Dichters M

3-6-07

Sophia de Mello Breyner Andresen

Sofia_mello_breynerlusa Sophia de Mello Breyner Andresen (1919) werd geboren in Porto, maar kwam als studente naar Lissabon, waar zij altijd is blijven wonen. Zij wordt gezien als de grand old lady van de Portugese dichtkunst en beschouwd als een van de belangrijkste dichteressen van het land. Zoals de vertaler opmerkte in het internationale poëzienummer van Kruispunt, waaruit de vertalingen afkomstig zijn: 'Uit haar werk spreekt een groot gevoel voor harmonie, ritme en schoonheid...' Zij publiceerde tot op heden dertien dichtbundels. Meer informatie over haar is te vinden op Poetry International Web. De vertalingen zijn van de hand van Jef van Egmond. (Kees Klok)


Het Kleine Plein

Mijn leven was het kleine plein geworden
In die herfst, toen de dood jou met zorg voorbereidde
Ik klampte mij vast aan het plein, omdat jij hield
Van de kleine nostalgische menselijkheid van de winkeltjes
Waar de winkeliers linnen banen en doeken op- en uitrolden
Ik probeerde jou te zijn, omdat jij zou gaan sterven
En zo werd het leven daar niet meer van mijzelf
Ik probeerde te glimlachen zoals jij had geglimlacht
Tegen de krantenman en de tabaksverkoper
En tegen de vrouw zonder benen die viooltjes verkocht
Ik vroeg de vrouw zonder benen om voor jou te bidden
Op alle altaren in de kerken op de hoek van dat plein brandde ik kaarsen
En als ik dan mijn ogen opendeed las ik, gegrift op je gezicht, de roep der eeuwigheid
Ik smeekte de straten, de plekken, de mensen
Die getuige waren geweest van jouw gezicht
Om je naam te roepen en zo het web te breken
Waarmee de dood je aan het omwikkelen was.


A Pequena Praça

A minha vida tinha tomado a forma da pequena praça
Naquele outono em que a tua morte se organizava meticulosamente
Eu agarrava-me à praça porque tu amavas
A humanidade humilde e nostálgica das pequenas lojas
Onde os caixeiros dobram e desdobram fitas e fazendas
Eu procurava tornar-me tu porque tu ias morrer
E a vida toda deixava ali de ser a minha
Eu procurava sorrir como tu sorrias
Ao vendedor de jornais ao vendedor de tabaco
E à mulher sem pernas que vendia violetas
Eu pedia à mulher sem pernas que rezasse por ti
Eu acendia velas em todos os altares
Das igrejas que ficam no canto desta praça
Pois mal abri os olhos e vi foi para ler
A vocaçãdo eterno escrita no teu rosto
Eu convocava as ruas os lugares as gentes
Que foram as testemunhas do teu rosto
Para que eles te chamassem para que eles desfizessem
O tecido que a morte entrelaçava em ti.


Het Paradijs

Een etnoloog zegt hen te hebben ontdekt
Na een lange zoektocht, tussen wouden en rivieren
Een ronddolende indianenstam
Uitgeput, afgemat, halfdood
Want ze waren al jarenlang op pad geweest
Doorkruisten bossen, woestijnen en boerenvelden
Klommen bergen en heuvels op en af
Doorwaadden rivier na rivier
Op zoek naar het Paradijs
En, net zoals de revolutionairen van mijn eigen tijd:
niets hebben ze gevonden.


O Pais sem Mal

Um etnólogo diz ter encontrado
Entre selvas e rios depois de longa busca
Uma tribo de índios errantes
Exaustos exauridos semi-mortos
Pois tinham partido desde há longos anos
Percorrendo florestas desertos e campinas
Subindo e descendo montanhas e colinas.
Atravessando rios
Em busca do país sem mal
Como os revolucionários do meu tempo
Nada tinham encontrado.


Sophia de Mello Breyner Andresen
Vertaling: Jef van Egmond

15-4-07

Jamie McKendrick

Jamie McKendrick Jamie McKendrick (1955) werd geboren in Liverpool. Hij studeerde Engelse letterkunde aan de universiteit van Nottingham. McKendrick publiceerde tot op heden vijf dichtbundels. Voor The Marble Fly (1997) kreeg hij de Forward Poetry Prize for Best Collection. Ink Stone (2003) werd zowel voor de T.S. Eliot Prize als voor de Whitbread Poetry Award genomineerd. Hij heeft aan verschillende universiteiten binnen en buiten Groot-Brittannië gedoceerd en woont momenteel in Oxford, waar hij verbonden is aan het Hertford College. Naast zijn werk als dichter en docent vertaalt hij poëzie uit het Italiaans. In 1999 verscheen een selectie uit zijn werk, vertaald door Ko Kooman, in een tweetalige uitgave bij Wagner & Van Santen, onder de titel Een versteende dierentuin. De hier gepubliceerde gedichten zijn uit deze uitgave gekozen. (Kees Klok)


Een versteende dierentuin

De hartstocht van de eerste fossielenjagers
maakte die expedities tot een feest –
ik hunkerde als een beeldhouwer naar de klank van de beitel,
vorm bevrijd uit zijn occulte windsels.

Carrara's alpen van marmer haalden het niet bij
de kalksteengroeven van Wenlock Edge
qua mogelijke buit. Als nietige jutters in het zog
van de enorme graafmachines plunderden wij
de grafkamers van het Siluur,

bestormden wij de vroege levensvormen in hun laatste veste
en laadden wij er de kofferbak van je Corsair mee vol: de wimpel
van een wuivende varen, trilobieten die nergens
snel heenzwemmen in een vaste oceaan, gekliefd en verpulverd

door de bulk-excavateurs. Eens stootte ik
op een ammoniet als de gekrulde hoorn van een reuzenram
zo diep in het gesteente ingebed dat mijn beitel
niet meer vermocht dan een mussensnaveltje.

Niemand geloofde mijn gespreide armen. De volgende dag
was zijn rustplaats weggeschraapt en afgevoerd
- mijn droomvondst zou tot caustisch stof vermalen worden
en dan gewogen op het kalkbord van een stukadoor.


A pertrified Zoo

The passion of the early fossil-hunters
lit up those expeditions - I was avid
as a sculptor for the clink of the cold chisel,
form freed from its occult swaddling.

Carrara's alps of marble could not match
the limestone quarries near Wenlock Edge
for sheer potential. Dwarfed combers in the wake
of the great earth-movers, we would raid
the burial-chambers of the Silurian Age,

besiege life's early types in their last fastness
and load your Corsair's boot with them: the pennant
of a fern waving, trilobites swimming nowhere
fast in a solid ocean, sectioned and blasted

by the bulk excavators. once I chanced
on an ammonite like a giant rarn's curled horn
so deeply bedded in the rock my chisel
made no more impact than a sparrow's beak.

No one believed my outflung arms. Next day
its resting-place had been sheared and carted off
- my dream-find would be ground to caustic dust
then weighed on the scale of a plasterer's hawk.


Heimwee

Ik ontwaakte badend in het zweet en vol heimwee
naar ik wist niet waar, een gevoel
afgetrapt en oubollig als duiten of ellen.

Toen herinnerde ik mij de kamer van de sirocco
in een Siciliaans paleis gemaakt van roze vulkanische suiker.
Er hing een geur van boenwas en pistache.

Twee meisjes maakten ons huwelijksbed op,
streken het witte linnen glad met hun donkere handen.
Jij zou zijn blijven vitten op hun werk

als ik niet tussenbeide was gekomen, zodat je je tegen mij keerde
en zei Hun voorouders waren knollendokters
ten tijde van de Bourbons
- een oude vijandschap dus,

en dwingender nog dan genot.
Hoe uit die raamloze kamer te komen,
waarvan geen enkele muur aan de buitenlucht grensde

was het enige waaraan ik nog denken kon.
Je stem achtervolgde mij langs de marmeren trap omlaag:
Denk maar niet dat jij ooit nog een thuis zult vinden!


Nostalgia

I woke drenched in sweat and homesick
for nowhere I could think of, a feeling
scuffed and quaint as farthings or furlongs.

Then I remembered the room of the sirocco
in a Sicilian palace made of pink volcanic sugar.
There was a scent of waxed oak and pistachios.

Two maids were making up our nuptial bed,
smoothing the white linen with their dark hands.
You'd never have finished finding fault with their work

if I hadn't intervened, so that you turned on me
saying Their family were turnip doctors
at the time o the Bourbons
~ an old enmity then,

and more imperious even than pleasure.
How to get out of that windowless room,
with not one of its walls adjoining the air

was all I could think of, from that point on.
Your voice pursued me down the marbile stairway:
Don’t think you'll ever find a home again!


Il Capitano

Hij heeft een donker schuurtje bij de strandhutjes en de botenhuizen
dat ruikt naar diesel en vochtige wol;
op de deur zit een vergeeld briefje
in een vreemde hand, of een vreemde taal als het babbelen
van golven op kiezelstenen, cursieven van gebroken schelp.

Gebonden in zijn vistuig en zijn netten, draagt hij een drietand
waarmee hij op de grond tikt bij het onvermoeibare heen-en-weergeloop
dat hem altijd in het zicht van de zee houdt
waar de stekelige rotsen de golven zeven en lozen
als het water dat ontdaan van krill van walvistanden druipt.

In het dorp vertelt men dat hij, lang geleden,
de kapitein was van een schip dat mijlen uit de kust verging
en dagen rondgedreven had op een stuk dek.
Sinds hij gered werd leeft hij als de laatste mens op aarde
in deze badplaats waar het gonst van de toeristen en de Vespas.

Hij is hier aangespoeld zoals wij allemaal
door zaad, getij, handwerk of lot maar leeft duidelijk,
onwetend van gebruiken, onder een andere hemel
- de sterren dringend en leesbaar; de mijlen van zwart zout
die donderend stukslaan in de kleine baaien, zijn intieme plattegrond.

Men zegt dat hij soms een schip in het oog krijgt
ver aan de einder en schuimbekt in een sublieme
paniek van herkenning. Dan laat hij zijn stok vallen
en stampt hij door de golven als een woedend kind
tot de vissers hem met zachte hand weer terughalen.


Il Capitano

He keeps a dark shed by the beachhuts and boathouses
smelling of diesel and damp wool;
there's a yellowed notice tacked to the door
in a strange hand, or a strange tongue like the babble
of waves on pebbles, cursives of broken shell.

Bound in his nets and tackle, he carries a trident
to tap the ground in the tireless pacing
that keeps him always in sight of the sea
where the spiny rocks sift back the waves
like krill-less drizzle from the teeth of whales.

The villagers tell how once, years back,
he commanded a vessel wrecked miles out
and drifted days on a fragment of deck.
Ever since his rescue he's lived like the last man alive
in this coast resort buzzing with tourists and Vespas.

He was washed up here like the rest of us
by seed, tide, trade or fate but clearly lives,
oblivious of custom, under a different sky
- the stars urgent and legible; the miles of black salt
crashing into coves, his intimate blueprint.

