Dichters K

2-3-08

Glafkos Koumides

Glafkos Koumides (1950) werd geboren in Nicosia. Hij studeerde architectuur in Londen en psychologie in Keulen, de plaats waar hij woont en waar hij werkt als beeldend kunstenaar. Hij debuteerde in 1987 met de verhalenbundel Tou skabo ka tou skamnou, waarna nog vier bundels volgden. Zijn gedichtenbundel I ikona tou poiïti verscheen in 1992, de eerste van een reeks boekjes van beperkte omvang, waarvan de jongste, Topos Topio in 1998 in Keulen werd gepubliceerd. Gedichten van Koumides werden vertaald in het Duits en uitgegeven bij Romiosini in Keulen onder de titel verrückte kausalität (2001). De hier opgenomen gedichten, vertaald door Hero Hokwerda, komen uit de bloemlezing Wij wonen in een taal die Stella Timonidou en ondergetekende in 2004 bij Kruispunt in Brugge publiceerden. (Kees Klok)


Griekse kok

Het wanneer is altijd voor morgen, leer
boos op hem te zijn, de boodschapper
als leugenaar naar het feest gestuurd
dat de dag nabij zou zijn, leer de mythe
te vertroetelen van hem die nimmer zit
die als strijder in den vreemde vergaan is
gevallen in de slag om een paar schoenen
geknecht nog, onder de olie, ook ik
kende uit mijn hoofd een asociale grap
vol gaten zat de broek van de kok
en uit zijn zakken sloegen de vlammen
toen hij visjes aan het bakken was, morgen
morgen joh gaan we het uitpraten
we gaan erop uit naar bekende
landerijen, met bevriende honden
morgen, nooit zijn vandaag vertrokken
mensen die een halve schoen hadden
als brok in de keel
en als ze voor even vertrokken
was het naar verleden tijden in de mist
die een dorre wijngaard doorweekte
komt u binnen, zei het weesmeisje
en zij wees drie stoelen aan
de eerste ging losjes zitten, de tweede
potig, de derde liep rood aan
en ging gebogen zitten, kijkend
naar de twee lege stoelen naast hem
zo is het begin van de voorstelling
op de dorre helling en dan een lange
bittere voettocht naar 't station, stel je voor
zegt hij
dat we alle zes getallen goed hadden
en geld bij de vleet in het bakblik
met dichters erbij zouden we eten samen
met de muzen
lagen kaviaar op brood, kazen
en chocolademousse
de jaren, weet dat, o kok, zouden
zonder dichtersglorie een brij zijn
de droom, het geld een kekererwt
en jij een onbestaand karkas
op zoek in de advertentierubrieken
Gevraagd Griekse Kok
moet kunnen knippen en naaien
montage van tomaat, mousakás
moet ook borden wassen, zeg oom
doe het raam eens dicht, anders
vliegt onze ziel nog weg, ik geef toe...
filhelleen is elke gourmet uit het noorden
oedipus in een drama uit de barok
maar de kleine wijngaard die je naliet
zal nu wel geruïneerd zijn, in de mist


Bunte Blumen

Was ik een schilder, ik zou een huisje
met groene ramen voor je willen maken
met houten vensterbank om aan te schemeren
en naar de treinen te zwaaien vanachter zonne-
bloemen margrieten geraniums terwijl een
klein poesje kopjes tegen je benen geeft
terwijl mussen buiten op de draden
op de rij zitten als noten op een noten-
balk terwijl pianospel weerklinkt
O ja, 'k vergat nog... Tulpen zou 'k schilderen
om jouentwil als ik een schilder was


Mijn nieuwe kleren

De wallen van mijn stad
trok ik eergister aan, puinhopen
een lappenkleedkostuum
En ik als een keizer de straat op
menend gekleed te gaan
in het satijn van de fraaie
bouwsels der Venetianen
Goed
voor mij was de smaad verdiend
de hoon der omwonenden
Maar wat kon het jongetje eraan doen
dat het durfde roepen
wat iedereen wel wist
Vol gaten onze wallen mama
De keizer heeft het koud


Aanwijzing  I

In het optisch achterland van de galerij, waar
de kleermaker zat te werken, ging allereerst de
aandacht naar de palimpsestkleur van de muren.
En met enig nadenken doorzag de blik moeiteloos
het blijvende van 's meesters aanwezigheid.
Wonderschoon evenwel was het omgekeerd
perspectief op de werktafel, alwaar het
naaigerei een geestelijke ordening had
als Byzantijns vaatwerk bij ons laatste
avondmaal. De kleermaker, als gegiste grootheid,
is present in de binnenstad, let u goed op hem!
Zie, enkele van zijn werktuigen: naald of
rafís, psalís schaar, speldenkussen, Singer.


Glafkos Koumidis
Vertaling: Hero Hokwerda

16-9-07

Theoklis Kouyialis

De Cypriotische dichter Theoklis Kouyialis (1936) werd geboren in Páno Defterá. Hij studeerde aan het Morfou College of Education en daarna onderwijskunde aan het Glassboro State College (USA) en aan de New York State University in Albany. Ook volgde hij postgraduate studies aan de Universiteit van Londen. Hij was werkzaam in het onderwijs en pensioneerde als directeur van een basisschool.

