Dichters N

18-11-07

Theodósis Nikoláou

Theodosis Nikolaou Theodósis Nikoláou (1930-2004) werd geboren in Paphos. Hij studeerde af in Griekse taal- en letterkunde aan de universiteit van Athene en in de pedagogiek aan de universiteit van Londen. Hij was docent en later rector aan het gymnasium van Famagusta. Hij publiceerde essays en drie dichtbundels. Hij liet een klein maar buitengewoon interessant oeuvre achter, dat hem een belangrijke plaats toekent in de Griekse literatuur. Eerder verschenen gedichten van hem in een vertaling van Hero Hokwerda in de bloemlezing van Cypriotische literatuur Wij wonen in een taal (Brugge 2004). Drie van de hieronder opgenomen gedichten (5, Schilderijententoonstelling en Speelgoed) werden gepubliceerd in het winternummer 2006 van De tweede ronde. (Kees Klok)


   5

De zee roept aanhoudend in de nacht
En terwijl haar roep schuimende golven opwekt
Doordringt hij het gehoor en wekt
Oeroude herinneringen die sluimeren in haar diepte
En diep in de ziel van de bewoners.

Het schip ligt gereed voor de grote reis.
De mannen aan de riemen en zeilen
Op de voorplecht om de koers te wijzen
Een meisje met loshangend haar
Dat golft op de wind
Die zelfs wanneer hij gaat liggen
Door haar haren blijft spelen.

Haar ontblote borsten splijten onweer en mist
Haar ogen overdag noch ’s nachts
Door slaap overmand
Wijd open om de richting te vinden.

En de reis gaat tot nu toe voort
Tussen de klippen en
De duistere geheimzinnige wegen van de sterren.
Maar niemand echter kent het geheim
Ons schip heeft geen anker aan boord.

Uit: To Spíti, Athene 2002


Schilderijententoonstelling

De bezoekers lopen door de zaal;
Ze bekijken de schilderijen aan de muren,
Praten en geven commentaar.

'De vakman dient leven aan zijn visioenen te geven;
De afkeer van de dood is helemaal afwezig in het kunstwerk.
Wat moeten de vogels, de bomen, al deze idyllische
      landschappen
Wanneer rauw geweld voorbijtrekt en ons vertrapt?'

Maar als de suppoost ’s avonds het licht uitdoet
En de deur vergrendelt
Openen de vogels hun snavels
En klinkt er gejammer door de lege zaal
Alsof ze samen een klaagzang aanheffen voor Adrianopel
En zelfs de wind die ’s nachts opsteekt
Slaat deze zaal niet over. Hij waait
Er doorheen en beweegt de boombladeren op de doeken.
Tussen de vier wanden is een zucht te horen
Als het klaaglied van Hecabe
Toen zij samen met de andere Trojanen
Hun kinderen zochten in het geplunderde Troje.

Het lijkt alsof niet het wat van belang is, maar het hoe.

Uit: Eikónes, Lefkosía 1988


Warme dag in de winter

Alle kleuren zijn mooi
En alle kleuren zijn puur.
De seizoenen wisselen en exposeren
De schilderijen van de aarde
Gemaakt met bloemen.
Het zwarte oog van de klaproos
Tussen de rode sluiers van zijn bewakers
De zee van aren
Die zich midden in de zomer
In gele golven ontvouwt.
En die andere, die andere zee, die grote,
Met het wit en het blauwste van het blauw
Tot de bronzen roep van het
Blad van de johannesbroodboom
Dat een mensenhoofd verkoeling geeft.
De regenboog neemt hun ordening
op zich nadat ze
door de regen zijn gewassen.

Maar de gevoeligheid voor wit
Komt niet voort uit het witte
Van de vleugels en gewaden van engelen

Ooit zaten we aan Albions rivier
Waar we huilden noch lachten,
Ook werd ons niets gevraagd en gaven wij geen antwoord.
Het water van de rivier stroomt
Maar in onze ogen lijkt het een grijze onbeweeglijkheid.
Het bewegen begrijp je slechts
Uit de zeilen van de schepen die voorbij gaan
Of als een lichaam wordt meegesleurd
En je bedenkt dat dat lichaam
Jouw lichaam zou kunnen zijn.

En daar waar zich niets bevindt
Behalve een woestijn
Daar ben jij alleen en naakt,
Waar de vier winden razend strijden
Terwijl ze op hun vleugels de vorst dragen,
Weerklinkt een
Vriendelijke, geliefde, bekende
Stem.
'Je ogen zien nog steeds de modder,
Maar de rivier van medelijden rondom je zie je niet
En ook de regen van liefde zie je niet.
Neem mijn kleding en verberg je naaktheid.'
Toen ontrolden zich vanuit de hemel
Enorme witte kleren, die zich weer opvouwden –
Ze bedekten de aarde met sneeuw.
De sneeuw reikte naar de bomen
Reikte naar je hart
Dat wordt verwarmd door de gloed van de liefde.

Duizenden witte vlinders beklimmen
De roestige takken van de amandelboom.
Duizenden bloemen, wit als sneeuw
Schieten op uit onze roestige ziel.
Hier in het dodenrijk gaat het leven op zijn paasbest gekleed.
En het visioen van de bloeiende amandelboom
Brengen de winter en je geest tot rust.

Uit: Eikónes, Lefkosía 1988


Speelgoed

Dit vrolijke mannetje met de rode muts
De groene armen en de groene benen
Met zijn mooie kleurrijke kleren
Zal nooit meer zijn lichaam krampachtig bewegen
Hoe je ook aan het touwtje trekt.

