Dichters A

22-4-07

Víctor Argüelles Ángeles

Poesía de Víctor Argüelles Víctor Argüelles Ángeles werd in 1973 in Tuxpan, Veracruz (Mexico) geboren. Hij is dichter en plastisch kunstenaar, gegradueerde van de Facultad de Artes Plásticas de la Universidad Veracruzana (1996-2001). Hij publiceerde gedichten in verschillende tijdschriften. Gedichten van hem werden opgenomen in de bloemlezing Días de sol (Madrid, 2006) en in het literair-plastisch project Animales en su tinta. Plastisch werk van hem werd in meer dan veertig groepstentoonstellingen en niet minder dan zeven individuele tentoonstellingen geëxposeerd. Hij is vaak genomineerd en onderscheiden. Als dichter heeft hij aan verschillende recitals en festivals meegewerkt. Voor het ogenblik is hij medewerker aan het cultureel centrum El taller Kunst en Galerij als opleider tekenaar en cultureel promotor, en is verbonden aan het culturele dagblad La manzana van Guadalajara, Jalisco. (Fa Claes)


PIJN EN ZENUW

Kijk naar die vingers, ze lijken losse
stukken van een rustend schaakspel
je ziet ze nauwelijks gescheiden
en ze veroorzaken een pijn

die ze verslankt en verkort.

Ik ben aan het schrijven terwijl
buiten iemand in het glanzende doezelen
van het maanlicht duikt.

Een woord... twee, zes en ze vormen het schema
dat in de hand ingelegd niet verhindert
dat de weerspiegelingen op het witte stuk papier

te hoop lopen,

terwijl de zenuw me met één ruk
tot spiraal rekt.

Kijk naar de vezel, hij is een beeld dat zich wil vastgrijpen
zich inprenten, zich doordrenken met de aangename pijn.

Maar binnenin
            tussen piepkleine wanden
eist je rechtopstaande gedachte je op.


DOLOR Y NERVIO

Mira estos dedos, parecen piezas
desarticuladas de un ajedrez descansando
apenas se reparan separadas
y provocan un dolor

que se adelgaza y se acorta.

Estoy escribiendo, mientras
alguien afuera bucea en el sopor bruñido
de la luna.

Una palabra... dos, seis y conforman el esquema
que incrustado en la mano no impide
que se agolpen los reflejos sobre el blanco

retazo de papel,

mientras el nervio de un jalón me tira
en espiral.

Mira la hebra, es una imagen que quiere aferrarse
estamparse, impregnarse del suave dolor.

Mas adentro
            el pensamiento erguido te convoca
entre paredes diminutas.


GEMURMEL DAT VERDWIJNT

Het klapwieken van de nacht neemt
dit gemurmel van vochtige smeekbede mee.

Mijn stem is ongeuit geluid
ze blijft in slaap
onder invloed van de regen.

Mijn stem is een lans
in de hoek gezet,
samengedrukte draagtas
in mijn keel.

Met mijn ogen stevig gericht
op de slankheid van je heupen
verdoe ik wat overblijft
van mijn vage herinnering.


RUMOR QUE SE VA

El aleteo de la noche se lleva
este rumor de súplica húmeda.

Mi voz es ruido no emitido
sigue durmiendo
bajo los efectos de la lluvia.

Mi voz es una lanza
arrinconada,
bolsa comprimida
en la garganta.

Con los ojos bien puestos
en la estrechez de tus caderas,
gasto lo que sobra
del recuerdo lejano.


DE STEEN

Ik dring erop aan om je te vangen
geen vervelende droom
                                          gooit me om

gesteund tegen een wolk
van een gedachte
                                    die ronddraait

kronkelend water

                              zwervend water.

Uitgestrekte bron
waar de steen ademhaalt.


LA PIEDRA

Insisto en capturarte
ni el pesado sueño
                                          me derriba

sostenido a la nube
de un pensamiento
                                    que gira

agua serpentina

                              agua vagabunda.

Extenso manantial
donde respira la piedra.


BINNENKANT VAN HET GEDICHT

Rumoer van de dag die met schaduw wordt gezegd
de oude wolken gaan druk te keer
wisselen hun blankheid voor dat grijze pak
dat de dagen tevoren ophingen.

Je hoort de katten rondlopen
een boom met watten wandelt alleen,
stalt zijn kleuren uit.

Ik zoek in mijn binnenste,
een netwerk van woorden
sluit mijn nieuwe gedachte in,

ik richt me tot de vochtigheid van speeksel
in zijn mond
maak zijn huid schoon van schubben.

daaronder herken ik een beetje van mij.


INTERIOR DEL POEMA

Rumor del día que se dice con sombras
las viejas nubes se alborotan
mudan su blancura a ese traje gris
que colgó en días anteriores.

Se oye pasear a los gatos
un árbol de algodones camina solo,
exhibe sus colores.

Hurgo en mi interior,
una red de palabras
atrapa el nuevo pensamiento,

me dirijo a la humedad de saliva
de su boca
limpio su piel de escamas.

abajo reconozco un poco de mi.