Hij publiceerde tot op heden elf gedichtenbundels. Zijn eerste, Molyviés sto perithorio, verscheen in 1959. Zijn laatste, Tis Aeroúsas, werd in 1996 gepubliceerd. In 1982 won hij de Cypriotische Staatsprijs voor poëzie. Zijn werk werd in het Frans vertaald en verscheen als 30 Ans de poésie, 1959-1989 in een tweetalige editie onder redactie van Andreas Chatzisavas (Editions Praxandre, 1999) Zijn bundels Mystika fortía (1971) en Mytholóyio (1981) werden bekroond met de Cypriotische Staatsprijs voor poëzie. Onderstaande gedichten, afkomstig uit de bundel Ikonismata (Nicosia, 1986) werden vertaald door Kirsti de Hek en eerder gepubliceerd in de bloemlezing Wij wonen in een taal (Kruispunt, Brugge 2004) die ik samenstelde met Stella Timonidou. (Kees Klok)


De dromen van koning Ninemon*

Koning Ninemon viel in slaap.
Met een boek in zijn hand
Liet hij het hoofd lichtjes naar links zakken
Sloot onmerkbaar zijn ogen
En gaf zich geleidelijk over aan de weldaad van de slaap.

Goudgetint was de wolk die over het paleis neerdaalde
Krijgt vleugels en tilt hem zachtjes op
Naar waar een beeldschoon meisje haar lied wit wast.
Van de kant van zijn hart kwam de sleuteldragende engel
En met onze-vaderlijke tederheid opent hij de bronnen vogelsnavels
      en mensenharten
En alle maakten zij lieflijke geluiden naar hun aard en hun werk.
Uit de diepzeeslaap verrees het water en met goddelijke fluiten
Vloog hij over dalen en bergtoppen
En wekte doden en levenden uit hun lethargie.

Dat soort dingen zag ook vandaag
Koning Ninemon in zijn slaap.
Net als gisteren en vorig jaar
doezelde hij in met een boek in de hand
Dat leidt naar kennis van de waarheid en niet naar de waarheid
Want de waarheid is wind
En de wind is een leeg ding
De mens niet.

Want een mens zonder kennis van de waarheid is een blad in de wind
En de wind is een veranderlijk ding
Want de mens zonder dromen is een boot in het moeras
En het moeras is een verraderlijk ding
Want de mens zonder wetten is als hout op de zee
En de zee is een stuurloos ding
Het is met de kennis van de waarheid dat wij uit de onwettigheid
      zullen treden.

In de dagen dat Ninemon koning was
Eerstgeboren zoon van mysticus Telavgón en eerbiedwaardige
      Ierodámè
Kende het volk welvaart
En kon naar hartelust dromen
Want het volk is wind
En de wind zonder bestemming is een zinloos ding
En het volk zonder dromen
Is een leeg ding.

*Ninemos betekent 'windstil'

De verloving

De zilveren schaal met wijnranken in de buitenrand geciseleerd en
      met druiventrossen
Bewoog langzaam in het flakkerende schijnsel van de lamp
Op een fles wijn Domaine d'Ahera
(Rood als aderlijk bloed)
En de weegschaal van het lot die naar de kant van het onrecht
      doorsloeg
Onbeweeglijk.
Links daarnaast, iets verder naar achteren,
In een halfgeopend kistje van ebbenhout
Weerspiegelde de ring alles wat sinds jaren met een dun laagje stof
      overdekt was geraakt.
De steen erin was neem ik aan een topaas
Die maar nauwelijks beroerd werd door de onderlip van Athene aan
      de ene, en van Aphrodite aan de andere kant.
Met loshangend haar en bijna aards
Met onpersoonlijke ogen zoals wanneer de mensen weggaan en enkel
Wat door de hand van God gemaakt is achterblijft.
Vanaf hun hals vormde het gele brons twee volmaakte bogen
En de cirkel brak precies daar waar het middelpunt had kunnen zijn.

Uit het halfduister kwam indrukwekkend de vrouw tevoorschijn
En iemand fluisterde vol ontzag "Eleonora"
(Het was wel zeker dat zij het was, gezien haar manier van doen en
      haar verdriet)
Ze dronk twee vingers* wijn en verdween toen in de roes van onze
      geest
Want we waren een beetje dronken
En zo gebeurde het
Juist vanuit die dronkenschap en ons verdriet
Dat onze dochter Arodafnousa werd geboren.

Mijn mythenscheppend volk, mijn zingend volk
Mijn volk dat gelooft, zelfs wanneer je je ongeloof uitspreekt
Dat liefheeft zelfs wanneer men je haat
Kenner van de stilte
Wanneer de stilte je dichter bij de dood brengt
En de dood dichter bij de oogst
Want de oogst is een duurloop
En jouw uithoudingsvermogen kent geen grenzen
En je geest kent geen grenzen en je hart
Brengt je met een sprookje dichterbij
Dichter bij de dood, en niet dichter bij de dood dan die wordt
      geweven in de liedjes over de liefde
En niet dichter bij de dood dan de oogst die als idee vastligt in het
      zaad
Dichterbij, dichter bij de stilte, en niet dichter bij de mythe dan de
      stilte
Want in jouw mythe is het eeuwige, maar ook wat steeds weer
      terugkeert
Zoals twee godinnen met loshangend haar die je vasthouden met het
      uiteinde van hun lippen
En de draak die ontkomen is aan de lans van Sint Joris
Komt over een weg die niet verschoond is van bloed.

