Dichters C

29-7-06

Inger Christensen

Inger Christensen Inger Christensen (Vejle, 1935) behoort tot de belangrijkste dichters uit de moderne Deense literatuur. Behalve gedichten schrijft zij ook proza en kritieken en vertaalt zij uit het Duits. Zij debuteerde in 1962 met de bundel Lys (Licht). Een poëtisch hoogtepunt bereikte zij met haar sonnettenreeks Sommerfugledalen (Het vlinderdal), waarvan de eerste drie hier zijn opgenomen in een vertaling van Jytte Kronig, die eerder verscheen in het internationale poëzienummer van Kruispunt (Brugge 2001). Haar poëzie werd in 1994 bekroond met de belangrijke Swedish Academy Nordic Prize. (Kees Klok)


            HET VLINDERDAL

            I

Ze stijgen op, de vlinders der planeet,
als kleurig stof van het warme aardelichaam,
goud, oker vermiljoen en fosforgeel,
een wolk van elementen opgewerveld.

Is deze vleugelwemeling slechts een zwerm
van deeltjes licht gezien in mijn verbeelding?
Is het de gedroomde zomer van mijn jeugd
gesplitst als flitsen die in tijd verspringen?

Nee, het is de engel van het licht die zich
als zwarte Apollo mnemosyne schildert,
als vuurvlinder, als koninginnepage.

Ik zie ze met mijn mistige verstand
als veertjes in een dek van warmtenevel
in de middaghete lucht van het Brajcinodal.


            II

In de middaghete lucht van het Brajcinodal,
waar de herinnering vergaat en alles
in samenval van licht met plantendelen
van geurloosheid veranderd wordt in geur,

ga ik van blad tot blad terug en zet
ze aan de netel uit mijn kinderwereld,
de goddelijkste val van de natuur,
die vangt wat ooit als dagen kon vervliegen.

Daar zit de admiraal in zijn cocon
en wordt van lentegroene, gulzige larve
veranderd in wat wij karakter noemen,

om als de vlinders van die andere zomers
het purper van het leven op te delven
vanuit de onderaards bittere holte.


            III

Vanuit de onderaards bittere holte,
waar het kelderdonker met zijn vroegste gruwel
en al die wreedheid, die wij het liefst verbergen,
de diepte van de geest zijn bodem geven,

stijgt Morpheus op, de doodshoofdvlinder, allen,
die hun nachtvlinderkant naar buiten dragen,
en laat me zien, hoe zacht het is te vallen
in het asgrauwe en op god te lijken.

Het koolwitje uit een weiland nabij Vejle,
de witte ziel, bij wie op vleugelspiegels
de vluchtigheid van alles staat getekend,

wat wil het hier in deze duistere luchten?
Is het de achter mij gelaten pijn,
die bergbosjes verhullen met hun geuren?



            SOMMERFUGLEDALEN

            I

De stiger op, planetens sommerfugle
som farvestøv fra jordens varme krop,
zinnober, okker, guld og forforgule,
en sværm af kemisk grundstof løftet op.

Er dette vingeflimmer kun en stime
af lyspartikler i et indbildt syn?
Er det min barndoms drømte sommertime
splintret som i tidsforskudte lyn?

Nej, det er lysets engel, som kan male
sig selv som sort Apollo mnemosyne,
som ildfugl, poppelfugl og svalehale.

Jeg ser dem med min slørede fornuft
som lette fjer i varmedisens dyne
i Brajcinodalens middagshede luft.


            II

I Brajcinodalens middagshede luft,
hvor al erindring smuldrer, og det hele
i lysets sammenfald med plantedele
forvandler sig fra duftløshed til duft,

går jeg fra blad til blad tilbage
og sætter dem på barndomslandets nælde,
naturens mest guddommelige fælde,
der fanger hvad der før fløj væk som dage.

Her sidder admiralen i sit spind,
mens den fra forårsgrøn, forslugen larve
forvandler sig til det vi kalder sind,

så den som andre somres sommerfugle
kan hente livets tætte purpurfarve
op fra den underjordisk bitre hule.


            III

Op fra den underjordisk bitre hule,
hvor kældermørkets første drømmekryb
og al den grusomhed, vi helst vil skjule,
lægger bunden under sindets dyb,

op stiger Morfeus, dødninghoved, alle,
der vender aftensværmersiden ud,
og viser mig, hvor blødt det er at falde
ned i det askegrå og ligne gud.

Kålsommerfuglen fra en eng i Vejle,
den hvide sjæl, som har en tegning malet
af altings flygtighed på vingens spejle,

hvad vil den her i denne dystre luft?
Er det den sorg, mit liv har overhalet,
som bjergbuskadset dækker med sin duft?


© Inger Christensen
© vertaling Jytte Kronig

8-6-06

Juana Castro

Juana_castroJuana Castro werd in 1945 geboren te Villanueva de Córdoba (Spanje). Zij is professor-specialiste in de kinderopvoeding en sinds 1971 lid van de Real Academia de Córdoba de Ciencias, Bellas Letras y Nobles Artes. Als literair criticus heeft ze meegewerkt aan verschillende tijdschriften en dagbladen. Gedichten van haar werden vertaald in het Engels, Portugees, Tsjechisch, Catalaans en Frans. Ze schreef een twaalftal dichtbundels en was medevertaalster van een bloemlezing Italiaanse poëzie. Zowel haar poëtisch als haar educatief werk werd vaak onderscheiden. In 1995 bood Encarna Garzón García aan de universiteit van Córdoba een doctoraalscriptie aan over het werk van Juana Castro: Trayectoria poética de Juana Castro (1978-1992) waarvan het derde deel in 1996 werd uitgegeven onder de titel: Temática y pensamiento en la poesía de Juana Castro.

Sinds 1970 is ze actief begaan met culturele ondernemingen die belangstelling tonen voor de vrouw. In het bekende Palacio de Viana in Córdaba zijn in de muren van de patio enkele versierde faiencetegels aangebracht met daarop telkens een gedicht over de Palacio. Op één van die tegels staan verzen van deze dichteres. Van haar verscheen in 2005 de bundel Los cuerpos oscuros (2005) die over Alzheimer gaat. Juana Castro kent de ziekte van nabij, haar beide ouders zijn Alzheimerpatiënt. Haar vader is inmiddels overleden.


INANNA

Zoals de rijpe bloem van de magnolia
was ze groot en gelukkig. In het begin
bestond alleen Zij. Wit, vochtig en zacht,
had ze zich lief in het sombere
speeksel van de algen,
in de omheinde holten van de truffels,
in de zachte pubis van de merels.
Ze sliep in de havervelden
op bedden van meeldraden
en haar bijenlippen
openden, op een kier, de gouden
vulva’s van de lotusbloemen.
Ze streelde al het
licht van de oleanders
en in de blauwe sauriërs
dronk ze het heerlijke
sap van de maan.
Ze omvatte zich in de geurige
dijen van de ceders
en betokkelde haar poriën met het
onbeschadigde stuifmeel van de larven.
Glorie en lof aan Haar,
aan haar baarmoeder levendig van stampers,
aan haar vruchtbare orchidee en aan haar taille!
Laat haar genot uitschijnen
in druiven en in sterren,
in duiven en korenaren,
want ze is prachtig en groot,
o de witte magnolia. Alleen!


INANNA

Como la flor madura del magnolio
era alta y feliz. En el principio
sólo Ella existía. Húmeda y dulce, blanca,
se amaba en la sombría
saliva de las algas,
en los senos vallados de las trufas,
en los pubis suaves de los mirlos.
Dormía en las avenas
sobre lechos de estambres
y sus labios de abeja
entreabrían las vulvas
doradas de los lotos.
Acariciaba toda
la luz de las adelfas
y en los saurios azules
se bebía la savia
gloriosa de la luna.
Se abarcaba en los muslos
fragantes de los cedros
y pulsaba sus poros con el polen
indemne de las larvas.
¡Gloria y loor a Ella,
a su útero vivo de pistilos,
a su orquídea feraz y a su cintura!
Reverbere su gozo
en uvas y en estrellas,
en palomas y espigas,
porque es hermosa y grande,
oh la magnolia blanca. Sola!