VERWACHTINGEN

      Je beproefde de dorst van mijn lege ogenblikken
waar de uren dood neervallen
                                    en nooit meer opstaan

ik heb gewacht...                  ik wacht,
                        alleen het onmogelijke bezoekt mij,
doorzoekt mij onder het voorwendsel
mij hoop te verlenen.

      De gebroken dag is een veelkleurige spiegel
hij hecht zich aan de innerlijke structuur
die weerstand biedt in het erkennen van zijn opdracht

ik verzin dat ik uit mijn nieuwe
verpakking met geur van ranzige en verbleekte
                        schaduwen te voorschijn zal komen,
ik beloof mezelf dat ze tussen de muren
die mijn lichaam gevangen houden
ineens breken.

      De tak kraakt in de nacht, hij vergezelt me
hij fluistert dat ik afhankelijk ben
                        van een onverbrekelijke vrede

maar slechts een enkele keer verschijnt hij
                        achter de horizon aan het spelen
            zoals altijd, van toen hij kind was.


ESPERAS

      Comprobaste la sed de mis instantes vacíos
donde las horas caen muertas
                                    y no se recuperan nunca

he esperado...                  espero,
                        solo lo imposible me visita,
me explora pretendiendo
concederme una esperanza.

      El día roto es un espejo multicolor
se adhiere a la estructura interna
que se resiste en reconocer su misión

invento que ya saldré
de mi empaque nuevo con olor a sombras
                        rancias y desteñidas,
me hago promesas que se quiebran de golpe
entre las paredes que aprisionan
mi cuerpo.

      La rama cruje por la noche, me acompaña
murmura que yo dependo
                        de una paz inquebrantable

pero sólo a veces se aparece
                        atrás del horizonte jugando
            como siempre, desde que era un niño.


STOF, VERGETELHEID

      Ik houd alle deuren in het oog
en de deur langs waar ik naar buiten moet gaan
zelfs gesloten

is van de dagen een zondag
waarop achterovergeleund de overdadige dames
opzwellen van een verveelde zon.

De verbeelding is helemaal een feest
ik verzin personages die hun vrijheden botvieren,
anderen jammeren.

      Ik bekijk alle ramen
het stof bedekt ze in lichte lagen,
een plant ineengezakt,

met behoefte aan licht,
aan water,
aan grond.

      Mijn stilte klom omhoog in het geluid van buiten
in de gang versleten door voetstappen
waar ik ook de mijne heb achtergelaten

met mijn wil altijd gereed
voor het stof van de uren,
van de dagen,
de maanden,
jaren,

al de omgevende tijd.

Terwijl ik water verspil, de energie
van mijn vingers
het nauwgezette werk om de geoxideerde gaten te vullen
in afwachting van een geluidloos "hiernamaals"

terwijl ik woorden opgooi om te vliegen,
prevel ik gekooid
zonder vleugels.

      Hier, waar de bezem zijn avontuurtjes
met het stof heeft verzonnen
en ik geschreeuwd heb tegen de anderen

met hun bevroren gebaren
in de wanordelijke optocht van de straat.


POLVO, OLVIDO

      Observo todas las puertas
y la puerta por donde he de salirme
cerrada también

es de los días, un domingo
donde recostadas las damas exuberantes
se hinchan de un aburrido sol.

La imaginación es toda una fiesta
invento personajes que celebran sus libertades,
otros se lamentan.

      Miro todas las ventanas
el polvo las cubre en capas ligeras,
desplomada una planta,

carente de luz,
de agua,
de tierra.

      Mi silencio se trepó en el ruido de afuera
en el pasillo gastado de pisadas
donde yo también he trazado las mías

con mi voluntad siempre dispuesta
al polvo de las horas,
de los días,
los meses,
años,

de todo el tiempo circundando.

Gastando el agua, la energía
de mis dedos
la concienzuda labor de tapar los huecos oxidados
esperando un silencioso "mas allá"

echando a volar palabras,
murmullo enjaulado
sin alas.

      Aquí, donde la escoba ha inventado
sus amores con el polvo
y he gritado a los demás

en el desfile tumultuoso de la calle
con sus gestos congelados.


DUISTERNIS

De nacht verleent je
lichte geluiden die de sterren
bij het voortschrijden maken

hij grijpt zich aan je vast
door je gedachte donker te doen worden
donker je blik
die drupt aan het eind van je ogen

die het licht van tussen de middag niet ontvangen
dat de zonnegod
weghaalt uit je omgeving.

De nacht dringt binnen
om je leven te verslinden
om het te doden met vruchtbare geuren
die je zullen verplichten om het licht

te ontsteken dat je in de stilte doofde.

En het zal je spreken over het bestaan
van onzichtbare kometen die door een
oneindigheid van licht reizen.

Over de melkweg
in het heelal van het water
gefilterd in jouw geest.


OBSCURIDAD

La noche te concede
sonidos ligeros que hacen
al avanzar, las estrellas

se aferra a ti
volviéndote obscuro el pensamiento
obscura la mirada
que gotea al final de tus ojos,

que no reciben la luz del mediodía
que el Dios solar
retira de tu entorno.

La noche se adentra
a devorarte la vida
a matizarla de aromas fecundos
que obligarán a que enciendas

la luz que en el silencio apagaste.

Y te hablará de la existencia
de cometas invisibles que viajan
por un infinito de luces.