Hij kon het noodlot niet vermijden.
Het lot van speelgoed is te slijten en te verdwijnen.
Hoe weinig speelgoed overleeft en op wat voor manier!
Een houten paard met drie benen
Een wiel van een trein
Een pop zonder haar en ogen.
Heel de wereld van dit leven in een miniatuur
Verbleekt, geamputeerd, schipbreuk geleden.

Het lot van speelgoed is ook dat het niet gerepareerd wordt.
Als je de arm maakt breek je al snel het been
Je herstelt de schoorsteen van een schip
En scheurt de kiel.
Iets nieuws kopen is een grote fout.
Het nieuwe voorwerp staat er als een indringer
Je verwacht dat hij elk ogenblik vertrekt
Maar hij gaat niet en er is geen hoop dat je hem leert kennen
Een oude herinnering komt ertussen
Een gruwelijke wond door een geslepen mes.

Uit: Pepragména, Lefkosia 1980


   Voorbijgaan

Er is geen plek om te blijven staan
Onze huizen ingestort,
Onze bomen omgevallen, een stapel puin.

Er is geen ruimte voor ons om te dromen
Het zaaien van dromen vooronderstelt een stuk hemel.
Maar de hemel is neergestort, zijn plaats
Is ingenomen door zwarte rook.
De sterren die ook zijn neergekomen roesten verzonken
In de aarde.

We wisten natuurlijk wel dat het leven vaak
Een verwarde kluwen is
Waarmee je jaren worstelt om het begin te vinden
Zonder succes want de knopen
Raken bij elke poging meer verstrikt.
In die tijd was de hemel een spinnewiel
En werd de draad regelmatig opgewonden.
Maar waar is de hemel nu?

Dit landschap wordt echter door de herinnering bewaakt;
In een andere tijd moet ik er gewoond hebben.
Ik herinner mij de zwarte wolk
Die boven het verbrijzelde lichaam hing
Van onze stad die geen stad meer was
Maar stenen, dakpannen en ander ordeloos bouwmateriaal.
Zoals in het theater het decor verandert
Als het oude doek door de lier wordt opgetrokken
En het nieuwe naar beneden komt,
Zo zag ik de wolk door de wind gegrepen worden en wegdrijven
En de puinhopen veranderen in een tuin
Die wordt verzorgd door de koelte van de morgen
Terwijl ’s nachts de maan neerdaalt
En hem met overvloedig zilver bewerkt.

Ik bedenk vaak
Dat al deze zaden jarenlang
Onder de dromen en voetstappen van de mens
Op niets anders wachten dan het hoornsignaal van hun eigen zon
En het uur van hun eigen tijd
Voor deze onverklaarbare mystieke bloei.

Uit: Pepragména, Lefkosia 1980

Theodósis Nikoláou
Vertaling: Stella Timonídou & Kees Klok
Foto: Stella Timonídou

9-8-06

Teresa Núñez

Teresa Núñez Teresa Núñez is Madrileense maar heeft een Baskische vader (afkomstig uit San Sebastián) en een Andalusische moeder (afkomstig uit Sevilla). Ze studeerde Frans en Italiaans en volgde een opleiding in de kinderpsychologie en in de animatie bij kinderliteratuur. Toen ze veertien was publiceerde ze voor het eerst een gedicht. Haar eerste verhaal verscheen toen ze achttien was. Meer dan twintig jaar werkte ze mee aan pocketuitgaven onder de pseudoniemen Paul Lattimer en Vicky Doran. Zowel voor haar poëzie als haar verhalend proza werd ze vaak onderscheiden. Bovendien is ze toneel voor kinderen gaan schrijven, en ook daarvoor werden haar verschillende prijzen toegekend. Ze is lid van de 'Sociedad General de Autores y Editores de España'. Tot hiertoe was nog geen werk van haar vertaald. (Fa Claes)


IN LES DEUX MAGOTS VRAAGT HIJ EEN BIER EN MOGELIJKERWIJZE IS HET ZATERDAG

    Ober, brengt u mij een enthousiast
en harmonisch bos.
Brengt u mij een begraafplaats
met het graf van Sartre en van Simone.

    (Soms kan ik zelfs
het Louvre en drie tuinen
in één keer opdrinken).

    Als u het goed vindt, laat de olijf
zoetjes drijven, verzoek ik.

    Boven de tafel trilt - gelijk een vogel -
de stilte.
En een licht buigt gestaag,
    klein,
        geschrokken,
            beetje bij beetje, de straat.
Ergens weerklinkt een accordeon.
Wat voor gemeenplaats (hij lacht).
Elleboog tegen elleboog brengen de stoelen
een menigte mensen bijeen die zwijgen of van elkaar houden
midden tussen de dingen.

    Zeven uur al? Beslis. Ik heb niet de hele dag.
Wat wil je graag hebben?

    Lichtgevend komt
de geur van de dahlia’s dichterbij.

    Ik weet het niet. Heel Parijs.
Parijs wil ik drinken.


ÉL PIDE UNA CERVEZA EN LES DEUX MAGOTS Y PUEDE QUE SEA SÁBADO

    Monsieur, tráigame un bosque
inflamado y armónico.
Tráigame un cementerio
con la tumba de Sartre y de Simone.

    (A veces, hasta puedo
beberme de una vez el Louvre
y tres jardines).

    Si le parece bien, que flote la aceituna
dulcemente, suplico.

    Sobre la mesa tiembla -como un ave-
el silencio.
Y una luz va curvando,
    pequeña,
        estremecida,
            poco a poco, la calle.
Suena un acordeón en algún sitio.
Qué tópico (él se ríe).
Codo a codo, las sillas
acercan un gentío que calla o que se ama
en medio de las cosas.

    ¿Las siete ya? Decide. No tengo todo el día.
¿Qué prefieres tomar?

    Luminiscente, llega
el olor de las dalias.