© Juana Castro - 'Inanna' uit: Narcisia, 1986
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

APOCALYPS

                             De geest van de vallei sterft nooit;
                             hij heet het Mysterieus Vrouwelijke.
                             Het boek van het Tao

Zij is Pomona niet. Evenmin, als de Danaïden,
een vergulde tussen de borsten verborgen dolk.
Zij is Caliope niet, al is zij de stem en de schoonheid.
En hoewel ze, zoals de Najaden, bronnen en bossen liefheeft
is ze Estigia niet, niet Dafne,
niet de mooie Afrodite
noch de droom van de helden.
Maar zij is geboren.
Gelijk geurige ananas rijst ze op
gezalfd met rozemarijn
als levende processiemonstrans, en giet
vier van de zoetste glazen uit:
Omarming van de aarde,
muziek van de lucht,
gewelddadig licht van het vuur
en de siroop van het water.
Nooit zal er nog nacht zijn, want Zij
heeft zich vertoond
met haar vier trompetten en haar glorie.
En zo is het grote nieuws, de vreugde:
Want Zij werd geboren
en dit is het teken, alleluja.
Haar genade
zij met u allen, alleluja.


APOCALIPSIS

                              El espíritu del Valle no muere jamás;
                              se llama lo Misterioso Femenino.

                              Libro del Tao

Ella no es Pomona. Ni, como las Danaides,
una daga dorada oculta entre los senos.
Ella no es Calíope, aunque sea la voz y la belleza.
Y aunque, como las Náyades, ame fuentes y bosques,
no es Estigia, ni Dafne,
ni es la bella Afrodita
ni el sueño de los héroes.
Pero Ella ha nacido.
Como ananás fragante, se levanta
ungida de romero,
como custodia viva, derramando
cuatro copas dulcísimas:
Abrazo de la tierra,
música del aire,
luz violenta del fuego
y el almíbar del agua.
Ya no habrá nunca noche, porque Ella
se ha manifestado
con sus cuatro trompetas y su gloria.
Y así es la gran nueva, la alegría:
Porque Ella ha nacido
y esta es la señal, aleluya.
Que su gracia
sea con todos vosotros, aleluya.


© Juana Castro - 'Apocalipsis' uit: Narcisia, 1986
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

DE WARME DRUK VOELEN...

De warme druk voelen.
Voorzichtig
rondkijken, en weten
dat er niemand is.
Neerhurken. Je jurk
oprollen, aan je knieën
de minste blankheid overlaten
van de stof, zijn pluche
en plooitjes die de taille
en de liezen omsluiten.

Lauw en zacht
met de gouden straal
de zo droge aarde van augustus,
de subtiele hulpeloosheid van de mieren
in de geschonden bleekheid van de hooispijlen
bevochtigen.

Met de groene dichte damp van mei,
met zijn gevleugeld gemurmel,
met de verschrikte wedloop van de krekels
zijn schuimende geur
vermengen.

En in de winter, bij het inademen
van de intense kou van vers luchtblad,
een ademtocht opgewarmde wolk
doen oprijzen.

In het veld
urineren was
een klein ritueel
van hartelijkheid.


SENTIR EL PESO CÁLIDO...

Sentir el peso cálido.
Girar
previsora la vista, y saber
que no hay nadie.
Agacharse. Enrollar
el vestido, dejar en las rodillas
la mínima blancura
de la tela, su felpa
y el fruncido que abraza
la cintura y las ingles.

Mojar con el chorro dorado,
tibio y dulce la tierra
tan reseca de agosto, el desamparo
sutil de las hormigas en la hollada
palidez de los henos.

Mezclar
su fragancia espumosa con el verde
vapor denso de mayo, sus alados
murmullos, la espantada
carrera de los grillos.

Y en invierno, elevar
un aliento de nube
caldeada, aspirando el helor
de hoja fría del aire.

Orinar
era un rito pequeño
de dulzura
en el campo.


© Juana Castro - 'Sentir el peso cálido' uit: Fisterra, 1992
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

VERBANNING

Ik ben niet van deze aarde.
Ik was al vreemdelinge bij de verwijdering
uit de buik van mijn moeder
en alles, van mijn voeten tot het bed, kondigde mij
verbanning aan.
Ik zocht van de palmbomen
mijn stem tussen hun tekens
en doorboorde met ontstoken
toortsen het bittere
gebied van het git. Ik weet niet
welke vlucht van planeten mijn lot
zou verdraaien.
Op de woordloze wegomlegging weet ik dat ik ga
gelijk een bronstige slang, altijd voort
in het spoor van mijn ballingschap.

Mijn ziel zal haar rust niet vinden
tot ze in jou doordringt
en ik aan het licht kom
en lach.


DESTIERRO

Yo no soy de esta tierra.
Era ya extranjera en la distancia
del vientre de mi madre
y todo, de los pies a la alcoba me anunciaba
destierro.
Busqué de las palmeras
mi voz entre sus signos
y perforé de hachones
encendidos la amarga
región del azabache. Yo no sé
qué vuelo de planetas torcería
mi suerte.
Sobre el mudo desvío, sé que voy,
como víbora en celo, persiguiendo
el rastro de mi exilio.

No encontrará mi alma su reposo
hasta que en ti penetre
y me amanezca
y ría.


© Juana Castro - 'Destierro' uit: No temerás, 1994
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

KELK

En nu ben ik
zodanig aan je gelijk, moeder,
dat ik me niet herken in het glas
van deze zo aanwezige tekening van je.
Als je maar wist dat ik alles
wat ik van je heb gehaat en vervloekt
nu in mij ontdek
even exact en recent als de kring
van een steen in het water, herhaald.
Pas zag ik je opnieuw.
Raak me aan, leg mijn vingers
hier op je wonden, en open mij
die doornenroos van je flank.
Ik ben zozeer van jou dat de zee
voor haar gezang jouw stem in mijn stem kopieert.
En ik word wakker, en in de tijd beleef ik
jouw zelfde peilloze dorst, degene die altijd
in jouw holle gebeente
onherroepelijk brandde.
Ik ben je schim niet, ik wil
je scheppen nu op het scherp
van wie jou, herrezen, mijn wezen gaf.
Van dode tot dode zeg me:
Wie zoogt wie, serpent van me?


CÁLIZ

Y ahora soy
tan igual a ti, madre,
que no me reconozco en el cristal
de este retrato tuyo tan presente.
Si supieras que todo
lo que de ti he odiado y maldecía
ahora en mí lo descubro
tan exacto y reciente como el cerco
de una piedra en el agua, repetida.
Vengo a verte de nuevo.
Tócame, pon mis dedos
aquí sobre tus llagas, y ábreme
esta rosa de espinas del costado.
Soy tan tuya que el mar
tu voz copia en mi voz para su canto.
Y me despierto, y en la hora vivo
tu misma inmensa sed, esa que siempre
en tus huesos vacíos
irremediable ardiera.
Yo no soy tu fantasma, quiero
crearte ahora en el filo
de quien te dio mi ser, resucitada.
De muerta a muerta dime:
¿Quién amamanta a quién, serpiente mía?


© Juana Castro - 'Cáliz' uit: No temerás, 1994
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

DILEMMA

De verleiding heet liefde
of chocolade.
Verslaving is slecht.
Zonder vervangmiddelen.
Als enig arts, duivel of alchimist
mijn kwaal kende
dan was het zaak
om mij mijn leven lang te laten behandelen.
Want alleen een drogeermiddel
met zijn gevangenis
van vergetelheid redt mij van het andere.
En bijgevolg, nog maar eens, is het conflict:
Ofwel verteert de liefde mij,
of ik sterf deze nacht van de pralines.


DISYUNTIVA

La tentación se llama amor
o chocolate.
Es mala la adicción.
Sin paliativos.
Si algún médico, demonio o alquimista
supiera de mi mal
cosa sería
de andar toda la vida por curarme.
Pues tan sólo una droga,
con su cárcel
del olvido me salva de la otra.
Y así, una vez más, es el conflicto:
O me come el amor,
o me muero esta noche de bombones.


