocht. De schoolmeisjes verwonderden zich over die manier om de appel te bevriezen als om hem te vereeuwigen, als om hem de adem af te snijden (zijn adem?).

het is wachttijd. de mieren vatten andere bestemmingen
      aan, maar die bejaarde vóór mij had in een andere herfst Rimbaud gekend, en nu gelooft niemand zijn verhalen, zijn blinde ogen vinden de woorden niet eens, de haven waar hij ooit zijn rust aflijnde en zijn grenzen schikte (waarom is een mens altijd aan het uiterste blootgesteld?) en hij neemt een papiertje om een paar verzen te schrijven.

bizarre gewoonte. voor deze tijd is dat een bizarre
      gewoonte. het aftandse licht maakt zich meester. voor het beeld van Rimbaud zit een man die droomt dat hij vandaag zijn hand uitsteekt om eten te geven aan de mussen van een park (iets wat ik aan mijn geliefde beschreef als een ogenblik dat nooit terug komt).

maar de mensen gaan door en de stad merkt niet dat
      een wijze man op de schemering zit te wachten, in de hoop dat we niet over de herfst praten en niet over de nacht die ons nadert zoals iets dat zelfs God niet kon verhinderen.


EEN JONGEN, IN GEDACHTEN, STEEKT EEN BRUG OVER

een dorre schaduw leidt ons in het zich verdringende landschap. een jongen, in gedachten, steekt een brug over en niemand weet welke afstand hij zal moeten overwinnen. we deelden een paar kopjes kruidenthee en hij zag er wat zenuwachtig uit. hij had naar het scheen een tatoeage op zijn schouder, een doodsteken dat ik later ontcijferde. maar niets wijzigde onze manier om de winter te aanvaarden (zijn winter?). pubers gooiden vliegers en woorden tegen een muur. soms regende het ononderbroken, en tussen de plassen kon je een zekere meerduidigheid gaan ontraadselen (een zekere ruimte voor ontmoetingen?). van Madrid naar Havana en van Havana naar het huis van een dichter. van middag tot middag sprak ik af aan het einde van het noodweer, verschillende bruggen stelden ons voor de uitdaging. de kaartlegster zei ons niets bij het verlaten van de plaats waar ik eens gelukkig was. ze had herkend dat de ware plaats zich in die straatjes bevond waar de menigte zich verdringt, waar de menigte denkt dat de minnaar die aankomt (ongelegen?) de volmaakte tijd is, de volmaakte stad. intussen herinnerde Delfín Prats mij: "Ga niet terug naar de plaatsen waar je gelukkig was, / naar het eiland dat je met hem doorkruiste / zoals Hadrianus de domeinen van zijn keizerrijk / (die zee van zwart zand / waar zijn ogen opengingen voor de verwondering / was alleen een verzinsel van je nostalgie)." Ik zou zeggen, een jongelingsgril tegenover de zee van het eiland, terwijl je toekijkt hoe jonge mensen naar andere grenzen inschepen, naar andere valse hemels. angst voelde ik, ik kon niet raden dat dat zand dat zich aan mijn lichaam hechtte mijn eigen heimwee was, het verzinsel van de komende dagen. behoed deze woorden voor de verleiding van de Ionische jonge man die naar mijn kant oversteekt en zulke uitdagingen op zich neemt (het anders zijn, bijvoorbeeld?). tussen hem en mij stelde een onlesbare dorst voor om dichter tot bij die zee te gaan die alles met zich meevoert. misschien bleven er enkele bruggen over. misschien was de winter onze laatste winter. ik hield hem in het oog al ver weg, tussen die vaartuigen op drift, zonder te kijken wie aan deze kant van de wereld blijft, wie blijft om met woorden (alleen met woorden?) deze eenzaamheid op zich te nemen nauwelijks zonder een seconde of een nieuw ogenblik om op zijn schouder zijn doodsteken, zijn teken van goed geluk, vluchtig te bekijken.


IN HET OVERWELDIGENDE BOS IS DE TIJD DATGENE WAT ONTKOMT

En ik dronk een sterke wijn zoals alleen de durvers
het genot drinken.

KAVAFIS

ik neem een beetje linde om de onheilspellende gezichten te ontwijken. twee mannen vervagen in de nacht, ik ben nabij. één schijnt versomberd door die straatjes te lopen waar de mensen het ongewone nastaren. Kavafis heeft het goed gezegd: "Het ware genot en het parfum van mijn leven / is het parfum van die uren van mijn leven / waarin ik het genot net zoals ik dat wenste aantrof en vasthield." ze gingen door die grote deur waar de onschuld ontweek, de viering deed me denken aan de zomer op Patmos. het lijkt vreemd te veronderstellen dat zij alleen bleven, vermoedelijk alleen onder het valse dak dat de nacht is. niemand, naar het schijnt, merkt hen op. één heeft een rode bloem op zijn vest, de ander houdt hem bij de hand. ik tracht de aanraking met de lichamen (hun lichamen?) niet te ontwijken als ze doordringen in dit bos waar datgene wat gered ontkomt dit gedicht is dat De geliefden diende te heten, want zij bleven hier in de tekst van het gedicht (over het gedicht?), in het gedicht op een andere wijze naar die menigte aan het kijken zonder te voelen dat in de dorpse hemel geen andere reden bestaat om zijn gelaat, zijn dubbelhartigheid, zijn oordeel te verhullen. "Niets weerhield me. Ik bevrijdde mij en ik trok / dwars door de nacht / naar genoegens die zowel / in de werkelijkheid als in mijn wezen bestonden," dat zijn volgens Kavafis de woorden voor twee mannen die er niet op uit zijn om stilte te verschaffen buiten de stilte, die niet uitgebreid wensen verder te gaan en die die grote deur binnengaan waar andere jonge mannen al, hand in hand, bij een achteloze menigte kwamen.


OP EEN ZOMERDAG

Voor Frida Kahlo

de laatste munten geven we uit. langs de kier worden de dagen schaarser, achteloos voel ik de aanwezigheid (jouw aanwezigheid?). ze zeggen dat er storm komt. het heimwee dat ons nadert parfumeert de lucht. de dun gezaaide bomen maanden ons aan tot stilte (tot het mogelijke wachten, tot het imminente?). het toevluchtsoord lag op enkele uren. intussen zat ik enkele verzen van André Breton te overlezen. Niets deed ertoe op die zomerdagen. het is droevig om het litteken op de foto te zien waarop je een kind ziet en verschillende voorwerpen zoals een bekkenbeen en een machine, verspreid rond een bed, terwijl een vrouw een miskraam heeft ( Henry Ford Hospital, 1932). een meisje gekleed voor haar eerste communie brengt ons in verrukking. oog in oog met de losgekomen aartsengel op het gebrandschilderd raam dacht ik dat het goede vrijdag was. ongelegen rijdt een trein langs en verdonkert het landschap. het landschap was al niet meer anders, vermoedde ik. ik was in de buurt van het huis van alle zondagen. ik bereidde de ontmoeting voor, het feestmaal (het ritueel?). hier was ik in Griekenland samen met een jonge Ioniër die de avondval aan het ontcijferen was, en ter plekke vroeg een oude Russische dichter om een sigaret om op de middag (die ons overblijft?) in te zetten. maar verder onthoud ik niets. de dagen gaan voort. een spookachtige stilte, bijna spookachtig, omsloot ons. de stad lag op een paar mijl.
het meisje met het blauwe kleed
droeg een Christus. het beeld
leek van zwart marmer. onverklaarbaar,
iemand had besloten hem zijn hart af te nemen.
het in zijn hand te houden gelijk een nationaal symbool
vóór de menigte die op het plein bleef.
de vrouw hield de gebroken kolom vast, dat is zeker,
en ondersteunde dat beeld als hield ze
de vrede van al die eeuwen in haar macht, alsof dat lichaam ademde en iets reddends was.

in het aanbod van de middag zag ik de gezichten vanuit de starheid van een stomme film. Frida Kahlo stond op de achtergrond en toonde ook haar Christus met zijn hart in zijn hand, zij glimlachte. ik was vaak in haar huis geweest in Coyoacán maar voor de foto kon ik me niet inhouden. op zijn knieën besloot iemand af te zien van de ontmoeting. in de kier stond een kind dat voldoening voelde.
aan één kant Diego Rivera tegenover een muurschildering
waar de ontmoeting dichterbij komt, aan de andere
een voorstelling met een paar verwelkte bloemen (stilleven?).
De man die je tussen de menigte ziet
is Trotski bij zijn aankomst in Mexico.
intussen begroef Frida haar eenzaamheid
op dergelijke plekken en zelfs dat meisje
dat aan het hart van de ander,
ook zonder blauw kleed en mogelijke ademhaling,
het beste van die zomerdagen ontleende.


TUSSEN DE VERWELKTE GERANIUMS GEEFT DE EDELSMID ONS DE RUST WEER

aporieën. het meisje tegenover de bemoeial prevelde een gedicht. het overlijdensregister. de nacht legt de afstand af en rijgt voor het psalterium de gewoonte aaneen (de eeuwige gewoonte?). de namen volstaan niet meer waar de herfst zijn sterkte toont. het evenwicht is een verzinsel tegenover de toren, tegenover het losgeslagen zuiderbos. op de eerste brug hield de rampzalige tijd ons tegen en de reis was nutteloos. geef me de stad als voorwendsel dat alle afdakjes het meisje tegenover het schilderij laten gaan, met haar narcis, antwoordde ik uit de dakvensters. kijk, het mysterie dat de storm ons omsluit waar we ooit eenvoudige gezichten waren, wandelaars of bedoeïenen of misschien deel van een reliëf dat niemand zich kon voorstellen. mij verrukte de stank waar iemand een kruis had geplaatst, een teken waar je de wilde paarden van het leven kon zien langslopen. op de tweede brug kwam de vermoeidheid terug. de processies. de mythe.