    No sé. París entero.
Quiero beber París.


© Teresa Núñez, 'Él pide una cerveza en Les deux magots y puede que sábado' uit: Si arde París (2001)
© vertaling Fa Claes

Teresa Núñez

OP TIJD DE EEUWIGHEID TEGENKOMEN

    Want ze zeggen
dat op een donderdagmiddag
aan een of ander cafétafeltje
juist naast Chez Madame Arthur
iemand de eeuwigheid vond
die een verwelkte vlinder
aan haar schouders had hangen.

    Mij hebben ze verteld
dat het een bleek jong meisje was.
Ze kon zich op het marmer
nauwelijks staande houden terwijl ze
met een zwanenstem verzocht:
Ober, geeft u mij een met boter
besmeerde croissant.

    Ze kon soevereine ogen hebben,
ze stelen van Ankhesnamun,
de mooiste van allen, maar ze vertellen
dat een zwaluw tegen haar
linkerborst trilde.
Of was het wellicht haar hart
dat uit haar zijden blouse
was ontsnapt?

    Er wordt verteld
dat ze niet meer dan vijf minuten zat te wachten.
Dat iemand haar riep van bij een hoek,
maar bij het oversteken van de straat,
gehuld in rode doorzichtigheid
van verkeerslichten,
vermoordde haar een haastige autobus
die zijn raampjes meevoerde die met glazen
kralen waren doordrenkt.


ENCONTRAR A TIEMPO LA ETERNIDAD

    Porque se dice
que en alguna mesa de café
un jueves por la tarde,
lindando Chez Madame Arthur,
alguien halló la eternidad
con una mariposa lacia
colgada de los hombros.

    Me han contado
que era una joven pálida.
Apenas si se pudo
sostener sobre el mármol, mientras
con voz de cisne suplicaba:
Monsieur, sírvame un croissant
untado en mantequilla.

    Pudo tener los ojos soberanos,
robárselos a Ankesnamún,
la más bella de todas, pero cuentan
que una alondra palpitaba
contra su seno izquierdo.
¿O era tal vez el corazón
escapado
por su blusa de seda?

    Se narra
que no estuvo esperando más de cinco minutos.
Que alguien la llamó desde una esquina,
pero al cruzar la calle,
envuelta en una roja transparencia
de semáforos,
un rápido autobús la asesinó,
llevándose las ventanillas impregnadas
de cuentas de cristal.


© Teresa Núñez, 'Encontrar a tiempo la eternidad' uit: Si arde París (2001)
© vertaling Fa Claes

Teresa Núñez

VANDAAG, TWAALF SEPTEMBER, MOETEN WE VERTREKKEN EN DE DAG BREEKT AAN ONDER DE REGEN

    Eindelijk heb ik gezien hoe het regent.
De regen vormt tranen,
onthoofde ogen, droefheidstekens in een lantaarn.
De Avenue Leclerc is onbekender nu,
nu we moeten vertrekken onder het vermoeide licht van de wolken.

    - Wat zal Lodewijk de Veertiende zeggen als we weggaan? - vraag ik.
                                                      En hij kijkt mij aan.

    - Je bent gek geworden - zegt hij.
Hij heeft gelijk, geen twijfel aan. Regen maakt me gek.
Terwijl hij de harmonie instelt
ga ik water drinken, met slokjes, uit het glas.
    Ik stop niet graag
de zomer in onze koffers.

    Plots heb ik het geweten:
naar Parijs komen we niet terug. Nooit
zullen we samen wandelen,
samen in Parijs het onontbeerlijke
                                                   ontdekken.
Soms zal hij zeggen: Herinner je je?
Herinner je je hoe ik uitsprak...? Die arme vrouw
die me niet kon verstaan, toen ik onbewogen
herhaalde, mevrouw, de avenou,
waar de avenou... Herinner je je?
En die wagon die dagen voorbij liet tikken in slechts enkele seconden.
De heiligen:
    Saint Michel...
    Saint Germain...
    Saint Sulpice...
    Saint Placide...
Hoe de metro onder het leven door liep.
Zoenden we elkaar op een middag? Niemand keek ooit.
Op een middag, ja. De middagen brachten ons
zoveel zon dat ze pijn deden.

    Vandaag maak ik de kast leeg en vraag me af:
wat zal Lodewijk de Veertiende denken als ik wegga
en de Seine geen vaarwel zeg?

    Ik weet niet hoe ik het moet uitleggen.
Ineens had ik liever dat ik geen thuis had.
Dat niemand me opwachtte
om kaarsen voor de vergetelheid voor hem op te steken.
In dit hotel blijven, in slaap in armen
die door wind zijn bewoond.
Maar hij wil mijn leven ordenen
                            en de koffer.
Hij begrijpt niet hoeveel zout zich aan mijn tandvlees hecht.
- Hoe laat vertrekt het vliegtuig? - vraagt hij zonder me aan te kijken.

    En Parijs ontgaat me midden in een samenzwering van glimwormen.
En van deze regen blijft mij nacht over, het blauw.


HOY, DOCE DE SEPTIEMBRE, TENEMOS QUE PARTIR Y AMANECE LLOVIENDO

    Por fin he visto cómo llueve.
La lluvia forma lágrimas,
decapitados ojos, señales de tristeza en un farol.
La Avenida Leclerc es más desconocida ahora,
cuando tenemos que partir bajo la luz cansada de las nubes.

    - ¿Qué dirá Luis Catorce si nos vamos? - pregunto.
                            Y él me mira.
    - Te has vuelto loca - dice.
Tiene razón, sin duda. Llover me vuelve loca.
Mientras él inicia la armonía,
voy tomando el agua, a sorbos, del cristal.
    No quiero
meter en las maletas el verano.