© Juana Castro - 'Disyuntiva' uit: Alada mía, 1996
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

ZAKDOEKEN

Bij een windvlaag gingen
de papieren vliegen, en ze strooien over de vloer
hun vorm van blankheid rond.
Droog veld bezaaid
met heldere rechthoeken,
zuivere schaduwtongen.

- Mijn zakdoeken zijn anders. Van batist of linnen
liggen zij op de weide - hun zoomsteek gevleugeld -
en van mijn handen ontvangen zij
hun volmaaktheid van water.

Gevallen schriftuur.
Zakdoeken
                    en zakdoeken,
mijn leven, woord.


PAÑUELOS

En un golpe de aire los papeles
han salido volando, y esparcen por el suelo
su forma de blancura.
Campo seco, sembrado
de rectángulos tersos,
limpias lenguas de sombra.

-Mis pañuelos son otros. De batista y de lino,
descansan sobre el pasto -sus vainicas aladas-
y a mis manos reciben
su perfección de agua.

Escritura caída.
Pañuelos
                    y pañuelos,
vida mía, palabra.


© Juana Castro - 'Pañuelos' uit: Del color de los ríos, 2000
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

DE LOTUSETERS

          Amsterdam 1998

Om twaalf uur ‘s middags komt de spraakloze engel
van de immigranten door de lucht voorbij. Alles
rijst op en is damp
van vers gebakken brood met aroom
van bloemen. In de wijken, op de trams,
aan de ramen en in de metro koopt elke immigrant
zijn bloem van elke dag en een
portie brood. Bruin brood, hoog brood,
wit brood, blond brood, van rogge of uit het zuiden.
Elke immigrant ruikt
zijn brood van elke dag terwijl hij bijt, één voor één
op de regenboogkleurige kruimels bijt
van zijn portie bloem.


LOTÓFAGOS

          Amsterdam 1998

A mediodía, por el aire, pasa
el ángel mudo de los inmigrantes. Todo
se alza y es un vaho
de pan recién cocido con aroma
de flores. En los barrios, los tranvías,
las ventanas y el metro, cada inmigrante compra
su flor de cada día y una
ración de pan. Pan moreno, pan alto,
pan blanco, pan rubio, de centeno o del sur.
Cada inmigrante huele
su pan de cada día mientras muerde, una a una
las irisadas migas
de su ración de flor.


© Juana Castro - 'Lotófagos' uit: El extranjero, 2000
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

PENELOPE

          Kaboel

Mij, gekooid vogeltje, hebben ze de ogen uitgestoken
en mij blijft een geruit patroon
op de wereld gekopieerd.
Zelfs mijn eigen zweet behoort mij niet toe.
Wacht in het voorvertrek, zeggen ze, en ik verstrengel
mijn handen terwijl ik de geiten benijd
die op de berg de topjes van de takken bijten.
Verblind door geschiedenis en lijnwaad
verdwaal ik tussen de schimmen
en ik loop op de tast
het licht van het middaguur te tellen.
Mijn nacht van last
die zonder verlichting mij de hoop
ontneemt van de tijd
vastgezet in geschrift. Mijn nacht, mijn licht
in zwart geruit, hoe weegt
mijn mantel en zijn borduurwerk, hoe lang nog
blijft de zwarte vrede van de hemel uit, hoe lang nog.


PENÉLOPE

          Kabul

Pajarillo enjaulado, me han quitado los ojos
y tengo una cuadrícula
calcada sobre el mundo.
Ni mi propio sudor me pertenece.
Espera en la antesala, me dicen, y entrelazo
mis manos mientras cubro de envidia
las cabras que en el monte ramonean.
Ciega de historia y lino
me pierdo entre las sombras
y a tientas voy contando
la luz del mediodía.
Noche mía del fardo
que sin luces me arroja
la esperanza del tiempo
engastado en la letra. Noche mía, mi luz
cuadriculada en negro, cómo pesa
mi manto y su bordado, cuánto tarda
la paz negra del cielo, cuánto tarda.


© Juana Castro - 'Penélope' uit: El extranjero, 2000
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

OCEANEN

Met hen hoor ik de zee.
Ik hoor de zee en bezoek de holten
van de schaduw op hun lippen.
(Maar ik weet niet of ze lippen hebben).

Ze zijn groot en ze zijn langzaam gelijk twee
slurfdieren. Ze vallen
elke dag honderd keer door hun weke
x-been-knie. Ik geef ze
te drinken, smeer de rode huid
van hun stuitbeen in
met pommade en olie
en om twaalf uur zet ik ze op het balkon.

De één praat en praat en praat zonder ophouden
een taal van vod
   en van spons
      en van water,
terwijl de ander - de andere -
zich onderbreekt met haar eigen huig.

En de zee komt binnen en gaat weg,
ze gaat van hun kamer naar de keuken
en mij maakt ze met staalgrijze kleur
mijn polsen nat.

Als de maan opkomt
hermaak ik twee nesten met sjaals
   en melk en slabbetjes
en ik ga zitten luisteren.

En de zee beukt langzaam
   - heel
      langzaam -
tegen hun buiken van zand.


OCÉANOS

Con ellos oigo el mar.
Oigo el mar y visito los huecos
de la sombra en sus labios.
(Pero no sé si tienen labios).

Son grandes y son lentos como dos
proboscidios. Se caen
cada día cien veces de su tierna rodilla
zamba. Yo les doy
de beber, les unto
de pomada y de aceite
la piel roja del coxis
y a las doce los pongo en el balcón.

Habla y habla y habla el uno sin parar
una lengua de trapo
   y de esponja
      y de agua,
mientras el otro -la otra-
se atora con su propia campanilla.

Y el mar entra y sale,
va desde su cuarto a la cocina,
y a mí me humedece
de color gris acero las muñecas.

Cuando brota la luna
yo rehago dos nidos con bufandas
   y leche y baberolas
y me siento a escuchar.

Y el mar bate despacio
   -muy
      despacio-
en sus vientres de tierra.


© Juana Castro - 'Océanos' uit: Los cuerpos oscuros, 2006
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

DE OPGEBORGENEN

De gegrendelden. De levend opgeborgenen.
In de war geraakt, vastgeketend in het achterste deel
van het huis, worden ze verteerd en praten.
Buiten loopt de dood.
Ze praten tegen het televisietoestel en tegen hun doden.
Ze vergeten de toekomsttermijnen
zoals ze vandaag vergeten
welke dingen hen gisteren pijn deden.
De ramen openen ze niet
om zon en dieven niet binnen te laten,
en de hemel heeft een dak van asbestcement,
en ze willen niet weten op welke leeftijd
hun moeder of hun vader is gestorven.
En vergeten! Ze vergeten zich boos te maken, ze slikken
de uren, de bouillon, de pilletjes, en ze slepen hun naam
en hun twee voeten mee als een geheim.
En ze lezen en herlezen, keer op keer,
hardnekkig als koorddansers,
de lichtrekening, het testament,
de huwelijksuitnodiging van een achternicht.

- Stappen, vader, je moet stappen.
En hij staat op en gaat buiten en stapt omdat zijn dochter
hem heeft gezegd dat hij elke dag moet stappen
als hij niet wil roesten.
Terwijl moeder, om het scherp niet te zien,
om de dood niet te zien,
vergeet dat het vandaag woensdag is, vergeet dat het augustus is.
Ze vergeet dat ze heeft geleefd.
En ze zwoegt, en is in de weer, en ze lacht en ze lacht.
- Zo zie je maar dat ik tachtig jaar word.