It's said tha't sometimes he sights a ship
far out in the blue and foams with an exquisite
panic of recognition. Dropping his stick
he thrashes through the waves like a fierce child
till the fishermen gently drag him back again.


Onder de vulkaan

Tussen het Duivelsviaduct en de diepe blauwe zee,
elk donker plekje of hoekje is geschikt,
komen ze samen voor de riten van de jeugd
- een oplosbare nectar die van nergens komt,
als een boot in de haven.

Incendi dolosi. Een bronzen schijnsel verstoort
de nachtelijke hemel waar de helling
zichzelf verteert. Zij die
schadevergoeding willen binden
een brandende tak aan de poot van een gevangen vogel

zodat waar de vogel in doodsangst neerstrijkt
het vuur zich verspreidt. Geen mens
die iets gezien heeft zoals wanneer de camorra
met een brandbom een disco of kroeg in de as legt.
Je voelt de zwavel onder de aardkorst.

De rouwstoet volgt de jongen
die ze in het Park van de Lente hebben gevonden,
een injectiespuit koesterend in zijn onderarm.
Tussen het viaduct en de strandboulevard
vertrap je de brosse bloemen.

(Incendi dolosi: brandstichting)


Under the Volcano

Between the Devil's Viaduct and the deep blue sea,
any darkened patch or nook will do,
they gather for the rites of youth
- a soluble nectar that arrives
from nowhere, like a boat in the port.

Incendi dolosi. A bronze light worries
the night sky where the hiliside
consumes itself. Those
wanting compensation tie
a burning brand to a trapped bird's foot

so where the bird alights in terror
flames spread. No one's
the wiser as when the camorra
firebomb a discotheque or bar.
You sense the sulphur under the earth's crust.

The cortège follows the boy
they found in the Park of Springtime,
his forearm dandling a syringe.
Between the viaduct and the seafront
you crush the brittle flowers underfoot.


Oude Geschiedenis

Het jaar begon met onheilspellende voortekenen:
kometen, verduisteringen, aardbevingen, bosbranden,
de golven lusteloos onder een laag teer
zo lang als de kustlijn. En er had een koe gesproken,
wat vorig jaar ook was gebeurd, alleen geloofde
niemand vorig jaar dat koeien spraken. Maar het werd nog erger.
Het regende bloederige klompen vlees
die zwermen meeuwen in de vlucht opvingen
en wat ze misten viel op de grond
waar het dagen bleef liggen zonder te rotten.
Toen velde een storm een heel steeneikenwoud
en pikten kauwen de ogen van schapen uit.
De priesters die de Sibyllijnse boeken duidden
vertelden van gehelmde vreemdelingen
die de kruispunten en hoge plaatsen van de stad bezetten.
Er zou waarschijnlijk bloed gaan vloeien. Vermijd,
vermaanden zij, kliekvorming en intern geruzie. De tribunen
beweerden dat dit het gebruikelijke smoesje was,
van stal gehaald om de nieuwe wet te traineren
die binnenkort in stemming kwam. Wat het geweld beteugelde
was slechts geloof in een gerucht dat de stammen
in het oosten zich hadden verenigd en wapens
smeedden, dodelijker dan de wereld ooit had gezien
en dat nu al de hoefslag van hun verkenners
gehoord was in de zuidelijke heuvels.
Het jaar eindigde vol angst voor oorlog.
Het jaar daarop begon met onheilspellende voortekenen.


Ancient History

The year began with baleful auguries:
comets, eclipses, tremors, forest fires,
the waves lethargie under a coat of pitch
the length of the coastline. And a cow spoke,
which happened last year too, although last year
no one believed cows spoke. Worse was to come.
There was a bloody rain of lumps of meat
which flocks of gulls snatched in mid-air
while what they missed fell to the ground
where it lay for days without festering.
Then a wind tore up a forest of holm-oaks
and jackdaws pecked the eyes from sheep.
Officials construing the Sibylline books
told of helmeted aliens occupying
the crossroads, and high places of the city.
Blood might be shed. Avoid, they warned,
factions and in-fights. The tribunes claimed
this was the usual con-trick
trumped up to stonewall the new law
about to be passed. Violence was only curbed
by belief in a rumour that the tribes
to the east had joined forces and forged
weapons deadlier than the world has seen
and that even then the hooves of their scouts
had been heard in the southern hills.
The year ended fraught with the fear of war.
Next year began with baleful auguries.

© Jamie McKendrick
© vertaling Ko Kooman

7-1-07

Mario Meléndez

Mario Melendez Mario Meléndez werd in 1971 te Linares (Chili) geboren. Hij studeerde journalistiek aan de Universidad La República van Santiago. Van zijn werken zijn vooral bekend Autocultura y juicio (met een inleiding door Roque Esteban Scarpa, Premio Nacional de Literatura) en Apuntes para una leyenda en Vuelo subterráneo. Gedichten van hem verschenen in Latijns-Amerikaanse literaire tijdschriften en in bloemlezingen in binnen- en buitenland. Hij werd uitgenodigd voor talrijke literaire ontmoetingen waaronder vooral van belang de bijeenkomsten van Latijns-Amerikaanse dichters, georganiseerd door de 'Sociedad de Escritores de Chile' (Sech), Santiago, in 2001 en 2002, en de eerste internationale bijeenkomst van 'Amnistía y Solidaridad con el Pueblo', Rome 2003. Bij die gelegenheid werd hij benoemd tot erelid van de 'Academia de la Cultura Europea'. Begin 2005 werd zijn werk gepubliceerd in de gerenommeerde tijdschriften Other Voices Poetry en Literati Magazine. In dat jaar ook kreeg hij de prijs 'Harvest International', toegekend door de University of California Polytechnic USA, voor het beste gedicht. Werk van hem werd vertaald in het Italiaans, Engels, Frans, Portugees, Roemeens, Perzisch en Catalaans. Momenteel werkt hij mee aan het project Fiestas del Libro Itinerante. (Fa Claes)


ONVOLTOOIDE PEDAGOGIEK

Het kind vraagt aan de vader
of de woorden ouder worden
De vader antwoordt zijn zoon
dat de woorden zo jong blijven
als op de eerste dag
Het kind loopt naar zijn grootvader
om hem het goede nieuws te brengen
En de oude opent meteen
de doos met de woorden
dat deze hem hun geheim vertellen


PEDAGOGÍA INCONCLUSA

El niño le pregunta al padre
si las palabras envejecen
El padre le responde al hijo
que las palabras siguen tan jóvenes
como en el primer día
El niño corre donde el abuelo
para llevarle la buena nueva
Y el viejo abre de golpe
el cajón de las palabras
para que estas le cuenten el secreto


© Mario Meléndez
© vertaling Fa Claes

Mario Meléndez

DE NIEUWSBRENGER

Hij nam de woorden mee uit wandelen
en de woorden beten de kinderen
en de kinderen vertelden het hun vaders
en de vaders laadden hun pistolen
en openden het vuur op de woorden
en de woorden zuchtten, huilden
likten traag hun blinde wonden
tot ze tenslotte voorover vielen
op de bebloede grond
En de dood kwam toen
met zijn beste pak aan
en stopte bij het huis van de dichter
om hem met wanhopige kreten te roepen
en de dichter opende de deur
zonder te vermoeden waarover het ging
en zag de dood aan zijn schaduw hangen
en in tranen
"Vergezel mij", zij hij
"want vandaag zijn we in de rouw"
"En wie is gestorven", vroeg de dichter
"Wel, jij", antwoordde de dood
en strekte zijn armen naar hem uit
om hem zijn deelneming te betuigen


LA PORTADORA

Ella sacó a pasear las palabras
y las palabras mordieron a los niños
y los niños le contaron a sus padres
y los padres cargaron sus pistolas
y abrieron fuego sobre las palabras
y las palabras gimieron, aullaron
lamieron lentamente sus ciegas heridas
hasta que al fin cayeron de bruces
sobre la tierra desangrada
Y vino la muerte entonces
vestida con su mejor atuendo
y detúvose en la casa del poeta
para llamarlo con gritos desesperados
y abrió la puerta el poeta
sin sospechar de qué se trataba
y vio a la muerte colgada de su sombra
y sollozando
"Acompáñame", le dijo aquélla
"porque hoy estamos de duelo"
"Y quién ha muerto", preguntó el poeta
"Pues tú", respondió la muerte
y le extendió los brazos
para darle el pésame


© Mario Meléndez
© vertaling Fa Claes

Mario Meléndez

LITTEKENS UIT DE OORLOG

Soms
als ik me bedrink
brengen de woorden me naar huis
in een oude houten driewieler
En ver van me mijn schoenen uit te trekken
en me in bed te leggen
zoals dat gebeurt in zulke gevallen
laten ze me in de tuin liggen
vol mieren
en met mijn gezicht vlak bij
het schijnsel van de verlichting
"Dat overkomt je voor het schrijven van slechte gedichten"
zeggen ze me
en ze gaan er zingend en lachend vandoor
met hun armen rond
mijn laatste glas bier


CICATRICES DE GUERRA

A veces
cuando me emborracho
las palabras me traen a casa
en un viejo triciclo de madera
Y lejos de quitarme los zapatos
y acostarme
como ocurre en estos casos
me dejan tirado en el jardín
lleno de hormigas
y con la cara pegada
al foco del alumbrado
"Eso te pasa por escribir malos poemas"
me dicen
y se marchan cantando y riendo
abrazadas
a mi última cerveza