    De pronto lo he sabido:
no volveremos a París. Jamás
caminaremos juntos,
descubriremos juntos en París
                            lo imprescindible.
Él dirá alguna vez: ¿Te acuerdas?
¿Recuerdas cómo pronunciaba yo... ? Esa pobre mujer
que no pudo entenderme, cuando yo repetía
impasible, señora, la avenou,
dónde la avenou... ¿Recuerdas?
Y aquel vagón que desgranaba días en tan sólo segundos.
Los santos:
    Saint Michel...
    Saint Germain...
    Saint Sulpice...
    Saint Placide...
Cómo corría el metro debajo de la vida.
¿Alguna tarde nos besamos? Nadie miraba nunca.
Alguna tarde, sí. Las tardes nos trajeron
tanto sol que dolían.

    Hoy deshago el armario y me pregunto:
¿qué creerá Luis Catorce si me marcho
y no le digo adiós al Sena?

    No sé cómo explicarlo.
De repente, quisiera no tener un hogar.
Que nadie me aguardase
para encenderle velas al olvido.
Quedarme en este hotel, durmiendo entre unos brazos
habitados de viento.
Mas él quiere ordenar
                             mi vida y la maleta.
No entiende cuánta sal se prende en mis encías.
- ¿A qué hora el avión? - pregunta sin mirarme.

    Y París se me escapa en medio de un conjuro de luciérnagas.
Y se me queda noche, de esta lluvia, lo azul.


© Teresa Núñez, 'Hoy, doce de septiembre, tenemos que partir y amanece lloviendo' uit: Si arde París (2001)
© vertaling Fa Claes

Teresa Núñez

BOHÈME OP HET GARDAMEER

Vandaag zou je bijna zeggen
dat, als je je ogen sluit om la soave fianciulla te horen,
alle trappen binnen in je kraken,
en dat er een station van groenachtige aanslag is
dat plots trilt bij het fluitsignaal
van een trein.
Vogel, de herinnering die ons geheugen
met absurditeiten bekleedt.
Op zondag staat hij plots op
en maakt zich meester van het licht
wanneer hij langs bewogen ramen,
verzen, vlaktes klimt.
Met een uitbarsting van wolken is het water in strepen getrokken.
De nacht stuurt verdrietig makende lantaarns uit
die ons de herfst zijn hart openleggen. En voor ons bloeit mimosageur uit wie weet welke haven,
onder hoeveel vlaggen verengeld, deze wens om een ander te zijn,
om te bestaan onder een verschillende naam en om andere plaatsen lief te hebben.
Vermits niemand op ons wacht
en we niet wisten terug te keren,
laat zoveel licht
de vingers van die zomer bezweren.
En dat geen voorgevoelens ons bezwaren.
Het Gardameer is kwikzilver
waarop de herfst zijn schaatsen
van tijdloos kind laat glijden.
Il primo baccio dell’ aprile è mio
Stilte. Bohème is aan het zingen.
Zij tenminste veroudert niet.


BOHÈME EN EL GARDA

Hoy casi se diría
que si cierras los ojos para oír a la soave fanciulla,
crujen dentro de ti todas las escaleras,
y hay una estación de moho verdecido,
que, de repente, vibra a la llamada
de un tren.
Pájaro el recuerdo, que nos viste
de absurdos la memoria.
Se levanta de pronto los domingos
y hace suya la luz
cuando trepa ventanas conmovidas,
versos, llanuras.
El agua se ha arañado con un grito de nubes.
Precipita la noche faroles tristecientes
que nos abren de otoño el corazón. Y nos florece
un aire de mimosas quién sabe de qué puerto,
bajo cuántas banderas angelado este deseo de ser otro,
de existir con nombre diferente y amar otros lugares.
Pues nadie nos espera
y no supimos regresar,
conjure tanta luz
los dedos del verano aquel.
Y no nos pesen las premoniciones.
El Garda es un azogue
donde el otoño desliza sus patines
de niño intemporal.
Il primo bacio dell ´aprile è mio.
Silencio. Bohème está cantando.
Al menos ella no envejece.


© Teresa Núñez, 'Bohème en el Garda' uit: La canción del agua (2000)
© vertaling Fa Claes

Teresa Núñez

ROMEINSE BRUG

Ik rijg de geschiedenis aaneen. Ik stippel ze uit en herkauw ze.
Weer leer ik de zon kennen in elke
druppel van de middag, de tand waarvan
mijn droefheid sloopt.

    En er is een meisje, nauwelijks in de glimlach ingewijd,
dat haar honingdossier in haar handen draagt.
Ze gaat voort met het naaien van blauwe papavers, vergeet-mij-nietjes,
kruissteek met wind daartussen,
gezeten op de rand van de steen,
weggelopen uit een aula
met grote lauwe ramen met vogels en met die lerares
die altijd op het juiste ogenblik inslaapt.

    Van deze herinnering onthult het hart het licht.

    Vandaag weet ik
dat er een aura van ongeduldige rozen
                                op de loer lag.
Bijna ken ik het heel kleine bijtje dat zoveel ballingschap weefde,
dat van de uren een vermoeide wijzer maakte
en van de jaren een terugkeer bijna nooit
naar gindse land van ooit.

    Waar andere vogels februari aankondigden
heersen vandaag de kraaien.
Het meisje borduurster van heliotroop en korenaren
verloor de sleutels
en ging alle hoeken om.
Het kost moeite haar veranderde lach te herkennen.

    Een noot,
een herhaald teken identificeert
deze revival die vandaag de grenzen van de tijd ontwijkt.

    Slapende emerita
op een stap van die rustige eeuwigheid van toen,
en de zon die dezelfde is boven de Romeinse Brug.