LOS ENCERRADOS

Los atrancados. Los encerrados vivos.
Oscurecidos, aherrojados en el último cuerpo
de la casa, se consumen y hablan.
Corre la muerte afuera.
Hablan con el televisor y con sus muertos.
Olvidan los plazos del futuro
igual que olvidan hoy
qué cosas les dolieron ayer tarde.
No abren las ventanas
porque no entren el sol ni los ladrones,
y el cielo está techado de uralita,
y no quieren saber a cuántos años
se murieron su madre ni su padre.
Por olvidar, olvidan enfadarse, se tragan
las horas, el caldo, las pastillas, y arrastran
su nombre y sus dos pies como un misterio.
Y leen y releen, una vez y otra vez,
tercos como funambulistas,
la cuenta de la luz, el testamento,
la invitación de boda de una sobrina nieta

–Anda, padre, hay que andar.
Y se levanta, y sale, y anda, porque su hija
le ha dicho que hay que andar cada día
si no quiere oxidarse.
Mientras madre, para no ver el filo,
para no ver la muerte,
olvida que hoy es miércoles, olvida que es agosto.
Olvida que ha vivido.
Y se afana, y trajina, y se ríe y se ríe.
–Cómo voy a tener yo ochenta años.


© Juana Castro - 'Los encerrados' uit: Los cuerpos oscuros, 2006
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

UITKIJK

Onder de lichtkring, de spuwbak in de hand,
luiden jullie de klok nog verder weg,
in het bootje weggedreven
van de oever en van het bed.

Ik ben een krengen etende vogel:
ik houd jullie in ‘t oog ‘s nachts
met honderden retina’s,
glazen wanden deze vleugels
van door stoten gewonde vleermuis.

Mijn droom met kuras: met jullie sterft hij uit.
Met de kleur van roze en bleek staat jullie mond
gebeiteld bij de warmte van deze avond,
en ik sterf van schrik
omdat ik weet dat jullie alleen zijn,
omdat meeuwen van benauwdheid kreunen in je borst
en er zijn mussen zonder tong
zich blind te pletter aan het vliegen in de
sneeuwspiegel van de kast.

Vampieren, de beek
ontploft en komt tot aan het weke
hart van de lakens.

Beek en het lemmet, jullie bloed
voor de luchtdijk
die naar de vloer roeit.
Nog warm jullie, ik haal opgelucht adem.
Het hele huis in rust.
Jullie mogen al opstaan: het wordt
            opnieuw morgen.


VIGÍA

Bajo el cerco de luz, escupidera en mano,
repicáis aún más lejos,
perdidos en la barca
de la orilla y la cama.

Soy ave carroñera:
os vigilo en la noche
a cientos de retinas,
vidrieras estas alas
de murciélago herido por los golpes.
A coraza mi sueño: con vosotros expira.

Color de rosa y palo se esculpe vuestra boca
al calor de esta noche,
y me muero de espanto
porque sé que estáis solos,
porque rugen gaviotas de sofoco en el pecho
y hay gorriones sin lengua
estrellándose ciegos en la luna
de nieve del armario.

Vampiros, el arroyo
revienta y llega al hueco
corazón de las sábanas.

Arroyo y la cuchilla, sangre vuestra
para el dique del aire
que contra el suelo rema.
Aún calientes, respiro.
Toda la casa en calma.
Ya podéis levantaros: otra vez
            amanece.


© Juana Castro - 'Vigía' uit: Los cuerpos oscuros, 2006
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

CANTILENE

Ze lacht gelijk zwakzinnige kinderen.
Als je haar vraagt of de vogel zong vandaag
lacht ze
en als je haar zegt dat ze het kleedje niet mag stukknippen
lacht ze ook.

Met haar maangezicht en haar heimelijkheid
gaat ze scheep in haar papieren en dwaalt af,
en ik moet haar bij de hand meevoeren
alsof het appartement een doolhof was.

En ze weet nooit of ze Antonia heet
of Maria Petra of Carmen,
en niet of het zondag of dinsdag is,
en soms blijft ze midden in een
beweging hangen alsof vrieskou
haar spieren of haar oordeelsvermogen bevroor.

Maar van tijd tot tijd
meen ik een klok te horen in haar zwijgen,
de schaduw van een andere tijd die van dichtbij
een plooi van haar lach of van haar vergetelheid doorkruist.


CANTILENA

Ella se ríe como los niños tontos.
Si le preguntas si cantó hoy el pájaro,
se ríe,
y si le dices que no corte el tapete,
también ríe.

Con su cara de luna y su sigilo
se embarca en los papeles y se pierde,
y tengo que llevarla de la mano
como si el piso fuera un laberinto.

Y nunca sabe si se llama Antonia,
o María Petra o Carmen,
ni si es domingo o martes,
y a veces se queda suspendida
a medio movimiento, tal si un yelo frío
le congelara el músculo o el juicio.

Pero, de tarde en tarde,
atisbo en su mudez una campana,
la sombra de otro tiempo que cercana cruzase
un pliegue de su risa o de su olvido.


© Juana Castro - 'Cantilena' uit: Los cuerpos oscuros, 2006
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

DE ANDEREN

Verbeeld je een eenarmige. Iemand
drijft met geweld
ijskoude soep in zijn mond
of hem pikken lijsters
onbarmhartig een straaltje
bloed uit zijn borst.

Verbeeld je een manke. Gelijk een zak
stenen of glas voeren ze hem
van de nacht naar zijn stoel,
van een zoekgeraakte zon tot aan de muziek
of van de waterput naar de kou.

Verbeeld je een stomme. Niemand krijgt het gedaan om
de exacte schommelstoel langs zijn curve te laten glijden,
of om de striemen te vinden
van dit lange leed van zijn wensen.

Verbeeld je een mol. Maar een verlamde
en zwarte mol, een voltooide bijenzwerm
in zijn preutsheid van kou.

Die mol, die blind is,
en mank, en eenarmig en stom.
Die gestrikte mol
die elke dag sterft
in de armen, het oordeel, de blik,
de verwachting en zelfs de verschrikkelijke
zoen van de anderen.


LOS OTROS

Imagínate un manco. Alguien pone
con cuchara de fuerza
sopa helada en su boca
o le pican zorzales
un hilillo de sangre
sin piedad por el pecho.

Imagínate un cojo. Como a un saco
de piedras o cristales lo transportan
de la noche a la silla,
desde un sol extraviado hasta la música
o del pozal al frío.

Imagínate un mudo. Nadie sabe
deslizar por su curva la exacta mecedora,
ni dar con las estrías
de ese largo dolor de los deseos.

Imagínate un topo. Pero un topo
paralítico y negro, enjambre terminado
en su pudor de frío.

Ese topo que es ciego,
y cojo, y manco, y mudo.
Ese topo atrapado
que muere cada día
en los brazos, el juicio, la mirada,
la ilusión y hasta el beso
terrible de los otros.


© Juana Castro - 'Los otros' uit: Los cuerpos oscuros, 2006
© vertaling Fa Claes

Juana Castro

ER WAS EENS

          Voor Encarna Garzón en voor Mercedes Palomo

Over de weg met de draadafsluiting viel de volle maan.
De volle maan viel op de steeneiken
en zij liep alleen met haar kat Toribio.
De stad was ver en het dorp was ver
en zij liep door het veld
alleen en alleen in de schaduw van de maartnacht.

Dat was een hoeve en een vrouw en een kat
en de schijnende maan alleen alleen in de droom.
- Als je volwassen zult zijn zul je de wereld afreizen.

Als ik volwassen zal zijn.
Daarom kom ik nu naar de hoeve en voel ik me
eenzamer dan de één in de maartnacht,
en ik weet dat ik slaap heb, en weet dat ik al heb geleefd,
en de stilte hoor je zoals het maanlicht valt
op de lange weg met draadafsluiting en met stof.

- Je bent niet meer dan een kleine meid.
Je bent een fantasierijke kleine meid die slaapt,
want je wil graag gelijk de katten rechtop slapen.

Het was maart en nacht en er was een vrouw
alleen alleen aan het komen
begeleid door een kat die ze Toribio noemde.

Ik ken haar zelfs niet.

Ik weet alleen dat ik haar
de ramen zie sluiten
zoals iemand een volmaakt en
voltooid boek sluit en haar zie praten tegen haar kat
zoals tegen de gek Toribio.

Alleen alleen in de zwijgzame maartnacht.