Van de bewaker van de tarwe de heiligheid zoeken
zijn enige heiligheid, zei je me als antwoord vóór de dageraad, toen in gindse aarde een herfst begon te kiemen. tussen de verwelkte geraniums geeft de edelsmid ons de rust weer en het gladde meisje, zelfs zonder de haar narcis, geeft toe dat in deze huizen geen andere paden zijn om op te lopen.

aporieën.
de nacht fonkelde toen iemand aan de deur verscheen. binnen was alles viering. de tuinier ontbrak het niet aan rijkdom, maar hij huilde vanuit de tuin bij zulke bespieding. het is een spel geweest het gebrek aan gewoonte (aan geloofwaardigheid?). de bewoners vrezen de schemering. de schok van de schemering. het meisje geeft in het geheim de resten van de narcis.

het ontbrak de tuinier helemaal niet aan zijn rijkdommen.
het ontroert om de blinde te zien op deze erven. wie buiten staan zeggen niets. die met zijn tuniek beschreef enkele volkslagen. de stroom zal aankomen en alles zou zijn als die schimpscheuten waar alleen één God is die zich ons aanbiedt, ook als het meisje niet kon getuigen wat haar narcis is overkomen.

aporieën.
de nacht loutert de wortels van een woestenij waar ik me verzet tegen de lege ruimte die de mensen aan hun huizen beoogden mee te geven.

in het volgende bedrijf
herhaalde de marskramer zijn geschiedenis. op de derde brug maakte het amber zich meester van het toneel. de wilgen duidden ons de terugkeer aan en zelfs de narcis bleef voor onze ogen als het teken van het geheiligde (van het immateriële?). het meisje had het zo geschreven. in het volgende station liet de stad haar armband vóór de bewaker liggen.

we gingen andere bruggen voorbij
om de mars van de schipbreukelingen te logenstraffen en het ontbrak de tuinier niet aan dorst vóór de steen die ooit de landstreken verdeelde. het meisje kon daar niets tegen doen, tegen de stress van de geschiedenis. op de oudbakken gezichten van de mensen beloerde een walnotenboom het ondoorgrondelijke gezicht van de nacht.


PUISQUE L´AUBE GRANDIT, PUISQUE VOICI L´AURORE

antiekwinkel.
de wandelaars worden schaarser hier
voor de namaakdecoratie. het vaatwerk
dat andere eeuwen veinst doet zich aan ons voor
als perfecte liefdadigheid tegenover de geliefde.
wij komen als paradox
dichter bij het uitstalraam, en een guirlande
toonde ons het spoor van de winter.
ik zou me het zilveren kruisbeeld hebben aangeschaft,
het beeld van de koningin daarentegen was een zeer
slechte kopie, meegebracht uit de buurt van Istanboel.
niemand kent de maker van die prullaria,
maar iets omhulde ons met de mythische lucht
van die vrouw die ons aanzet, die ons toesmeekt
vanaf de aankondiging. buiten komen de handelaars
voorbij met hun kostuums.
ik merkte die plaasteren figuurtjes op,
die heiligen die bezwaarlijk een woord
in ons voordeel konden zeggen en nadien
simuleerde ik het perfecte alternatief voor het gezicht
van een kind dat naar ons toekwam om zijn
kerstgeschenk te vragen. antiekwinkel,
hier ontdekte ik wierooksoorten uit heel verre
streken ingevoerd zoals stond vermeld.
de Chinese vazen krijgen tegenwoordig een unieke
plaats in die versiering. bij het reconstrueren
van het toneel vermaakte ik mij met het ontdekken
van een zo schaars geworden aroma. de appelthee,
bijvoorbeeld, vergelijkbaar met degene die je drinkt
in mijn provincie, doet me aan de aanbieding twijfelen.
bezorgd bekijk ik opnieuw die beelden,
een schilderij van Lodewijk de XVde,
een wandtapijt dat zoals ze me zeggen, aan koningin
Sofia toebehoorde. vermits de dageraad groeit,
vermits het morgenlicht hier is (Verlaine)
en zelfs de eenzaamheid. we verwijderden ons
met ontzetting. de handelaars deden ter plaatse
voort. intussen was ik talloze malen
aan het denken aan dat beeld van Christus
dat ze ons toonden uit stenen waarvan ze zegden
dat ze uit zijn graf waren gehaald,
nu gezien, om de uitdaging aan te nemen,
vanuit een antiekwinkel.


IN DE TEKENING EN IN DE REGEN BESTAAT LA BELLE ÉPOQUE

onder de onvruchtbare laag zoekt de herder het slib. het sediment van een vreemdeling in de middag. hij houdt nauwkeurig het spel in het oog (het valse spel?). Misschien ontbrak een vleugje voorzichtigheid. vanuit de cirkel kondigde de profeet aan: la belle époque bestaat in de tekening en in de regen. ik kwam terug uit Santa Fé de Bogotá en droeg een stempel van een maagd. in de laatste psalm staat iets dat de hoogvlakte doet vervagen, de nabijheid van de saffraankleurige lucht. mijn vader was ziek, ik zag hem ontijdig bloeden, maar kon niets doen. hij beschikte over de gave van de fantasie om in de middag een stortbui te ontdekken, een stokoude boom, de funderingen van een andere stad waar degene die oversteekt andere prairies omhoog brengt. de herder smeekte vanaf die dodelijke koepels tegenover de steunstok. het vruchtbare land overmeesterde de modder. het kwetst om ontijdig zoveel vermoeidheid in de ogen van mijn vader te zien. ik was naderbij gekomen precies op het ogenblik dat hij naar het schemerdonker overstak. ik bekende hem mijn obsessie voor de woorden, de angst om tussen die zuilen door te lopen die de tijd ons verschaft en ons van elkaar verwijdert, en ons vernietigt, alsof wij die herders waren die nooit erin slagen om hun kudde te vinden. onthutst werd ik niet gewaar dat dit een gebed - dit - een afscheidsgebed was. ik wou toen zeggen: leegte, vervreemding en God, maar de wonden bonsden tegen mijn geheugen. ik blijf op de divan zitten waar ik een winter ontdekte op de precieze dag van zijn verjaardag. de bewoner herwerkte de gelaatsuitdrukking van de lichamen. ik raadde andere smeekbeden om dat gelaat met starre blik (zijn hooghartigheid?) om de tuin te leiden. mijn vader stierf aan een tumor, zó groot. toen ging die januari voorbij. ik vroeg naar de inzamelaar van die fantasieën en in de prairie hernam de wandelaar het gebladerte, de kelk, de voorbije seconden, de ondoorgrondelijke dageraden.

/ onbenaderbare coryfeeën bazuinen ons op dit ogenblik
rond vanuit een stad waar mijn vader op mij wacht sinds
negentienhonderd achtennegentig.


WAARIN WIJ HET GELUK HADDEN EEN SCHUILPLAATS TE VINDEN

de nacht kwam. in de kamer achter de winkel vervaagt het walmend licht het pad. het laatste mysterie waarin we verzinken. de rietstengels leidden ons. de lijkbleke lichamen van de houthakkers wezen ons het bos aan, de heuveltjes. hun oogsten waren gemerkt door de scherpte van de jaren en de storm. ik keek naar de bejaarde in de weilanden. tegenover het strenge reliëf kruiste de lijn waarin wij het geluk hadden een schuilplaats te vinden. de nietige weg van de zielen waar een stem de mogelijke terugkeer zwiept. een vroom licht stelde ons een voorspoedige tijd voor. De heraut keek en wantrouwde deze hellingen. het lot van een mens is altijd ontsnappen aan het spel (zijn spel?). ach, vermetelheid van mijn geest. ga de weg op waar de anderen hun as hebben achtergelaten, berichtte de bejaarde. naast het klooster staan enkele woorden voor de ontcijfering waarvan ik  bang ben. iemand nodigt ons uit op de smeekbede, op de bekoring, op het vasten. ieder jaar doorkruisen de houthakkers deze streken. nog was het zomer. het werd nacht en tussen de hongerige lichamen herkende ik de zomer, de uitgestrektheid van de mist, het nachtelijke goud. haastig zocht mijn hand een nieuw station. die gravures vasthouden, de trechtermondingen, was een offer. op het levensrad zoekt een man zijn opdracht (de tegenprestatie?). de aarde was gaan herleven, dacht ik. beklemd trokken de mensen naar hun afzonderlijke woningen en ik observeerde die valkuilen, het schrijnend gevoel van de valkuilen, de treden van een tijd, maar begreep niet of wou niet erkennen welke de reden kon zijn van de rechtopstaande schaduw, van een zo stomme en diepe plek, als er bij het begin een heuglijk land was en een waarachtige God.


EEN GEDICHT OVER EEN BANK IK HET PARK

aan het einde van de optocht blijft een man voor het tarot staan, overloopt in een meesterlijke act de spanning van zijn lichaam. de overblijfsels vormen het toneel van een park. ik herinner me het zomers jaar waarin een onbekende tussen de menigte naar voren kwam. onverzorgd de lianen waar de dunste uren van de morgen vallen. en daar bleef de bezwering boven ieders hart. de bierdrinkers volgden tot aan die paviljoenen. de koopman vertrouwde de ronde van Irenaeus en had geluk, een zeker geluk. daar is de schemering waar het nutteloos is het nieuwe station te ontdekken. halfweg ontdekten de belegeraars een gedicht op een bank in het park en ze begonnen ieder woord te verwarren met veronderstelde tekens uit het verleden. het publiek luisterde naar de bezwering van de vermetelen. en de bierdrinkers bekeken onvervaard die bacchanalen. ijlend was een kind de tekst aan het overlopen vóór de onverstoorbare gezichten. met tegenzin vervaagde ieder woord een wereld. iemand oordeelde: deze verzen zijn van Vicente Huidobro. Misschien was die royale verklaring op een bank in het park iets vreemds. de toeschouwers ontdekten in het kind de mythe van de stoombaden. in de inhaligheid van deze minuten bemerkten de bierdrinkers dat de dichter aan deze oevers ouder was geworden, terwijl een verwarrende sfeer van zaligheid ons deelgenoot maakte van dat geloofsgebed in het golvende park waar een met kalk beschilderd standbeeld ons het anders zijn beduidde. het kind had geen andere keuze dan die verzen te beëindigen waarin werd bepaald: ga alstublieft voorbij, hier boven deze rondelen staat de tijd, al de tijd van hen die wachten.