PUENTE ROMANO

Encadeno la historia. La hilvano y la mastico.
Vuelvo a saber del sol en cada
gota de tarde, cuyo diente
demuele mi tristeza.

Y hay una niña, apenas iniciada en la sonrisa,
que lleva su legajo de miel entre las manos.
Va cosiendo amapolas azules, nomeolvides,
punto de cruz entremezclado al viento,
sentada en el bordillo de la piedra,
escapada de un aula
con ventanales tibios de pájaros y aquella profesora
que siempre se adormece en el momento justo.

Desvela el corazón la luz de esta memoria.

Hoy sé
que hubo un aura de rosas impacientes
                                     acechando.
Casi conozco la diminuta abeja que tejió tanto exilio,
que hizo de las horas una aguja cansada
y de los años un regreso casi jamás
a aquel país de nunca.

Donde otras aves anunciaban febrero,
hoy reinan las cornejas.
La niña bordadora de heliotropos y espigas
perdió las llaves
y dobló todos los rincones.
Cuesta reconocer su risa trasmutada.

    Una nota,
un signo repetido identifica
este revival que elude hoy los límites del tiempo:

    Emérita dormida
a un paso de esa quieta eternidad de entonces,
y el sol, que es el mismo sobre el Puente Romano.


© Teresa Núñez, 'Puente Romano' uit: La canción del agua (2000)
© vertaling Fa Claes

Teresa Núñez

LAATSTE BALLADE VAN HET BED DAT RIVIER WAS

    Kijk hoe de nacht zijn wonden noemt:
het zijn in de goot gesmeten saffieren.
Hoeveel hoeven, klauwen, helse stappen
daarover ook voorbijgaan,
niemand zal ooit de troebele toekomst
van dit graniet betreden.

    Alleen de zang van het water.

    De oudsten zeggen
dat hier een riviertje over zichzelf liep te springen;
en in de augustusmaanden,
in de heel vroege stille ochtend
draaiden de stenen één voor één rond
en de zon kwetste ze.

    Nu is alles okerkleurig. Het water met zijn blauw
gemurmel komt niet meer onder de olmen langs.
Weinig meer dan een spoor
is overgebleven aan de achterkant van gindse berg
en de eucalyptus heeft
zijn tong verkleed in cyanide.

    Maar de steen
werd rondheid, onverwacht aroma.

    Door de bedding van de tijd komt niets nogmaals voorbij.
Niemand beweegt een blad
zonder dat het uurwerk het oneindige voortduwt.

    Alleen de zang van het water.


BALADA ÚLTIMA DEL LECHO QUE FUE RÍO

    Mirad cómo nombra la noche sus heridas:
son piedras de zafiro arrojadas al arroyo.
Por más que pasen sobre ellas
cascos, pezuñas, pisadas infernales,
nadie hollará jamás
el turbio devenir de este granito.

    Sólo el canto del agua.

    Dicen los más ancianos
que hubo aquí un riachuelo saltando sobre sí;
y en los meses de agosto,
en la silente madrugada,
rodaban una a una las piedras
y las hería el sol.

    Ahora todo es ocre. El agua ya no cruza
con su murmullo añil bajo los álamos.
Poco más que un reguero
ha quedado a la espalda de aquel monte
y tiene el eucalipto
su lengua travestida de cianuro.

    Pero la piedra
se tornó redondez, súbito aroma.

    Nada vuelve a pasar por la cama del tiempo.
Nadie mueve una hoja
sin que el reloj empuje el infinito.

    Sólo el canto del agua.


© Teresa Núñez, 'Balada última del lecho que fue río' uit: La canción del agua (2000)
© vertaling Fa Claes

Teresa Núñez

SCHILDERDOOS

Het huis is bereid om de gevoelens op te sluiten
zonder de tijd die op de balkons slaapt te ontluisteren.
Kom me zoeken, want ik ben alle schakeringen
van mijn palet aan het opnemen.

Ik zal je vanavond leren om blauwen te verhelderen.
Omdat het blauw lucht is, amper een druppel.
Maar vergeet op de hoeken het rood niet
voor het geval het nuanceren van passie ontbrak,
en laat het ragfijne wit niet ontsnappen,
haardos van april die in de secretaire wordt bewaard.
(Wit waren de datums van de kindertijd
en van de plechtige doden,
diegenen die de bestemming bereikten toen we nauwelijks
bewustzijn van sterven hadden).

In de vertrekken waar al geen stoelen meer staan,
zoek me het vermiljoen, het oranje en het indigo,
ontsnapt misschien langs de reten van een kapotte jaloezie.
Achtervolg het groen dat zich verbergt
in de takken van de bewolkte wilgen:
vraag de merels naar de oorsprong ervan.

Ik weet dat je hebt bemerkt hoe ik soms
het water ga bewonen
zonder tijd om de raadsels met zwart te bekleden.
De paarse plooi van mijn mond
herinnert aan honderd manieren om de regen te tekenen
of welke polychromie je aan de winters zal toekennen.
Maak je niet boos als ik achter in de gang ontsnap
waar de precieze buik van de klok
beweert de bitterheden te bezweren
zonder ze tevoren met een stip grijs te vermommen.

Maar breng je stilte als ik me voor
een aquarel van de zee bevind
en herinneringen losmaak wanneer niemand me ziet,
zo onduidelijk door zout en zo vluchtig
dat het me moeite kost om te weerstaan
en te weten waar het maandag is, of op welke moedervlek
het hoofdkussen zal hinderen.

Niet altijd zijn de dingen zoals jij ze ontwaart.
Als ik mijn schilderdoos open
moet ik soms voorzichtig een meer tastbare toon kiezen
om de morgen te doen ontbranden,
een snufje waskrijt, een doezelaar
om snel ermee deze pijn van afwezigheid
die de kasten in beslag neemt uit te spreiden.