Mijn gekwelde, mijn trotse volk
Mijn volk dat hoopt en als enige beloning de hoop heeft
Op de weg van de martelaar die ook de weg van de lente is
Open je een magere hand om het gebed te vangen
Dat het gebed van alle eeuwen is
Altijd bereid om te beginnen waar de anderen je achterlaten
En jezelf te verraden
Als de anderen niets meer hebben om van jou te verraden
Jezelf te ontkennen
Als de anderen zich alles hebben toegeëigend wat je bezat en je niets
      anders rest om te ontkennen
Hoewel je niet over de weg van ontkenning gekomen was
Maar over de weg van bevestiging en toewijding
En van Kruisiging,
Die je enige weg is die ze niet ontkenden.

Als de ontkenning bevestiging veronderstelt
En bevestiging de ontkenning is van de ontkenning
Als de vernedering trots veronderstelt
En trots de vernedering van de vernedering is
Als de pijn vreugde veronderstelt
En vreugde de pijn is die pijn heeft
Mijn gekwelde, mijn trotse volk
Dan heb je de pijn aanvaard in de hoop dat je op een dag
een verloving zult sluiten.

*twee vingers: twee vingers hóóg, dus een half glaasje

Theoklis Kouyialis
Vertaling: Kirsti de Hek

28-1-07

Weldon Kees

Weldon KeesDe Amerikaanse dichter Weldon Kees, in 1914 geboren in het plaatsje Beatrice in de staat Nebraska, is op een raadselachtige wijze in 1955 uit het leven verdwenen. Op een dag in juli van dat jaar werd zijn auto gevonden bij de Golden Gate Bridge in San Francisco. Van de dichter geen spoor. Hoewel er sterke vermoedens zijn van zelfmoord is dat nooit bewezen. De stoffelijke resten van Kees zijn nooit gevonden. Hoewel zijn poëzie, ondanks de pessimistische boventoon, over het algemeen door de kritiek gunstig werd ontvangen brak hij niet werkelijk door als dichter. Tijdens zijn leven publiceerde Kees slechts drie bundels. Hij hield zich behalve met poëzie ook bezig met filmdocumentaires, schilderkunst, muziek (als jazz-pianist en componist) en journalistiek. Vier jaar voor zijn dood vertrok hij uit New York, waar hij sinds begin jaren ’40 woonde, om zich in San Francisco te vestigen. Zeven jaar na zijn dood verschenen The collected poems of Weldon Kees, die in 1975 in een herziene editie werden herdrukt. In 1997 publiceerde uitgeverij Wagner & Van Santen een keuze uit deze uitgave onder de titel Een goed akkoord op een slechte piano in een vertaling van J. Eijkelboom, waaruit de onderstaande gedichten zijn gekozen. (Kees Klok)


Ondertitel

Wij presenteren voor u vanavond
een film van de dood: let op
deze scenes, onthuld door beschadigd celluloid
niet gesponsord en belastingvrij.

Wij vragen slechts deze dingen:
Alle kauwgum moet onder de stoelen worden geplaatst
of snel doorgeslikt, alle zakken popcorn
moeten in de foyer worden achtergelaten. De deuren
zullen gesloten blijven gedurende
de voorstelling. Raadpleeg a.u.b.
uw programma's: let erop dat er
geen uitgangen zijn. Dit is
een noodzakelijke voorzorgsmaatregel.

Verwacht geen dialoog, of het geluid
van enige menselijke stem: wij achtten het raadzaam
deze voorstelling te synchroniseren met
gegil van varkens, langzaam geluid van vuurwapens,
de scherpe droge klik
van lege snoepautomaten.
Wij zeggen opnieuw: er zijn hier
geen uitgangen, geen omkoopbare bewakers,
geen toiletraampjes.

Geen slot aan de film, tenzij
het uw eigen einde is.
Doe de lichten uit, herinner
de operateur aan zijn vakbondskaart:
zit voorovergebogen, laat het scherm uw erfdeel
onthullen, de logica van uw bestemming.

1936

Subtitle

We present for you this evening
A movie of death: observe
These scenes chipped celluloid
Reveals unsponsored and tax-free.

We request these things only:
All gum must be placed beneath the seats
Or swallowed quickly, all popcorn sacks
Must be left in the foyer. The doors
Will remain closed throughout
The performance. Kindly consult
Your programs: observe that
There are no exits. This is
A necessary precaution.

Look for no dialogue, or for the
Sound of any human voice: we have seen fit
To synchronize this play with
Squealings of pigs, slow sound of guns,
The sharp dead click
Of empty chocolatebar machines.
We say again: there are
No exits here, no guards to bribe,
No washroom windows.

No finish to the film unless
The ending is your own.
Turn off the lights, remind
The operator of his union card:
Sit forward, let the screen reveal
Your heritage, the logic of your destiny.