© Mario Meléndez
© vertaling Fa Claes

Mario Meléndez

MET LEVENSGEVAAR

Op een morgen kwam ik uit mijn graf en riep
"Nu schrijf ik nooit nog een enkele letter"
en de woorden sprongen op van hun stoel
om te protesteren tegen wat zij onrechtvaardig vonden
Toen ze zagen dat ze geen antwoord kregen
vergaderden ze urenlang in het geheim
om tenslotte te besluiten mij de oorlog te verklaren
Als eerste stap namen ze mijn huis in
deden mijn kamer en mijn meubels op slot
maakten zich van mijn speeltjes meester
van mijn boeken, van mijn papieren
krasten op de muren dat ze mij van lafheid betichtten
en ondertekenden een lange lijst
om mij uit de vakbond te zetten
Toen ze zagen dat ze ook dan geen antwoord kregen
besloten ze een honger- en dorststaking te houden
en verwittigden mij dat ze
tot de uiterste implicaties zouden gaan
natuurlijk niet zonder mij eerst
enkele wollen dekens te vragen
om zich tegen de kou en de wind te beschermen
en de oude draaitafel van mijn vader
om hun uitverkoren melodietjes te beluisteren
Ondertussen amuseerde ik me uitermate
met de kwajongensstreken van de Roze Panter
en dronk bier en rookte aan één stuk door
achterovergeleund op de comfortabelste bank van de planeet
Maar nu en dan keek ik even naar
mijn geliefde reisgezellen
en hoorde ze zachtjes praten
ik hoorde ze wenen en lachen onder elkaar
herinneringen ophalen aan verre plaatsen, verre voorwerpen
herinneringen ophalen aan verre gezichten
een vrouw, een zoen, een blik
een glimlach die voor altijd doofde
Toen weende en lachte ik ook
en begon opnieuw te wenen
en wou met hen gaan samenwonen
door ze enkele uitvluchten aan te voeren
en een of andere versnapering
Grote vergissing
die rotjong scholden mij uit voor alles en nog wat
Enkele dagen later probeerde ik mijn geluk opnieuw
ik sprak ze over mijn leven
over mijn twijfels, mijn angsten
over mijn obsessie om mij op andere dingen toe te leggen
om er de brui aan te geven, tenslotte
Toen kwamen de oudste
de meest gebruikte, de meest geschreven woorden
degene die mijn zaak door dik en dun verdedigden
op mijn knieën zitten
en met luide stem, bijna onder tranen
begonnen ze naar alle kanten mijn gedichten te zeggen
En daar bleef ik in stilte naar dat geroezemoes zitten luisteren
dat geluid van bladeren dat nooit de aarde raakte
Daar bleef ik in stilte zitten en voor het eerst zag ik mij
in deze naakte verzen, in deze hongerige verzen
in de gepubliceerde, in de niet gepubliceerde, de onvolledige
degene die ik mij niet herinnerde of niet wou herinneren
Daar zag ik mij voor het eerst
toen zij mij in de ogen keken
en mij hun vleugels toonden om over de wereld te vliegen


BAJO AMENAZA DE VIDA

Una mañana salí de mi tumba y grité
"No escribiré otra línea jamás"
y las palabras saltaron de sus asientos
a protestar por lo que ellas creían injusto
Viendo que no obtenían respuesta
se juntaron en secreto durante largas horas
resolviendo por fin declararme la guerra
Como primera medida se tomaron mi casa
echaron llave a mi pieza y a mis muebles
se apoderaron de mis juguetes
mis libros, mis papeles
rayaron las murallas acusándome de cobarde
y firmaron una larga lista
para expulsarme del gremio
Viendo que tampoco obtenían respuesta
acordaron una huelga de hambre y de sed
y me advirtieron que sería
hasta las últimas consecuencias
no sin antes, por supuesto
pedirme algunas frazadas
para cubrirse del frío y del viento
y el antiguo tocadiscos de mi padre
para escuchar sus temas preferidos
Yo mientras tanto me divertía a más no poder
con las travesuras de la Pantera Rosa
y bebía cerveza y fumaba a destajo
recostado sobre el sofá más cómodo del planeta
Pero de vez en cuando echaba un vistazo
a mis queridas compañeras de ruta
y las oía hablar en voz baja
las oía llorar y reír entre ellas
recordar lejanos lugares, lejanos objetos
recordar algunos rostros
una mujer, un beso, una mirada
una sonrisa que se apagó para siempre
Entonces yo también lloré y reí
y volví a llorar
y quise amigarme con ellas
llevándoles algunas disculpas
y uno que otro refrigerio
Grave error
las malditas me dijeron de todo
Probé suerte de nuevo unos días más tarde
les hablé sobre mi vida
sobre mis dudas, mis temores
sobre la fija idea de dedicarme a otra cosa
en fin, de arrojar la toalla
Entonces las palabras más viejas
las más usadas, las más escritas
aquéllas que abrazaron mi causa a ojos cerrados
se sentaron en mis rodillas
y en voz alta, casi entre lágrimas
comenzaron a decir mis poemas a los cuatro vientos
Y allí me quedé en silencio escuchando aquel murmullo
aquel sonido de hojas que jamás tocó la tierra
Allí me quedé en silencio y me vi por primera vez
en esos versos desnudos, en esos versos hambrientos
en los publicados, los inéditos, los incompletos
los que ya no recordaba o no quería recordar
Allí me vi por primera vez
cuando ellos me miraron a los ojos
y me mostraron sus alas para volar por el mundo


© Mario Meléndez
© vertaling Fa Claes

Mario Meléndez

AANTEKENINGEN VOOR EEN LEGENDE

Een vrouw staat stil op een brug
die nooit bestond

Haar huid die nooit werd gekust
drijft op het water van de tijd
als een herinnering zonder gezicht

Een brief die nooit werd gelezen
vecht om de oever te bereiken
zodat iemand hem vindt

Een man die nooit heeft gelezen
die niet kan lezen
die nooit heeft geleerd
vindt de kaart en het lichaam
onder die brug

De man weent van onmacht
terwijl de brief tussen zijn
vingers stukgaat

De rivier die vol tranen zit
ontfermt zich over die man
en onthult hem het geheim van die brief

En gek van liefde brengt de man
zijn nachten en waanvoorstellingen samen
om van die brug te springen
die nooit bestond


APUNTES PARA UNA LEYENDA

Una mujer está parada sobre un puente
que no existió jamás

Su piel que jamás fue besada
flota sobre las aguas del tiempo
como un recuerdo sin rostro

Una carta que jamás fue leída
lucha por alcanzar la orilla
para que alguien la descubra

Un hombre que jamás ha leído
que no sabe leer
que no aprendió jamás
halla la carta y el cuerpo
debajo de ese puente

El hombre llora de impotencia
mientras la carta se deshace
entre sus dedos

El río que está lleno de lágrimas
se apiada de aquel hombre
y le revela el secreto de esa carta

Y el hombre loco de amor
junta sus noches y delirios
para arrojarse de ese puente
que no existió jamás


© Mario Meléndez
© vertaling Fa Claes

Mario Meléndez

HET RECEPT OF HET BEGIN VAN DE POËZIE

Een druppel liefde
voor elke vijf verzen
Drie eetlepels beroep
voor elke dag van het jaar
Een kwart inspiratie
en evenveel waanzin
Een achtste lach
op smaak gebracht met ironie
Een halve kop herinneringen
en vier vol realiteit
Twee liter
instanttranen
Een dozijn emoties
Honderd gram fantasie
of redelijkheid naar keuze
Voeg bij dit alles uw ogen
uw handen en uw lippen
en roer het op een zacht vuur om
gedurende heel uw leven


LA RECETA O EL COMIENZO DE LA POESÍA

Una gota de amor
por cada cinco versos
Tres cucharadas de oficio
por cada día del año
Un cuarto de inspiración
y otro tanto de locura
Un octavo de risa
aliñada con ironía
Media taza de recuerdos
y cuatro de realidad
Dos litros de lágrimas
instantáneas
Una docena de emociones
Cien gramos de fantasía
o de razón a gusto
A todo esto agregue sus ojos
sus manos y sus labios
y revuelva a fuego lento
durante toda la vida


© Mario Meléndez
© vertaling Fa Claes

Mario Meléndez

IK HEB EEN DODE TE VEEL

                        Voor Pablo de Rokha

Ik heb een dode te veel
te veel
ik heb een dode te veel en ik ben het niet
die hij is
en hij komt uit de gist en uit de afgronden
ik heb een dode te veel
een dode die op mijn huid hamert
ik heb een dode te veel en ik ben het niet
want ik ben in leven en ik voorvoel hem
ik adem hem
en hij valt uit de mouw van een andere dode
en valt en doorkruist mijn hemd
en keert om
en volgt en volgt in mijn geraamte
een dode
een dode in mijn geraamte
ondergebracht voor het leven
een dode heb ik te veel en ik ben het niet
en hij huilt en roept en lacht met zijn duivels geschater
een dode
een geheiligde dode
een dode in het gejammer van de doodsangst
een dode gemorst in mijn keel en in mijn dorst
met zijn as van olifant
in de azijn
in de dressing van jaren
een dode die op de ruiten krast
tussen horzels
en mieren
en hongerige wormen
een dode die zijn woorden aan het uitscheiden is
of in de som der verlangens of in geen enkele
of in de rots uit de rotsen
de onoverwinnelijke heet van smaak
de door de anderen doorboorde dode
onverstoorbaar onder de klap
onder de dolksteek van de vergetelheid
te veel
ik heb een dode te veel en ik ben het niet
want hij stampvoet en krabt
schrokt met zijn gebit vol grotten
tot hij uiteindelijk langs het zout van het universum schuurt


ME SOBRA UN MUERTO

                        a Pablo de Rokha

Me sobra un muerto
me sobra
me sobra un muerto y no soy yo
quién es
y viene de la levadura y de los precipicios
me sobra un muerto
un muerto martillándome la piel
me sobra un muerto y no soy yo
porque estoy vivo y lo presiento
lo respiro
y cae de la manga de otro muerto
y cae y cruza mi camisa
y da la vuelta
y sigue y sigue en mi esqueleto
un muerto
un muerto en mi esqueleto
instalado de por vida
un muerto me sobra y no soy yo
y llora y grita y ríe con su carcajada demoniaca
un muerto
un muerto sagrado
un muerto en el gemido del espanto
un muerto derramado en mi garganta y en mi sed
con su ceniza de elefante
en el vinagre
en el aliño de los años
un muerto arañando los cristales
entre tábanos
y hormigas
y gusanos hambrientos
defecando un muerto sus palabras
o en la suma de las voluntades o en ninguna
o en la roca de las rocas
trapicado el invencible
el muerto agujereado por los otros
inmutable en el zarpazo
en la estocada del olvido
me sobra
me sobra un muerto y no soy yo
porque patea y raspa
engulle con su dentadura cavernaria
hasta rozar por fin la sal del universo


© Mario Meléndez
© vertaling Fa Claes

Mario Meléndez

DE DANS VAN DE STIER

                        Voor Carlos Díaz Loyola*

Moeilijk is het je te vergeten want je vergeet geen bloed
je vergeet geen vulkaan of het mes van je mond
of je baard kapot geschuurd langs de muur der eeuwen
of de oprisping van de aarde en haar loopgraafklacht
en haar vliegenkleur en haar naamloos gif
Moeilijk de urine van de zee met haar versleten vleugels
en de doodskreet van de hemel en het oog van de bliksem
en de dood van de doden en het leven van de doden
en het tafelkleed van het oneindige met sprongen
over de borsten van het lot dat verteert, bekrast,
breekt de holten van de pubis en zijn brandende herinnering
aan elke koude nagedachtenis, aan alle vlammende gehuil
verschrikkelijk gelijk de copulatie van de ingewanden
of de hartslag van een zieke donder
verschrikkelijk in zijn pluimage van holocaust
in zijn huid van cataclysme
in zijn lenden aan stukken gescheurd door dorst en honger
op de lippen van de ander, in de beenderen van de ander
in het grote dier dat wij zijn
terwijl de pens zucht en kronkelt van de pieren
en de rimpels aangroeien en de snorren aangroeien
en ook de dood aangroeit gelijk een menigte
de dagelijkse dood die ons begeleidt, donker, akelig
misvormd in zijn legaat van scheuren, in zijn tongval van rups
in het profiel van de brandstapels en de hikken van het universum
Moeilijk is het je te vergeten in de waterval van de dromen
in de grote kust van de angst of in de wijnoogst van mijn ziel
in de scheervlucht van de letters en van de menselijke stenen
in de anatomie van het vuur en de recente mummies

Moeilijk is het je te vergeten als de vermoeidheid toeslaat
en de maan een eigenaardige gelijkenis toont met lucht
die de slagaders verstikt
en de blinden verschijnen en de blinden verschijnen
en de blinden verschijnen al zingend met je beestenstem
met je geankerde nagels, met je echo van lege trein
en met je nacht van ijzerdraad en slaapwandelend skelet
Want moeilijk kunnen we je vergeten, moeilijk
hoewel je geen geschenken brengt, hoewel je moe wordt van de wind
hoewel je kiezen het opgeven, moeilijk in het gehuil
van een oud hart of een dwangbuis, moeilijk
in de geur van het kruit van de hersenen, in het afwezige speeksel
en in de versregel die de keel werd afgesneden bij het licht van de inferno’s


*Noot van de vertaler. Carlos Díaz Loyola is als dichter beter bekend onder zijn pseudoniem Pablo de Rokha. Blijkbaar maakt Mario Meléndez een onderscheid, tenminste hij draagt aan elk van de twee een gedicht op. Dat zulks de bedoeling van de auteur is, blijkt uit het feit dat in de bundel de gedichten onmiddellijk op elkaar volgen.