Maar maak je geen zorgen. Ik ben erin geslaagd
om in de ruiten een spoor van licht en van geel
in de vlucht van de middag vast te houden.
En als het raadsel niet in stukken uiteenspat
en het violet geen litteken vertoont
of het karmijnrood de beitel van de mist
niet met angstgeluiden vervult,
is leven met jou voor mijn hart zo eenvoudig
als het laten golven van de steen van een gedicht.


CAJA DE PINTURAS

Dispuesta está la casa a encerrar los sentidos
sin deslucir el tiempo que duerme en los balcones.
Ven a buscarme, porque estoy tomando
de mi paleta todos los matices.

Te enseñaré esta noche a esclarecer azules.
Porque el azul es aire, apenas una gota.
Mas no olvides el rojo en las esquinas
por si teñir pasión hiciera falta,
ni dejes escapar el tenue blanco,
cabellera de abril guardada en el bargueño.
(Blancas fueron las fechas de la infancia
y los muertos solemnes,
aquellos que llegaron cuando apenas
teníamos conciencia de morir).

En las estancias que ya no tienen sillas,
búscame el bermellón, el naranja y el índigo,
escapados -tal vez- por las ranuras de una persiana rota.
Acosa al verde que se oculta
en las ramas de los nublados sauces:
pregúntales su origen a los mirlos.

Yo sé que has advertido cómo a veces
me va habitando el agua
sin tiempo de vestir con negro los enigmas.
El cárdeno repliegue de mi boca
recuerda cien maneras de dibujar la lluvia
o qué policromía prestar a los inviernos.
No te enfades si escapo al fondo del pasillo,
donde el exacto vientre del reloj
pretende exorcizar las amarguras
sin disfrazarlas antes con un toque de gris.

Mas trae tu silencio si me hallo
delante de una aguada marinera,
desatando memorias cuando nadie me ve,
tan confusa de sal y tan furtiva
que me cuesta trabajo resistir
y saber dónde es lunes, o sobre qué lunar
estorbará la almohada.

No siempre son las cosas como tú las descubres.
Cuando abro mi caja de pinturas
debo tomar a veces con cuidado un tono más tangible
para encender el alba,
una pizca de cera, un difumino
con que extender aprisa
ese dolor de ausencia que ocupa los armarios.

Pero no te preocupes. He logrado
prender en los cristales una estela de luz
y un amarillo al vuelo de la tarde.
Y si no estalla en trozos el enigma
y el violeta no tiene cicatriz
ni el amaranto llena con sonidos de miedo
el cincel de la bruma,
para mi corazón vivir contigo es tan sencillo
como ondular la piedra de un poema.


© Teresa Núñez, 'Caja de pinturas' nog onuitgegeven
© vertaling Fa Claes

Teresa Núñez

OVER MIJN KAMER EN MIJN HUID

Wanneer ík zal weggegaan zijn en jouw leeftijd zoals het licht
                van de hoge sterren berekend wordt,
straffeloos en zonder boosaardigheid,
zul je je gelukkig voelen door mijn studeerkamer binnen te gaan.
En je zult in mijn papieren gaan rommelen.
En mijn elektronische post
die je zoveel malen zonder resultaat trachtte te openen
zal toch nooit een ander geheim bewaren dan aankondigingen voor Viagra
en toplessfoto’s - alles in het Engels geschreven -.

    Ik verzoek je dat je de schuiven niet opent. Daar heb ik de zee bewaard.
Het gaat niet aan dat ze ontsnapt en het huis onder water zet.
Ook zul je zien dat ik binnen in de muziek
voorgoed de namen schreef die ik meest liefheb.
Als je je in mijn studeerkamer opsluit, hou je enkel en alleen aan de routine de bloempotten water te geven.
Misschien begrijp je dan wat ik moest opgeven om met je mee te gaan
of dat ik je tijd gaf om die geschiedenis te lezen die ik met je schreef.

    Je zult de rozen aantreffen, elk op de exacte plaats
in het gedicht naar bed gegaan.
Sta ze toe te slapen als de tijd het niet verhindert,
maar breek de woorden stuk die er niet in anarchie vandoor zijn gegaan.
Maak mijn ideeën kapot, het onuitgegevene van de nacht.
Dat ze me nooit ontfutselen
wat ik dacht te schrijven na je te hebben bemind.

    Weet je, mijn kamer is zoals ik: ongeordend, voortvluchtig,
met vioolnoten op de achtergrond van mijn hart
en ongelezen boeken achter de schabben.
Dit bureau omvat wat mijn leven bewaarde,
datgene wat ik nooit aan mijn vrienden heb bekend.

    Neem de portretten mee, dat wel,
want het zijn die gezichten die me verliefd maakten
en op droevige ogenblikken waren zij het licht.
Voor het overige, aangezien je zo oud zult zijn dat het je
- vermoedelijk - zelfs niet interesseert wat ik voelde,
haal de oehoes, de diploma’s niet van hun plaats,
laat niet toe dat de heks die we meebrachten
van die reis naar Praag onder het stof geraakt
en verleen niemand toegang die mij nooit mocht.

Laat niet toe dat iemand mijn poëzie pijn doet.


DE MI CUARTO Y MI PIEL

Cuando yo me haya ido y se cuente tu edad como las luces
                de las altas estrellas,
impunemente y sin malicia,
te sentirás feliz por entrar en mi estudio.
Y te pondrás a revolver en mis papeles.
Y el correo electrónico,
que tantas veces intentabas abrir sin resultado,
ya jamás guardará otro misterio que anuncios de Viagra
y fotos de top-less -todo escrito en inglés-.