HET BEELD VAN SINT JUDAS TADEUS FASCINEERT ONS (ZIJN ONMETELIJKHEID?)

naast de kathedraal, de amandelbomen, de man die papieren figuurtjes verkoopt om de ellende te ondervangen die op de loer ligt, de spanning van de dageraad tegenover de betovering van de dagen. de jonge mensen dachten er niet aan dat het september was, misschien einde september. ik vermoed dat in het glasraam het beeld van Sint Judas Tadeus ons fascineert (zijn onmetelijkheid?). het schijnt zeker te zijn dat hij door Gods tuintje wandelt, dicht bij God, door God bij de hand genomen, en het licht overmeestert door dergelijke ijdelheden te ondervangen, de koninklijke architectuur bijvoorbeeld, die ze hebben opgetrokken. het traliehek biedt ook geen zekerheid en waar ze loopt geeft een meisje te eten aan een stervende vogel, iets wat door een dorpsschilder die ik nooit meer heb weergezien zou zijn vastgelegd. Vreemd is de geur van rozemarijn. de regen houdt niet op en wij blijven staan voor het beeld van Sint Judas Tadeus en denken aan het gebrek aan gewoonte. ik had een vriend die de woorden hernam, ongelegen. hij was totaal verlamd, maar met een penseel in de mond schetste hij engelen op een tropische lucht waarvan wij - met stelligheid - nooit zijn kelk zullen bezitten, de eindeloze muziek van zijn diepgang. in de art-déco-kathedraal steunde de heilige de muren, de zuilen van de lichten. duizendjarige distichons riepen de smeekbeden ons aan. uitgeteerd is de lucht tussen de deuren waar een donkergroen water ons de bezwering liet genieten. merkwaardig is die vochtgeur aan de wanden. onzichtbaar is de bestendigheid van de man die papieren figuurtjes verkoopt op een plaats zoals deze. de laatste blaren van de verbazingwekkende woestenij zijn het majestueuze schouwspel blijven versieren. vreemd is de geur van rozemarijn in deze periode. en uitgestald op het smalle pad tegenover de vurigheid van de middag gingen we door de grote deur waar, definitief, de as van een man achterbleef.


TERWIJL DE VREEMDELING VERDER GAAT

naast de vuurtoren gaat de nacht langer door. onvervangbaar voorziet de adventlucht ons van weemoed. tenslotte houdt de winter ons vast. terwijl de vreemdeling verder gaat is er een duidelijke foto die ons voorstelt om samen aan tafel te gaan zitten, het oker maakt indruk met zijn traditie (met zijn routine?). zeer oud was het geloof van de bedoeïen.

roep me niet in de nacht,
de dingen die áf zijn behoren tot een andere wereld.
door de hoek van het gelaat is de vondst minimaal.

na de plensbui gingen Sergius en ik terug door die onnoembare straatjes. Onwillig is het licht in mijn krankzinnigheid en het stof op de dingen begrenst ons. tegenover het feestmaal van de dag is de oogst in het station goed. ik ben de crisis doorgekomen en mijn hoofd raakt vol met spookbeelden (met spookachtige beelden?).

deze kruik uit vorige eeuw beviel erg
door zijn tekening waarop een vrouw het zich gemakkelijk maakt
onder een boom
in afwachting van wat dadelijk komt.

de vreemdeling draagt zijn boos gezicht, zijn stilte langs deze streken die tegen de koning zijn beschilderd. wormstekig is dat huis op het onzegbaar pad waar de afwezigheid de horizon bedekt waar de dingen zich in oprollen die ons al niet toebehoren, die niet eens een oplossing kennen. intussen zag je Sergius niet met een olielamp.

roep me niet in de nacht,
ik ben naar die menigte aan het kijken, al onuitwisbaar,
die een andere wereld opdringt. Een boze lucht
uit de provincie laat de gemeenschappelijkheid
van de woorden schommelen.
in het gedicht of buiten het gedicht misschien had de kaartlegster haar schitterende nachten vervaagd waarvan ze het wachtwoord niet wou meedelen. in de desolate ruimte van het huis ontbreken de wierookgeuren en zelfs dat mannetje dat ons zo nu en dan van fruit kwam voorzien. onvoldaan blijft de vreemdeling tegenover het gebed waarin hij zich op de (her)ontmoeting uitnodigt.

in Dibujos de la Guerra van Julio Girona bekijkt
ons het niet geschminkte meisje vanuit een kroegje,
misschien vanuit Parijs in de harde winter
van 1945. misschien kende ook zij Sergius en bekende hem over die vroege ochtenden op de brug
terwijl ze wachtte op het voorbijkomen van de enige trein en naar de tarwevelden keek die vol onkruid stonden,
ontbladerd door het eigen station. roep me niet in de nacht,
ondoorgrondelijke spookbeelden bewonen ons
en naast de kruik uit de vorige eeuw bemerk ik
de hand van God, de vergeetachtigheid, de bedaardheid
van een man die ik niet ken, die me vragen stelt en
een lange gang doorloopt zonder het andere uiteinde te kunnen bereiken
waar schrale lichten hem verhinderen om tot het pad van de thuiskomst door te dringen.

ONTROERT MIJ ZIJN AFGRIJSELIJK GEZICHT, ZIJN ZICHTBARE STILTE

zij lopen op het randje. van korte duur is de cadans die de aartsketter
voorstelt. er zijn geen evidenties uit de toren, achteloos.
een boers landschap ontroert ons.  uit de agglomeratie kwam het
meisje, ze gaf me een teken maar ik verkoos haar te ontwijken. ik had nooit gedacht
dat achter die pijnbomen iemand mij wou bezitten. ik zei
niets. even zei ik niets. zij hield een lamp omhoog
om de jonge leeftijd (haar jonge leeftijd?) te verbergen naast het blauwe kleed en
de doodstrijd van de ontmoeting. haar afgrijselijk gezicht grijpt mij aan, haar
zichtbare stilte. in de eerste woorden bestonden geen
aanwijzingen. ik herinnerde me die margrieten die in het wild
waren gegroeid in dit eindeloze landschap.

wee
degenen die niet zagen hoe de aartsketter
aanstalten maakte om de wereld te overschrijden, de gevallen bladeren van de wereld.
wee degenen die samen met de tantalus de weg naar de kiem ontwaren.

in de toekomstige woorden was alles verlenging, vermaak en
zelfs een gedicht bood het meisje me aan om me te herinneren aan
Lord Byron. ik ontdekte dat de mensen zich verborgen
bij een paar pijnbomen om zich aan de nacht vast te grijpen, bij de gloed van die paviljoenen.
daar vermaakte ons de aartsketter met zijn aegis verlamd door de
mysteries van een wereld. een jasmijnthee, en de eenzaamheid gaat tussen
beiden verloren. ik zat op het trottoir, op de rand van het
trottoir, ik observeerde ongerust de auto’s en zelfs het boerse
vestingwerk waar een meisje een deur opendoet zoals in
Notre Dame, en de aartsketter bleef buiten en de wilde
margrieten en de zomer.

wee
degenen die in de geschiedenis de kliffen niet zagen,
de naargeestige hellingen waar de hand van God onzichtbaar is.
wee degenen die door de olijfkleurige deuren
van de bestrate nacht gingen en de mensen met hun
waterkruiken zagen
in de witheid van dat station,
en zagen hoe de stilte oriflamt
en ze maakten stilte
omdat ze dachten dat de stilte hen van nieuwe woorden
zou voorzien, voorbij de drempel.


NO LLAMES EN LA NOCHE

Luis Manuel Pérez-Boitel


© Luis Manuel Pérez-Boitel
D. R. © 2005 por la presente edición:
Azafrán y Cinabrio
Calzada de Guadalupe 35
36000 Guanajuato, Gto. México
www.ayc.com.mx
Impreso y hecho en México
ISBN: 970-93514-4-3

La presente obra obtuvo el
Premio Internacional de Poesía
Desiderio Macías Silva 2005.
El jurado estuvo compuesto por
Manuel Quiroga Clérigo (España),
Floriano Martins (Brasil),
Harold Alvarado Tenorio (Colombia) y
Benjamín Valdivia (México)


Al poeta mexicano Javier de la Mora de la Peña
creído en estos paisajes.
A la memoria de mi padre, entre esos bancos
de parque donde una multitud, llamada humanidad,
dejaba entre palabras y poemas
algo de su tiempo
y porque definitivamente
creo que fue ayer ese abrazo
que aparece en la fotografía ya ocre,
ya de otro mundo.

The nights snapped out of sight like a lizard’s eyelid:
A world of bald white days in a shadeless socket.
A vulturous boredom pinned me in this tree.
If he were I, he would do what I did.

SYLVIA PLATH


éste es un paisaje insustituible.

sobre los arabescos y los charcos las hojas han caído,

cada cual esperaba su anodino mundo.

ante la imagen de Rimbaud hay un hombre que sueña,

un muchacho cruza, ensimismado, un puente.

en el abrumador bosque lo que se salva es el tiempo,

un día de verano.

entre los geranios mustios el orfebre nos devuelve la calma.

puis que l´aube grandit, puisque voici l´aurore (Verlaine).

la bella época existe en el dibujo y en la lluvia

donde tuvimos suerte de encontrar un refugio,

un poema sobre un banco de parque.

la imagen de San Judas Tadeo nos cautiva (su inmensidad?).

mientras el forastero continúa,

me conmueve su atroz rostro, su silencio aparente.


ÉSTE ES UN PAISAJE INSUSTITUIBLE

desde el alero, el majestuoso paisaje nos convence. la lluvia de septiembre nos provee de falsas expectativas, de un sugerente aroma. entre las gradas alguien hace señas. el frescor de la tarde nos hace pensar en la muchacha que asoma a la ventana. en su mundo crecen los sauces y la noche ronda. parece que va a ocurrir algún milagro. nada nos cuesta detenernos en aquel balcón neoclásico del siglo XV para ocultar nuestras miserias. el próximo verano será insustituible, tal como el paisaje que ahora tenemos. en la colina un hombre cruza hasta el fondo. nunca se anuncia el amanecer ahora que todo será lo decisivo. la multitud del mercado, por ejemplo, oculta sus disfraces. ayer, tuve un raro presagio. había una lámpara frente a la que todos quedamos como en una fotografía, por allí apareció una embarcación a la deriva. los tristes cuerpos sobre el agua, nos hizo invocar a la Virgen del Cobre. nada sucedió. realmente nada, y por unos segundos decidimos cambiar ese modo de asumir la eternidad (el desafío?). desde el alero hay una muchacha que se deshace en idénticos sueños. un aire insustituible asoma a la ciudad donde alguien venía ofreciendo un próspero fin de siglo. mientras al hombre ya no se le ve por la colina. un humo gris cubre el escenario. la bahía se pierde por minutos, y recuerdo que llevo una rosa en el bolsillo, la intento rescatar de su mundo, pero el viento nos golpea. la rosa ya no es la rosa, la muchacha ya no está en la ventana, ni es invierno. la demorada luz nos enfrenta a la ciudad y la lluvia de septiembre tiende a borrarlo todo, o casi todo, sin poder hacer otra cosa.