Zij lachte altijd.
Zij slaapt in een veld
dat anders is en hetzelfde.
Zij strekt haar lichaam, en haar kat Toribio
valt stilletjes in slaap.

En de volle maan schijnt aldoor op de hoeve.


ERA UNA VEZ

          A Encarna Garzón y a Mercedes Palomo

Por el camino de los alambres caía la luna llena.
La luna llena caía en las encinas
y ella andaba sola con su gato Toribio.
La ciudad estaba lejos y el pueblo estaba lejos,
y ella iba en el campo
sola y sola en la sombra de la noche de marzo.

Esto era un cortijo, y una mujer, y un gato,
y la luna brillando sola sola en el sueño.
–Cuando seas mayor recorrerás el mundo.

Cuando yo sea mayor.
Por eso llego ahora al cortijo y me siento
en la noche de marzo más sola que la una,
y sé que tengo sueño, y sé que ya he vivido,
y el silencio se escucha como cae la luna
en el camino largo de alambres y de polvo.

–No eres más que una niña.
Tú eres una niña fantasiosa que duerme,
porque quiere dormirse de pie como los gatos.

Era marzo y la noche, y había una mujer
sola sola viniendo
de la mano de un gato que llamaba Toribio.

Yo ya no la conozco.

Sólo sé que la veo
cerrando las ventanas
como quien cierra un libro
perfecto y acabado, y hablándole a su gato
como al tonto Toribio.

Sola sola en la noche silenciosa de marzo.

Ella siempre reía.
Ella duerme en un campo
que es otro y es el mismo.
Ella tiende su cuerpo, y su gato Toribio
se adormece en silencio.

Y está la luna llena dando luz al cortijo.


© Juana Castro - 'Era una vez' uit: Los cuerpos oscuros, 2006
© vertaling Fa Claes

1-3-06

Kyriakos Charalambidis

Kyriakos CharalambidisKyriakos Charalambidis is een van de belangrijkste en meest bekroonde hedendaagse Cypriotische dichters. Hij werd in 1940 geboren in Achna en groeide op in Ammochostos (Famagusta). Na zijn studie archeologie en geschiedenis aan de Universiteit van Athene werkte hij korte tijd als leraar in het middelbaar onderwijs en daarna tot zijn pensioen bij de Cypriotische radio.

Hij publiceerde tot nu toe negen gedichtenbundels: Proti Pigi (1961), I Agnia tou Nerou (1967), To Angeio me ta Schimata (1973), Acheon Akti (1977). Voor Ammochostos Vassilevousa (1982) kreeg hij samen met de twee voorgaande de Staatsprijs voor Poëzie van Cyprus. Zijn volgende bundel, Tholos (1989), werd bekroond met de prijs van de Academie van Athene. Voor zijn zevende bundel, Methistoria (1995), ontving hij de Staatsprijs voor Poëzie van Griekenland. Na Dokimin (2000) verscheen in 2003 Eyialoúsis epískepsis.

Hij vertaalde drie gezangen van Romanos o Melodos, uitgeven in 1997, waarvoor hij de prijs van de Griekse vereniging van literaire vertalers ontving. In 1998 kreeg hij in Egypte de Kavafis-prijs en in 2003 de Kostas Ouranisprijs van de Academie van Athene voor zijn gehele oeuvre. Hij publiceerde eveneens essays over literatuur en nam deel aan verschillende internationale poëzie- en kunstmanifestaties, waaronder het One World Poetry Festivial in Nederland in 1985. (Kees Klok & Stella Timonidou)


            De begrafenis van Sarpidon

Toen Slaap, de wereldreiziger op sandalen,
verbitterd kwam om zijn gezicht om te draaien,
trof hij hem vermoeid aan.

Hoe gaat het met je Yorgos, sprak hij, leef je nog mijn kind?
Leg je helm en je schild af
en zeg me of je leeft, anders zal ik boos op je worden.

De zoon lag gestrekt op de versbegroeide vlakte
met kort opgeschoten gras
en schonk de Slaap een glimlach.

Zijn vader zag het evenals zijn moeder,
aangedaan haalden zij water.

Yorgos werd de volgende morgen wakker; de wind
die door de lege lichamen woei
scheerde langs zijn schrale gezicht.


'De begrafenis van Sarpidon' uit: Θόλος (Athene, 1989)
Copyright vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou

Kyriakos Charalambidis

            Opschriften

'Ons land hangt vol vreemde uithangborden;
met de grootste moeite vind je een Grieks woord
om je eraan te herinneren dat je in een Grieksorthodoxe
plaats rondwandelt: Barnabas, Paulus, Lazerus.....'

aldus Andreas. En Simos: 'Maar zeg eens
of je werkelijk in de Opstanding gelooft.'

'Om je de waarheid te zeggen, eigenlijk ben ik niet
echt overtuigd. En wat denk jij?'

'Ik zeg je dat je het woord thanatos,
dat puur Grieks is, niet moet gebruiken,
het woord thanatos moet je uitspreken als death.'


'Opschriften' uit: Δοκίμιν (Athene, 2000)
Copyright vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou

Kyriakos Charalambidis

            Verjaardag van het Paard

Weinig bleef er behouden van Engomi en Salamina,
zoals een ontdaan standbeeld in zee.

De Italiaan die het vond zoog
aan de acht borsten van de moeder en de dochter
(visnet, halve maan om haar haren)
en leverde het over aan de invaller.

Ik moest er hoe dan ook van gaan genieten.
Wat heb ik dus gedaan: Ik hulde mij
's nachts in de rode vlag, pakte ook een sabel
en ging door de Famagustapoort naar buiten.
Terwijl ik daarna een gat stak in het licht
- dat is geen leugen - betrad ik het kamp van de Trojanen.
De moedige Diomedes stond mij bij
en naast hem de vindingrijke Odysseus.


'Verjaardag van het Paard' uit: Αμμόχωστος Βασιλεύουσα (Athene, 1982)
Copyright vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou

Kyriakos Charalambidis

            Bij bewustzijn komen

De laatste Griekssprekende inwoonster van Trikomo werd in coma overgebracht naar het vrije gebied, waar zij werd opgenomen in het Algemeen Ziekenhuis van Nicosia, waar zij helaas niet meer bij bewustzijn is gekomen. De bejaarde Katina, die gedurende 19 jaar bezetting nooit naar het vrije gebied reisde omdat zij erin volhardde haar dorp niet te verlaten, laat acht kinderen, 20 kleinkinderen, 30 achterkleinkinderen en vier achterachterkleinkinderen na. De kinderen van de bejaarde Katina willen haar niet overbrengen naar de begraafplaats van Trikomo, omdat deze door een tractor is omgeploegd en er zich zelfs geen kruis meer bevindt, terwijl men er schapen laat grazen.

                                                                        (Uit een krantenbericht, 2.9.1993)

Een tractor was op een begraafplaats in slaap gevallen
en toen hij wakker werd ontdekte hij zijn fout.
'Er is niets mis met schapen, mompelde hij,
maar het is een schande dat ze tussen zerken grazen.

Welke duivel slaagde erin mij dronken te voeren,
ik die kinderen had en kleinkinderen en achterkleinkinderen
en vier achterachterkleinkinderen, uitgezaaid
op een opgeschoten vlakte. Ik verloor alle remmen.

In ongekende razernij stampte ik rond over het
teken van het kruis, terwijl ik stukken marmer rondslingerde
naar mijn verblinde hart. En hier ben ik nu
in het Algemeen Ziekenhuis van Nicosia.'
                                                               (Pauze)

De oude vrouw kwam niet meer bij bewustzijn;
voor het eerst afgesneden van haar grond.
Het waren die negentien jaar waardoor
haar dorp zijn wortels met kracht
door de diepte van haar lichaam verbreidde.

En zij heeft het nu meegebracht naar de zaal hier.
Het is voor het eerst dat een kleinkind haar ziet:
'Voor mij is mijn grootmoeder een icoon.
Ik respecteer haar lijden en prijs
het Turkse jongetje gelukkig dat haar brood bracht.'
                                                                         (Pauze)

'Dat hebben mijn ogen met zoveel woorden gezien.
En nu weer terug naar mijn dorp,'
sprak de berouwvolle tractor.