LA DANZA DEL TORO

                        a Carlos Díaz Loyola

Difícilmente olvidarte porque la sangre no se olvida
no se olvida el volcán o el cuchillo de tu boca
o la barba desgarrada en el muro de los siglos
o el eructo de la tierra con su llanto de trinchera
y su color de mosca y su veneno anónimo
Difícilmente la orina del mar con sus alas marchitas
y el grito funerario del cielo y el ojo del relámpago
y la muerte de los muertos y la vida de los muertos
y el mantel del infinito a saltos
sobre los pechos del destino que devora, araña
rompe las cavidades del pubis y su recuerdo ardiente
de cada memoria fría, de cada aullido en llamas
terrible como la cópula de las entrañas
o el latido de un trueno enfermo
terrible en su plumaje de holocausto
en su piel de cataclismo
en su cintura trizada por la sed y el hambre
en los labios del otro, en los huesos del otro
en el gran animal que somos
mientras la panza gime y se retuerce de lombrices
y las arrugas crecen y los bigotes crecen
y crece también la muerte como una muchedumbre
la muerte diaria que nos acompaña, oscura, macabra
deforme en su legado de grietas, en su acento de oruga
en el perfil de las hogueras y de los hipos del universo
Difícilmente olvidarte en la cascada de los sueños
en el gran litoral del miedo o en la vendimia de mi alma
en el vuelo rasante de las letras y de las piedras humanas
en la anatomía del fuego y en las momias recientes

Difícilmente olvidarte cuando caen los bostezos
y la luna tiene un raro parecido al aire
que sofoca las arterias
y aparecen los ciegos y aparecen los ciegos
y aparecen los ciegos cantando con tu voz de bestia
con tus uñas ancladas, con tu eco de tren deshabitado
y con tu noche de alambre y de esqueleto sonámbulo
Porque difícilmente podremos olvidarte, difícilmente
aunque no traigas regalos, aunque te canses del viento
aunque se apaguen tus muelas, difícilmente en el rugido
de un viejo corazón o una camisa de fuerza, difícilmente
en el olor a pólvora de los sesos, en la saliva ausente
y en el verso degollado a la luz de los infiernos


© Mario Meléndez
© vertaling Fa Claes

Mario Meléndez

ZWARTE SYMFONIE

Eva hing haar doden uit het raam
dat de lucht de gezichten kon likken
die vol littekens zaten
Zij bewonderde die gezichten en glimlachte
terwijl de wind haar borsten vooruit duwde
tegen de wormstekige nacht
Een orgie van geuren schudde de stilte
waarin zij zichzelf begeerde
en onder zuchten en vaarwels
wiedde een blinde krekel
zijn oude violen
Niemand kwam bij Eva in de buurt
als ze haar doden de borst gaf
de cholera en de kou
betwistten elkaar haar puberteit
het orgasme maakte plaats voor ontzetting
de begeerte voor het bloed
en kleine gewelddadige schepsels
stegen uit haar buik op
en bevolkten de dageraden
met rouw en nachtmerries
Later
toen alles stil bleef
en de schaduwen eindelijk
naar hun oorsprong terugkeerden
bewaakte Eva haar doden
door ze op hun mond te kussen
en sliep naakt boven op hen
tot de volgende volle maan


SINFONÍA NEGRA

Eva colgaba sus muertos de la ventana
para que el aire lamiera los rostros
preñados de cicatrices
Ella miraba esos rostros y sonreía
mientras el viento empujaba sus senos
hacia la noche agusanada
Una orgía de aromas sacudía el silencio
donde ella se deseaba a sí misma
y entre suspiros y adioses
un grillo ciego desmalezaba
sus antiguos violines
Nadie se acercaba a Eva
cuando daba de mamar a sus muertos
la cólera y el frío
se disputaban su adolescencia
el orgasmo daba paso al horror
el deseo a la sangre
y pequeñas criaturas violentas
despegaban de su vientre
poblando los amaneceres
de luto y de pesadillas
Luego
cuando todo quedaba en calma
y las sombras por fin
regresaban a su origen
Eva guardaba sus muertos
besándolos en la boca
y dormía desnuda sobre ellos
hasta la próxima luna llena


© Mario Meléndez
© vertaling Fa Claes

Mario Meléndez

POËTICA

Een koe weidt in ons geheugen
het bloed loopt uit haar uier
door een schot is het landschap dood

De koe volhardt in haar routine
haar staart verschrikt de verveling
met een slakkengang bloeit het landschap weer op

De koe verlaat het landschap
wij gaan voort met luisteren naar het loeien
ons geheugen weidt nu
in die onmetelijke eenzaamheid

Het landschap laat ons geheugen liggen
de woorden veranderen van naam
op de witte bladzijde
blijven wij zitten wenen

De koe weidt nu in de lege ruimte
de woorden zijn op haar aangebracht
ons houdt de taal voor de gek


ARTE POÉTICA

Una vaca pasta en nuestra memoria
la sangre escapa de las ubres
el paisaje es muerto de un disparo

La vaca insiste con su rutina
su cola espanta el aburrimiento
el paisaje resucita en cámara lenta

La vaca abandona el paisaje
continuamos escuchando los mugidos
nuestra memoria pasta ahora
en esa inmensa soledad

El paisaje deja nuestra memoria
las palabras cambian de nombre
nos quedamos llorando
sobre la página en blanco

La vaca pasta ahora en el vacío
las palabras están montadas sobre ella
el lenguaje se burla de nosotros


© Mario Meléndez
© vertaling Fa Claes

Mario Meléndez

ONDERGRONDSE VLUCHT

Ik ben het voorwerp dat ik ben
en soms ook ben ik een ander en ben ver weg
waar ik in water en aarde zit
en in de echo van brandende talen
En ik slaap, ja, slaap het reusachtige avontuur
van het menselijke woord gekwetst en dronken
bloedend in de herinnering van de doden
die van binnenuit schenen te komen
en snikten toen ze zagen dat ik hun namen schreef
En nu, nu deze melodie van regen en
vochtige zon mij uit de mond loopt
ga ik overal achterover leunen en adem littekens uit
en verzamel de kruimels die mijn hart te veel heeft
en ben koud
en word midden in de rozen wakker
zonder te begrijpen wie nog leeft of liefheeft
Daarom heeft mijn navel geen leeftijd
en blijf ik hopen op de dag van de verloren zoenen
ook als mijn nagels geen trek hebben
en mijn hoofd droeviger en somberder is dan ooit
ook als mijn dromen naamloos zijn
en mijn beenderen het gemurmel
van de eeuwen niet vinden
En ik begin weer stoffelijke overschotten te spellen
en begin weer mijn schim te achtervolgen
en deze boom die in mijn handen op sterven ligt
zal ik met mij begraven
en in spiraal zullen we vliegen
zoals de tanden van enige veer
en samen zullen we sterven, zonder kist
zoals de snaren van een vergeten gitaar
en we zullen voor altijd sterven en het zal een prijs zijn
een prijs voor onze voeten en voor ons merg
een prijs voor onze glazen bloemlezing
En wormen zullen we wenen en ratten zullen we wenen
en datumloze mieren zullen we wenen en rouwende katten
en glimlachjes in vreemde ogen zullen we wenen
en zwarte bossen
waar een bloem zich de haren zal uitrukken
Omdat deze hemel mij nog niet kent
het akkoord nog niet hoort dat ik in mijn hersens meevoer
mij niet kent, en ik ben het voorwerp dat ik ben
en soms ook ben ik een ander en ben ver weg
en ik strek me uit over muren en straten
en ik bevolk sterren
en laat de maan op tafel liggen, zonder verwittiging
en bedrink me op de gezondheid van niemand
en word in het midden van kruispunten wakker
met een nachtwake van spin
en een zoen opgedragen aan elke dode
en voor elke dode een omhelzing en een grafhartslag
en voor elke dode een zucht
een brok van mijn oude hart
dat gutst gelijk een stroom van gekreun


VUELO SUBTERRÁNEO

Soy el objeto que soy
y a veces también soy otro y estoy lejos
sentado en agua y tierra
y en el eco de las lenguas ardientes
Y duermo, sí, duermo la colosal aventura
de la palabra humana acuchillada y ebria
sangrante en el recuerdo de los muertos
que parecieran venir de adentro
y sollozaran al verme escribir sus nombres
Y ahora, cuando sale de mi boca
esa tonada de lluvia y sol mojado
me recuesto por todas partes y respiro cicatrices
y recojo las migajas que le sobran a mi alma
y tengo frío
y me despierto en medio de las rosas
sin entender quien vive o ama todavía
Por eso es que mi ombligo no tiene edad
y sigo esperando el día de los besos perdidos
aún cuando mis uñas no tienen ganas
y mi cabeza está más triste y oscura que nunca
aún cuando mis sueños son anónimos
y mis huesos ya no encuentran
el murmullo de los siglos
Y vuelvo a deletrear cenizas
y vuelvo a perseguir mi sombra
y a este árbol que agoniza entre mis dedos
lo enterraré conmigo
y volaremos en espiral
como los dientes de algún resorte
y moriremos juntos, sin ataúd
como las cuerdas de una guitarra olvidada
y moriremos por siempre y será un premio
un premio a nuestros pies y a nuestra médula
un premio a nuestra antología de vidrio
Y lloraremos gusanos y lloraremos ratas
y lloraremos hormigas sin fecha y gatos de luto
y lloraremos sonrisas en los ojos ajenos
y negros bosques
donde una flor se arrancará los cabellos
Porque este cielo aún no me conoce
aún no oye el acorde que llevo en los sesos
no me conoce, y soy el objeto que soy
y a veces también soy otro y estoy lejos
y me extiendo por muros y calles
y pueblo estrellas
y dejo la luna en la mesa, sin avisar
y me emborracho a la salud de nadie
y me despierto en medio de las cruces
con una vigilia de araña
y con un beso dedicado a cada muerto
y a cada muerto un abrazo y un latido de tumba
y a cada muerto un suspiro
un trozo de mi antiguo corazón
que se derrama como un río de gemidos