Por la vía láctea
en el universo del agua
filtrada en tu mente.


NIETS GAAT VERLOREN

Als ik je verlies
                  verlies ik niet alles
een slank geluid omhelst me,
een stroom
            komt met me mee
                  om zijn blankheid uit te spreiden
een paar wanden
                  die al niet meer gevangen houden
veranderen in jouw handen
                  Ieder spoor van je bestaat
in het ademhalen van de tijd.


NADA SE PIERDE

Si te pierdo,
                  no pierdo todo
un delgado sonido me abraza,
un río
            se viene conmigo
                  a tender sus blancuras
unas paredes
                  que ya no aprisionan
se vuelven tus manos
                  Toda huella tuya existe
en el respiro del tiempo.


IK ROEP JE

Ik roep je, ik zoek je, een schrale schreeuw, het miauwen van katten
raakt in de stilte verstrikt,

een woord dat niet volwassen werd
valt uit mijn mond,

niemand grijpt het en het breekt in de lucht.

Ik roep je, ik zoek je, maar zoveel straten verzetten zich
ertegen dat je mijn naam zou horen.


TE LLAMO

Te llamo, te busco, un grito delgado, maullido de gato
en el silencio se atora,

una palabra que no maduró
se cae de mi boca,

nadie la agarra y se quiebra en el aire.

Te llamo, te busco, pero tantas calles se oponen
a que tú escuches mi nombre.


EEUWIG OGENBLIK

      Donker doek
dat leegdrupt van je water
doek van je zandkleurige huid
dat een voor een
druppels motregen zuivert
die je bestaan regende
in je dromen.

Nocturnes van liefde.

      Doek ingesloten
door uitgestrekte landschappen
met struiken - gebladerte
van je ziel in katernen.

Je opgeroepen handen
omgrijpen mijn weemoed
in een eeuwig ogenblik.


ETERNO INSTANTE

      Tela negra
que se escurre con tu agua
tela de tu piel color arena
que purifica una a una
gotas de llovizna
que llovió tu ser
en tus sueños.

Nocturnos de amor.

      Tela encerrada
de campiranos paisajes
de arbustos – follajes
de tu alma en pliegos.

Tus manos evocadas
apuñan mi nostalgia
en un instante eterno.


RODE SCHEPPING

I

Ik week de bolster van de dagen
uit de plasticschalen los

na het rituele koloriet
doorheen de doolhoven

daarginds is het wanneer ik
de beelddromen doe zwichten
die me slapend overvielen

zelfs wakend
wanneer ik een parcours uitdenk

dat al ten einde loopt
in de neergang van de dag.

Ik schakel over
naar het feest van gespannen vochtigheid
over het gedeelte van doek

eindeloos fragment
waarin ik mijn gevoelens ontschoei.


ROJA CREACIÓN

I

Desprendo la cáscara de los días
a los recipientes de plástico

después del ritual colorido
por los laberintos,

ahí es cuando doblego
las imágenes-sueños
que me acosaron dormido

incluso despierto
cuando invento un recorrido

que finaliza
ya en el declive del día.

Me conecto
en la fiesta de humedad tendida
sobre el retazo de tela

fragmento interminable
en que descalzo mis sentidos.


II

Ik bereid de reis voor,
een zachtharige gebroken borstel
voorspelt stormen,

viert afreizen, ontmoetingen
met de geheimzinnige schaduw
van de tijden

harmonieën defileren
op de omtreklijn van een dans
van licht

die toezicht houdt
op de drempels
van het roodachtig interieur
dat mijn kleur is

overtrokken met schreeuw.


II

Preparo el viaje,
un pincel roto de hilo suave
presagia tormentas,

celebra partidas, encuentros
con la sombra arcana
de los tiempos

desfilan armonías
al contorno de una danza
de luz

que inspecciona
en los umbrales
del rojizo interior
que es mi color

cubierto de grito.


III

Ik kom uit de regen
en breek met overtuiging los
van wat zich verbergt
achter het fragment

ik hang vloeibare lakens op
in de dagen
die een God zonder gelaat
mij schenkt

in de dagen zonder verwachtingen
geïsoleerd van de droom

Nachtelijk ingewand
erop uit om weer eens

de bedoelingen te verslinden
die ik koester om
de schepping te baren.


III

Vengo de la lluvia
y reviento de frente
a lo que se esconde
detrás del fragmento

tiendo sábanas líquidas
a los días
que me regala un Dios
sin rostro

en los días sin esperanzas,
aislado del sueño

Intestino nocturno
queriendo devorar otra vez

las intenciones
que tengo de parir
la creación.


BRUGGEN

Het dode stof van de voorwerpen
spant zich gelijk doek
om je naam
te schrijven.

De bloeiende odyssee van je geslacht
fluistert ongekamd
de klemtonen

van een onbestuurbaar
geworden boot.

De bron van bandeloos aroma
die de straten van je
benen doorloopt
sluit zich aan

bij mijn noodweer
van tekens

in je navel onderzoek ik de knop
die het mechanisme bewaakt
om je te ontketenen

na het oversteken
van de brug die ons scheidt

die ons dichterbij brengt
die ons uit elkaar houdt.