'Bij bewustzijn komen' uit: Μεθιστορία (Athene, 1985)
Copyright vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou

30-10-05

Dínos Christianópoulos

Dinos Christianopoulos Dínos Christianópoulos werd geboren in 1931 in Thessaloníki, waar hij nog steeds woont. Hij publiceerde meer dan tien dichtbundels en daarnaast essays, verhalen en bibliografieën. Hij wordt gezien als een leerling van Kaváfis, omdat zijn poëzie op het eerste gezicht eenzelfde sfeer ademt. Ook zijn er in zijn werk neorealistische invloeden te bespeuren. Hij trekt zich in zijn poëtica weinig aan van de heersende moraal en geeft zichzelf soms op provocerende wijze bloot. Zijn poëzie handelt over het gebrek aan liefde en de zoektocht naar een partner, maar ook over sociale problemen, de bitterheid over zijn maatschappelijke uitsluiting en de zorg over het dagelijkse bestaan. In 2000 verscheen zijn verzameld werk onder de titel Ποιήματα 1949-1999. 'Wroegingen' en 'Zaterdagavond' verschenen eerder in Kruispunt nr. 188 en 'Meer en meer' in Kruispunt nr. 185. (Kees Klok & Stella Timonidou)


Wroegingen

Als de dagen voorbij gaan en de leeftijd
van de nederigheid zich verwijdert, voel ik
dat de onmerkbare scheuren in mij
van nacht tot nacht toenemen:
wegen die ik nam met neergeslagen ogen,
lichten die meedogenloos op mij vielen,
woorden grover nog dan handgebaren -
maar bovenal het aangezicht van mijn moeder,
als ik 's avonds laat thuiskom en haar wachtend
aantref met een boek in haar hand,
zwijgend, wakker gebleven en bleek.


Wroegingen uit: Ξένα γόνατα, 1954
Copyright Nederlandse vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou

Dínos Christianópoulos

Zaterdagavond

Van Vardári tot Sindriváni
en van de Toren tot het Plein van Justitie,
zoek ik je in alle hoerenbuurten,
was ik op alle bouwterreinen om je te vinden.

Misschien zit je in een of andere bioscoop,
misschien speel je in een of andere biljartzaak,
wie weet heeft de een of andere zuiplap plezier met je,
in welke kamer, in welk park, in welke tent?

En ik dwaal eenzaam zonder mijn dorst te lessen
van Vardári tot Sindriváni.
Deze koorts wordt niet verdreven,
mijn hart wordt niet door anderen bemand.


Zaterdagavond uit: Ανυπεράσπιστος καημός, 1960
Copyright Nederlandse vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou

Dínos Christianópoulos

Meer en meer

In het nauwelijks hoorbare gefluister van de avond,
in het geheime roepen van de nacht,
begon, mijn ziel, ook jij je meer en meer
vrijheden te veroorloven; je begon ook
gemakkelijker de blik en de woorden te krijgen,
sneller het geld van de hartstocht,
minder en minder aarzelingen,
en je geeft jezelf en haast je en je raakt in verval
en nog volhard je in hoop
met een roodgloeiende fantasie,
met een lichaam ten prooi aan de vlammen van opwinding,

al rijp voor het verlies.


Meer en meer uit: Ξένα γόνατα, 1954
Copyright Nederlandse vertaling © Kees Klok & Stella Timonidou

4-9-05

Harold Hart Crane

Harold Hart Crane De Amerikaanse dichter Harold Hart Crane (1899-1932) is het prototype van de tragische dichter. Zijn vader was zakenman, maar hij wou niet in zijn voetstappen treden. Zijn levensloop was onbestendig, waarin hij altijd op hoge hoogtes en in diepe dalen heeft geleefd. Volgens sommigen had hij een neiging tot zelfvernietiging. Daarnaast bemoeilijkte zijn voorliefde voor mannen zijn leven. In zijn poëzie probeerde hij een balans te vinden. Geïnspireerd op het werk van grootheden als Whitman en Poe en op de Elizabethaanse poëzie, heeft hij geprobeerd om zijn persoonlijke visie op het Amerika van zijn tijd weer te geven. Zijn magnus opus is The Bridge (1930), een epos waarin het verleden en heden van Amerika vervlochten zijn. Volgens velen heeft hij hiermee echter niet de belofte van zijn groot poëtisch talent ingelost. Zij zullen het met White Buildings (1926) moeten doen, dat ook enkele mooie gedichten bevat. In 1932 maakte hij een einde aan zijn turbulente leven door, onderweg van Mexico naar Amerika, van het schip te springen. (Joris Lenstra)


Een naam voor allen

Maanvlinder en sprinkhaan die onze bladzijde ontvluchten
En nog verder vliegen, onbezoedeld door de naam
Die we op jullie lichamen binden om onze jaloezie
Voor jullie vrijheid te bevredigen - we moeten verminken

Omdat we onderdrukkers zijn en geërgerd -
En de vleugel oppakken en het schrammen in de hand.
Namen hebben we, zelfs, om mee op de wind te slaan;
Maar we moeten sterven, als jij, om het te begrijpen.

Ik heb gedroomd dat alle mensen hun namen opgaven en zongen
Zoals alleen zij kunnen doen in verering, die hun dagen optekenen
Uit de vin en de hoef, met de vleugel en de gezoete giftand
Die toeslaan vrij en heilig in één Naam voor altijd.

'Een naam voor allen' uit: White Buildings (1926)
Copyright Nederlandse vertaling © J. Lenstra 2005

Harold Hart Crane

Ochtend in de haven

Nadrukkelijk in je slaap - stemmen van eb en vloed -
Ze komen je halverwege tegemoet terwijl je luistert in jouw droom,
Die trage, vermoeide tonen, door mist geïsoleerde klanken:
Klokken in witte koorhemden, gesluierde jammerklanken,
Veraf gerommel van misthoorns . . . signalen die in sluiers uiteengaan.

En dan zal een vrachtwagen met hout geladen over de werven dreunen
Terwijl de motoren van een lier beginnen te bonzen op een dek;
Of de kreet en klap van een dronken stukadoor daar beneden
Die door de steeg naar boven toe echoot door de zachte sneeuw.

En als ze je soms je slaap ontnemen
Geven ze die ook weer terug. Zachte mouwen van geluid
Begeleiden de schemerende haven, de baai is als een kussen;
Ergens daar buiten in het onbeschrevene gaat

Stoom over in stoom, en doolt, weggespoeld
- Zenuwachtig door het felle fluiten, dwarrelt,
Te midden van verre kimmende reddingsboeien - losgeslagen. De hemel,
Koele, veren kudde, onderbreekt, doordringt
Deze weifelende slaap . . . Langzaam -
Onheuglijk het raam, de halfbedekte stoel
Vraag om niets behalve deze schede van lijkbleke lucht.

En jij naast me, gezegend nu terwijl sirenes
Ons toezingen, ons steels met de dag verweven -
Vredig nu, voordat de dag onze ogen opeist
Jouw koele arm ligt mompelend om mij.

Terwijl talloze sneeuwwitte handen zich scharen bij
de ramen -
          Jouw handen in mijn handen zijn daden;
          mijn tong op jouw keel - zingt
          armen gekruist; ogen open, zonder twijfel
                                duister
                                        drink de ochtend -
          een bos huivert in jouw haar!


Het raam wordt langzaam blond. Klaart ijselijk op.
In de Cycloopachtige torens aan de andere kant van het water van Manhattan
- Twee - drie heldere ramen ogen schitteren, schijf
De zon, vrijgelaten - hoog in de hemel met koude meeuwen hier naartoe.

De mist leunt een laatst moment op de vensterbank.
Onder de maretak van dromen, een ster -
Alsof zij zich bij ons wil voegen op een verre heuvel -
Draait zich om in het ontwakende westen en gaat slapen.