© Mario Meléndez
© vertaling Fa Claes

20-12-06

José Luis García Martín

José Luis García Martín De Spaanse dichter José Luis García Martín werd in 1950 in Aldeanueva del Camino (Cáceres) geboren. Hij is professor in de literatuur aan de Universiteit van Oviedo, hoofdredacteur van het tijdschrift Clarín en poëziecriticus van El Cultural, het wekelijkse literaire supplement van het dagblad El Mundo. Hij verzamelde een eerste maal zijn poëzie in Material perecedero (1998), en een tweede maal in Mudanza (Poesía 1972-2003) (2004). Hij staat als begaafd en gedreven werker bekend. Hij heeft een groot aantal bloemlezingen, monografieën en verzamelbundels uitgegeven, zijn bibliografie is zeer uitgebreid. Bovendien verzorgde hij tekstuitgaven van gekende auteurs als Ramón de Campoamor, Juan Valera, Enrique Gómez Carrillo, Alfonso Camín en Leopoldo Alas (beter gekend onder zijn pseudoniem: Clarín). (Fa Claes)


ADOLESCENTIE

Stad bij schemerdonker,

                                    regen in mijn hart.

Vaag herinner je je
waar je ervan droomde om op een dag gelukkig te zijn,
oude bevriende schimmen,
nauwelijks bestaande lauwe lichamen
toen ze in het donker in jouw lichaam
de kiemen van tegenzin en weemoed achterlieten.

En waar zal ik heen gaan dat ik me geen vreemde voel?


ADOLESCENCIA

Ciudad anochecida,

                                    lluvia en mi corazón.

Borrosamente recuerdas,
donde soñaste ser feliz un día,
viejas sombras amigas,
tibios cuerpos apenas existentes
cuando a oscuras dejaban en tu cuerpo
semillas de desgana y de melancolía.

¿Y a dónde iré que no me sienta extraño?


© José Luis García Martín, 'Adolescencia' uit: Lección sobre la sombra (1972)
© vertaling Fa Claes

16-12-06

José Luis García Martín

LEMNOS

Met tegenzin zuilen die de middag schragen
De schemering een vogel die het niet tot vliegen brengt


LEMNOS

Con desgana columnas que sustentan la tarde
El crepúsculo un ave que no acierta a volar


© José Luis García Martín, 'Lemnos' uit: Autorretrato de desconocido (1979)
© vertaling Fa Claes

José Luis García Martín

DE INVAL VAN DE BARBAREN

Ik lette een ogenblik niet op
(muziek, een boek, wolken
die haast onmerkbaar voorbijgaan),
en nu zie ik mijn rijk
ingenomen door deze
vreemdsoortige dieren,
de jongeren.


LA INVASIÓN DE LOS BÁRBAROS

Me distrajo un momento
(una música, un libro, nubes
que imperceptibles pasan),
y ahora miro mi reino
ocupado por esos
extraños animales,
los jóvenes.


© José Luis García Martín, 'La invasión de los bárbaros' uit: El enigma de Eros (1982)
© vertaling Fa Claes

José Luis García Martín

THUISKOMST

Droevig lot dat van mij. Onder
de hemel schitterend
en wit stapt een oude man.
Van de dood ben ik toch niet bang, ik ben
de dood
. Hij loopt voort,
ouder bij iedere stap en verder weg.
Naar kinderjaren en naar ongeluk klinkt
het uurwerk op de toren. Wie
werd verbannen geboren in dit verkeerde land?

Verveeld, grijs, boers
de ogen van een hond. De
tegenzin van de slecht ruikende siësta
in de hoeken. Zal iemand zich
mijn naam herinneren?
De jaren dat ik hier verbleef, waar
zijn ze?
Het stof van de weg
in zijn keel, in zijn
ogen zonder tranen. Nooit
was ik in staat mijn hand uit
te strekken naar het leven
. In
de gloed van het plein
de doezelige frisheid
van een boom en een jongen.
Als ik ooit leefde, herinner ik het me niet.


REGRESO

Triste sino el mío. Bajo
el cielo deslumbrante
y blanco, un anciano camina.
Ya no temo la muerte, soy
la muerte
. Avanza
más distante y más viejo a cada paso.
A infancia y a desdicha suena
el reloj de la torre. ¿Quién
nació desterrado en esta mala tierra?

Aburridos, grises, pueblerinos
los ojos de algún perro. El
tedio de la siesta maloliente
en los rincones. ¿Nadie
recordará mi nombre?
Los años que aquí estuve, ¿dónde
están?
El polvo del camino
en la garganta, en los
ojos sin lágrimas. Nunca
fui capaz de alargar
mi mano hacia la vida
. En
el ardor de la plaza
el frescor soñoliento
de un árbol y un muchacho.
Si alguna vez viví, no lo recuerdo.


© José Luis García Martín, 'Regreso' uit: El enigma de Eros (1982)
© vertaling Fa Claes

José Luis García Martín

AAN EEN ONBEKENDE GOD

Geef mij altijd routinematige genoegens.
Wat één keer gebeurt, gebeurt nooit.
Het licht dat verblindt, de uitbarsting van geluk,
de overval in een bocht van de weg,
engelen, toppunten, intensiteit, vaarwels,
laat ze voor anderen, kraniger dan ik.
Geef mij herhaalde schamele genoegens,
niet een unieke diamant in mijn herinnering.
Geef me gelijkmatige dagen, niet dat tijdloze ogenblik,
verzuurd, afstandig, blauw, zonder bestaan.


A UN DIOS DESCONOCIDO

Dame siempre placeres rutinarios.
Lo que ocurre una vez, no ocurre nunca.
La luz que ciega, la explosión de dicha,
el asalto en un recodo del camino,
ángeles, cimas, intensidad, adioses,
déjalos para otros más valientes.
Dame pobres placeres repetidos,
no un único diamante en la memoria.
Dame días iguales, no este instante sin tiempo,
terco, distante, azul, inexistente.


© José Luis García Martín, 'A un dios desconocido' uit: El pasajero (1992)
© vertaling Fa Claes

José Luis García Martín

ROSA KESSLER

Nu ben ik gelukkiger. Heeft het belang?
Ik weet dat ik leefde terwijl ik je liefhad.
"Rosele, meine Rosele..." In mijn dromen
blijf ik je naam nog uitspreken,
het enige gebed dat ik niet ben vergeten.
Ik weet wel dat je nu gelukkig bent
zoals je dat nooit met me was.
Ik ben ook gelukkig. Zei ik het niet?
De plotse tochten naar het hospitaal
hielden op, het spelen met de dood
alleen om te weten of je me nog liefhad.
Alles ging voorbij, niets heeft nog enig belang.
Het spel met het leven is niet zo moeilijk
als je een paar spelregens van buiten leert.
Ik leerde ze laat, maar degelijk.
Nu ben ik gelukkig zoals ik het nooit ben geweest.
Maar laat me je een geheim bekennen:
in mijn dromen zie ik nog altijd opnieuw
hoe je blonde haar de dag verlicht.


ROSA KESSLER

Ahora soy más feliz. ¿Importa eso?
Sé que mientras te quise estuve vivo.
"Rosele, meine Rosele..." En sueños
todavía sigo pronunciando tu nombre,
la única oración que no he olvidado.
Ya sé que ahora eres dichosa
como nunca lo fuiste conmigo.
Yo también soy feliz. ¿No te lo dije?
Se acabaron los bruscos
viajes al hospital, los juegos con la muerte
sólo para saber si aún me querías.
Todo pasó, ya nada importa nada.
No es tan difícil el juego de la vida
cuando se aprenden unas pocas reglas.
Yo las aprendí tarde, pero bien.
Ahora soy feliz como nunca lo he sido.
Pero déjame confesarte un secreto:
en sueños todavía vuelvo a ver
tu rubio pelo iluminando el día.


© José Luis García Martín, 'Rosa Kessler' uit: Principios y finales (1997)
© vertaling Fa Claes

José Luis García Martín

OP DE LOER

Hoor jij zijn hijgen niet? Elke keer
hoor ik het dichterbij: alleen
met je, midden in de zomer,
tussen het roepen van de menigte,
naast het vuur in de winter
met een mooi boek,
in het kraken van de sneeuw,
in het geraas van de regen,
als ik de lampen opsteek in huis,
als de zee, als je aankomt,
als ik mijn hand uitsteek
naar de trillende rode vruchten.
Hij staat daar, op de loer,
heft zijn klauw, wacht.
Je ziet hem niet, je glimlacht,
ik glimlach eveneens.
Laat me je nog eenmaal zoenen
vooraleer zijn adem ons inhaalt.


AL ACECHO

¿No oyes sus jadeos? Cada vez
yo los oigo más cerca: solo,
contigo, en medio del verano,
entre los gritos de la multitud,
junto al fuego, en invierno,
con un hermoso libro,
en el crujido de la nieve,
en el estruendo de la lluvia,
cuando enciendo las luces de mi casa,
cuando el mar, cuando llegas,
cuando alargo la mano
hacia los rojos frutos palpitantes.
Está ahí, al acecho,
alza la zarpa, espera.
Tú no la ves, sonríes,
sonrío yo también.
Déjame que te bese una vez más
antes de que su aliento nos alcance.

© José Luis García Martín, 'Al acecho' uit: Material perecedero (1998)
© vertaling Fa Claes

José Luis García Martín

LIEFDESINTERMEZZO

Je bent in mijn leven gekomen
zonder verwittigen, zonder aan te kloppen,
met je versleten laarzen,
met je gekwetste glimlach,
en je hebt met één zucht de muur
van inkt en papier afgebroken
waarmee ik mijn wereld afschermde.
Ze was zo aangenaam, zoveel eenzaamheid!
Weldra ga je weg. Vaarwel, vaarwel.
Wat laat je me na wanneer je weggaat?
Alleen pijn terwijl die geur
naar jeugd en paradijs die je
had meegebracht vervaagt?
Mijn hart, hotel van weinig nachten.
Ik streel je en glimlach.
Ik weet wel dat je op doorreis bent.
Dat je je een beetje uit
medelijden laat liefhebben,
uit dankbaarheid,
dat je je lichaam afstaat
als een gewillig speeltuig
terwijl jij je verwijdert,
je sluit je ogen,
je denkt aan wie je hebt bemind,
aan wie je heimelijk begeert,
nooit aan mij.
Maar je ligt in mijn armen,
niet in de zijne.
Ik weet wel dat ik op andermans kosten leef,
op een andere manier kon ik nooit leven.
Als ik je aan het lachen breng,
als je verstrooid glimlacht,
als ik me weerspiegeld zie in je ogen
(ook als je ver weg en aan mijn zijde
gelukkig schijnt te zijn),
stopt de wereld met draaien
en danst op één been.