PUENTES

El polvo muerto de los objetos
se tiende como lienzo
para escribir
tu nombre.

La odisea florida de tu sexo
despeinado susurra
los acentos

de una barca
desbocada.

El manantial de aroma libertino
que recorre las calles
de tus piernas
se agrega

a mi tempestad
de signos

en tu ombligo exploro el botón
que guarda el mecanismo
para encenderte

después de repasar
el puente que nos divide

que nos acerca.
que nos aparta.


ALLES IS GESLOTEN

            De uren hebben hun tiktak niet voltooid
                              op mijn trommelvliezen
boven deze ruimte waarin ik ben omsloten
door nachtelijke lichten die neerdalen
om hun betoveringen te ontwrichten

            Alles is gesloten!
zelfs de scherpe littekens van de nacht
hebben hun innerlijke pijn gesloten

-            De rest van het water -
heeft het zwijgend gebrandschilderd glas doorlopen
dat in fragmenten mijn verstrooidheid uitbeeldt
in een voortgezette waterval van droefheid

vanuit mijn schuilplaats, mijn toevluchtsoord
waar poëzie en jij
wijkplaatsen van vreemde nostalgie bewonen
die aankomt
en haar vochtigheid in mijn ogen ankert

omdat deze de laatste aanwijzing
van je weggeglipte aanwezigheid omnesten.


TODO SE HA CERRADO

            Las horas no han concluido su tic-tac
                              en mis tímpanos
sobre este espacio en que ceñido estoy
de luces noctívagas que descienden
a desarticular sus hechizos

            ¡Todo se ha cerrado!
hasta las agudas cicatrices de la noche
han cerrado su dolor interno

-            El resto del agua-
ha recorrido el vitral callado
que en fragmentos retrata mi abstracción
en una prolongada cascada de tristeza

desde mi escondite, mi guarida
donde poesía y tú
habitan refugios de nostalgias ajenas
que llegan
y anclan su humedad en mis ojos

porque estos anidan el último indicio
de tu escabullida presencia.


© Víctor Argüelles Ángeles
© vertaling Fa Claes

1-4-07

Chris Abani

Chris Abani Chris Abani (1966) werd geboren in Afikpo in Nigeria. Hij zat al op zijn 18e een half jaar gevangen vanwege zijn eerste boek dat hij op die leeftijd publiceerde, een thriller waarin de Nigeriaanse regering een bedreiging zag voor de veiligheid van het land. De openlijke kritiek die hij na zijn vrijlating had op het Nigeriaanse bewind leidde tot een nieuwe gevangenschap. De weerslag hiervan speelt een belangrijke rol in zijn poëzie. In 1990 werd hij voor de derde keer gevangen gezet, waarbij zijn leven ernstig gevaar liep. Na achttien maanden werd hij vrijgelaten en verliet het land.

Op het ogenblik woont Abani in de Verenigde Staten, waar hij associate professor is aan de Universiteit van California. Naast een groot aantal literaire prijzen ontving hij in 2001 de Freedom-to-Write Award van de Amerikaanse PEN en in hetzelfde jaar de Prins Claus Prijs. In 2003 was hij te gast op het Elzenveldfestival te Antwerpen en op Poetry International. Naar aanleiding daarvan gaf uitgeverij Wagner & Van Santen de tweetalige bundel Maar mijn hart is onvergankelijk uit in een vertaling van Jabik Veenbaas. De onderstaande gedichten zijn, met dank aan de uitgever, hieruit gekozen. (Kees Klok)


      Voorportaal

            I

Voor 't eerst gearresteerd
18.
Opgewonden door de mogelijkheid van roem;
aangevuurd door
verhalen over politieke gevangenen; zeker dat
Amnesty me zou bevrijden.

Maar de dagen
sleepten zich voort
tot maanden;
geen aanval
geen teken
van camera's zeulende journalisten
van Reuters
geen woord
van m'n familie;
geen amnestie.

Gevangen in het dradenkruis van angst
kun je de dagen alleen markeren
door de afranselingen te tellen
3 per dag
62 dagen: 186.

Relatief comfortabel gehuisvest
kijk ik OP TV naar de processen
van mijn mede-samenzweerders; met gespannen buik
wacht ik
m'n beurt af.
Maar ze durven me niet te dagen.

6 maanden later
als ze me niet langer kunnen vasthouden
en ongetwijfeld bezorgd zien
hoeveel het
kost
om me voedsel te verschaffen, geven ze toe;
ik mag weg.

            II

In 1987
besluit ik ze uit te dagen
sta
ik
dagelijks hun misdaden in verhalen te vertellen;
ik tart ze: 'Toe maar. Dood me. Maak me beroemd.'

Dat doen ze.
Maar 20 is geen 18.
Geweren, laarzen, knuppels, knokkels.
Ik besef - te laat -
dat het dit keer menens is.
M'n generale repetitie is voorbij.

De pijn haalt de tijd messcherp te voorschijn
maar ik ben ongebroken;
ik offer mijn woede
schend hun afgodsmacht
opnieuw;
meteen naar de gevangenis; ik kom niet langs af.

Met drie vingers
schuif ik koude maïspap
in m'n mond,
gruwelijk is het:

moordenaars houden me vast
en niemand weet dat ik hier ben.