SOBRE LOS ARABESCOS Y LOS CHARCOS LAS HOJAS HAN CAÍDO

maceraba las secas hojas del álamo. es otoño, quizás. con beneplácito recuerdo la casa, el último alquiler, los muebles de provenza. enceguecido voy junto al tiempo de las definiciones. nada nos solventó tan ferozmente la belleza que esa lluvia, el milagro. el caos. el silencio continúa tras el rastro (el único rastro?). estábamos asistiendo a la ceremonia donde un hombre dialogaba con su sino. algo apuntó que, en esos lares, sobre los arabescos y los charcos el otoño se ha perdido, definitivamente. y el niño del cuadro mira con espanto al perro moribundo. estaba allí en la rue des Chanteurs, agonizaba. transcurría así la tarde junto a la amatista. habíamos colocado algunas banderillas blancas. de cada hoja salía una alucinación, pero no fue necesario construir otra casa, ni otro país, ni otro mundo. junto al desfiladero los hombres pasaban silbando. en el inhóspito sitio acampamos. tuvimos suerte, cierta suerte, por la lluvia para borrar los magros sueños. y el mapa se distendía sobre el horizonte. nada quedó, me decían, del alimento, ni de la soledad. la ingratitud es una carta de triunfo. pero yo también sentí cierta nostalgia por aquel animalejo que ahora evadían los paseantes. desde el alféizar las luces nos indicaban el retorno (la hora difícil?). en un cuarto de hotel no había otra cosa semejante. estaba despierto, macerando las secas hojas del álamo, junto a la bitácora, intentando repetir los versos de un poeta memorable, pero no me acostumbré a las palabras (a la neutralidad de ciertas palabras?). implacablemente el tiempo se ha expandido sobre todo, has dicho, para redefinir esa otra espera, esa nostalgia que vamos haciendo de nosotros mismos. me rehúso a despertar. es otoño, y no existe otra cosa a no ser el pasillo de hotel, la rue de Chanteurs, y los muebles de provenza, que nos advierta lo contrario.


CADA CUAL ESPERABA SU ANODINO MUNDO

íbamos siempre a la misma iglesia de pueblo.
una voz quejumbrosa se nos interponía y golpeaba la acera. un aire transcurre por las palabras donde pretendo esconder mi neutralidad, la conspicua sombra. y el rostro de aquella muchacha con su bicicleta se desvanece en la memoria (mi memoria?). había retornado definitivamente al lugar que siempre perteneció. no se pudo esperar otra cosa. los pinos nos guiaron para alcanzar el encuentro. todo permanecía intacto en el vacuo relieve. el candil nos ofreció el rumbo ante las puertas de alabastro. algo palpable estaba por suceder.

el ángel de la guarda emparentaba la calma con la sed y ella participaba del espectáculo como si siempre hubiera estado en aquel sitio. el frescor de los puentes y la noche nos estremecían por la ensoñación, el entreacto, la rutina. yo volví a cumplir veinticinco años y recordaba que la memoria nos permite tales predominios (la majestuosa realidad?).

los pinos ocupaban todo el sendero,
pero en el paso de las Erinias no hay llave real que nos provea de la felicidad. cada cual esperaba su anodino mundo. ella creía desdibujar con su desazón mi rostro. yo hubiera deseado perderme en tales debatimientos.

el bauprés estaba a unas millas,
y sentíamos como unas gotas de ágata en la tierra. un mundo aparente donde hacer del pasado el pertinaz vacío. la otra historia donde ya no tenía veinticinco años, y la muchacha de la bicicleta no estaba en la iglesia de pueblo, porque inasible es la hojarasca, los cimientos de la espera, como un árbol milenario o el espectáculo que se nos ofrece cuando intentamos adueñarnos del paso de las Erinias.


ANTE LA IMAGEN DE RIMBAUD HAY UN HOMBRE QUE SUEÑA

hay un hombre sabio que reconoce su caída y cuenta
      unos mendrugos de pan, como para aislar su suerte, el arrebol del tiempo, las mohosas paredes de una casa, la insondable luz que se nos avecina.

nadie lo escucha. él en otra época fue un ilustre
      comerciante que vendía frutas en lugares prohibidos. las escolares se asombraban de esa forma de congelar la manzana como para eternizarla, como para quitarle la respiración (su respiración?).

es tiempo de la espera. las hormigas enrumban otros
      destinos, pero ese anciano ante mí había conocido a Rimbaud en otro otoño, y ahora nadie le cree sus historias, sus ciegos ojos ya no encuentran las palabras, el puerto donde un día definió su paz y dispuso sus fronteras (porque un hombre siempre está expenso al limite?), y saca un papelillo para escribir unos versos.

rara costumbre. por estos tiempos, rara costumbre esa.
      la vetusta luz se enseñorea. ante la imagen de Rimbaud hay un hombre que sueña, que ahora distiende su mano para dar de comer a los gorriones de un parque (cosa ésta, que referí a mi amante, como un instante irrepetible).

pero la gente continúa y la ciudad nada advierte de que
      hay un hombre sabio en espera del crepúsculo, en espera de que no hablemos del otoño, ni de la noche que se nos avecina como algo que ni siquiera Dios pudiera evitar.


UN MUCHACHO CRUZA, ENSIMISMADO, UN PUENTE

en el arremolinado paisaje una enjuta sombra nos guía. un muchacho cruza, ensimismado, un puente y nadie sabe qué distancia él tendrá que vencer. compartimos unas tisanas y se le veía algo nervioso. tenía, tal parece, un tatuaje en el hombro, un signo tanático que luego descifré. pero nada cambió nuestro modo de asumir aquel invierno (su invierno?). los adolescentes lanzaban cometas y palabras contra un muro. a veces llovía  ininterrumpidamente, y entre los charcos uno podía ir  descifrando cierta ambigüedad (cierto espacio para los encuentros?). de Madrid a La Habana, y de La Habana a la casa de un poeta. de tarde en tarde yo quedaba al final de la tempestad, varios puentes nos imponían el reto. la cartomántica nada nos dijo, a la salida de aquel lugar, donde una vez fui feliz. había reconocido que el sitio verdadero estaba en esas callejuelas donde la multitud se agolpa, donde la multitud cree que es el tiempo perfecto, la ciudad perfecta, el amante que llega (a deshora?). mientras, Delfín Prats me recordaba: "No vuelvas a los lugares donde fuiste feliz / a la isla que con él recorriste / como Adriano los dominios de su imperio / (ese mar de las arenas negras / donde sus ojos se abrieron al asombro / fue sólo una invención de tu nostalgia)." yo diría, un capricho de adolescente frente al mar de la isla, mirando cómo embarcan los jóvenes a otros límites, a otros falsos cielos. sentí temor, y no pude adivinar que aquella arena que se abrazaba a mi cuerpo era la propia nostalgia, la invención de los días venideros. salvad estas palabras ante la tentación del muchacho jónico que cruza por mi lado asumiendo tales desafíos (la otredad, por ejemplo?). entre él y yo una insaciable sed nos proponía acercarnos a ese mar que se lo lleva todo. quizás, quedaban algunos puentes. quizás, el invierno era nuestro último invierno. lo observaba ya distante, entre aquellas embarcaciones a la deriva, sin mirar quién queda de este lado del mundo, quién queda para asumir con palabras (solo con palabras?) esta soledad. sin apenas tener un segundo o un nuevo instante para repasar en el hombro su signo tanático, su signo para la buena suerte.


EN EL ABRUMADOR BOSQUE LO QUE SE SALVA ES EL TIEMPO

Y bebí un vino fuerte, como sólo los audaces
beben el placer.

KAVAFIS

tomo un poco de tilo para evadir los aciagos rostros. dos hombres se confunden en la noche, yo estoy cerca. uno parece que va ensombrecido por esas callejuelas donde la gente mira al extraño. bien decía Kavafis: "La delicia y el perfume de mi vida / es el perfume de esas horas de mi vida / en que encontré y retuve el placer tal como lo deseaba." ellos atravesaron el portón aquel donde la inocencia se evadía, la ceremonia me recordaba el verano de Patmos. parece extraño suponer que ellos han quedado solos, supuestamente solos bajo ese falso techo que es la noche. nadie se percata, tal parece, de ellos. uno tiene una flor roja en su chaleco, el otro le toma de la mano. yo no intento evadir el roce de los cuerpos (sus cuerpos?) cuando se adentran a ese bosque donde lo que se salvará es ese poema que debió titularse Los amantes, porque ellos han quedado allí en el texto del poema (sobre el poema?), viendo en el poema a esa multitud, de modo diferente, sin sentir que en el pueblerino cielo no existe otra razón para ocultar el rostro, el doblez, el juicio. "Nada me detuvo. Me liberé y fui / hacia placeres que estaban / tanto en la realidad como en mi ser / a través de la noche," según Kavafis esas serían las palabras para dos hombres que no desean procurar el silencio fuera del silencio, que no desean continuar de largo y cruzan el portón aquel donde otros adolescentes ya, cogidos por las manos, venían entre una multitud indiferente.


UN DÍA DE VERANO

A Frida Khalo

gastamos las últimas monedas. por la abertura los días enrarecen, a desgaire siento la presencia (tu presencia?). dicen que habrá temporal. sahuma el aire la nostalgia que se nos avecina. los ralos árboles nos conminaban al silencio (a la posible espera, a lo inminente?). el refugio quedaba a unas horas. mientras seguía repasando algunos versos de André Bretón. nada nos importaba en aquellos días del verano. entristece ver la cicatriz en la foto en la que se ve a un niño y a varios objetos como un hueso pélvico y una máquina, diseminadas alrededor de una cama, mientras una mujer sufre un aborto (Hospital Henry Ford, 1932). una muchacha vestida para la primera comunión nos deleita. creía que era viernes santo, ante el desasido arcángel que estaba en el vitral. el tren cruza a deshora y oscurece el paisaje. el paisaje ya no era diferente, supuse. yo estaba en las inmediaciones de la casa de todos los domingos. preparaba el encuentro, el festín (el ritual?). aquí estaba en Grecia, junto a un joven jónico descifrando el atardecer, y en ésta un antiguo poeta ruso pedía un cigarrillo para apostar por la tarde (la que nos queda?). pero nada más retengo. los días continúan. un silencio fantasmal, casi fantasmal, nos involucraba. la ciudad estaba a unas millas.
la muchacha del vestido azul
llevaba un Cristo. la estatua
parecía de mármol negro. inexplicablemente,
alguien había decidido sacarle el corazón.
poseerlo en su mano como un atributo nacional
ante la multitud que continuaba en la plaza.
la mujer tenía la columna rota, es cierto,
y sostenía aquella imagen como si tuviera
en su poder la paz de todos estos siglos, como si aquel cuerpo respirara y fuera algo salvador.

en el ofrecimiento de la tarde, veía los rostros desde la rigidez de una película silente. Frida Khalo estaba en el fondo y mostraba también su Cristo, con el corazón en la mano, sonreía. yo había frecuentado su casa en Coyoacán, pero no pude contenerme ante la foto. de rodillas alguien decidió renunciar al encuentro. por la abertura era un niño que sentía satisfacción.
de un lado Diego Rivera frente a un mural,
donde se nos avecina el encuentro, al otro
una imagen con unas flores marchitas (naturaleza muerta?).
aquel hombre que se ve entre la multitud
es Trostski a su llegada a México.
mientras Frida enterraba su soledad
por tales parajes, y hasta aquella muchacha
que tomaba del corazón de otra,
ya sin vestido azul, ni respiración posible,
lo mejor de aquellos días del verano.


