Theodósis Nikoláou
Theodósis Nikoláou (1930-2004) werd geboren in Paphos. Hij studeerde af in Griekse taal- en letterkunde aan de universiteit van Athene en in de pedagogiek aan de universiteit van Londen. Hij was docent en later rector aan het gymnasium van Famagusta. Hij publiceerde essays en drie dichtbundels. Hij liet een klein maar buitengewoon interessant oeuvre achter, dat hem een belangrijke plaats toekent in de Griekse literatuur. Eerder verschenen gedichten van hem in een vertaling van Hero Hokwerda in de bloemlezing van Cypriotische literatuur Wij wonen in een taal (Brugge 2004). Drie van de hieronder opgenomen gedichten (5, Schilderijententoonstelling en Speelgoed) werden gepubliceerd in het winternummer 2006 van De tweede ronde. (Kees Klok)
5
De zee roept aanhoudend in de nacht
En terwijl haar roep schuimende golven opwekt
Doordringt hij het gehoor en wekt
Oeroude herinneringen die sluimeren in haar diepte
En diep in de ziel van de bewoners.
Het schip ligt gereed voor de grote reis.
De mannen aan de riemen en zeilen
Op de voorplecht om de koers te wijzen
Een meisje met loshangend haar
Dat golft op de wind
Die zelfs wanneer hij gaat liggen
Door haar haren blijft spelen.
Haar ontblote borsten splijten onweer en mist
Haar ogen overdag noch ’s nachts
Door slaap overmand
Wijd open om de richting te vinden.
En de reis gaat tot nu toe voort
Tussen de klippen en
De duistere geheimzinnige wegen van de sterren.
Maar niemand echter kent het geheim
Ons schip heeft geen anker aan boord.
Uit: To Spíti, Athene 2002
Schilderijententoonstelling
De bezoekers lopen door de zaal;
Ze bekijken de schilderijen aan de muren,
Praten en geven commentaar.
'De vakman dient leven aan zijn visioenen te geven;
De afkeer van de dood is helemaal afwezig in het kunstwerk.
Wat moeten de vogels, de bomen, al deze idyllische
landschappen
Wanneer rauw geweld voorbijtrekt en ons vertrapt?'
Maar als de suppoost ’s avonds het licht uitdoet
En de deur vergrendelt
Openen de vogels hun snavels
En klinkt er gejammer door de lege zaal
Alsof ze samen een klaagzang aanheffen voor Adrianopel
En zelfs de wind die ’s nachts opsteekt
Slaat deze zaal niet over. Hij waait
Er doorheen en beweegt de boombladeren op de doeken.
Tussen de vier wanden is een zucht te horen
Als het klaaglied van Hecabe
Toen zij samen met de andere Trojanen
Hun kinderen zochten in het geplunderde Troje.
Het lijkt alsof niet het wat van belang is, maar het hoe.
Uit: Eikónes, Lefkosía 1988
Warme dag in de winter
Alle kleuren zijn mooi
En alle kleuren zijn puur.
De seizoenen wisselen en exposeren
De schilderijen van de aarde
Gemaakt met bloemen.
Het zwarte oog van de klaproos
Tussen de rode sluiers van zijn bewakers
De zee van aren
Die zich midden in de zomer
In gele golven ontvouwt.
En die andere, die andere zee, die grote,
Met het wit en het blauwste van het blauw
Tot de bronzen roep van het
Blad van de johannesbroodboom
Dat een mensenhoofd verkoeling geeft.
De regenboog neemt hun ordening
op zich nadat ze
door de regen zijn gewassen.
Maar de gevoeligheid voor wit
Komt niet voort uit het witte
Van de vleugels en gewaden van engelen
Ooit zaten we aan Albions rivier
Waar we huilden noch lachten,
Ook werd ons niets gevraagd en gaven wij geen antwoord.
Het water van de rivier stroomt
Maar in onze ogen lijkt het een grijze onbeweeglijkheid.
Het bewegen begrijp je slechts
Uit de zeilen van de schepen die voorbij gaan
Of als een lichaam wordt meegesleurd
En je bedenkt dat dat lichaam
Jouw lichaam zou kunnen zijn.