    Te pido que no abras los cajones. Allí he guardado el mar.
No es cosa que se escape y te inunde la casa.
También verás que dentro de la música
escribí para siempre los nombres que más amo.
Cuando te encierres en mi estudio, únicamente pon
la rutina del agua en las macetas.
Quizá entonces comprendas lo que dejé de hacer por ir contigo
o te dé tiempo a leer esa historia que contigo escribí.

    Encontrarás las rosas, cada una acostada
en el lugar exacto del poema.
Permíteles dormir, si el tiempo no lo impide,
pero rompe palabras que no se hayan ido en la anarquía.
Rómpeme las ideas, lo inédito de la noche.
Que nunca me sorprendan
lo que pensé escribir después de amarte.

    Sabes, mi cuarto es como yo: desordenado, prófugo,
con notas de violín en el fondo del pecho
y libros sin leer detrás de los estantes.
Este escritorio encierra lo que guardó mi vida,
aquello que jamás confesé a los amigos.

    Llévate los retratos, eso sí,
porque son esos rostros los que me enamoraban
y ellos fueron la luz en los momentos tristes.
Por lo demás, como serás tan viejo que ya no te preocupe
–tal vez- lo que sentía,
no muevas de su sitio los búhos, los diplomas
no dejes que se empolve
la bruja que trajimos de aquel viaje a Praga
ni permitas la entrada de quien nunca me quiso.

No dejes que me hieran la poesía.


© Teresa Núñez, 'De mi cuarto y mi piel' nog onuitgegeven
© vertaling Fa Claes

Teresa Núñez

BEKENTENIS VAN DE PIRAAT

    Ik heb een kaart die verborgen zit in een op het droge gehaalde kist
met lijnen die aanduiden waar de vissen heen gaan
en een groot kruis geopend op de geheime plek:
op tien passen van een boom en dertig van de nacht.

    Nooit heb ik het iemand gezegd (dat soort dingen
moet je altijd zwijgen voor het geval de honden blaffen).
Ik trachtte vriendelijk te zijn, voor te wenden dat ik leed,
dat het leven een einde maakte aan al mijn voornemens,
dat donkere en vraatzuchtige mijten
onder mijn huid liepen en dat mijn ogen
een neerslachtige waterput bij avondschemering waren.

    Ik denk dat ik jullie in slaap wiegde. Er was iemand die zei:
"Arme sukkel,
ze heeft een gebroken voorhoofd door zelfmoordlustige vogels,
je ziet tussen haar vingers dat ze half ontbonden rondloopt,
veroordeeld, opgelicht, vol droevig schuim.
Tenslotte pleegt ze nog zelfmoord wegens liefdesverdriet."

Maar bij het vallen van de duisternis, toen ik op weg ging
naar de meest verborgen plaats van mijn Nooit Ofte Nimmer,
was op de commandobrug alles in orde,
de koers naar de sterren zonder de geringste afwijking,
het kompashuisje intact, de ruime zeilen
gelijk windhanden die de reisuren
wiegden.

    Ik doorstond de komedie die de wereld van mij eiste
(de wereld heeft behoefte aan wezens die bang zijn,
die zich soms met voorbedachten rade kwetsen).
Op de stranden liet ik mijn lichaam vergeten achter
en ik verborg me voor de kou, en zwierf tussen gensters.
Elke morgen was ik zo voorzichtig om naar
een wanordelijk kantoor met gewone mensen te gaan
waar ze zelfs de dauw niet wisten te bewaren
die de maan op onze schouders stremt.
‘s Middags sloot ik de deur voor de vergetelheden
om alleen te blijven en oevers te veroveren
en rustige en doorschijnende lagunes te ontdekken
om mijn lichaam te baden dat gebukt ging onder de modder.

    Maar ik bewaak een schat. Ik wil niet dat iemand het weet.
Ik wil niet dat ze de muur van mijn slaapkamer laten bloeden.
Ik wil niet dat ze mijn blauwe zolders slopen
om de koffer te zoeken. Dat huurmoordenaars
mijn huis binnenkomen zou ik me niet vergeven.
Op een dag, op vlucht voor de galg, zal ik ten zuiden
van mij aankomen, op tien stappen van een boom,
onder de grote palm en de drie amethisten,
hoewel het me elke keer meer moeite kost om
deze oude boot die ze hart noemen te water te laten.

    Later, in de kroeg, als ik heel dronken ben,
zal ik vragen naar het lot van dat gelukkige schip
dat ergens van een haven vertrok waar de zee groen was
en waar de druiven zoetheid van onschuld dronken.


CONFESIÓN DEL PIRATA

    Tengo un mapa escondido en un arcón varado,
con líneas que señalan a dónde van los peces
y una gran cruz abierta en el lugar secreto:
a diez pasos de un árbol y treinta de la noche.

    Nunca lo dije a nadie (esta clase de cosas
hay que callarlas siempre por si ladran los perros).
Procuré estar atenta, simular que sufría,
que el vivir terminaba con todos mis designios,
que me corrían ácaros oscuros y voraces
debajo de la piel, y eran mis ojos
un aljibe abatido en los atardeceres.

    Creo que os engañé. Hubo quien dijo:
"Pobre de ella,
tiene la frente rota por pájaros suicidas,
se le ve entre los dedos que anda medio disuelta,
convicta, defraudada, llena de espumas tristes.
Terminará matándose en algún desamor."

Mas al caer la sombra, cuando me dirigía
al lugar más recóndito de mi Nunca Jamás,
en el puente de mando estaba todo en orden,
el rumbo a las estrellas sin desviaciones mínimas,
la bitácora intacta, las velas anchurosas
como manos de brisa que acunasen
las horas del camino.

