Aurelio González Ovies werd geboren in 1964 te Bañugues (Asturias - Spanje). Hij is doctor in de klassieke filologie, afgestudeerd aan de Universiteit van Oviedo. Aan diezelfde universiteit is hij professor Latijnse filologie en is sinds 1996 vice-decaan.
Hij publiceerde een groot aantal verzenbundels waarvan verschillende met een prijs werden onderscheiden: Las horas en vano, Gijón 1989; Versos para Ana sin número (Premio Internacional de Poesía Ángel González), Oviedo 1991; En presente (y Poemas de Álbum amarillo) (Premio Internacional de Poesía Feria del Libro-Ateneo Jovellanos 1991), Gijón, 1991; La hora de las gaviotas, (Premio Internacional de Poesía «Juan Ramón Jiménez») Huelva 1992; Vengo del Norte (Accésit Premio Adonais 1992), Madrid 1993; Nadie responde (Accésit Premio Esquío 1994), El Ferrol 1995; La muerte tiene llave (samen met Marián Suárez), Avilés. 1995; Con los cinco sentidos (id.), Avilés 1997; Las señas del perseguidor (samen met Carmen Nuevo), Avilés 1999; Nada, Ateneo Obrero (Colección Deva), Gijón 2001; 34 poemes (a imaxe del silenciu), Oviedo, 2003; Tocata y Fuga, Oviedo, 2004. Hij is vertegenwoordigd in ongeveer elke moderne Spaanse bloemlezing. (Fa Claes)
PENELOPE VAN ODYSSEUS
Een eind achter het huis knispert de warmte
van september in de vijgenbomen;
Penelope van Odysseus, trouwe Spartaanse,
is op het balkon gaan staan waar ze voor altijd borduurt
en verjaagt een paar stoutmoedige ganzen
die de bloemen van haar hortensia’s lopen af te pikken.
Het huis ruikt naar brood, naar herinnering aan meel,
naar verwachting ontstaan uit oude verwachting.
Zal hij terugkomen? Wie weet of hij op zee
of in het licht van de vuurtorens
sinds zo lange tijd zich blijft herinneren.
En plots zingt ze (ze weet wel waarom ze zingt)
en aan haar lippen hangt
een trilling die al bijna helemaal een traan is.
En de zon komt naar haar ogen gelijk een nachtmerrie
- toch is er niets mooiers dan het gezicht
van Penelope met het fonkelende spoor van de tranen -.
Zal hij terugkomen? Op ogenblikken als deze stopt ze niet met borduren
om niet te wenen in het bijzijn van dienaressen
maar haar vingers weten niet of ze een bloem borduren
op de lijkwade
of een ander bloemblad toevoegen aan haar leed.
In niets gelijkt ze op de vrouw met haar boerenhuid,
de slankste van Ithaca
die destijds uiteindelijk de begeerde echtgenote werd,
want van zoveel wachten,
van zo vaak het weefsel van haar dagen ongedaan te maken
wanneer de nacht inviel, zal ze tenslotte overblijven met draden
die de huid van haar gezicht losmaken.
Ze gelijkt heel weinig op die met haar sneeuwwitte armen
door zo verhangen te zijn aan de klaagzang van de schemering,
door de beloftes van zoveel aanbidders af te wijzen
nu ze wacht op de zeilen van de roodachtige schepen
die de golven van de tijd misschien nooit zullen dichterbij brengen.
En soms overkomt haar hetzelfde als aan haar hond:
door te blaffen, vastgebonden aan de voet van zijn noodlot,
is de band rond zijn keel hem aan het versmachten,
een geel merkteken van eenzaamheid en weerzin
dat hem zijn reukzin, zijn huilen en zijn pels heeft geroofd.
En nooit gebeurt iets behalve het vergeefse leven;
al draaiend in het luchtledige volgen de uren elkaar op
gelijk een dood wiel vastgelopen in een paar handen
die het geen draai meer zullen geven. Daar kunnen ze op rekenen.
Penelope van Odysseus, de eenzame van Ithaca,
die met het openstaande balkon voor het geval dat ze stappen hoorde;
Penelope van Odysseus, de eeuwige borduurster
met haar onheilspellend heden, met haar mythische toekomst.
De echtgenote, oud geworden gelijk een vergeten Griek.
PENÉLOPE DE ULISES
Más allá de su casa el calor de septiembre
crepita en las higueras;
Penélope de Ulises, fiel espartana,
se ha asomado al balcón donde borda por siempre
y ahuyenta una pareja de gansos atrevidos
que va picoteando la flor de sus hortensias.
La casa huele a pan, a recuerdo de harina,
a esperanza nacida de una esperanza vieja.
¿Volverá? Quién sabe si en el mar
o a la luz de los faros,
después de tanto tiempo, se sigue recordando.
Y de repente canta (bien sabe por qué canta)
y de sus labios pende
un temblor que ya es casi ya una lágrima.
Y el sol llega a sus ojos como una pesadumbre
-no hay nada más hermoso, sin embargo, que el rostro
de Penélope con la estela brillante de las lágrimas-.
¿Volverá? En momentos como este no deja de bordar
por no llorar delante de doncellas,
mas sus dedos no saben si bordan una flor
sobre el sudario
o anudan otro pétalo a su pena.
No se parece en nada a la mujer de piel campesina,
la más esbelta de Ítaca,
que antaño llegó a ser la esposa deseada,
porque de tanta espera,
de tanto deshacer la tela de sus días
cuando la noche entraba, va quedando con hilos
que descosen la carne de su cara.
Se parece muy poco a la de brazos níveos,
por abrazarse tanto al llanto del crepúsculo,
por rehusar promesas de tantos pretendientes,
esperando las velas de las naves rojizas
que las olas del tiempo jamás, tal vez, acerquen.
Y a veces ya le ocurre lo mismo que a su perro:
que de ladrar atado al pie de su destino,
tiene la tirantez ahogándole en el cuello,
una marca amarilla de soledad y hastío
que le ha robado olfato, el aullido y el pelo.
Y nunca pasa nada sino la vida en vano,
las horas se suceden girando en el vacío,
como una rueca muerta varada en unas manos
que no darán más vueltas. Lo tienen prometido.
Penélope de Ulises, la solitaria de Ítaca,
la del balcón abierto por si escuchara pasos;
Penélope de Ulises, la eterna bordadora
de su presente aciago, de su futuro mítico.
La esposa envejecida como un griego olvidado.
'Penélope de Ulises' uit: En presente (1991)
Copyright vertaling © Fa Claes
Laatste reacties