INTERMEDIO SENTIMENTAL

Has llegado a mi vida
sin avisar, sin llamar a la puerta,
con tus botas gastadas,
con tu sonrisa herida,
y has derribado de un soplo
la muralla de tinta y de papel
que protegí mi mundo.
¡Era tan grata tanta soledad!
Pronto te irás. Adiós, adiós.
¿Qué me dejarás cuando te vayas?
¿Sólo dolor mientras se desvanece
ese olor a infancia y paraíso
que has traído contigo?
Mi corazón, hotel de pocas noches.
Te acaricio y sonrío.
Ya sé que estás de paso.
Que te dejas querer
un poco por piedad,
por gratitud,
que abandonas tu cuerpo
como un dócil juguete
mientras que tú te ausentas,
cierras los ojos,
piensas en quienes has amado,
en quien secretamente deseas,
nunca en mí.
Pero estás en mis brazos,
no en los suyos.
Ya sé que vivo de prestado,
nunca pude vivir de otra manera.
Cuando te hago reír,
cuando distraído sonríes,
cuando me veo reflejado en tus ojos
(también cuando muy lejos y a mi lado
pareces ser feliz),
el mundo se detiene
y baila sobre un pie.


© José Luis García Martín, 'Intermedio sentimental' uit: Mudanza (2004)
© vertaling Fa Claes

José Luis García Martín

LEZER

Beluister je niet hoe het hart van de wereld slaat?
Leg je hand op de steen, op het glas
waarin je je bekijkt zonder je te zien,
op het gesloten boek met vochtigheid van eeuwen,
op de gesloten deur van het huis zonder iemand.
Leg je hand op mijn borst, sluit
een ogenblik je ogen, loop
op de tast voort in de duisternis.
Alle Caesars, alle keizerrijken
bezaten niet meer leven
dan datgene dat ik bezit. Binnen in mijn borst
blijven de geliefden voortbestaan die er bestonden,
de zwarte stortvloed duurt er voort,
een vrouw sterft op de brandstapel,
een man zweert zijn geloof af.
Luister je niet naar het geraas van de veldslag?
Een bibliotheek staat in brand, een gloeiend stuk hout
trekt de eeuwen door
en verschroeit mijn hand. Kijk mij aan:
zeg niet dat ik alleen ben.
Ik ben een hulpeloze menigte,
onder het volk een mens met zijn liefde.
Luister je naar hun stappen in mijn borst,
hun nadrukkelijk, plaatselijk gefluister?
De bejaarde die terug kind wordt,
het kind dat verloren loopt in glimlachjes,
strelingen, stroopachtige muziek,
rozen van vuur en van papier,
zijn nieuwsgierig en verschrikt gezichtje,
de velduil die ons roept
naar de berg van de offeranden,
de koortsachtige dronkenschap van de geliefden,
zoveel vluchtige eeuwigheid,
de eenzaat die droomt met zijn tweeën te zijn
en zich schaamt te beseffen dat hij alleen is
zonder te weten dat dat legio is
zoals wij allemaal.
Leg je hand op je borst,
lezer,
en luister als naar de echo van het hart van de wereld
naar je eigen hart.


LECTOR

¿No escuchas cómo late el corazón del mundo?
Pon tu mano en la piedra, en el cristal
donde te miras sin que puedas verte,
en el libro cerrado, con humedad de siglos,
en la puerta cerrada de la casa sin nadie.
Pon tu mano en mi pecho, cierra
un instante los ojos, avanza
a tientas por la oscuridad.
Todos los césares, todos los imperios
no tuvieron más vida
que la que tengo yo. Dentro del pecho
los amantes que fueron siguen siendo,
el negro diluvio continúa,
una mujer muere en la hoguera,
un hombre abjura de su fe.
¿No escuchas el fragor de la batalla?
Arde una biblioteca, un tizón encendido
atraviesa los siglos
y me quema la mano. Mírame:
no digas que estoy solo.
Soy una multitud desamparada,
un hombre con su amor entre la gente.
¿Escuchas sus pisadas en mi pecho,
su insistente, municipal murmullo?
El anciano que vuelve a ser niño,
el niño que se pierde entre sonrisas,
caricias, una aceitosa música,
rosas de fuego y de papel,
su carita curiosa y asustada,
el cárabo agorero que nos llama
a la montaña de los sacrificios,
la febril ebriedad de los amantes,
tanta fugaz eternidad,
el solitario que se sueña con ser dos
y se avergüenza de saberse solo
sin saber que es legión
como todos nosotros.
Pon tu mano en el pecho,
lector,
y escucha como un eco del corazón del mundo
tu propio corazón.


© José Luis García Martín, 'Lector' uit: Mudanza (2004)
© vertaling Fa Claes

15-12-06

José Luis García Martín

LOF VAN HET GEHEUGEN

Het is goed om nu en dan terug te denken
aan al wat ons niet toebehoort
en toch van ons is voor een tijd.
Het morgenlicht
in de steden die we niet kennen
(we zijn ’s avonds aangekomen,
vóór de avond zullen we weggaan),
het vreemdtalige licht,
zijn intiem gefluister;
de veranderlijke stemming van de zee;
de boeken van je bibliotheek
die bedeesd naderbij aan het komen waren
om je hun geheim te vertellen
en die nu de meesters zijn in huis;
de drie of vier vrienden;
de steden met ontelbaar gezicht
en met één enkel hart;
het bos van de verhalen
waarin je als kind op een dag verloren liep;
op een zondagmorgen het klokgelui
van de Santa Maria Gloriosa dei Frari;
de grijze priesters in Parijs,
het goud van de bruggen en de koepels;
het nijvere water van de riviermond
en van de zee die je niet ziet maar die daarginds ligt
met haar zekere glimlach
en die je weerloze tienerjaren overbrugt.
Al wat ons niet toebehoort:
de schoonheid van de wereld,
de woestijn en de brandstapel,
de zomernachten
met hun koelte en hun weemoed;
wie ons liefhad, wie ons nooit heeft liefgehad;
de koffie en de krant, die kamer
waarnaar ik terugkeer in nachten
van slapeloosheid en verlangen
(voor het raam kruist
een boot die weggaat
en die nooit ophoudt weg te gaan).
Al wat voor een tijd van mij was,
al wat van mij blijft zijn voor altijd:
een glimlach die verdwijnt,
een naam vervaagt in het geheugen
maar komt in de slaap terug
en doet mijn lippen branden;
dat café in Padua
waar we onder gelach Baffo vertaalden,
zijn onbeschaamdheid en zijn glans;
de tuin van een huis dat niet bestaat...
Het is goed om nu en dan terug te denken
aan al wat ik bezat en niet bezit,
aan al wat ik niet bezat en altijd bezit:
het pasgeboren licht, de weelde van de avondschemer,
het dagelijkse wonder van de krant
dat vreemde schepsel
dat minder lang meegaat dan de roos
en dat de wereld bevat;
een paleis in Palermo
en een studentenflat in Perugia
(in de Via Garibaldi);
een ogenblik je hand in mijn hand
en met haar alle schatten.
Sta me toe me te herinneren dat ik een koning ben
vooraleer de woedende menigte,
vooraleer deze troebele
opeenvolging van minuten mij onttroont
en zelfs geen herinnering overblijft aan wat ik ben geweest.


ELOGIO DE LA MEMORIA

Es bueno recordar de vez en cuando
todo lo que no nos pertenece
y sin embargo es nuestro por un tiempo.
La luz de la mañana
en las ciudades que desconocemos
(hemos llegado de noche,
antes de la noche nos iremos),
la luz de habla extranjera,
su íntimo susurro;
el vario humor del mar;
los libros de tu biblioteca
que tímidos fueron acercándose
para contarte su secreto
y ahora son los dueños de la casa;
los tres o cuatro amigos;
las ciudades de rostro innumerable
y un solo corazón;
el bosque de los cuentos
donde un día de niño te perdiste;
las campanadas, un domingo claro,
de Santa Maria Gloriosa dei Frari;
los ordenados grises de París,
el oro de los puentes y las cúpulas;
el agua industriosa de la ría
y el mar que no se ve, pero está ahí,
con su sonrisa cierta,
salvando tu inerme adolescencia.
Todo lo que no nos pertenece:
la hermosura del mundo,
el desierto y la hoguera,
las noches de verano
con su frescor y su melancolía;
quien nos amó, quien nunca nos ha amado;
el café y el periódico, aquella habitación
a la que vuelvo en noches
de insomnio y de deseo
(por la ventana cruza
un barco que se aleja
y no termina de alejarse nunca).
Todo lo que fue mío por un tiempo,
todo lo que sigue siendo mío para siempre:
una sonrisa que se desvanece,
un nombre se borra en la memoria,
pero vuelve en el sueño
y me quema los labios;
aquel café de Padua
donde, entre risas, traducíamos a Baffo,
su desvergüenza y su fulgor;
el jardín de una casa que no existe...
Es bueno recordar de vez en cuando
todo lo que tuve y ya no tengo,
todo lo que no tuve y siempre tengo:
la luz recién nacida, el esplendor de los atardeceres,
el diario milagro del periódico,
esa extraña criatura
que dura menos que la rosa
y que contiene el mundo;
un palacio en Palermo
y un piso de estudiantes en Perugia
(en Via Garibaldi);
tu mano, un instante en mi mano
y con ella todos los tesoros.
Déjame recordar que soy un rey
antes de que la turba enfurecida,
antes de que esta turbia
sucesión de minutos, me destrone
y ni el recuerdo de que he sido quede.


© José Luis García Martín, 'aquel café de Padua...' uit: Mudanza (2004)
© vertaling Fa Claes

19-7-06

K. Silem Mohammad

Waardeloze president

de nacht dat Reagan werd neergeschoten terwijl hij zijn vrouw bedroog
waren prostituees vrij en bestond er niet zo iets als herpes
man het was magisch

zeker we hebben een waardeloze president
maar het antwoord ligt niet in power ballades
'ik ben zo vrij daar anders over te denken' telt alleen tijdens hoefijzerwerpen

o.k. het is even aannemelijk dat het kind
een tweede Einstein kan worden en je herpes geeft
maar het is even aannemelijk dat het een vieze prostituee wordt

een slechte zaak, dat vind ik ook
metaforen zijn obsceen zoals het woord 'nicotinezuur'
mijn favoriete sport is honkbal

ik had mijn baas niet moeten vertellen dat ik vroeg naar huis moest
noch ben ik geïnteresseerd in het oplopen van soa's (wellicht op herpes na)
wat is Vicky's probleem? heb je 3 euro's?

ik ga pietepeuterige mooie-meisjes
voeten verviervoudigen tot
fractale spatader patronen

Amerikaanse dakdekkers
kunnen dus geen beton krijgen vanwege... herpes
uhhh, je dekt geen daken met beton


Bad President

the night Reagan got shot while cheating on his wife
prostitutes were free and there was no such thing as herpes
brother it was magical

sure we have a bad president
but the answer doesn't rest in power ballads
"I beg to differ" only counts in horseshoes

OK so it's equally likely that the baby
could grow into another Einstein and give you herpes
but it's equally likely that it could grow into a dirty prostitute

that is a bad thing, I agree
methaphors are dirty like the word "niacin"
my favorite sport is baseball

I shouldn't've told my boss I had to go home early
nor am I interested in getting STD's (except maybe herpes)
what is Vicky's problem? do you have 3 dollars?