Kiri Kiri*
Maximaal beveiligd
Vleugel D; of E, dat vergat ik,
met de kwalijkste der idiote gevallen:
Fela Anikulapo Kuti,
glimlachend: ‘Waarheid, m’n jonge vriend, is een riskante zaak.’

* Kiri Kiri: een van de best beveiligde gevangenissen in Nigeria.


      Portal

            I

When first arrested
18.
Excited by possibilities of fame;
inflamed by
legends of political prisoners: sure that Amnesty would free me.

But the days
dragged
into months;
no charge
no sign
of camera-toting journalists
from Reuters;
no word
from my family;
no amnesty.

Caught in the cross-hairs of fear,
the only way to mark
the days is by counting the beatings
3 a day
62 days: 186.

Housed in comfort; relative to;
I watch the trials ON TV of
my co-conspirators; stomach fisted
waiting
my turn.
But they are too embarrassed to try me.

6 months later
unable to hold me any longer and
no doubt alarmed
at how much it
costs
to feed me; they give in
Iam free to go.

            II

1987,
deciding to take them on
I
stand
daily; reciting their crimes in epics
daring them: 'Go on. Kill me. Make me famous.'

They do
But 20 is not 18
Guns, boots, truncheons, knuckles
I realise - too late –
this time it's for real
I've had my dress rehearsal.

Pain draws out time razor sharp
but I am unbeaten;
I martyr my anger
profaning their idolatrous power
again;
straight to jail; I do not pass go.

Shovelling
with three fingers cold corn porridge
into my mouth,
the enormity of it:

I am being held by killers
and nobody knows I'm here.

Kiri Kiri
Maximum Security prison
D wing; or E, I forget
with the worst of the head cases:
Fela Anikulapo Kuti
smiling: 'Truth, my young friend, is a risky business'.


De wederkomst

Vuile glazen kralen vallen de hele
middag, gevat in een raamlijst,

als de goedkope zijkamer achter
het gordijn in een bordeel.

We hebben gehoord dat
het einde zo zal komen.

Een luie regen die de lucht
schoonspoelt voor de Heer

terwijl de wind bomen weeft tot
zachte kussens voor zijn voet.

De bewolkte lucht donkert;
Weerlicht als Jezus het wormgat

van de hemel openritst.
Maar hier zijn de zorgen aardser,

niet bewerkt door Gods gramschap, maar door
een in de grond geankerde houwitser.


The Second Coming

Dirty glass beads fall all
afternoon, caught in window's frame,

like the cheap draped off
back room of a bordello.

We have been told the end
will come like this.

A lazy rain washing
the air clean for the Lord

as the wind knits trees into
soft cushions for his feet.

Cloudy, the sky darkens;
Lightning as Jesus unzippers

heaven's wormhole.
But worry here is more mundane,

propelled not by God's wrath, but
an earth bolted Howitzer.


Jakobsladder

Vrijlating, levend, uit Kiri Kiri
is zeldzaam.

Ze geven je wat er over is van
je persoonlijke eigendommen

in een plastic tas. Alles
waar zij niets mee konden.

Je stapt naar buiten en staat in de zon
ontdooiend als een lap rundvlees

uit een vriezer. Toch ben je bang
om je meer dan een paar stappen

van het hek te verwijderen. Overtuigd dat je
in de rug zult worden geschoten

of dat mensen voor je terug zullen deinzen
omdat ze weten dat je de stank van de dood

op je nu blekere huid draagt.
Maar er gebeurt niets.

Een zacht briesje rimpelt je shirt en een hond
gaat tekeer tegen een geparkeerde auto.

De geur van gebakken banaan,
zachtjes gedragen, doet onverklaarbaar zeer.

Koude, zoete Coca-Cola prikkelt je
tot tranen toe.


Jacob’s Ladder

Release, alive, from Kiri Kiri
is rare.

They hand you what is left of
your personal belongings

in a polythene bag. Everything
they did not want.

You step out and stand in the
sun thawing like a side of beef

from a freezer. Yet you are afraid
to proceed more than a few

steps from the gate. Convinced you
will be shot in the back,

or that people will recoil from you
knowing you carry the stench

of death on your now paler skin.
But nothing happens.

A gentle breeze ruffles your shirt and
a dog menaces a parked car.

The smell of frying plantain,
carried gently, hurts inexplicably.

Cold, sweet Coca-Cola stings you
to tears.