1936

Weldon Kees
Vertaling: J. Eijkelboom

Weldon Kees

Witte-boorden-ballade

Er zijn hopen plaatsen om naar toe te gaan:
bij iedere club hoofdpijn gegarandeerd,
bioscopen, pluche-en-goud, geven altijd aan
hoe goed de held en de heldin het wrijven hebben geleerd.
Zet je hoed op, trek je handschoenen aan.
Maar de liefde is ver hiervandaan, ver hiervandaan.

Er zijn eindeloze dingen die we kunnen doen:
het blok omlopen, de schaatsers zien pirouetteren,
het park aandoen, de nieuwste dierentuin,
de toekomst plannen in een verstandige wereld.
Het water kookt en de kachel is aan,
maar de liefde is ver hiervandaan, ver hiervandaan.

Onze beste vrienden woonden in het huis hiernaast.
Gisteren wilde ik bij ze langs gaan, maar
zonder een woord of een adres achter te laten
hadden ze hun koffers gepakt en waren weggegaan.
We zouden een bezoek kunnen brengen aan de mensen boven,
maar de liefde zou ver hiervandaan zijn, ver hiervandaan.

Vroeger was het heel anders gesteld.
Jij had veel geld nodig en ik zorgde voor de poen.
Eens was het zomer. Hier is het bijna herfst.
Er is nu geen enkel seizoen.
Er zijn seizoenen in de toekomst, denk daar eens aan,
maar de liefde zal ver hiervandaan zijn, ver hiervandaan.


White Collar Ballad

There are lots of places to go:
Guaranteed headaches at every club,
Plush-and-golden cinemas that always show
How cunningly the heroine and hero rub.
Put on your hat, put on your gloves.
But there isn't any love, there isn't any love.

There are endless things we could do:
Walk around the block, watch the skaters whirl,
Promenade the park or see the newest zoo,
Plan for the future in a sensible world.
The water boils on the stove,
But there isn't any love, there isn't any love.

Our best friends lived in the house next door.
Went around to call on them the other day,
But they hadn't left an address or a word before
They packed their bags and moved away.
We could call on the people on the floor above,
But there wouldn't be any love, there wouldn't be any love.

It didn't use to be like this at all.
You wanted lots of money and I got it somehow.
Once it was Summer. Here it's almost Fall.
It isn't any season now.
There are seasons in the future to be thinking of,
But there won't be any love, there won't be any love.


Weldon Kees
Vertaling: J. Eijkelboom

Weldon Kees

Middernacht

Wanneer stremsels van mist de intensiteit van het zicht
verstoren, wanneer wolken bevroren licht
naar binnen toe wazig worden, dreigend en klaar,
zal deze leegstaande straat, je vijand, iedere troost
wegzuigen voor een ellendig gehoor.
Door gangen, langs mijlpalen, ver
en beneden, drijven fragmenten, losse eindjes
van jou, als die van Bloom in Dublin, en zwaaien
doelloos; apart waar de lucht ombuigt, star
van zondenbesef, dringen zij naar binnen en blijven.
Terwijl landschappen, gevaarlijk stil,
her-echoën met onverschilligheid en haat,
worden de paden bewaakt door de gewelddadigen, die
ongeduldig wachten. Zwarte wolken hangen aan de helling.

- De mist trekt op. Bij je bed kerft het maanlicht
blauwe krullen die kronkelen op de vloer.
Buiten roept iemand door het zomerdonker.
De bladeren bewegen. Dit is je vertrouwde kamer
met je vertrouwde geur die blijft hangen en echt is.
De bekende rumoerigheid in de hal,
versleten tapijt, de gebroken kroonluchter,
het gebloemde behang dat bladdert van de wand.


Midnight

When curdling mists disturb the sight's
Intensity, when clouds of frozen light
Blur inward, imminent and clear,
This vacant street, your enemy, will drain
All solace for a bastard audience.
Down passages, past milestones, far
And under, fragments, odds and ends
Of you, like Bloom's in Dublin, drift and sway
Unfocused; separate where the sky bends,
Rigid with a sense of sin, they penetrate and stay.
While landscapes, dangerously still,
Re-echo with indifference and hate,
The paths are guarded by the violent, who wait
Impatiently. Black clouds hang on the hill.

- The mist lifts. Near your bed the moonlight carves
Blue scrolls that twist upon the floor.
Outside, through summer darkness, someone calls.
The leaves stir. This is your familiar room,
With your familiar odor lingering and real,
The known disturbance nightly in the hall,
Worn rug, the broken chandelier,
The flowered paper peeling from the walls.


Weldon Kees
Vertaling: J. Eijkelboom

Weldon Kees

Weer voor pelgrims

Op het eind van de nationale feestdag,
rijdend over de brug
(de langste brug ter wereld),
ratelde en kreunde de oude auto,
verslikte zich en kletterde en stierf.
Uit de achterkant stroomde de smurrie
opgewekt vrijuit, losgelaten,
op het eind van de nationale feestdag.