I'm gonna quadruple itty-
bitty beautiful-girl feet into
fractal varicose vein patterns

so American roofers
can't get concrete because ... herpes
uhhh, you don't build roofs out of concrete


© K. Silem Mohammad, 'Bad President' uit: monsters (chapbook, Abraham Lincoln, 2006)
© vertaling Ton van 't Hof

1-7-06

Daniel Rubén Mourelle

Mourelle Daniel Rubén Mourelle werd in 1954 in Buenos Aires, Argentinië geboren. Van 1948 tot 1992 was hij directeur van Clepsidra (Primer Premio en el Certamen Nacional de Revistas Literarias, organizado por el Fondo Nacional de las Artes, 1988). Hij ontving de premio Faja de Honor de la Sociedad Argentina de Escritores (poesía, 1989). Tussen 1978 tot 1990 schreef en dirigeerde hij musicale en literaire belevenissen voor allerlei gezelschappen. Van 1992 tot 1996 beheerde hij het tijdschrift Sr. Neón. Hij beheert de webpagina’s AutorExus, Motor Cyberio, TablaX, Nostromo Editores en heeft eigen literaire ateliers. Van 1990 tot 1993 was hij mede-directeur van de poëziereeks: Libros del Empedrado. (Fa Claes)


Bradbury luistert naar de laatste Martiaan

Boven onze manen
wachtten de zomer-
dansen de laatste draai
tot ze verstarren

De ouden voorvoelden:

        We weten wat gaande is
        als de wereld blijft staan
        het kromzwaard klieft hem en niemand merkt het
        behalve de hand
        het gevest wil de eigen
        dubbelzinnige hand zelf
        niet loslaten:
        gevest

Bij het einde van de stilte
steeg onze lach op
toen we hem hoorden uit de mond van anderen

Die dag overmeesterde ons
elke krijger: litteken
de houding
wie wacht
spiedend tussen de uren
beschermd door het geluid
groeide de wind
koud uit zout water vrij van zwaartekracht
en de wrede plot van de wereld
kleefde voorgoed aan het kromzwaard

Die avondval
vocht
afstamming van eenzamen
om een plaats te concipiëren
andere handen te drukken
hart dat niet ten onder zou gaan

we konden de
fouten zien
zowel merk als treffers
het ene binnen de andere
stem vervolmaakt tegen de lucht
terwijl ze naar buiten loopt
zonder hem te roepen
het buiten meetrekkend
aangestoken door klank

Wij drukten
om ons te onthullen uiteinden van de veer
beide sporen van de aarde hielden verborgen

terwijl hij zich losmaakte
kwetste de voetindruk de vloer met zijn ritmes
En wij zagen ze:
andere werelden bij de entering van het universum
odyssee met behoefte aan triomfen
van de donkerste sterren
sprongen ze uit het niets en namen stellingen in
enkelen hadden onze gezichten
maar wij
begonnen reeds
te verdwijnen


Bradbury escucha al último marciano

Sobre nuestras lunas
las danzas del verano
aguardaron el último giro
hasta paralizarse

Los viejos presintieron :

        Sabemos qué pasa
        cuando el mundo se detiene
        el alfanje lo atraviesa y nadie lo nota
        excepto la mano
        la empuñadura no quiere soltar
        la ambigua
        misma propia mano :
        empuñadura

Terminado el silencio
surgió nuestra risa
al escucharlo en boca de otros

Aquel día nos invadió
cada guerrero : cicatriz
la pose
quien espera
acechante entre las horas
amparado por el ruido
creció el viento
frío de agua salada libre de gravedad
y la trama cruel del mundo
adhirió al alfanje para siempre

Aquel anochecer
estirpe de solitarios
luchó
por concebir un lugar
estrechar otras manos
corazón que no se hundiera

pudimos ver
los errores
tan marca como aciertos
una dentro de otra
voz afinada contra el aire
haciéndose afuera
sin llamarlo
trayendo el afuera
contagiado de sonido

Empujamos
para descubrirnos extremos del resorte
ambas espuelas del mundo escondían

desgarrándose
la huella hirió el suelo con sus ritmos
Y los vimos :
otros mundos al abordaje del universo
odisea necesitada de triunfos
de las estrellas más oscuras
saltaban de la nada y tomaban posiciones
algunos tenían nuestras caras
pero nosotros
ya comenzábamos
a desaparecer


© Daniel Rubén Mourelle, 'Bradbury escucha al último marciano' uit: A cuenta del duelo
© vertaling Fa Claes

Daniel Rubén Mourelle

De wolken komen tot aan het strand

Een straaltje water
valt

vanwaar
om nat te maken wat

Je gedicht wordt geboren
uit een zeker hopen
op dit straaltje water


Las nubes llegan hasta la playa

Un hilo de agua
cae

desde dónde
para mojar qué

Tu poema nace
de un cierto esperar
por ese hilo de agua


© Daniel Rubén Mourelle, 'Las nubes llegan hasta la playa' uit: Cabo Ballard
© vertaling Fa Claes

Daniel Rubén Mourelle

De deserteur

Niets heb ik dat ik kan tonen
zonder gebaar van verraad

enkelen keren met moeite terug
anderen
houden nooit op
met sterven

mijn hand
door de nacht uitgekozen bevestigt
liefkozing die
de vlag
laat vallen


El desertor

Nada tengo que pueda mostrar
sin gesto de traición

unos regresan con esfuerzo
otros
de morir
nunca terminan

mi mano
elegida por la noche afirma
caricia que deja
caer
la bandera


© Daniel Rubén Mourelle, 'El desertor' uit: Los adoquines del ladrón
© vertaling Fa Claes

Daniel Rubén Mourelle

De verantwoordelijken voor het meisje

Onze taak: nieuwe woorden vernietigen
slechte dochters van die
ver verwijderde
zozeer van een andere
onverslaanbare
generatie


Los encargados de la cría

Nuestra tarea : destruir palabras nuevas
malas hijas de aquéllas
tan lejanas
tan de otra
imbatible
generación


© Daniel Rubén Mourelle, 'Los encargados de la cría' uit: Sueños de cornisa
© vertaling Fa Claes

Daniel Rubén Mourelle

Geboorte in huis

                        Zeven jaar
                        gelijk ze zeggen
                        de maat

Die éénentwintigste
moest er een spiegel breken

de laatste

uit de salon
van obscure individuen


Nacimiento en casa

                        Siete años
                        según dicen
                        la medida

Aquel veintiuno
debió quebrarse un espejo

el último

del salón
de oscuros rotos


© Daniel Rubén Mourelle, 'Nacimiento en casa' uit: Sueños de cornisa
© vertaling Fa Claes

Daniel Rubén Mourelle

Schemerzone

Agustín
met zijn vier maanden
lanceerde zopas een nieuwe afscheidsgroet
hij weet het nog niet
maar een pijl in de magie die hem voortstuwt
zal het hem op zijn tijd zeggen

toen hij zijn lichaam oprichtte
op armen en benen
schoot een spore door het raam
gelijk een geweerschot

en
weggeknipte dialoog
het uurwerk bleef staan
alsof het gewaar werd dat het van mij
geen aandacht kreeg


La zona crepuscular

Agustín
con sus cuatro meses
acaba de lanzar un nuevo adiós
él no lo sabe aún
pero un dardo en la magia que lo impulsa
se lo dirá a su tiempo

cuando alzó el cuerpo
sobre brazos y piernas
una espora salió por la ventana
como un balazo

y
diálogo recortado
el reloj se detuvo
como si advirtiera que no obtenía
mis atenciones


© Daniel Rubén Mourelle, 'La zona crepuscular' uit: Gibson
© vertaling Fa Claes

Daniel Rubén Mourelle

Leerlingenopstand

Achteruit is
naar waar het oog
zelden
het woord buigt

het nemen ervan is een vooruitgaan geworden

Wij willen
ander achteruit
niet
het verleden of het naar binnen

Ons achteruit scheurt
bevriest

doorlicht dolken


Rebelión de aprendices

Atrás es
hacia donde el ojo
rara vez
inclina la palabra

tomarla se ha vuelto un ir hacia adelante

Nosotros queremos
otro atrás
no
el pasado o el adentro

Nuestro atrás fisura
congela

transparenta dagas


© Daniel Rubén Mourelle, 'Rebelión de aprendices' uit: Niños del aquelarre
© vertaling Fa Claes

Daniel Rubén Mourelle

Pythagoras schrijft een gedicht

De vrijheid wordt
nodig
als het verlangen onbekwaam
heen en weer beweegt

moraalspreken
simuleert
contrastzeggen

knipsel van een wereld in opkomst
tegen een andere
van armoede zoveel groter als verborgen

begrensde wereld
lijnen en meer lijnen
de stem noemt wat ontbreekt
er is geen woord voor de overvloed
in dit rijk van meetkundes
ontstaat het theorema uit willen bewijzen


Pitágoras escribe un poema

La libertad se vuelve
necesaria
cuando el deseo se agita
incapaz

decirmoral
simula
decircontraste

recorte de un mundo en emergencia
contra otro
de pobreza tan mayor como escondida

tierra limitada
líneas y más líneas
la voz nombra lo que falta
no hay palabra para la abundancia
en este reino de geometrías
el teorema nace de querer demostrar


© Daniel Rubén Mourelle, 'Pitágoras escribe un poema' uit: Niños del aquelarre
© vertaling Fa Claes

Daniel Rubén Mourelle

De koffer van de zeerover

Die kinderen
van wie de blik goden
zoekt die hun blik rechtvaardigen
tellen de stappen
van een rots
tot aan een droge boomstam

De huid van hun handen
gunt zich

de vastberadenheid van een omarming

Ze zijn een schitterende
en schaarse steen:

een zon in been gevat


El cofre del pirata

Esos niños
cuya mirada busca
dioses que la justifiquen
cuentan los pasos
desde una roca
hacia un tronco seco

La piel de sus manos
se permite

el temple de un abrazo

Son una piedra
brillante y escasa :

un sol engarzado en el hueso


© Daniel Rubén Mourelle, 'El cofre del pirata' uit: Niños del aquelarre
© vertaling Fa Claes

23-6-06

Niki Marangou

Niki Marangou Niki Marangou (1948) werd geboren in Limassol. Haar vader was een Cyprioot, haar moeder komt uit de Noordgriekse provincie Macedonië. Ze studeerde sociologie in het toenmalige West-Berlijn. Gedurende tien jaar werkte ze als dramaturg voor het Staatstheater van Cyprus. Vanaf 1980 is zij directeur van Kochlias boekhandel in Nicosia. Twee keer kreeg zij de jaarlijkse Staatsprijs voor poëzie. In 1981 voor de bundel Apo ton Kypo en in 1987 voor Archi Indiktou. Ze werd eveneens tweemaal bekroond met de Staatsprijs voor proza, in 1990 en in 2001. In 1998 ontving zij in Alexandrië de Kavafis Poëzieprijs. Zij vertaalde Alexandria van Joachim Sartorius in het Grieks. Gedichten van haar werden in het Engels vertaald onder de titel Selections from the divan (Nicosia 2001). Behalve schrijfster is zij een succesvol kunstschilder. Niki Marangou woont en werkt in Nicosia. De gedichten hieronder verschenen eerder in de bloemlezing van Cypriotische literatuur Wij wonen in een taal onder redactie van Kees Klok en Stella Timonidou (Kruispunt, Brugge 2004) en werden vertaald door het Vertaalatelier van het Griekenlandcentrum van de Universiteit Gent, onder leiding van prof. dr. Gunnar de Boel. (Kees Klok)


In het binnenhof van Sint-Lazarus.