ENTRE LOS GERANIOS MUSTIOS EL ORFEBRE NOS DEVUELVE LA CALMA

aporías. la muchacha ante el fisgón musitaba un poema. el obituario. la noche cubre la distancia y enhebra ante el salterio la costumbre (la perenne costumbre?). los nombres ya no bastan, donde se acrisola el otoño. el equilibrio es una ficción frente a la torre, frente al desasido bosque del sur. en el primer puente el aciago tiempo nos detuvo, y era inútil el viaje. denme la ciudad como pretexto para que todos los cobertizos dejen a la muchacha frente al cuadro, con su narciso, respondía desde las claraboyas. mirad, el misterio que nos encierra la tormenta donde alguna vez fuimos simples rostros, paseantes o beduinos o quizás parte de un relieve que nadie pudiera imaginar. me extasiaba el hedor donde alguien había colocado una cruz, un signo dónde ver pasar los caballos salvajes de la vida. en el segundo puente se repetía el cansancio. las procesiones. el mito.

buscarle al guardián del trigo su deidad,
su única deidad, me decías como respuesta ante la aurora, cuando en aquella tierra empezó a germinar un otoño. entre los geranios mustios el orfebre nos devuelve la calma y la muchacha escurridiza, ya sin el su narciso, reconoce que en esos lares no hay otros senderos por transitar.

aporías.
rutilaba la noche cuando a la puerta alguien apareció. adentro, todo era ceremonia. al hortelano no le faltó riqueza, pero lloraba desde el jardín ante tales acechanzas. ha sido un juego la falta de costumbre (de credibilidad?). los moradores le temen a la penumbra. al golpe de la penumbra. la muchacha da en secreto los restos del narciso.

al hortelano ya no le faltaban sus riquezas.
conmueve ver al invidente por estos predios. los que están afuera nada dicen. el de la túnica refería algunos estamentos. la corriente llegará y todo sería como esos escarnios donde hay sólo un Dios, que se nos ofrece, aún cuando la muchacha no podía atestiguar qué ha sucedido de su narciso.

aporías.
la noche acendra las raíces de un páramo donde me resisto ante el vacuo espacio que los hombres han pretendido dar a sus casas.

en el próximo acto
el buhonero repetía la historia. en el tercer puente, el ámbar se adueñaba de la escena. los sauces nos indicabanel retorno, y hasta el narciso quedaba ante nuestros ojos como un signo de lo sagrado (de lo inmaterial?). la muchacha así lo había escrito. en la próxima estación la ciudad dejaba su ajorca ante el guardián.

pasamos otros puentes
para desmentir la marcha de los náufragos y al hortelano no le faltó la sed ante la piedra que un día dividió las regiones. la muchacha nada pudo contra ello, contra la crispadura de la historia. en los trasnochados rostros de los hombres un nogal avizoraba el insondable rostro de la noche.


PUIS QUE L´AUBE GRANDIT, PUISQUE VOICI L´AURORE

tienda de antigüedades.
por aquí el paseante se enrarece
ante el falso decorado. las vajillas
que aparentan otros siglos, se nos muestran
como un perfecto beneficio para el amante.
nos acercamos como paradoja
ante la vitrina, y una guirnalda
nos mostraba el rastro del invierno.
yo hubiera adquirido aquel crucifijo de plata,
mientras la imagen de la reina era una pésima
copia traída de las inmediaciones de Estambul.
se desconoce al creador de tales baratijas,
pero algo nos envolvía en el mítico aire
de aquella mujer que nos insiste, que nos implora
desde el anuncio. afuera los comerciantes
pasan con sus trajes.
yo observaba aquellas figurillas de yeso,
aquellos santos que mal pudieron decir
alguna palabra a nuestro favor y después
simulaba la opción perfecta ante la cara
de un niño que se nos acercó para pedirnos
su regalo por navidad. tienda de antigüedades,
aquí descubrí los inciensos, traídos según
se consignaba, de tierras muy lejanas.
los jarrones de China ahora tienen un único
espacio en aquel decorado. reconstruyendo
la escena me divertía en descubrir
tan enrarecido aroma. el té de manzanilla,
por ejemplo, similar al que se toma
en mi provincia, me hace dudar de la oferta.
con desasosiego repaso aquellas imágenes
nuevamente, un cuadro de Luis XV,
un tapiz que perteneció, según me dicen,
a la Reina Sofía. Ya que el alba crece,
ya que está aquí la aurora (Verlaine)
y hasta la soledad. con horror,
nos fuimos alejando. los comerciantes seguían
en su sitio. mientras me quedé pensando
innumerables veces en aquella imagen
de Cristo que nos mostraban, en aquellas
piedras que decían fueron extraídas de su sepulcro,
visto ahora, para asumir el desafío,
desde una tienda de antigüedades.


LA BELLA ÉPOCA EXISTE EN EL DIBUJO Y EN LA LLUVIA

el pastor busca tras el laminario el légamo. el char de un desconocido en la tarde. observaba con precisión el juego (el falso juego?). quizás, faltó un poco de prudencia. desde el círculo el profeta anunciaba que la bella época existe en el dibujo y en la lluvia. yo regresaba de Santa Fe de Bogotá, y tenía una estampilla de una virgen. en el postrero salmo hay algo que desdibuja la planicie, la inmediatez del azafranado aire. mi padre estaba enfermo, le veía sangrar a deshora, pero nada pude hacer. él tenía el don de las ensoñaciones para descubrir en la tarde un torrencial, un árbol milenario, los cimientos de otra ciudad donde el que cruza encumbra otras praderas. el pastor rogaba desde aquellas cúpulas mortales, ante el báculo sostén. el fértil terreno se adueñaba de los limos. hiere ver, a deshora, tanta fatiga en los ojos de mi padre. yo me había acercado en el preciso instante en que cruzaba a la penumbra. le confesé mi obsesión por las palabras, el temor por transitar entre esas columnas que el tiempo nos depara y nos distancia, y nos aniquila, como si fuéramos esos pastores que nunca logran encontrar su rebaño. consternado, no me percaté que era una oración –ésta– de despedida. quise decir entonces: vacío, extrañeza, y Dios, pero las heridas golpearon mi memoria. permanezco en el sofá donde descubrí un invierno, el mismo día de su cumpleaños. el inquilino revisaba los semblantes de los cuerpos. adivinaba otras plegarias para burlar aquel rostro de mirada fija (su altivez?). mi padre murió de un tumor, así de grande. entonces pasó aquel enero. yo rogaba por el colector de esas ensoñaciones, y por la pradera el paseante retomaba las frondas, el cáliz, los transidos segundos, los insondables amaneceres.
/ inaccesibles corifeos nos pregonan, en este instante,
desde una ciudad donde mi padre me espera desde
mil novecientos noventa y ocho.


DONDE TUVIMOS SUERTE DE ENCONTRAR UN REFUGIO

anochecía. en la trastienda la humeante luz desdibuja el sendero. el postrero enigma en el que nos sumergimos. los juncos nos guiaban. los lívidos cuerpos de los sudorosos leñadores nos indicaban el bosque, los montículos. sus cosechas fueron marcadas por la agudeza de los años, y el temporal. yo miraba al anciano en los pastizales. ante el severo relieve cruzaba la línea donde tuvimos suerte de encontrar un refugio. el exiguo camino de las ánimas, donde cimbra una voz el posible retorno. una piadosa luz nos proponía la bonanza de un tiempo. miraba el heraldo y descreía de esas laderas. el destino de un hombre es siempre escapar del juego (su juego?). ah, insolencia de mi espíritu. salid al camino donde los otros han dejado sus cenizas, refería el anciano. junto al monasterio hay algunas palabras que temo descifrar. alguien nos convida a la súplica, a la tentación, al ayuno. los leñadores cruzan cada año por estos parajes. aún era verano. anochecía y entre los hambrientos cuerpos reconocí el estío, la vastedad de la niebla, el oro nocturno. con presteza mi mano buscaba una nueva estación. sostener aquellos grabados, los estuarios, fue un sacrificio. por la rueda de la vida un hombre busca su encomienda (la contrapartida?). la tierra había reverdecido, pensé. temerosos los hombres marcharon a sus aisladas casas y yo observaba aquellas trampas, el escozor de las trampas, los peldaños de un tiempo pero no comprendía o no quise reconocer, cuál pudo ser la razón de la enhiesta sombra, de tan mudo y hondo paraje, si en un inicio había un país memorable y un Dios verdadero.


UN POEMA SOBRE UN BANCO DE PARQUE

al final del desfile un hombre se detiene ante el Tarot, repasa en un magistral acto la crispadura de su cuerpo. las reliquias van formando el escenario de un parque. recuerdo el año estival donde un desconocido avanzaba entre la multitud. las lianas al desgaire donde caen las finísimas horas de la mañana. y allí quedaba el ensalmo sobre el corazón de todos. los bebedores de cerveza siguieron hasta estos pabellones. el mercader confió la ronda de Ireneo y tuvo suerte, cierta suerte. allí está el crepúsculo por donde es inútil descubrir la nueva estación. a mitad del camino los sitiadores descubrieron un poema sobre un banco de parque y empezaron a confundir cada palabra con supuestos signos del pasado. la audiencia escuchaba el conjuro de los atrevidos. y los bebedores de cerveza miraban con denuedo esas bacanales. delirante un niño iba repasando el texto ante los inmutables rostros. con ahíto cada palabra iba desdibujando un mundo. alguien sentenció: esos versos pertenecen a Vicente Huidobro. quizás, fue algo extraño la pródiga declaración sobre un banco de parque. los espectadores descubrían en el niño el mito de los sahumerios. los bebedores de cerveza notaron en la avidez de esos minutos que el poeta había envejecido por esas riveras, mientras un desconcertante aire de gloria nos hacía partícipes de aquella oración de fe en el undoso parque, donde una estatua pintada con cal nos refería la otredad. el niño no tuvo más remedio que terminar aquellos versos donde se definía: por favor pase, aquí está sobre estos rondeles, el tiempo, todo el tiempo de los que esperan.