De kogellagers waren castagnetten
die nokten als de versplinterde poorten
die de vier windstreken bewaken,
sijpelden als de eieren van een karper
op het eind van de nationale feestdag,
sprongen over de stenen rijbaan.
Olie stroomde over de motorkap
en de Chevrolets zwommen naar huis

naar kalkoenen gevuld met blokjes
cellofaan-verpakt en bruin,
selderij en pompoenpastei,
ooms te dronken om ergens om te geven,
geconstipeerd maar nog vol leven
op het eind van de nationale feestdag.
Wij aten van heel andere kost,
kauwend op smog en regen

terwijl vlammen opsprongen uit de banden
en de glinsterende boten beneden
doorvoeren naar de Oriënt.
Bekleding rookte en gloeide
terwijl wij onze dankbare handen warmden
op het eind van de nationale feestdag,
wetend dat handen wijs zijn,
en het stevige cement prezen,
terwijl kalkoenen neervlogen als vliegen
om te rusten en te roosteren in de vlammen.


Weather for Pilgrims

At the end of Thanksgiving Day,
Driving across the bridge
(The longest bridge in the world),
The old car rattled and groaned,
Choked and clattered and died.
Out of the rear the sludge
Poured joyously free, unfurled,
At the end of Thanksgiving Day.

The bearings were castanets
That knocked like the shattered gates
Guarding the points of the world,
Oozed like the eggs of a carp
At the end of Thanksgiving Day,
Bounced on the trafficked stone.
Oil poured over the hood
And the Chevrolets swam home

To turkeys stuffed with squares
Cellophane-bagged and brown,
Celery and pumpkin pie,
Uncles too drunk to care,
Constipated but spry
At the end of Thanksgiving Day.
We dined on different fare,
Chewing the smog and spray

As flames spread up from the bands
And the glistening boats below
Sailed on to the Orient.
Upholstery smoked and glowed
As we warmed our thankful hands
At the end of Thanksgiving Day,
Knowing that hands are wise,
And praised the firm cement,
While turkeys flew down like flies
To roost and roast in the flames.


Weldon Kees
Vertaling: J. Eijkelboom

19-11-06

Kostas Karyotakis

Kostas Karyotakis Kostas Karyotakis werd in 1896 geboren in Tripolis op de Peloponnesos. Door het beroep van zijn vader (ingenieur) verhuisde het gezin vaak en groeide de jonge Kostas op in verschillende plaatsen in Griekenland. Karyotakis wordt gezien als een van de belangrijkste wegbereiders van de moderne Griekse poëzie, een positie die hij deelt met zijn bekendere tijdgenoot Kavafis.

Karyotakis studeerde af in de rechten in Athene, waarna hij in overheidsdienst kwam. Vanwege zijn karakter kwam hij al snel in botsing met de Griekse bureaucratie, met als gevolg dat hij overgeplaatst werd naar diverse standplaatsen in de provincie, waar hij zich niet zelden zeer ongelukkig voelde. Zijn laatste standplaats was Preveza, waar hij zich in een periode van diepe depressie in 1928 het leven benam.

Als dichter debuteerde hij in 1919 met De pijn van de mens en van de dingen gevolgd door Nèpenthè (1921) en Elegieën en Satiren (1927), de bundel die hem erkenning als dichter bracht, maar waarin, meer dan in zijn eerdere werk, de dood, waarvoor hij uiteindelijk zelf zou kiezen, een rol speelt.

In Nederland is Karytokis bekend geworden door de selectie uit zijn werk die in 1994 werd gepubliceerd door Hero Hokwerda. Dit boek, De onttakelde gitaar, deel VIII in de Obolosreeks van Griekse poëzie van uitgeverij Ta Grammata in Groningen, is nog steeds verkrijgbaar. De hieronder opgenomen gedichten zijn afkomstig uit dit boek. Om technische redenen nemen wij alleen de Nederlandse vertalingen op, in het boek is het werk, voor de liefhebbers van het Nieuwgrieks, tweetalig gepubliceerd. (Kees Klok)


            DON QUICHOTS

Don Quichots gaan voorop, en zien alleen het einde
van hun lanspunt, met de Idee als hun banier.
Kortzichtige visionairs, en nimmer schrijnde
een mensentraan hun ogen na een grove sneer.

Zij stuiten op de logica en op de stokken,
en sjokken na een dwaas pak slaag voort door het land;
na Sancho's 'hâ’k het niet gezegd' klinkt onverschrokken,
hun plannen waardig, 'Sancho, hier m'n rossinant!'

Zo ziet Cervantes hen; maar ík zag in dit wrede,
dit ene leven, hoe de ridders van de droom,
met vochtig oog lafhartig van hun paard gegleden,
verbitterd afstand deden van hun oud fantoom.

Terug zag ik ze keren: dwaze, fraaie vorsten,
die streden voor een koninkrijk dat niet bestond –
ze hielden, of er spottend purper van hen morste,
óp naar de zon hun nodeloze open wond!


Kostas Karyotakis
© vertaling Hero Hokwerda

Kostas Karyotakis

            LAATSTE REIS

Een goede vaart, m’n schip, daarginder opgenomen
in nachts oneindigheid, met al je flonkerlicht.
Zat ik toch op je plecht, en trokken dan mijn dromen
van vroeger in processiegang langs mijn gezicht.