© Chris Abani
© vertalingen Jabik Veenbaas

25-3-07

Álvaro Valverde

Avalverde Álvaro Valverde is Spaans romanschrijver en dichter. Hij werd in 1959 in Plasencia (Extremadura) geboren. Gedurende acht jaar was hij directeur van de 'Aula de Literatura José Antonio Gabriel y Galán' samen met de romancier Gonzalo Hidalgo Bayal. Hij was medeoprichter van het tijdschrift Espacio/Espaço. Hij staat nu aan het hoofd van de Editora Regional de Extremadura. Voor zijn literair werk werd hij met verschillende prijzen onderscheiden. Hij publiceerde onder andere de dichtbundels: Territorio (1985), Las aguas detenidas (1989), Una oculta razón (1991), A debida distancia (1993), Ensayando círculos (1995), El reino oscuro (1999) en Mecánica terrestre (2002). Bij de uitgeverij Seix Barral werd in 2005 zijn laatste roman uitgegeven: Alguien que no existe. (Fa Claes)


DUITSE BEGRAAFPLAATS, YUSTE

De dood heeft een precieze afstand.
In het gelid brengen de terpen de namen
en de datums van de helden in herinnering.
De leeftijd weet niet wanneer
de uiteindelijke zoete vrucht van de ondergang
had kunnen komen.
Niets daarentegen behoedt de herinnering
van degenen die vielen in de strijd.
Hun gezichten zijn anoniem, hun levens
schoon en ver gelijk de droom
die de steden bewoont die zij verlieten.

Ons brengt een gewoonte van afwezigheid
en van rust naar deze plaats.
Richting zuid, onder aan de muur,
slapen gevallen wijnstokken
en in de schaduw zonder schaduw van de oude olijfbomen
is de stilte plechtstatig.
Bij het laatste licht loopt je blik verloren,
lichtgevend van eindeloosheid.


CEMENTERIO ALEMÁN, YUSTE

Tiene la muerte una medida exacta.
En línea, los túmulos recuerdan
los nombres y las fechas de los héroes.
La edad ignora cuándo
podría haber llegado el dulce fruto
final de la derrota.
Nada preserva, en cambio, la memoria
de aquellos que cayeron en combate.
Sus rostros son anónimos. Sus vidas,
hermosas y lejanas como el sueño
que habita las ciudades que dejaron.

Nos trae a este lugar una costumbre
de ausencia y de sosiego.
Hacia el sur, bajo el muro,
duermen viñas caídas
y a la sombra sin sombra de los viejos olivos
el silencio es solemne.
Con las últimas luces, la mirada se pierde,
luminosa de eterno.

Uit: Una oculta razón, 1991


MYSTERIE VAN HET LICHT

Voor het licht keer ik weer.
Mijn huis heb ik verlaten en de sereniteit.
Alleen verlang ik naar zijn reizend vuur,
de minutieuze curve
die de gedachte verlicht.
Mijn leven is een reis naar zijn geest.
Ik was in Griekenland.
Het licht was hetzelfde als dat wat nu
de bladeren van de kastanjes verzengt.
Toen wist ik het te beminnen. Ik heb begrepen
dat alle woorden het bevatten.
De geur en de klank die ons omhult zoeken
in het licht te staan. We leven
als lichten en schaduwen die op een bepaald ogenblik rechtop gaan staan.
Tot hier kwam ik in de aanvaarding
van zijn openlijke oppermacht.
Wanneer de leeftijd bereikt is
zal de morgen de zon aankondigen
die mij zal neerslaan.


MISTERIO DE LA LUZ

Para la luz regreso.
He dejado mi casa, y la serenidad.
Sólo ansío su fuego itinerante,
la curva minuciosa
que alumbra el pensamiento.
Mi vida es un viaje hacia su espíritu.
Fue en Grecia.
La luz era la misma que ahora asola
la fronda de castaños.
Supe entonces amarla. He comprendido
que todas las palabras la contienen.
El olor y el sonido que nos envuelve buscan
ser en ella. Vivimos
como luces y sombras que a un tiempo se erigen.
Llegué hasta aquí aceptando
su abierta primacía.
Cuando la edad se cumpla,
la aurora anunciará
el sol que me derribe.

Uit: Una oculta razón, 1991


FONTEIN IN YUSTE

In de zon blinken munten die schijnen te bewegen
door het effect van het water dat groenig de bodem
van de fontein aangeeft.
Met mechanisch gebaar maak ik mijn handen nat.
Twee gezichten dansen samen.
De veer springt open evenwel
die de herinnering onthult. Het geheugen gebruikt
zijn strategisch middel en stelt plots voor
om ons de tijd terug te brengen.
Dan zetten we onze blik om in verlangen
en zijn beeld geeft vorm aan een donkere aanwezigheid;
niet heel zeker gekend.
Wij zijn anderen, dezelfden. Verwarring
of veroordeling van wie - zonder het te weten -
dwars door een spiegel kijkt.


FUENTE DE YUSTE

Fulgen al sol monedas que simulan moverse
por efecto del agua que señala verdosa
el fondo de la fuente.
Con un gesto mecánico, humedezco las manos.
Bailan juntos dos rostros.
Se abre empero el resorte
que desvela el recuerdo. La memoria ejercita
su medida estrategia y propone de súbito
devolvernos el tiempo.
Convertimos entonces la mirada en deseo
y su imagen da forma a una oscura presencia;
no por cierta, sabida.
Somos otros; los mismos. Confusión
o condena del que mira –ignorando-
a través de un espejo.