'Ochtend in de haven' uit The Bridge (1930)
Copyright Nederlandse vertaling © J. Lenstra 2004

21-8-05

Jared Carter

Jared_carter2 Jared Carter (1939) werd geboren in Elwood, een dorpje in Indiana, VS. Na enkele jaren rondgezworven te hebben in Europa keerde hij in 1965 terug naar zijn geboortegrond, waar hij onder meer als redacteur werk vond. Zijn eerste poëziebundel, Work, for the Night is Coming, won in 1980 de Walt Whitman Award. Hierna zijn nog twee bundels verschenen, After the Rain (1993 - winnaar van de Poets' Prize) en Les Barricades Mystérieuses (1999). Over Carter is gezegd dat hij 'een dichter van de oude stempel is', in positieve zin, van het formaat Lindsay, Sandburg, Whittier, 'een man die thuis is in de wereld, emotioneel, maar niet sentimenteel, en met een groot respect voor het verleden'. Hieronder vindt u naast het prachtige origineel een vertaling van Senmurv, een nieuw, nog niet eerder gepubliceerd gedicht van de hand van Jared Carter, één van de éminences grise van de Amerikaanse poëzie.


                              Senmurv

      De gebruikte methode was interessant: een enorme
      zilveren schaal werd verhit totdat het gloeiend heet was,
      waarna er 'de sterkste azijn' over werd uitgegoten.
      De patriarch was verplicht om er lange tijd recht in te kijken,
      waardoor zijn gezichtsvermogen volledig werd vernietigd.

            Byzantium: The Early Centuries, John Julius Norwich

Hij was Justinian gedoopt - de tweede zogezegd,
en een man zo slecht als zijn naamgenoot eerbaar was.
Achter zijn rug noemden zij hem Rhinotmetus
of 'Afgehakte Neus'. Zeker, hij leed tijdens de opstand,
maar werd niet terechtgesteld.
                                                Veertien jaar later,
zijn ballingschap beëindigd en de overweldigers onthoofd,
de samenzweerders die hem hadden verminkt nu zelf blind
en verbannen, zocht hij meer slachtoffers uit
en de Terreur zette zich voort.
                                                Zoals Paul de Diaken
het zou omschrijven, 'bijna zo vaak als hij een snottebel
van zijn neusgaten wegveegde, gaf hij het bevel tot
het afmaken van weer iemand die zich tegen hem
had verzet.
                        Jaren later vertelde een van de overlevenden
over de wreedheden: 'Geketend werden we naar de stad gevoerd.
Toen we voor hem werden geleid, zat hij op een troon
van goud en smaragd. Hij droeg een diadeem van goud
bezet met parels, eigenhandig door de keizerin
gemaakt. Iedereen die samen met mij uit Ravenna
was gekomen veroordeelde hij tot de onmiddellijke dood.
Ze werden het vertrek uitgesleept.
                                                      Twee eunuchen
verwijderden mijn boeien en nodigden me uit om wat te eten
van een lange tafel waar verse vijgen, granaatappelen
en gerookte ortolanen op grote zilveren schalen lagen.
De schotels waren prachtig gesmeed, bewerkt
in een verre stad, één met een gevleugelde griffioen,
andere met een feniks, een adelaar, een pauw,
een paard met een sjabrak.
                              Ik had dagenlang niks gegeten.
Op zijn troon bette de keizer de plek
waar zijn neus had gezeten.
                                                'Hij verwelkomt Felix,
heilige patriarch van Ravenna,' zei een kamerheer
in perfect Latijn, 'en nodigt Uwe eerwaarde uit deel te nemen
aan de hier geboden gulheid.' Ik pakte druiven.
De keizer klapte in zijn handen.
                                                      Een eunuch
stootte me opzij, verwijderde de druiven en hield
de zware schotel omhoog zodat iedereen hem kon zien. Het droeg
een fantastische zilveren afbeelding, een beest, half vogel,
half hond. 'Senmurv!' schreeuwde hij. 'Senmurv!'
echoden de hovelingen, 'Senmurv!' riepen ze,
telkens weer, terwijl ik uit het vertrek werd weggeleid,
onder luid gelach.
                              Ze naaiden mijn oogleden vast
met een zijden draad. Het beest op de schaal
was het laatste ding dat ik in dit leven zag. Toen de vloeistof
was opgebrand, verscheen het hittebeeld als een ster
in mijn hoofd.'
                        Twee jaar later werd Justinian II
onthoofd door weer andere opstandelingen. Huurmoordenaars,
gezonden door de nieuwe keizer, maakten jacht op zijn kleinzoon,
Tiberias, zes jaar oud, de laatste overlevende
van de Heraclian tak.
                              In Blachernae duwde de oude keizerin
hem haastig de kerk van de Maagd binnen,
een vrijplaats opeisend, de twee mannen smekend.
John Strouthos, 'de Mus' genoemd, stapte
op het doodsbange kind af, dat zich met één hand vastklampte
aan het altaar en met de andere een gedeelte beetgreep
van het Ware Kruis.
                              Strouthos wrong het relikwie los
uit zijn knuist, legde het eerbiedig op het altaar,
nam de jongen mee naar buiten, deed hem zijn kleren uit
en 'slachtte hem als een schaap'.
                                                      'Senmurv',
herinnerde Felix zich, jaren later, terwijl hij sprak
met een chroniqueur uit Venetië, die was gekomen
om zijn opwachting te maken. 'Senmurv. Het is een woord
dat af en toe in me opkomt, als ik hier zit
dag na dag in dit schaduwloze vertrek, luisterend
naar een van de hardop lezende novicen.
                                    Op sommige ochtenden,
na de mis, neemt een broeder me mee voor een wandeling
door de stad, voorbij de oude versterkingen,
naar buiten het veld in.
                              Misschien leidt hij me naar een muur
met heilige afbeeldingen - Apollinare in Classe, wellicht,
of San Vitale. De tombe van Galla Placidia
is mijn favoriet. Ik reik zo hoog als ik kan, neem de structuur
in me op, laat mijn vingers langs de tegels lopen.'


                              Senmurv

      The method employed was an interesting one: a
      huge silver dish was heated till it was red hot, after
      which "the strongest vinegar" was poured over it.
      The Patriarch was obliged to stare directly into it
      for a long time, thereby utterly destroying his sight.

            Norwich, Byzantium: The Early Centuries

He was christened Justinian - the second so called,
and a man as evil as his namesake was honorable.
Behind his back they called him Rhinotmetus,
or "Cut-Nose."  True, he suffered during the revolt,
but he was not put to death.
                                          Fourteen years later,
his exile ended and the usurpers beheaded,
those plotters who had maimed him now blinded
and exiled in turn, he sought out more victims,
and the Terror continued.
                                          As it would be written
by Paul the Deacon, "as often as he wiped away
drops of rheum from his nostrils, almost as often
did he order another of those who had opposed him
to be slain."
                  Years later, one of the survivors told
of the cruelty: "We were taken to the city in chains.
When we were led before him, he sat on a throne
of gold and emeralds.  He wore a diadem of gold
encrusted with pearls, fashioned by the Empress
with her own hands.  All who had come with me
from Ravenna he sentenced to immediate death.
They were dragged from the room.
                                                      Two eunuchs
removed my fetters, and bade me take refreshment
from a long table, where fresh figs, pomegranates,
and smoked ortolans were laid on great silver dishes.
The platters were beautifully wrought, fashioned
in some faraway place, one with a winged griffin,
others with a phoenix, an eagle, a peacock,
a caparisoned horse.
                              I had eaten nothing for days.
On his throne, the Emperor dabbed at the place
where his nose had been.
                                          'He welcomes Felix,
Holy Patriarch of Ravenna,' a Chamberlain said
in perfect Latin, 'and bids His Reverence partake
of the bounty offered here.'  I reached for grapes.
The Emperor clapped his hands.
                                                      A eunuch
thrust me aside, scattered the grapes, and held
the heavy platter aloft for all to see.  It bore
a fantastic silver image, a creature half bird,
half dog.  'Senmurv!' he cried out.  'Senmurv!'
echoed the courtiers, 'Senmurv!' they called,
again and again, as I was led from the chamber,
amid great laughter.
                              They sewed my eyelids back
with strands of silk.  The creature on the plate
was the last thing I saw in this life.  When the liquid
burned away, the heathen image opened like a star
inside my head."
                              Two years later, Justinian II
was beheaded by still more usurpers.  Assassins
sent by the new Emperor pursued his grandson,
Tiberias, who was six years old, the last survivor
of the Heraclian line.
                              The Old Empress hurried him
into the Church of the Virgin at Blachernae,
claiming sanctuary, pleading with the two men.
John Strouthos, called "the Sparrow," advanced
on the terrified child, who with one hand clung
to the altar and with the other clutched a piece
of the True Cross.
                              Strouthos wrenched the relic
from his grasp, reverently laid it upon the altar,
took the boy outside, stripped him of his clothes,
and "slaughtered him like a sheep."
                                                      "Senmurv,"
Felix remembered, years later, while speaking
with a chronicler from Venice, who had come
to pay his respects.  "Senmurv.  It is a word
that comes to me occasionally, as I sit
day after day in this shadowless room, listening
to one of the novices read aloud.
                                                Some mornings,
after Mass, a brother will take me for a walk
through the city, and along the old fortifications,
and out into the fields.
                              He might guide me to a wall
of holy images - Apollinare in Classe, perhaps,
or San Vitale.  The Tomb of Galla Placidia
is my favorite.  I reach as high as I can, taking in
the texture, running my fingertips over the tiles."