Ging liggen dan de storm op zee en in dit leven
terwijl ik mee naar ver voer, alles hier ontvlucht;
kon ik mijn droefheid aan jouw deinen overgeven,
onwetend waar ik ging en zonder weg terug.


Kostas Karyotakis
© vertaling Hero Hokwerda

Kostas Karyotakis

            GA WEG, MIJN HART HUNKERT...

Ga weg, laat mij alleen, nu hoog het donker groeit
en diep beneden mij de chaos komt op wielen.
Zelfs heugenis van pijn is weldra uitgegloeid;
als bloem verwelkend in je hand ga ik ter ziele.

Ga weg, net als de tijd ging dat je méést gewone
woord mij al toeklonk als een lofzang op het leven.
Nu wordt mijn mond naar aardes moederkus gedreven
en spert zich open voor het lachen der aeonen.

Ga weg, mijn hart hunkert naar eindeloze vrede!
Je ádem woelt de Styx al op, de zwarte stroom
waarop als drenkeling ik drijf naar gindse zoom
van ´t absolute Niets, naar de Oneindigheden.


Kostas Karyotakis
© vertaling Hero Hokwerda

Kostas Karyotakis

            RECENSIE

Dit kan geen lied meer heten, dit is geen geluid
als van een mens. Het komt tot ons gezworven
als klinkt diep in de nacht de laatste noodkreet uit
van een die is gestorven.


Kostas Karyotakis
© vertaling Hero Hokwerda

Kostas Karyotakis

Wij zijn van die onttakelde gitaren,
en vlaagt de wind er somtijds overheen
dan klinkt een kermend vers door merg en been
van hun als snoeren bungelende snaren.

Wij zijn van die antennes die als rare
vingers vanuit de chaos om ons heen
echo’s van ’t Al geleiden naar beneên –
maar weldra brekend storten zij ter aarde.

Wij zijn van die zintuigen, ongericht
en nergens door tot eenheid te herleiden.
Heel de natuur heeft zich in ons ontwricht.

In heugenis en lichaam is ons lijden.
De werk’lijkheid stoot af, en het gedicht
is ons het toevluchtsoord dat wij benijden.


Kostas Karyotakis
© vertaling Hero Hokwerda

Kostas Karyotakis

            PREVEZA

Dood is: de kauwen die om strijd beginnen
te fladd’ren op een dak of grauwe pui,
de dood is: de vrouwen die zich laten minnen
als ging het om het pellen van een ui.

De dood is: de straatjes zomaar op de aarde
maar met hun naam zo glorieus en groot,
de zee rondom en de olijvengaarde –
en zelfs de zon is: dood bij alle dood.

Dood is: de diender pakt zijn karbonade
en weegt of zij te klein is na – quod non.
Dood is: de meester met zijn ochtendbladen,
de pot met hyacinthen op ’t balkon.

Komende zondag speelt hier de fanfare.
Preveza’s garde en zijn garnizoen.
De Bank gaf mij een boekje om te sparen;
meteen al dertig drachmen te voldoen.

Besta ik wel of niet, blijf je maar vragen
als op de kade je de benen strekt.
Toen we de standaard op de veerboot zagen
vermoedden wij bezoek van heer Prefect.

Ging er tenminste onder deze lieden
maar iemand dood van walg en ergernis...
dan hadden wij – decent, droef en timide –
nog wat vertier aan zijn begrafenis.


Kostas Karyotakis
© vertaling Hero Hokwerda

5-9-06

Reiner Kunze

Reiner Kunze Reiner Kunze, een van de productiefste hedendaagse Duitse dichters, werd in het historisch belaste jaar 1933 geboren in het plaatsje Oelsnitz in het Duitse Ertsgebergte. Na de middelbare school in Stollberg studeerde hij literatuur-, muziek- en kunstgeschiedenis aan de universiteit van Leipzig. Hij sloot zich op jonge leeftijd aan bij de SED, die in Oost-Duitsland de scepter zwaaide, maar begon al snel twijfels te uiten over de manier waarop deze partij het heil van de Oostduitse bevolking als geheel en die van de arbeidende klasse in het bijzonder meende te moeten nastreven. Het gevolg was dat hij geheel volgens de gewoonte van die dagen werd beschuldigd van contra-revolutionaire activiteiten. Het kostte hem zijn promotie en zijn eerste huwelijk. Kunze vond werk als hulpmonteur bij een transportonderneming. Zijn tweede huwelijk, met een uit Tsjechië afkomstige tandarts, stelde hem echter in staat zijn tijd volledig aan de literatuur te wijden. Toen hij na het mislukken van de Praagse lente openlijk afstand deed van de SED kreeg hij een publicatieverbod opgelegd dat later, onder de laatste Oostduitse leider Honnecker, weer werd ingetrokken. De druppel die de emmer van de Oostduitse tolerantie opnieuw deed overlopen was het verschijnen van zijn boek Die wunderbaren Jahre in 1977. Opnieuw volgde een publicatieverbod en uiteindelijk verliet Kunze, zeer tegen zijn zin, de DDR om zich in het zuiden van de Bondsrepubliek te vestigen. De onderstaande gedichten werden in 2001 gepubliceerd in Kruispunt in een vertaling van Albert Hulleman en wijlen Henk te Veldhuis. (Kees Klok)