LA IMAGEN DE SAN JUDAS TADEO NOS CAUTIVA (SU INMENSIDAD?)

junto a la catedral, los almendros, el hombre que vende figurillas de papel para obviar la acechante miseria, la crispadura del alba frente al embrujo de los días. los adolescentes no recordaban que era septiembre, quizás finales de septiembre. sospecho que en el vitral la imagen de San Judas Tadeo nos cautiva (su inmensidad?). parece que es cierto que anda por el jardincillo de Dios, cerca de Dios, tomado por la mano de Dios, y la luz se enseñorea al obviar tales vanidades, la regia arquitectura, por ejemplo, que han edificado. la reja ya no tiene seguro y a su paso una muchacha ofrece de comer a un pájaro moribundo, cosa ésta que fuera captada por un pintor de provincia al que nunca más volví a ver. extraño es el olor del romerillo. la lluvia no cesa, y ante la imagen de San Judas Tadeo, nos quedamos pensando en la falta de costumbre. tenía yo un amigo que a deshora retomaba las palabras. él estaba totalmente paralítico, pero con un pincel en la boca dibujaba ángeles sobre un tórrido cielo del que no tendremos nunca –con certeza– su cáliz, la inacabable música de su profundidad. en la catedral art déco el santo sostenía los muros, los pilares de las luces. milenarios dísticos nos invocaban las plegarias. macilento queda el aire entre las puertas donde un agua verdinegra nos deleitaba el conjuro. es raro ese olor a humedad en las paredes. invisible es la permanencia del hombre que vende figurillas de papel en un lugar como éste. las últimas hojas del prodigioso páramo han quedado decorando el majestuoso espectáculo. extraño es el olor del romerillo por esta época. y dispuesto en el angosto sendero ante los hervores de la tarde, cruzamos el portón donde quedaron, definitivamente, las cenizas de un hombre.


MIENTRAS EL FORASTERO CONTINÚA

junto al faro la tarde se prolonga. insustituible el aire de adviento nos provee de nostalgia. al final, el invierno nos mantiene. mientras el forastero continúa, hay una nítida foto que nos propone sentarnos juntos a la mesa, el ocre nos impone de la tradición (de la rutina?). antiquísima ha sido la fe del beduino.

no me llames en la noche,
las cosas dispuestas pertenecen a otro mundo.
por la comisura del rostro
es mínimo el hallazgo.

después del aguacero Sergio y yo regresábamos por esas callejuelas innombrables. renuente es la luz en mi demencia y el polvo sobre las cosas nos limita. ante el ágape del día buena es la cosecha en la estación. he pasado la crisis y mi cabeza se llena de fantasmas (de fantasmagóricas imágenes?).

este jarrón del siglo pasado gustaba mucho
por el dibujo donde una mujer se acomoda
bajo un árbol
en espera de lo inminente

el forastero se lleva su airado rostro, su silencio por estos parajes pintados contra un rey. carcomida está la casa aquella en el inefable sendero donde la ausencia cubre el horizonte en el que se ovillan las cosas que ya no nos pertenecen, que ya no tienen solución. mientras a Sergio no se le vio con un candil.

no me llames en la noche,
mirando estoy a esa multitud, ya indeleble
que impone otro mundo. un airado aire
de provincia balancea la comunión
de las palabras.
en el poema o quizás fuera del poema la cartomántica había desdibujado sus espléndidas noches, de las que no quiso ofrecer santo y seña. en el desolado espacio de la casa, faltan los inciensos y hasta el hombrecillo aquel que venía de tarde en tarde a proveernos de frutas. insatisfecho queda el forastero ante la oración donde se convida al (re)encuentro.

en Dibujos de la Guerra, de Julio Girona, la muchacha
sin maquillar nos contempla desde un cafetín,
quizás desde París en el duro invierno
de 1945. quizás, también ella conoció a Sergio y le confesó
de aquellas madrugadas sobre el puente
esperando el paso del único tren, mirando los trigales
vencidos por la yerba,
deshojados por la propia estación. no me llames en la noche,
insondables fantasmas nos habitan
y junto al jarrón del siglo pasado advierto
la mano de Dios, la desmemoria, el sosiego
de un hombre que no conozco, que me hace preguntas y cruza
un largo pasillo, sin poder llegar al otro extremo
donde enjutas luces le prohíben adentrarse al sendero de regreso.


ME CONMUEVE SU ATROZ ROSTRO, SU SILENCIO APARENTE

ellos marchan al límite. efímera es la cadencia que el heresiarca
propone. no hay evidencias desde la torre, a desgaire. un
pueblerino paisaje nos conmueve. de la aglomeración salió la
muchacha, me hacía señas, pero yo quise evadirla. nunca pensé
que detrás de aquellos pinos alguien deseaba poseerme. nada
dije. por un momento, nada dije. ella sostenía una lámpara
para esconder la infancia (su infancia?) junto al vestido azul y
la agonía del encuentro. me conmueve su atroz rostro, su
silencio aparente. en las primeras palabras no existieron
indicios. recordaba aquellas margaritas que habían crecido
silvestres en el inacabable paraje.

ay,
de los que no vieron cómo el heresiarca
se disponía a traspasar ese mundo, la hojarasca del mundo.
ay, de los que divisaron junto al tántalo el viaje a la semilla.

en las venideras palabras todo fue prolongación, regodeo y
hasta un poema la muchacha me ofreció, para recordarme a
Lord Byron. descubrí que cerca de unos pinos la gente se
ocultaba para asirse a la noche, al fulgor de aquellos pabellones.
allí, el heresiarca nos distrajo con su égida transida por los
misterios de un mundo. un té de jazmín, y la soledad se pierde
entre los dos. yo estaba sentado en la acera, en el borde de la
acera, observaba inquieto los autos y hasta la fortificación
pueblerina donde una muchacha abre una puerta, como en
Notre Dame, y afuera quedaba el heresiarca y las margaritas
silvestres y el verano.

ay,
de los que no vieron en la historia los riscos,
las sombrías laderas donde invisible es la mano de Dios.
ay, de los que cruzaron las cetrinas puertas
de la noche empedrada, y vieron los hombres con sus cántaros,
en la albura de aquella estación,
y vieron cómo se oriflama el silencio
e hicieron silencio,
porque pensaron que el silencio les proveería
de palabras nuevas, más allá del umbral.


© Luis Manuel Pérez-Boitel
© vertaling Fa Claes

24-6-07

Alexej Poerin

Poerin Alexej Poerin (1955) werd geboren in Sint-Petersburg waar hij nog steeds woont en werkt. Hij is actief als dichter, essayist en literair criticus. Hij is hoofdredacteur van het Petersburgse literaire tijdschrift Zvezda. In 1997 was hij te gast op Poetry International te Rotterdam. De hier gepubliceerde gedichten zijn afkomstig uit de bundel De goudvink die in 2001 verscheen bij Wagner & Van Santen in een vertaling door Hans Boland. (Kees Klok)


      De goudvink

Ja, het moeten motieven van vogels zijn die door een tamelijk
domme fluit worden voortgebracht. Allerlei troep zonder waarde
- snuisterijtjes, galonnetjes en epauletjes - vindt namelijk
razend, kinderlijk aftrek. Als stickers. Een Eden op aarde

of een lichtende toekomst, een puber, nog altijd verblijvende
in de laat-middeleeuwse gotiek, in een tijd zonder sekse.
Ach, een eeuw maakt niet uit, als ik denk aan de onheil bedrijvende,
sluwe Cosimo Medici of aan mijn streken met Lexje,

als in oeroude epen, want hier kan de tijd niets bedisselen,
hij staat stil. De roodborstige fluit heeft ons niets meer te geven,
hij zingt altijd hetzelfde eentonige liedje. Het wisselen
van de wacht is al net zo betekenisloos als het leven.

Heeft het zin kolonelsterren - zomers, bijziend - op te scharrelen
om die winterse kleintjes - die van kapitein - af te danken,
als het goudvinkje slaat en zijn zaadjes nog net zo laat warrelen
als vanouds, met dezelfde diffuse en wazige klanken?


      Ter nagedachtenis aan Alexander

Weelderige, stevige, nog niet beschimmelde Perzische rozen
en zware violette, net niet volmaakte ovale druiven
in volle trossen; en op vettig-glanzend lover verpozen
sluimerende libellen, en koele marrnergewelven huiven

in lange enfilades die de sjahs in Herate bewaken;
en een helder-transparante vijver van de dikke, geoliede hitte
en een landschap vol kreukels, bezweet als een liefdeslaken,
en motieven van moerassige tapijten, en het fijnmazige, witte

kant tegen azuur met parachutes, waar helicopters zwenken,
en geglazuurde minaretten die op paddestoelen lijken
en weeë melodieën waarbij je aan Radji Kapur moet denken
en blikkerende ballonnen van aluminium die blijken

te dienen voor de gaswinning; en het gehele verleden
en de toekomst, en onsterfelijkheid daarenboven:
dat heet allemaal Azië en om een onbekende reden
wordt het in een blikken, verzinkte grafkist geschoven.


      Voor een Griekse vaas

   Beauty is truth, truth beauty...
                                         John Keats

De baren van de oceaan omringen
stil martelend een Attische amfoor
die meisjes uitbeeldt op de vlucht - waarvoor?
En wie of wat vervoert die jongelingen?

De fluit vindt er voor eeuwig geen gehoor,
voor eeuwig zal geen woord van lippen springen.
Wil je proberen vonken te ontwringen aan diamant met een zo felle gloor?

Hier sluimert, opgerold, de tijd, nooit spoten
hier bloeddruppels, hier wordt geen zaad vergoten
en ongestilde hartstocht niet besmet.

De Lethe, die de zinloosheid tentoonspreidt
van eeuwen, likt de lege buik, en 'schoonheid
is waarheid, waarheid schoonheid,' luidt de wet.



De Zee van Marmora, en dan een zee van marmer.
Een tang van sneeuw en ijs omklemt de delta-armen
en wildernis. Er wordt gepatrouilleerd, men kijkt
verbluft naar het bedrijf van vissers (dat zo lijkt
op dat van steenhouwers of goudzoekers), naar horden
te paard, behaard en woest als proza, uit het noorden,
vanuit de steppe. Daar, daar in de sneeuwstorm moet
de grens zijn van het rijk, al wordt die slechts bevroed
door Rome's stadhouder. Daar dooft en sterft een parel,
en ijlen over zee, als over land, barbaren
voor de verschrikking uit, verjaagd onder een bars
en vreugdeloos refrein, terwijl de fluit van Mars
hen op de hielen zit... Jij, schrijver, dank de goden
en schep het eeuwige uit leven: mededogen
heeft je confrater daar van node, als de vorst
van Phrygië, of Job, in deze door de vorst
tot steen geworden streek, waar vlak onder je handen
drinkwater wordt tot krijt en marmer, al verander
je dat dan niet in goud, en waar de maannacht licht
- lichter dan wolfsdagen - over het landschap ligt,
en waar Ovidius begoocheid, beetgenomen,
onder een tsarentnuts zich overgeeft aan dromen
- bij schril Tataars gefluit, terwijl de stormwind huilt –
en met zijn godsgave en schande zich verschuilt.