Copyright Nederlandse vertaling © A.T. van 't Hof 2005

20-8-05

Billy Collins

Sneeuw schuiven met Boeddha

In de gebruikelijke iconografie van de tempel of de lokale Mr. Wok
zou je hem iets dergelijks nooit zien doen,
het werpen van de droge sneeuw over de heuvel
van zijn naakte, ronde schouder,
zijn haar in een knot,
een toonbeeld van concentratie.

Zitten is meer zijn metier, als dat het woord is
voor wat hij doet, of niet doet.

Zelfs het seizoen past niet bij hem.
Is het bij zijn verschijningen niet altijd warm en een beetje vochtig?
Wordt dit niet gesuggereerd door zijn serene uitdrukking,
die glimlach zo breed dat hij zichzelf wikkelt om het middel van de wereld?

Maar hier zijn we, onszelf een weg banend naar het einde van de oprit,
telkens een schepvol.
We werpen het lichte poeder in de heldere lucht.
We voelen de koude nevel op onze gezichten.
En bij elke worp verdwijnen we
en raken we elkaar kwijt
in deze plotselinge door ons zelf gemaakte wolken,
deze erupties van sneeuw.

Dit is zoveel beter dan een preek in de kerk,
zeg ik hardop, maar Boeddha blijft maar scheppen.
Dit is het ware geloof, het geloof van de sneeuw
en het zonlicht en de winterganzen die gakken in de lucht,
zeg ik, maar hij is te druk om me te kunnen verstaan.

Hij heeft zich in het sneeuw werpen gestort
alsof dat het doel van het bestaan is
alsof het teken van een volmaakt leven een schone oprit is
waarvan je gemakkelijk achteruit kunt wegrijden
de lichtzinnigheden van de wereld in
met een kapotte verwarmingsfan en een liedje op de radio.

De hele ochtend werken we zij aan zij,
ik met mijn opmerkingen
en hij binnenin zijn royale omhulsel van stilte,
totdat het bijna twaalf uur 's middags is
en de sneeuw zich rondom ons hoog heeft opgestapeld;
dan hoor ik hem spreken.

Mogen we, vraagt hij,
als we klaar zijn naar binnen toe en kaarten gaan?

Zeker, antwoord ik, en ik zal wat melk opwarmen
en koppen hete chocolade mee naar de tafel nemen
terwijl jij de kaarten schudt
en onze laarzen bij de deur staan te druipen.

Aaah, zegt de Boeddha en slaat zijn ogen op
en leunt even op zijn schop
voordat hij het dunne blad opnieuw diep
in de glinsterende witte sneeuw drijft.

'Shoveling Snow with Buddha' is from Picnic, Lightning, by Billy Collins, © 1998. Published by the University of Pittsburgh Press. Translated and posted to this website by the express permission of the publisher.
To order copies of Picnic, Lightning, contact your local bookseller or go to htttp://www.pitt.edu/~press.
Copyright Nederlandse vertaling © A.T. van 't Hof 2004

Ciaran Carson

Gallipoli

Neem schuren en stallen van Billingsgate
die schitteren van schubmesjes en vissen,
de bouwvallige bijgebouwtjes op het Engelse boerenerf
die stinken naar mest en stro, en paarden
in handgalop in de steegjes van Dublin;

neem het vervallen buitenverblijf van een Ierse landheer,
de gedetailleerde pagodes op een Chinees Delfts blauw bord
waar vissen vliegen langs tuig en zeilen en ra's
van lekkende zwaar beladen jonken onderweg naar Benares
op zoek naar een vracht thee zo zwart als tin;

neem een smerige goot in een achterbuurt in Boulogne,
waar winkels en huizen zo wankel zijn dat hun schuine daken elkaar raken,
sommige schoorstenen zo hoog als die in Sheffield
of Ierse ronde torens,
rokend als een vloot Britse gepantserde torpedobootjagers;

neem de met knoflook en oregano besmette arcades in Bologna,
als linguini gedraaide soeks en de geur van bedorven vlees,
zo labyrintisch als de geweerfabrieken in Springfield,
of de woningen verpacht door slechte werkgevers
die in salons zitten en zaken doen en Heineken drinken;

bevolk deze sloppenwijk dan met Cyprioten en Turken,
Armeniërs en Arabieren, Britse infanteristen
en Franse zoeaven, kameeldrijvers, officieren en zeelui,
genisten, mijnwerkers, Nubische slaven, Griekse geldwisselaars
plus tolken die de taal niet kennen;

kleed ze in tulbanden, hoofddoeken van fraai handwerk,
fedora's, fezzen, sjerpen, overhemden van fijn valenciennes,
bolero's, kniebroeken ontworpen door klusjeskleermakers,
knickerbockers van de struisvogel en roze flamingo,
sansculotten en nog vreemdere uitrusting;

vorder abattoirs voor het leger
en stalletjes waar sorbets, limonade en ranzig varkensreuzel te koop zijn,
een of twee noodziekenhuizen, een gevangenis,
een stagnerende haven die doet denken aan cholera
en open riolen door de straten;

dien als hoofdschotel groene kanteloep op,
waar vliegen omheen zwermen en die wordt weggespoeld met zure wijn,
begeleid met de tjingelende muziek
van de Byzantijnse citer
en het polyglottisch gekrijs van parkieten -

O landschap doorboord met de diamantmijnen van Kimberley
en alle onderaardse kerkers van Trebizond,
waar opiumschuivers soezen op Perzische tapijten
en spionnen en hoeren in schemerige gelagkamers
de falende politiek van de grootmachten bediscussiëren,

waar rondhangende honden snuffelen naar slachtafval
naast de stank van verpulverde pruimen en abrikozen
waaruit de brandewijn wordt gedistilleerd die ze 'druifshot' noemen,
en soldaten dood of dronken liggen tussen de geplette bloemen -
ik ben nog niet eens begonnen met het beschrijven van Gallipoli.

'Gallipoli' uit: Breaking News (Gallery Press, 2003)
Copyright Nederlandse vertaling © A.T. van 't Hof 2004

Zoeken

Colofon

Onder redactie van Chrétien Breukers en Ton van 't Hof. Vaste medewerkers: Fa Claes en Kees Klok. Reacties onder eigen naam of dichterspseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Brakke Verslog

Elders

Google Nieuws

Pagina's

Adverteren?

De Contrabas wordt meer dan 40.000 keer per maand bekeken. Wilt u ook tegen gunstige tarieven adverteren? Neem dan contact met ons op >> email

FeedCount

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005