      DE LIEFDE

De liefde
is een wilde roos in ons
Zij schiet wortel
in de ogen,
wanneer zij de blik van de geliefden ontmoeten
Zij schiet wortel
in de wangen,
wanneer zij de adem van de geliefde voelen
Zij schiet wortel
in de huid van de arm,
wanneer de hand van de geliefde deze aanraakt
Zij schiet wortel,
groeit tiert welig
en op een avond
of een morgen
voelen wij alleen maar:
zij zoekt ruimte in ons

De liefde
is een wilde roos in ons,
niet te doorgronden door het verstand
en daaraan ook niet onderworpen
Maar het verstand
is een mes in ons

Het verstand
is een mes in ons
om de roos te snijden
door honderd takken heen
tot een hemel


      DIE LIEBE

Die Liebe
ist eine wilde rose in uns
Sie schlägt ihre wurzeln
in den augen,
wenn sie dem blick des geliebten begegnen
in den wangen,
wenn sie den hauch des geliebten spüren
Sie schlägt ihre wurzeln
in der haut des armes,
wenn ihn die hand des geliebten berührt
Sie schlägt ihre wurzeln,
wächst wuchert
und eines abends
oder eines morgens
fühlen wir nur:
sie verlangt
raum in uns

Die liebe
ist eine wilde rose in uns,
unerforschbar vom verstand
und ihm nicht untertan
Aber der verstand
ist ein messer in uns

Der verstand
ist ein messer in uns,
zu schneiden der rose
durch hundert zweige
einen himmel


© Reiner Kunze
© vertaling Albert Hulleman & Henk te Veldhuis†

Reiner Kunze

      HYMNE OP EEN VROUW BIJ HET VERHOOR

Kwalijk was geweest
het ogenblik van het
uitkleden

Dan
blootgesteld aan hun blikken had zij
alles ervaren

over hen


      HYMNUS AUF EINE FRAU BEIM VERHÖR

Schlimm sei gewesen
der augenblick des
auskleidens

Dann
ausgezetzt ihren blicken habe sie
alles erfahren

über sie


© Reiner Kunze
© vertaling Albert Hulleman & Henk te Veldhuis†

Reiner Kunze

      UITNODIGING VOOR EEN KOPJE JASMIJNTHEE

Komt u binnen, doet u uw
Droefenis uit, hier
Mag u zwijgen


      EINLADUNG ZU EINER TASSE JASMINTEE

Treten Sie ein, legen Sie Ihre
traurigkeit ab, hier
dürfen Sie schweigen


© Reiner Kunze
© vertaling Albert Hulleman & Henk te Veldhuis†

Reiner Kunze

      GEVOELIGE WEGEN

Gevoelig
is de aarde boven de bronnen: geen boom mag
geveld, geen wortel
gerooid worden

De bronnen zouden kunnen
verdrogen

Hoeveel bomen worden
geveld, hoeveel wortels
gerooid

in ons


      SENSIBELE WEGE

Sensibel
ist die erde über den quellen: kein baum darf
gefällt, keine wurzel
gerodet werden

Die quellen könnten
versiegen

Wie viele bäume werden
gefällt, wie viele wurzeln
gerodet

in uns


© Reiner Kunze
© vertaling Albert Hulleman & Henk te Veldhuis†

13-12-05

Tugdual Kalvez

Tugdual Kalvez werd geboren in 1937. Hij was leraar filosofie en Bretons en een baanbreker in de modernisering van de Bretonse volksmuziek. Hij heeft zich op allerlei terreinen ingezet om het Bretons als minderheidstaal in Frankrijk te bevorderen, Zijn dichtbundel Blaz ar vuhez (De smaak van het leven) werd bekroond met de Xavier de Langlaisprijs 2000. De hier opgenomen gedichten werden eerder gepubliceerd in Kruispunt-Internationaal, maart-juni 2001. (Kees Klok)


            Wat ik leerde

Ik heb de taal van Cornouaille geleerd
bij jou op schoot, mijn moedertje

Ik heb de taal van Léon geleerd
om te kunnen lezen en te kunnen schrijven

Ik heb de taal van Vannes geleerd
om met mijn buurt te kunnen praten

Ik heb de taal van Trégor geleerd
om les te mogen en te kunnen geven

Ik heb de taal van Breizh geleerd
op elk terrein, in elke uithoek
om het lied van een ziel te doorgronden
om de taal van mijn kinderen een toekomst te bieden


Copyright vertaling © Jan Deloof

Tugdual Kalvez

Scheiding

Ons leven glijdt voorbij
            langs de sloot
die tussen ons is gegraven.
            En is dat beter
dan erin te belanden?


Copyright vertaling © Jan Deloof

Tugdual Kalvez

Zekerheid

Ik schrijf. Ik weet niet of ik een schrijver ben.
Ik zing. Ik weet niet of ik een zanger ben.
Ik denk. Ik weet niet of ik een denker ben.
Maar wat ik niet doe weet ik zeker:
           ik schrijf niet in het Frans,
           ik zing niet in het Frans,
           ik denk niet in het Frans,
           ik adem niet in het Frans...
Ik leef in een ander land,
De Bretonse wereld leeft in mij.