Uit: Ensayando círculos, 1995


WOORDEN, PRIVÉ

Wanneer het blijkt
dat niets zal moeten sterven
en dat je hebt bezeten en was bezeten
en dat het een gelukkig voorbijgaand ogenblik was
- de sterke man en de grens -
en dat er geen deel was
dat niet de ander toebehoorde noch een blik
in staat om onderworpen te blijven
en dat de ademhaling een som was
van fout en overvloed
en onze lichamen
vluchtig en toegankelijk
en onduidelijk
en onze stem jouw stem
en de mijne deze echo
die van jou uitging
en het verlangen bereikbaar maakte
en dat wij voelden - of ik voelde -
dat het kon ophouden
omdat allicht het leven
in het gebaar voltooid was,
zegt het licht vaarwel achter je rug
en zet me aan
om de verdekte waarheid
op te zoeken die is teruggekeerd
om me te laten weten
dat het alleen een droom was.


PALABRAS PRIVADAS

Cuando parece
que nada ha de morir
y has poseído y has sido poseído
y fue un feliz momento pasajero
-el fuerte y la frontera-
y no hubo parte
que no fuera del otro ni mirada
capaz de mantenerse sometida
y la respiración era una suma
de falta y de abundancia
y nuestros cuerpos
furtivos y accesibles
e indistintos
y nuestra voz tu voz
y la mía ese eco
que ha partido de ti
dando alcance al deseo
y sentimos -o siento-
que pudiera cesar
porque acaso la vida
se ha cumplido en el gesto,
en tu espalda la luz dice adiós
y me urge
a buscar la verdad
emboscada que ha vuelto
para hacerme saber
que tan sólo fue un sueño.

Uit: Ensayando círculos, 1995


STAD VAN AS

Een stad is alle steden.

Je kruist hetzelfde perron, de gelijke
en verre boulevards, zo ongastvrij
als die buildings die hun gefilterd
en mat licht op het asfalt projecteren.

Een stad is enkel het gevoel
van euforie of catastrofe, een cirkel
die de som is van andere cirkels
die even spookachtig zijn.

Een toeval is het, een stad; een traject
tussen twee richtingen van gaan en komen,
en een identiek einde en een zelfde begin.

Met verzonken blik, met haastige stap,
doorloop je zonder ophouden dezelfde straten
die desolaat je noodlot afrasteren.


CIUDAD DE CENIZA

Una ciudad es todas las ciudades.

Cruzas el mismo andén, las avenidas
iguales y lejanas, tan inhóspitas
como esos edificios que proyectan
su luz vítrea y opaca en el asfalto.

Una ciudad es sólo un sentimiento
de euforia o de catástrofe, un círculo
que es suma de otros círculos
igual de fantasmales.

Es un azar, una ciudad; un tramo
entre dos direcciones de ida y vuelta,
y un idéntico fin y un mismo origen.

Con la mirada hundida, el paso rápido,
recorres sin cesar las mismas calles
que desoladas cercan tu destino.

Uit Mecánica terrestre, 2002


AARDSE MECHANICA

Zoals een beeld doet denken
aan een analogie
en een schaduw aan frisse
vochtigheid van een andere kamer
en een geur aan een tafereel
dichtbij omdat het ver weg is
en deze stad aan die andere
bewoonbare en afgelegen,
zo, wanneer de middag eeuwig
wordt en het is juli
drukt alles een meervoudige,
onbereikbare aanwezigheid uit,
en het water is meer dan het filter
van wat vloeit en voorbijgaat
en het licht meer dan de sluier
die de zaken verlicht
en de wind meer dan de naam
van enig obscuur nieuws.


MECÁNICA TERRESTRE

Lo mismo que una imagen
recuerda a alguna análoga
y una sombra a la fresca
humedad de otra estancia
y un olor a una escena
cercana por remota
y esta ciudad a aquélla
habitable y distante,
así, cuando la tarde
se hace eterna y es julio
todo expresa una múltiple,
inasible presencia,
y el agua es más que el filtro
de lo que fluye y pasa
y la luz más que el velo
que ilumina las cosas
y el viento más que el nombre
de una oscura noticia.

Uit Mecánica terrestre, 2002


KAREL V, YUSTE

Ik weet waarom ik kwam
naar deze plek.

Ongastvrij is haar schoonheid;
haar vestiging afgelegen.

Onmogelijk je voor te stellen
dat hier buiten het imperium
bestaat dat iedereen
mij toeschrijft.

Geluid van oorlog komt
niet tot deze muren,
het flapperen van
flarden wimpels boven
het slagveld zie je niet,
ik ruik de bitse geur
niet van wat bederft
tussen het puin.

Schier zonder uitrusting
kom ik tot hier,
verslagen en ontwapend,
maar met de zware last
van de herinnering.

Mijn hele vaderland is deze tuin.
Mijn grenzen zijn slechts
deze van het klooster,
mijn wereldzeeën
het rustige water
van deze vijver.

Tegenover de dood
ben ik een dode meer,
gesloopt onder het puin
als een oud koninkrijk.
Over de tafel,
de landkaarten, horloges;
deze onvaste
zinnebeelden - ach, menselijk -
van wat de ruimte is
en wat de tijd.


CARLOS V, YUSTE

Sé bien a qué he venido
hasta este lugar.

Su hermosura es inhóspita;
su ubicación, remota.

Es imposible concebir
que ahí fuera exista
el imperio que todos
me atribuyen.

No llegan a estos muros
los ruidos de la guerra,
ni se ven flamear
sobre el campo de batalla
jirones de banderas,
ni huelo ese olor acre
de lo que se corrompe
entre las ruinas.