De pausentuin is, net als Eden, dicht.
Je hoort geen water ruisen en geen bomen
op de Sint-Pieterkoepel, van hierboven
zie je het plan alleen dat openligt.

Daar wordt een eigen stemmetje geboren
in elke buis, elk blaadje is uniek,
en ongetwijfeld krijg je er muziek-
en botanieles, gratis aangeboden

door engelen... En Caravaggio's 'Rust'
herinner ik me hier, ik moet weer denken
aan hem, zijn beeldenbloei vol zoete lust...

En deze plaats moet iedereen wel drenken
die daarnaar dorst - elk blad mag anders zijn
dan andere, hoe heerlijk ook en rein.


Alexej Poerin
Vertaling: Hans Boland

15-3-07

Michael Palmer

Tn_palmer Michael Palmer (1943) wordt doorgaans in verband gebracht met L=A=N=G=U=A=G=E, de avant-garde beweging die in de jaren zeventig ophef maakte in het Amerikaanse poëziedebat. Vandaag wordt hij gezien als een van de belangrijkse levende Amerikaanse dichter na en naast John Ashbery. In augustus 2006 mocht hij nog de Wallace Stevens Award in ontvangst nemen. 100.000 dollar is wat de Amerikanen tegenwoordig veil hebben voor een outstanding and proven mastery in the art of poetry.

Palmer debuteerde begin jaren zeventig met de dichtbundel Blake's Newton en werkte de afgelopen vijfendertig jaar samen met tal van collega-artiesten, zoals de choreografe Margaret Jenkins en de schilders Gerhard Richter en Sandro Chia. Halfweg de jaren negentig kwam een internationale doorbraak met vertalingen in meer dan vijfentwintig talen en een uitvoerige bloemlezing uit zijn werk bij New Directions. Het Vlaamse blad Yang bracht tien jaar geleden een ruime selectie vertalingen uit het werk van Palmer, naar aanleiding waarvan hij in 1997 op Poetry International stond. Op een paar kleinigheden na is het daar echter bij gebleven. Het Nederlands is wellicht de enige westerse taal waarin geen bundel van Palmer verschenen is. (Tom Van de Voorde)


JE DIAMANTEN SCHOEN

Schrijf geen gedichten over wat er gebeurt.
Moordenaars en leugenaars, dromen en verlangens,

Zij zullen er altijd zijn.
Hou hen buiten het gedicht.

Beschrijf je droevig uitziend zomerhuis niet
of je wijds uitziend winterhuis.

Schrijf niet over geen thuis hebben
of je thuis-weg-van-huis gevoel.

Schrijf niet over oorlog,
Of je er nu voor of tegen bent,

Het is dezelfde klote oorlog.
Spreek niet over taal,

spreek niet over verlies.
Vermeld waarheid of schoonheid niet

Of de beenderen van je opa.
Niemand wil het weten

Hoe je vader/broer/minnaar
zich van het leven benam. Scheermes, koord of revolver,

Wat doet het ertoe?
Fluister niet van de sneeuw

Op de Contrescarpe,
niet van motten, hun fladderende bogen,

Of de torens—hoe wij ze zagen vallen.
Schrijf helemaal niet.

             Naar Drummond


YOUR DIAMOND SHOE

Don’t write poems about what’s going on.
Murderers and liars, dreams and desires,

They’re always going on.
Leave them outside the poem.

Don’t describe your sad-eyed summer home
Or wide-eyed winter home.

Don’t write about being homeless
Or your home-away-from-home.

Don’t write about war,
Wether you’re against or for,

It’s the same fucking war.
Don’t talk about language,

Don’t talk about loss.
Don’t mention thruth or beauty

Or your grandpa’s bones.
No one wants to know

How your father/brother/lover
Deducted himself. Razor, rope or gun,

What’s the difference?
Whisper nothing of the snow

On the Contrescarpe,
Nothing of moth, their fluttering arcs,

Or the towers—how we watched them fall.
Don’t write at all.

             After Drummond


© Michael Palmer
© vertaling Tom Van de Voorde

In het decembernummer van Tirade verschenen van de hand van Tom Van de Voorde een stuk over en een ruime selectie gedichten uit 'The Company of Moths', de jongste dichtbundel van Michael Palmer.

4-3-07

Dina Payiasi-Katsouri

De Cypriotische dichteres Dina Payiasi-Katsouri (1941) werd geboren in Famagusta. Zij studeerde journalistiek in Athene en was werkzaam bij de radio als maakster van culturele programma’s Zij publiceerde vijf dichtbundels, waarvan de eerste, Piïmata, in 1964 verscheen. Twee keer kreeg zij de Staatsprijs voor Poëzie, voor haar eerste bundel en voor Anti-thésis (1987). Zij vertaalde verhalen van een aantal schrijvers uit Ghana, Zambia, Kenia, Liberia, Nigeria, Oeganda en Siërra Leone die zij publiceerde onder de titel Afrikani pezográfi (Athene, 1979). Ook vertaalde zij Palestijnse verhalen, die in 1983 in Athene als Synchroni Palestinii pezográfi verschenen. Gedichten van haar werden in het Frans vertaald. In 2001 publiceerde zij de novelle Metaxí Theoú kai Angélou. Zij is redacteur van het tijdschrift Anef. (Kees Klok)


Aan de lezer

Wat zal ik je zeggen?
Ik voel dat er een rilling door me heengaat
als ik mij die groene boomgaarden herinner
met sinaasappelbomen en gele weerkaatsingen,
ik voel dat een opwinding me omringt
als ik mij de kleuren van de horizon herinner
en de golfbewegingen van de zee,
ik voel een vreemde huivering
als ik mij de geuren van de grond herinner
en die bruine aarde,
nog vochtig in onze handen,
ik voel woede
en een oneindige wanhoop
als ik bedenk
hoeveel dichters zich hebben vergrepen aan haar naam,
hoeveel dichters zich hebben afgereageerd op haar naam,
hoeveel dichters GEEN weerstand zullen bieden aan haar naam.

En haar naam: Ammochostos.

Uit Anti-Thésis (Athene, 1987)


De deur

Altijd
moet er een deur zijn
die openstaat.

Want tenslotte
moeten we het de dichters
gemakkelijk maken bij hun wandeling
en bij hun seizoensarbeid.
Ze zullen moeten zaaien, ploegen,
hun woorden cultiveren,
en als de tijd van rijping aanbreekt
en de vruchten
beginnen te stikken in hun schil,
moeten zij hun zijden kleding uitspreiden
om de oogst binnen te halen.
De oogst die ze zullen moeten
beschermen tegen allerlei nabootsing,
woordenjacht en plagiaat,
om hem ongerept en ongeschonden
af te leveren bij de ontvangers.

Uit: M’akou...oús (Nicosia 1996)


Wortels

Iedere namiddag
wanneer het halfbezette Lefkosía
de ene keer weekt in zomerse klamheid
de andere keer in winterslaap is

Iedere namiddag
wanneer de stem van de muezzin
loodrecht en monotoon
ons gevoelige gehoor vervuilt
en ons zenuwstelsel op de proef stelt

voel ik
dat er aan mijn voeten wortels opschieten
dat de aarde zich verandert
in drijfzand
en haar benen wijd opent
en dat ik er in wegzi...
              er in wegzin...
              er in wegzink
              heftig, diep, voorgoed
              de oerbaarmoeder in.

Uit: M’akou...oús (Nicosia 1996)
Vertalingen: Stella Timonidou & Kees Klok

18-2-07

Michalis Piërís

Michalis Pieris Michalis Piërís (Eftagonia, 1952) studeerde Griekse taal- en letterkunde en theaterwetenschappen in Thessaloniki en Sidney. Hij is als hoogleraar verbonden aan het instituut voor Byzantijnse en Nieuwgriekse Studiën aan de Universiteit van Cyprus en redacteur van het literaire tijdschrift Ylantron. Naast poëzie publiceerde hij filologische en kritische essays en een op het werk van de kroniekschrijver Leontios Machaeras gebaseerd toneelstuk (onder het pseudoniem Michalis Stagonitis). In 1999 verscheen in Athene zijn bundeling van poëzie uit de jaren 1978-1999, waaruit de hieronder gepubliceerde gedichten zijn gekozen. De vertalingen van Hero Hokwerda verschenen eerder in de door Stella Timonidou en mij samengestelde bloemlezing van Cypriotische literatuur Wij wonen in een taal, Brugge 2004. (Kees Klok)


      Naar Lemesós

Wanneer de liefde aanvangt klinken er geluiden
als van een tuin. Wanneer de liefde eindigt.

Bestaan er verre wegen die gesloten zijn
en in zichzelf gekeerd. Wegen die nergens
op uitkomen. Eenzelvig, ondoorgrondelijk.

Iets heb ik aan zo'n weg te danken. Nachtelijke
bochten van wijngaarden die jou naar mij
toebrachten en elkaar aanraken lieten
in het geheim. Iets als verborgen melodie
van het genot, huiver die vurig blijven moest,
zei de herinnering; die twintig jaar nadien
terug moest keren, en de klamme zuidenwind
meebrengen moest, de avondlijke snik van tijm
en van je lijf de sparteling, terwijl
langzaam de jeep de weg afreed naar Lemesós.

Naar Lemesós. Ik zie haar nu vanuit de hoogte,
de stad die me in gedachten kwam. Zieke lantaarns
leiden mij in haar ziekelijke omarming.
Ze kijkt naar mij als een doorwaakte hoer die omkomt
in de chique, smakeloze opschik,
de stad die ik heb liefgehad. Een vreemde en
onechte stad, stad die haar lichaam veil heeft.

Maar langzaam reed de jeep de weg af in het donker,
vol met vrienden uit vroeger tijd die nergens iets
van hoorden. Van het knarsen van de hartstocht
binnen. De ongeziene kus die zich opmaakte
als een rivier droge rivier die in 't verborgen opzwol
om los te barsten op het onvermijdelijk moment.

Zo lang als over 't stijgen doet een lift van de begeerte.