    Sostuve la comedia que el mundo me exigía
(el mundo necesita de seres que se angustien,
que se hieran a veces premeditadamente).
En las playas dejé olvidado mi cuerpo,
y me escondí del frío, y vagué entre pavesas.
Cada mañana tuve la prudencia de ir
a una turbia oficina con humanos comunes,
en donde ni siquiera sabían conservar
el rocío que cuaja la luna en nuestros hombros.
Por las tardes cerraba la puerta a los olvidos
para quedarme sola y conquistar orillas,
y descubrir lagunas, quietas y transparentes, donde
bañar mi carne que el limo doblegaba.

    Pero guardo un tesoro. No quiero que se sepa.
No quiero que desangren la pared de mi alcoba.
No quiero que derriben mis desvanes azules
para buscar el cofre. No me perdonaría
la entrada de sicarios en mi casa.
Al sur de mí, a diez pasos de un árbol,
bajo la gran palmera y las tres amatistas,
un día llegaré huyendo de la horca.
Pese a que cada vez me cuesta más botar
este barco tan viejo que llaman corazón.

    Después, en la taberna, cuando esté muy borracha,
preguntaré el destino de aquella feliz nao,
que partió de algún puerto donde el mar era verde
y las uvas bebían dulzores de inocencia.


© Teresa Núñez, 'Confesión del pirata' werd bekroond met de 'premio Castejón' 2004
© vertaling Fa Claes

17-11-05

Carlo Nardese

Carlo Nardese Carlo Nardese werd in 1963 geboren in Noventa di Piave, waar hij nog steeds woont. Hij publiceerde vier dichtbundels: La vita futura (Edizioni del Leone, 1986), L'infinito prossimo (Edizioni del Leone, 1987), Nel triste paese del rimorso (Edizioni del Leone, 1989), Passaggi obbligati (Edizioni del Leone, 1991). In 1999 verscheen zijn eerste roman Lettere a un pipistrello (Archinto, 1999). (Sven Staelens en Valeria Gallucci)


Aan W.H.A.

Ik riep je
denkend dat jij het was
die mij zocht
- af en toe vertelde ik Jou
met dezelfde dankbaarheid
van een verliefde maar domme
zoon
dat je een groot dichter was

En Jij was niet in de gedachte
vader of echte grootvader

Ik zie Je opnieuw in stevige schoenen
tussen de verse en zachte sneeuw
op een foto van Avedon.


A W.H.A.

Ti chiamavo
pensando fossi tu
a cercarmi
- a volte Ti dicevo
che eri un grande poeta
con la stessa gratitudine
di un figlio innamorato
ma stupido

E Tu non eri nel ricordo
padre o nonno vero

Ti rivedo in grosse scarpe
tra fresca e morbida neve
in una foto di Avedon.


A W.H.A. is te vinden op de website van Carlo Nardese
Copyright vertaling © Sven Staelens en Valeria Gallucci
Meer vertalingen van Nardese zijn te vinden op Estro Poetico

Carlo Nardese

De poëzie
is voor de dichter
wat de prooi
is voor de jager.
Ze vluchten beiden
poëzie en prooi
dromend van verovering
in een verblindend licht.


La poesia
sta al poeta
come la preda
sta al cacciatore.
Sfuggono entrambi
poesia e preda
al sogno di conquista
in un abbaglio di luce.


La poesia uit: Passagi obligati, 1991
Copyright vertaling © Sven Staelens en Valeria Gallucci
Meer vertalingen van Nardese zijn te vinden op Estro Poetico

6-11-05

Maria Grazia Nigi

Nigi Maria Grazia Nigi, geboren te Siena, is psychoanalyste. Zij publiceerde de volgende dichtbundels: L'anima controluce (Rebellato Editore, 1981), Le pareti del mare (Edizioni del Leone, 1994), Il fuoco in testa (Edizioni del Leone, 1997), Le stanze del Re (Edizioni del Leone, 1999) en Ultimatum (Edizioni del Leone, 2002). (Sven Staelens en Valeria Gallucci)


DE GROTE KOUDE

De opzij geschoven sneeuw

in de hoeken van het hart

slaakt kreten van kou.

In het midden van de diepe

tunnel,

is het grote vuur van de

krater uitgedoofd.


IL GRANDE FREDDO

La neve accantonata

agli angoli del cuore

ha gemiti di freddo.

Al centro della profonda

galleria,

il grande fuoco del

cratere è spento.


Il grande freddo is nog niet in drukvorm uitgegeven en terug te vinden op de website van Maria Grazia Nigi
Copyright vertaling © Sven Staelens en Valeria Gallucci
Meer vertalingen van Nigi zijn te vinden op Estro Poetico

Maria Grazia Nigi

VAN DE DARMEN TOT DE BALLEN

In het enige glas
de gal
bevatten
die mijn dorst heeft gelest
en (om te zuiveren)
op mijn naakte schouders
een Wereld van individuen
zonder ballen
dragen.


DAGLI INTESTINI ALLE PALLE

Contenere
nell'unico bicchiere
il fiele
che mi fu dato a bere
e sostenere (per depurare)
sulle mie nude spalle
un Mondo di individui
senza palle.


Dagli intestini alle palle uit: Ultimatum, 2002
Copyright vertaling © Sven Staelens en Valeria Gallucci
Meer vertalingen van Nigi zijn te vinden op Estro Poetico

Zoeken

Colofon

Onder redactie van Chrétien Breukers en Ton van 't Hof. Vaste medewerkers: Fa Claes en Kees Klok. Reacties onder eigen naam of dichterspseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Brakke Verslog

Elders

Google Nieuws

Pagina's

Adverteren?

De Contrabas wordt meer dan 40.000 keer per maand bekeken. Wilt u ook tegen gunstige tarieven adverteren? Neem dan contact met ons op >> email

FeedCount

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005