En toch weerklonk de lach
In het binnenhof van de Sint-Lazaruskerk
Toen we in de lege straat stapten
Voor het avondeten.
Je sprak over de zaal
Waar de klaagzangen
Over Alexander voor het eerst klonken
Ik vertelde je van de blik die ik wierp
Op de andere wereld
Achter de kooien met de valken
En de uilen
Waar de ene strohalm de andere raakte
Goedkope kooien
Gemaakt van rietstengels uit de moerassen in het zuiden
Haastig samengebonden met een draad
Een draad zoals degene die onze levens verbindt.
De zielen bereidden zich voor op de grote reis
Naar de kusten van Syrië, naar Petra, Jericho,
Wegen van Strabo, van Ptolemaeus,
Om bij valavond bij de Leeuwenpoort aan te komen.
Herinner je je hem, de uil die huilde, daar
Altijd 's avonds, op hetzelfde uur?


ΣΤΗΝ ΑΥΛΗ ΤΟΥ ΑΓΙΟΥ ΛΑΖΑΡΟΥ

Κι όμως το γέλιο αντηχούσε
στην αυλή του Αγίου Λαζάρου
καθώς περπατούσαμε στον άδειο δρόμο
πριν από το δείπνο.
Μιλούσες για την αίθουσα
όπου πρωτακούστηκαν οι θρήνοι
για τον Αλέξαντρο
σου’λεγα για τη ματιά που έριξα
στον άλλο κόσμο
πίσω από τα κλουβιά με τα γεράκια
και τις κουκουβάγιες
όπου το ένα ψαθί άγγιζε τ’άλλο,
ευτελή κλουβιά
καμωμένα με καλάμια από τα έλη του νότου
δεμένα πρόχειρα με νήμα
νήμα όπως αυτό που ενώνει τις ζωές μας.
Οι ψυχές ετοιμάζονταν για το μεγάλο ταξίδι
στις ακτές της Συρίας, στην Πέτρα, την Ιεριχώ,
δρόμοι του Στράβωνα, του Πτολεμαίου,
για να φτάσουν σούρουπο
στην Πύλη των Λεόντων.
Τη θυμάσαι την κουκουβάγια που έκλαιγε,
εκεί πάντα το βράδυ, ίδια ώρα;


© Niki Marangou
© vertaling: Vertaalatelier Universiteit Gent

Niki Marangou

De rozelaars

In het gezelschap van de landmeter en de bladluis
Heb ik dit jaar rozelaars geplant in de tuin
In plaats van gedichten te schrijven
De honderdbladige uit het huis met de rouw in Sint-Thomas,
De zestigbladige die Midas uit Frygia meegebracht heeft,
De roos van Backs die uit China gekomen is,
Stekken van de enige moussietta die overleefde
In de oude stad
Maar bovenal de Rosa Gallica die de kruisvaarders meebrachten
Die men ook de Damasceense noemt,
Met haar buitengewoon aroma.

In het gezelschap van de landmeter en de kaarsenmaker
Maar ook van de viernagel, de tijger, de bladbinder,
De meikever, de goudvlieg,
Het paardje van Onze-Lieve-Vrouw dat hen allen opeet,
Zullen we de bladeren, de bloemblaadjes, de hemel verdelen,
In die onvoorstelbare tuin,
Zowel zij als ik voorbijgaand.


OI TRIANTAΦΥΛΛΙΕΣ

Παρέα με τον γεωμέτρη και τον κηροπλάστη
φύτεψα φέτος τριανταφυλλιές στον κήπο
αντί να γράφω ποιήματα
την εκατόφυλλη από το σπίτι με το πένθος στον Αγιο-Θωμά,
την εξηντάφυλλη που έφερε ο Μίδας από τη Φρυγία,
την Μπαγκσιανή που ήρθε από την Κίνα,
μοσχεύματα από τη μοναδική μουσσιέττα που επέζησε
μεσ’ στην παλιά την πόλη,
αλλά προπαντός τη Rosa Gallica που έφεραν οι σταυροφόροι,
που αλλιώς τη λέμε και δαμασκηνή,
με το εξαίσιο άρωμά της.

Παρέα με τον γεωμέτρη και τον κηροπλάστη
αλλά και τον τετράνυχο, τον τίγρη, τον φυλλοδέτη,
τη μηλολόνθη, τη χρυσόμυγα,
το αλογάκι της Παναγίας που τα τρώει όλα,
θα μοιραστούμε φύλλα, πέταλα, ουρανό,
στον αφάνταστο αυτό κήπο,
κι αυτοί κι εγώ περαστικοί.

3 Γενάρη 1993


© Niki Marangou
© vertaling: Vertaalatelier Universiteit Gent

28-5-06

Kato Molinari

Kato Molinari werd in Alta Gracia, (Sierras de Córdoba, Argentinië) geboren. Ze studeerde aan de Nationale Universiteit van Córdoba, behaalde de graad van doctoranda in de letteren en was enkele jaren docente. Ze is vertaalster, coördinator van literaire ateliers en cultureel medewerkster van verschillende tijdschriften. Van haar verschenen de dichtbundels Por boca de quién (l972), Miradas y peregrinaciones (1982), Noche de las cosas, mitad del mundo (1986), Las simias (1989), Umbral (1993), Un jerónimo de duda (1996) en Una hormiga / Un halcón (2004). Haar werk werd bij herhaling in binnen- en buitenland bekroond. (Fa Claes)


ZE VOEDEN ELK BEELD

Het zijn nauwelijks woorden en als dusdanig vliegen ze rond.
Ik bereidde ze voor, beter gezegd ze verschenen mij
        voor een slot met breedopen doek
        met kwasten en koperwerk
maar iets eiste van me dat ik ze hun plaats zou geven in
        dit hakkelende begin.
Het zijn woorden, zei ik gisteren tijdens de siësta tegen mezelf, geen vlinders
        daarom kan ik ze met hun vleugels
        tegen een of andere muur die ooit wit was vastspijkeren.

Ik bediende me van een zilveren hamertje,
        van een van die die niet bestaan
en ik sloeg zo weinig mogelijk. Voldoende om ze
        op hun plaats te houden, hangertjes.

Aangezien ze woorden zijn hebben ze weinig nodig. Indien ze werkelijk
        vlinders waren bewoonden ze uitdrukkingen
        geladen met consequenties, zeggen ze, zeker weet ik het niet.
Die woorden hangen te wiegen voor mijn ogen zoals
        verschillende papegaaiennesten in een palmbos
        deden.
Gewillig maar onbereikbaar. Zelfs zo hebben ze kleur. Grijs en
        hemels vormen ze vierkanten, vierkanten bestemd voor
        flarden.
Ze gaan voorbij. Ondertussen trotseren ze ieder plan, voeden ieder beeld.


ALIMENTAN TODA IMAGEN

Son apenas palabras y como tales rondan.
Yo las preparaba, mejor dicho se me aparecían
        para un final a todo telón
        con borlas y dorados
pero algo me exigió que las ubicara en este titubeante
        principio.
Son palabras, me dije ayer por la siesta, no mariposas
        por eso puedo clavarlas de las alas en
        alguna pared antiguamente blanca.

Me valgo de un martillito de plata,
        de uno de esos que no existen
y golpeo lo menos posible. Suficiente para que queden
        colgadas, pendientes.

Como palabras que son necesitan poco. Si fueran genuinas
        mariposas habitarían expresiones cargadas
        de consecuencias, dicen, no me consta.
Esas palabras se hamacan ante mis ojos tal como lo
        hicieron varios nidos de loros en un
        palmar.
Fáciles pero inalcanzables. Aun así tienen color. Grises y
        celestes forman cuadrados, cuadrados para
        retazos.
Pasan. Mientras, desafían todo plan, alimentan toda imagen.


© Kato Molinari - 'Alimentan toda imagen' uit: Una hormiga / Un halcón, 2004
© vertaling Fa Claes

Kato Molinari

VAN DE TOAST NAAR DE MOND

Ik had graag geloofd dat hij een enorme toast was, doordrenkt in een substantie die ik niet identificeer.

Van de toast naar de mond en van de mond naar de verzadiging...

Om ons huwelijk te vieren waren er schitterende gebloemde lakens, een schaakspel, een tekenpotlood en, als het van mij had afgehangen, harp en luit.

Van de toast naar de mond en van de mond naar de verzadiging...

Onrustig, handtastelijk, gevestigd, bazig, wreed nu en dan, materialist, een beetje dief. Enig, langverwacht, met meer adrenaline dan cholesterol, teder, een en al vuur, trouw, voorziend.

Ik had een enorme toast willen eten deze morgen terwijl jij je schoor. In de plaats daarvan ging ik je portretteren.

Van de toast naar de hand en van de hand naar de volheid.


DE LA TOSTADA A LA BOCA

Hubiera querido creer que era una tostada enorme, embebida en alguna sustancia que no identifico.

De la tostada a la boca y de la boca a la saciedad...

Para celebrar nuestras nupcias hubo flamantes sábanas floreadas, un juego de ajedrez, un lápiz de dibujo y, si de mí hubiera dependido, arpa y laúd.

De la tostada a la boca y de la boca a la saciedad...

Inquieto, toquete, metido, mandón, cruel de a ratos, materialista, un poco ladrón. Único, esperado, con más endorfinas que colesterol, cariñoso, todo fuego