                                                            Lemesós, april 1991


      De dichter en de stad

                                    And those who had lied for hire
                                    Ezra Pound

'Als ik uitga, de stad in (hoe verdeeld ook),
om rond te slenteren en te kijken in de straten
en in de nauwe stegen, kom ik jou misschien wel tegen
jou of een andere vrouw (het kan niet schelen)
even begerenswaardig, even knap en ook al even snel
bemind; misschien ben ik vanavond de gelukkige
en stuit op een gestalte van de liefde en ontmoet
de blik die mocht hij in de ogen vallen
veel weet te zeggen van geheimen die niet velen kennen.

Als ik thuisblijf, sluit zich met fantasieën en illusies
het leven op in 't schrijven, en bij 't lezen opgekomen
krabt de herinnering mij als een geestverschijning van
steden voorgoed verloren; in de droefheid schrijdt het leven
voort met geconcentreerde eenzaamheid zoals de lichamen
der ongelukkigen die onlichamelijk rondgaan
gesloten trekt de nacht met visioenen voort
het lichaam waakt de nacht door met mij mee, het vlees
raakt opgewonden met een dorst die ongelest blijft.'

Gedachten snel en inderhaast op het papier
geworpen. Zonder enige pretentie in het donker
van na de zwarte dag (buiten is aan 't herdenken
het dwaze volk). Hand van een Cyprisch dichter
van liefdespoëzie, een zonderling, die koppig het
vertikt gedichten vol van tranenvloed te schrijven
over de politieke 'situatie' - van die
voorstellingen waarmee men goede zaken doet
doordat zij iedere verdichter een portret
opleveren van supervaderlander.

                                                            Lefkosía, juli 1994


      Wandeling over de markten van Lefkosía

's Nachts komen de vrachtwagens afdalen, belegeren
de werklui de stad. 's Ochtends vroeg op markten stelt
men rondom kramen op. In de stad ondergaat men
zwijgend de dagelijkse kwelling van het platteland.
Zonder wroeging of schuldgevoel eet men het voedsel op
en consumeert, om zich vervolgens te ontlasten.
Intussen produceert men namaakdrukwerk in de stad
als verbruiksgoed, en meer van die prullaria
bestuurlijk of juridisch van aard, dappere acten
en bescheiden laat het ambtenarendom de stad rondgaan,
monsterlijke figuren. Kreukelloze heren, dames
van zeldzame schoonheid, de kut op het voorhoofd geprent...

                  ...O, mocht er waaien
een plotselinge windvlaag die hen allemaal
wegvagen zou! Een onweer uit de bergen, een rivier
die hen verdrinken zou. Dat alles omgekeerd,
het oord gereinigd wordt. Dat een nieuwe, jonge
zondvloed het alles schoonspoelt, dat de kwellingen
de harten der dorpelingen verlaten,
dat in zijn volle lengte zich weer opricht

het vaderland.

(In zijn volle lengte zich opricht... Zogezegd dan.
Tot zwijgen kwam de luit, tot zwijgen de violen.
Ontwapend, op zijn knieën kruipt het voort over de aarde.)

                                                            Lefkosía, Pasen 1994


      Ochtendkoffie aan de Lidras-straat

Zevenenveertig ben ik, en ik voel mij
gelukkig. Want ik heb een plaats gevonden hier
aan een bevoorrecht tafeltje en binnen deze dag
die niet de dag van gister is en niet van morgen.

Ik ben dus hier, op deze dag, en die is
vandaag, was gister niet en zal niet morgen zijn,
en ik ben in de stad op het trottoir, in deze
stad hier (al is zij dan verdeeld in tweeën)
en ik zit door het raam te kijken naar de regen
de mensen die voorbijgaan en het dienstertje
is o zo knap (en weet dat zelf ook)
en is ook met haar glimlach o zo gul.

O werkelijk, ik ben toch zo, ja zo
(al is het maar voor kort) gelukkig.

                                                            Lefkosía, februari 1998

Michalis Piërís
Uit: 'Metamorfosen van steden. Keuze uit de gedichten (1978-1998)' (Athene 1999)
Vertaling Hero Hokwerda

14-1-07

Sylvia Plath

Sylvia Plath Sylvia Plath (geboren te Jamaica Plain, Massachusetts in 1932 en overleden in Londen in 1963) is ongetwijfeld een van de belangrijkste schrijfsters van de 20e eeuw. Na een kort en dramatisch leven, waarin zij van 1956 tot 1962 gehuwd was met de dichter Ted Hughes, een huwelijk waaruit onder andere de dichteres Frieda Hughes geboren werd, pleegde zij ruim een jaar na de geboorte van haar zoon Nicholas zelfmoord. Haar leven legde zij vast in een dagboek waaruit in 2005 een selectie verscheen bij De Arbeiderspers in een vertaling van Nelleke van Maaren (Privé Domein nr. 255). Zij publiceerde voornamelijk poëzie, maar ook twee romans en een kinderboek. Een keuze uit haar poëtisch oeuvre verscheen in 2003 in een vertaling van Lucienne Stassaert bij Wagner & Van Santen onder de titel Zie, de duisternis lekt uit de scheuren. De hier opgenomen gedichten zijn uit deze selectie gekozen. (Kees Klok)


            De dochter van de bijenkweker

Een tuin van smulmonden. De grote purperen, vuurrood-bespikkelde
en zwarte bloemkronen zetten uit, leggen hun zijden huid af.
Hun muskusgeur doordringt, kring na kring,
opwellende reuksporen die naar adem doen snakken.
Als een priester in je herenjas, meester van de bijen,
loop je tussen de vele boezems van bijenkorven

En treed je op mijn hart, zuster van een steen.

Trompetkelen openen zich voor vogelbekken.
De Goudenregen laat zijn poeder neerdruppelen.
In deze kleine boudoirs, oranje en rood gestreept,
knikken de helmknoppen, machtig als koningen
van vaderdynastieën. De lucht is verzadigd.
Hier heerst een koninginneschap dat geen moeder kan betwisten -

Van dit fruit proeven is een wisse dood: duister vlees, duistere schillen.

In kuiltjes zo smal als een vinger hebben eenzame bijen
hun intrek genomen tussen het gras. Op mijn knieën
bij een mond-hol op de loer, kom ik oog in oog
met een rond groen oog, zo troosteloos als een traan.
Vader, bruidegom, in dit paasei
onder de kroon van suikerrozen

Huwt de bijenkoningin de winter van jouw jaar.


            The Beekeeper's Daughter

A garden of mouthings. Purple, scarlet-speckled, black
The great corollas dilate, peeling back their silks.
Their musk encroaches, circle after circle,
A well of scents almost too dense to breathe in.
Hieratical in your frock coat, maestro of the bees,
You move among the many-breasted hives,

My heart under your foot, sister of a stone.

Trumpet-throats open to the beaks of birds.
The Golden Rain Tree drips its powders down.
In these little boudoirs streaked with orange and red
The anthers nod their heads, potent as kings
To father dynasties. The air is rich.
Here is a queenship no mother can contest -

A fruit that's death to taste: dark flesh, dark parings.

In burrows narrow as a finger, solitary bees
Keep house among the grasses. Kneeling down
I set my eyes to a hole-mouth and meet an eye
Round, green, disconsolate as a tear.
Father, bridegroom, in this Easter egg
Under the coronal of sugar roses

The queen bee marries the winter of your year.


Sylvia Plath
© vertaling Lucienne Stassaert

Sylvia Plath

            De maan en de taxusboom

Dit is het licht van de geest, koud en planetair.
De bomen van de geest zijn zwart. Het licht is blauw.
De gewassen storten hun grieven aan mijn voeten uit alsof ik God was,
prikken in mijn enkels, murmelen hoe nederig ze zijn.
Dampige, geestrijke nevels bewonen deze plek
door een rij zerken gescheiden van mijn huis.
Ik kan gewoon niet zien waar ik naartoe moet.

De maan is geen deur. Een gezicht op zichzelf is zij,
wit als een knobbel en vreselijk van streek.
Het sleept de zee achter zich aan als een duistere misdaad; het is rustig
in de bolronde gaping van volkomen wanhoop. Hier woon ik.
Tweemaal 's zondags schrikken klokken de hemel op –
Acht grote klepels die de verrijzenis bevestigen.
Aan het eind galmen ze bedaard hun namen uit.

De taxus wijst naar boven. Hij heeft een Gotische vorm.
Ogen zien naar hem op en vinden de maan.
De maan is mijn moeder. Ze is niet lief zoals Maria.
Haar blauwe gewaden laten kleine vleermuizen en uilen vrij.
Hoe graag zou ik in tederheid willen geloven -
De afbeelding van een gezicht, door kaarsen verzacht,
waarvan de milde ogen speciaal op mij zijn gericht.

Ik ben diep gevallen en al zo lang onderweg. Wolken bloeien
blauw en mystiek over het gezicht van de sterren.
In de kerk zullen de heiligen helemaal blauw zijn,
op hun tere voeten zwevend over de kille banken,
hun handen en gezicht stijf van heiligheid.
De maan ziet daar niets van. Ze is kaal en wild.
En de taxus verkondigt zwartheid - zwartheid en stilte.


            The Moon and the Yew Tree

This is the light of the mind, cold and planetary.
The trees of the mind are black. The light is blue.
The grasses unload their griefs on my feet as if I were God,
Prickling my ankles and murmuring of their humility.
Fumy, spiritous mists inhabit this place
Separated from my house by a row of headstones.
I simply cannot see where there is to get to.

The moon is no door. lt is a face in its own right,
White as a knuckle and terribly upset.
It drags the sea after it like a dark crime; it is quiet
With the O-gape of complete despair. I live here.
Twice on Sunday, the bells startle the sky -
Eight great tongues affirming the Resurrection.
At the end, they soberly bong out their names.

The yew tree points up. It has a Gothic shape.
The eyes lift after it and find the moon.
The moon is my mother. She is not sweet like Mary.
Her blue garments unloose small bats and owls.
How I would like to believe in tenderness –
The face of the effigy, gentled by candles,
Bending, on me in particular, its mild eyes.

I have fallen a long way. Clouds are flowering
Blue and mystical over the face of the stars.
Inside the church, the saints will all be blue,
Floating on their delicate feet over the cold pews,
Their hands and faces stiff with holiness.
The moon sees nothing of this. She is bald and wild.
And the message of the yew tree is blackness - blackness and silence.


Sylvia Plath
© vertaling Lucienne Stassaert

Sylvia Plath

            Jaren

Ze komen als dieren uit een buitenaardse
ruimte van hulst, waar spijkers
geen denkbeelden zijn waarop ik wentel, als een yogi,
maar een groenheid, een zo zuivere duisternis
dat ze bevriezen en bestaan.