Copyright vertaling © Jan Deloof

6-10-05

Yannis Kondos

Yannis_kondosYannis Kondos werd in 1943 geboren te Egion op de Peloponnesos. Op zijn negentiende vestigde hij zich in Athene. Zijn eerste dichtbundel verscheen in 1970. Sindsdien groeide hij uit tot een van de belangrijkste hedendaagse dichters in Griekenland. In 1998 kreeg hij de Griekse Staatsprijs voor Poëzie voor zijn bundel Ο ΑΘΛΗΤΗΣ ΤΟΥ ΤΙΠΟΤΑ (De atleet van niks). Hij was actief als radiomaker en publiceert regelmatig beschouwingen over literatuur. Hij doceerde letterkunde aan de Kostas Kazakos Drama School in Athene en is redacteur bij uitgeverij Kedros. (Kees Klok)


De atleet van niks

Hij rent. Hij rent tegen de wind in.
Langs bergen, meren, steden, problemen
en problemen. Branden, oorlogen, ruzie, gezinnen.
Een paar mooie meisjes als hij stopt om zijn dorst te lessen.
Hij ziet ze maar even, raakt ze aan, vergeet zichzelf.
En weer het jagen, de hijgende adem,
de fragmentarische beelden, treinen die voorbijgaan
met vrolijke mensen. En hij
als opgejaagde, die zoveel sporten tegelijk
probeert. Die als laatste aankomt,
met de tong op de schoenen, door niemand gezien
omdat het publiek al is vertrokken.
In regen, in sneeuw, in zonneschijn: het lichaam
biedt weerstand - de geest vervliegt. Soms vergeet hij -
soms onthoudt hij. Tijdens een rustpoos om
de maan te zien denkt hij alsmaar aan de violette
vooravond, de strelingen en de beloften.
Hij rent en rent, terwijl zijn mede-atleten
de eindstreep hebben bereikt en prijzen
en toejuichingen vergaard. Hij volgt alleen de kringloop
van de tijd. Tijd als rechte lijn, als bocht of kronkel. Hij kijkt
niet achterom naar het gedicht, want vliegen, sprinkhanen
en de vervuilde lucht van de beschaving achtervolgen hem.
In het voorbijgaan ziet hij bomen en hemel,
ziet hij vogels, hij glimlacht en denkt
aan ontvluchten, aan wegvliegen.
Maar dat gaat niet, hij is voorbeschikt
voor deze rol. De rol van hardloper
met het onbekende einde.
Nacht en dag wisselen elkaar voortdurend af,
zijn ogen zijn gewend aan deze schemering. Nooit heeft hij zich
voorgesteld dat hij een held uit Samuel Beckett worden zou.
Nu nadert hij een duisternis
die hij ziet als een helder licht.
Met gezwollen wangen van inspanning
is het alsof hij de zeilen van het
Argonoutenschip moet bollen. Hij gaat en gaat.
Zijn voetzool herinnert hem onherroepelijk aan wat voorafging
en wat volgt. Hij wordt een wiel
dat vonken spat en hardnekkig voortgaat.
Het doel wordt vastgelegd,
elke dag of in het oneindige.
Een grote stap voorwaarts en hij verliest zich
in het ongewisse van het einde.

Yannis Kondos, uit: Ο ΑΘΛΗΤΗΣ ΤΟΥ ΤΙΠΟΤΑ, Athene, 1998
Copyright Nederlandse vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou
Eerder gepubliceerd in Maatstaf 47, 1999

Yannis Kondos

De vergeten regenjas

Midden in de zomer dacht ik
aan mijn oude regenjas.
Zwart linnen, maar nu in mijn
gedachten meedogenloos verbleekt door de zon.
Hij had, meen ik, gevoelens. Door de jaren
uitgespoeld gelooft hij
dat het altijd regent. Koplampen
lichten op in zijn vettige glans.
Als een geestverschijning duikt hij weer op in theaters,
bioscopen en restaurants. Hij zoekt
midden in de nacht een taxi.
Steeds gaat hij terug naar de diepte
van de kast en rookt nerveus.
De uren, de seizoenen
gaan moeizaam voorbij, maar hij hoopt dat de mode
zal veranderen, zodat hij weer gedragen wordt.
Tot ieders verbazing bewaart hij
zijn vorm, verspreidt hij een krachtige geur,
en op zijn kraag heeft hij roos
en verschillende witte haren.

Yannis Kondos, uit: Ο ΑΘΛΗΤΗΣ ΤΟΥ ΤΙΠΟΤΑ, Athene, 1998
Copyright Nederlandse vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou
Eerder gepubliceerd in Maatstaf 47, 1999

Zoeken

Colofon

Onder redactie van Chrétien Breukers en Ton van 't Hof. Vaste medewerkers: Fa Claes en Kees Klok. Reacties onder eigen naam of dichterspseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Brakke Verslog

Elders

Google Nieuws

Pagina's

Adverteren?

De Contrabas wordt meer dan 40.000 keer per maand bekeken. Wilt u ook tegen gunstige tarieven adverteren? Neem dan contact met ons op >> email

FeedCount

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005