En daar waar zich niets bevindt
Behalve een woestijn
Daar ben jij alleen en naakt,
Waar de vier winden razend strijden
Terwijl ze op hun vleugels de vorst dragen,
Weerklinkt een
Vriendelijke, geliefde, bekende
Stem.
'Je ogen zien nog steeds de modder,
Maar de rivier van medelijden rondom je zie je niet
En ook de regen van liefde zie je niet.
Neem mijn kleding en verberg je naaktheid.'
Toen ontrolden zich vanuit de hemel
Enorme witte kleren, die zich weer opvouwden –
Ze bedekten de aarde met sneeuw.
De sneeuw reikte naar de bomen
Reikte naar je hart
Dat wordt verwarmd door de gloed van de liefde.
Duizenden witte vlinders beklimmen
De roestige takken van de amandelboom.
Duizenden bloemen, wit als sneeuw
Schieten op uit onze roestige ziel.
Hier in het dodenrijk gaat het leven op zijn paasbest gekleed.
En het visioen van de bloeiende amandelboom
Brengen de winter en je geest tot rust.
Uit: Eikónes, Lefkosía 1988
Speelgoed
Dit vrolijke mannetje met de rode muts
De groene armen en de groene benen
Met zijn mooie kleurrijke kleren
Zal nooit meer zijn lichaam krampachtig bewegen
Hoe je ook aan het touwtje trekt.
Hij kon het noodlot niet vermijden.
Het lot van speelgoed is te slijten en te verdwijnen.
Hoe weinig speelgoed overleeft en op wat voor manier!
Een houten paard met drie benen
Een wiel van een trein
Een pop zonder haar en ogen.
Heel de wereld van dit leven in een miniatuur
Verbleekt, geamputeerd, schipbreuk geleden.
Het lot van speelgoed is ook dat het niet gerepareerd wordt.
Als je de arm maakt breek je al snel het been
Je herstelt de schoorsteen van een schip
En scheurt de kiel.
Iets nieuws kopen is een grote fout.
Het nieuwe voorwerp staat er als een indringer
Je verwacht dat hij elk ogenblik vertrekt
Maar hij gaat niet en er is geen hoop dat je hem leert kennen
Een oude herinnering komt ertussen
Een gruwelijke wond door een geslepen mes.
Uit: Pepragména, Lefkosia 1980
Voorbijgaan
Er is geen plek om te blijven staan
Onze huizen ingestort,
Onze bomen omgevallen, een stapel puin.
Er is geen ruimte voor ons om te dromen
Het zaaien van dromen vooronderstelt een stuk hemel.
Maar de hemel is neergestort, zijn plaats
Is ingenomen door zwarte rook.
De sterren die ook zijn neergekomen roesten verzonken
In de aarde.
We wisten natuurlijk wel dat het leven vaak
Een verwarde kluwen is
Waarmee je jaren worstelt om het begin te vinden
Zonder succes want de knopen
Raken bij elke poging meer verstrikt.
In die tijd was de hemel een spinnewiel
En werd de draad regelmatig opgewonden.
Maar waar is de hemel nu?
Dit landschap wordt echter door de herinnering bewaakt;
In een andere tijd moet ik er gewoond hebben.
Ik herinner mij de zwarte wolk
Die boven het verbrijzelde lichaam hing
Van onze stad die geen stad meer was
Maar stenen, dakpannen en ander ordeloos bouwmateriaal.
Zoals in het theater het decor verandert
Als het oude doek door de lier wordt opgetrokken
En het nieuwe naar beneden komt,
Zo zag ik de wolk door de wind gegrepen worden en wegdrijven
En de puinhopen veranderen in een tuin
Die wordt verzorgd door de koelte van de morgen
Terwijl ’s nachts de maan neerdaalt
En hem met overvloedig zilver bewerkt.
Ik bedenk vaak
Dat al deze zaden jarenlang
Onder de dromen en voetstappen van de mens
Op niets anders wachten dan het hoornsignaal van hun eigen zon
En het uur van hun eigen tijd
Voor deze onverklaarbare mystieke bloei.
Uit: Pepragména, Lefkosia 1980
Theodósis Nikoláou
Vertaling: Stella Timonídou & Kees Klok
Foto: Stella Timonídou










Laatste reacties