Vengo hasta aquí
sin pertrechos apenas,
vencido y desarmado,
pero con la pesada carga
del recuerdo.

Por toda patria, este jardín.
Mis fronteras son ya
las de este claustro
y mis océanos
las aguas sosegadas
de este estanque.

Soy ante la muerte
un muerto más,
abatido entre escombros
como un viejo reino.
Sobre la mesa,
los mapas, los relojes;
esos emblemas
precarios -por humanos-
de lo que es el espacio
y es el tiempo.

Uit Mecánica terrestre, 2002


BRUG VAN ALCÁNTARA

            Voor Serafín Portillo

Ik ben een man die naar een oude brug kijkt.

Ik zag ze herhaalde malen... en toch,
alleen nu is ze reëel.

Als ik, bij het oversteken, op door de tijd
versleten stenen stap
en duizelig de hoogte vaststel
die haar bogen over de kloof spannen,
dan schrikt mijn wil enorm.

Langs de oppervlakte zweeft een vogel.
Zijn schaduw ligt weerkaatst, vluchtig, in de stroom.

Ik voorvoel de val van het lichaam van een zelfmoordenaar
die zich met snelheid naar het water stort.

Daarna drijft er een lijk. Het draagt grauwe kleren.
Zijn leed was oud, gelijk de wereld.

Uit de diepte van een andere rivier,
die der vergetelheid,
duikt mijn geheugen op in andere vorm.


PUENTE DE ALCÁNTARA

            A Serafín Portillo

Soy un hombre que mira un viejo puente.

Lo he visto tantas veces... sin embargo,
sólo ahora es real.

Cuando, al atravesarlo, piso losas
gastadas por el tiempo
y compruebo, con vértigo, la altura
que salvan sus arcadas sobre el tajo,
mi voluntad se sobrecoge.

A ras de superficie, un pájaro planea.
Su sombra se refleja, fugaz, en la corriente.

Presiento la caída del cuerpo de un suicida
que se arroja veloz contra las aguas.

Flota luego un cadáver. Lleva ropajes pardos.
Su dolor era antiguo, como el mundo.

Del fondo de otro río,
el del olvido,
emerge mi memoria transformada.

Onuitgegeven


TUIN IN MORILLE

            Voor María José en Jesús Málaga

Hier binnen, omgeven
door de stenen muur die de tuin insluit.
Blootsvoets in het gras. De blik
verloren voorbij kruinen van bomen:
magnolia, acacia, kastanjelaar, laurier.

Tezamen, beschut
tegen de hete wind die de zomer meedraagt.
Buiten het licht dat onbarmhartig de dorst
van deze woestijnen op de hoogvlakte beschijnt.

Eigenlijk zijn wij
niet meer dan vier mensen die rustig converseren
en die er zich zodoende door bemoedigd voelen.
Vrienden die de gave van hun taalgebruik waarderen.

Alleen maar mannen en vrouwen
die bij het spreken onzegbare mysteries oproepen
en heldere zekerheden,
die hun angsten bezweren door het onnoembare te noemen,
alleen maar mensen die beven als ze luidop woorden uitspreken
zo versleten als liefde, leven of dood.


JARDÍN DE MORILLE

            A María José y Jesús Málaga

Aquí dentro, cercados
por el muro de piedra que rodea el jardín.
Descalzos en la hierba. La mirada
perdida tras las copas de los árboles:
el magnolio, la acacia, el castaño, el laurel.

Reunidos, a resguardo
de los tórridos vientos que transporta el verano.
A salvo de la luz que ilumina inclemente
la sed de estos desiertos mesetarios.

No somos, en verdad,
sino cuatro personas que conversan con calma
y al hacerlo se sienten confortadas por ello.
Amigos que celebran el don de su lenguaje.

Sólo hombres y mujeres
que evocan mientras hablan misterios inefables
y claras evidencias.
Que conjuran sus miedos al nombrar lo indecible.
Sólo gente que tiembla cuando enuncia en voz alta
palabras tan gastadas como amor, vida o muerte.

Onuitgegeven


TAVIRA TOREN

            Voor Susi en Fernando T. Pérez

Je kijkt rondom je alsof je de wereld
kon beperken tot wat je observeert
vanaf de toren waar de wind op beukt.
Twee zeeën omgeven je: één van water,
de ander van dakterrassen, gescheiden
door vlakte die met straten is doorstreept.
Die van water is een zee van witte nevels.
Die van de dakterrassen krijgt de kleur
van kleren die gaan luchten in het oosten.
Het licht van schemering bezoedelt alles
met onbesliste kleur gebruind en oker.
De stad is een gesloten cirkel die
met torens en met bomen is bespat.
Ver ginder nodigt het spoor van een boot
die langs de haven weerkeert of vertrekt
je uit je reis nog eens te overlopen:
in de donkere kamer zie je een ander
je reis herdoen de kant op van het niets.


TORRE TAVIRA

            A Susi y Fernando T. Pérez

Miras alrededor como si el mundo
pudiera reducirse a lo que observas desde este torreón que bate el viento.
Te rodean dos mares: uno de agua
y el otro de azoteas, separadas
por el raso trazado de las calles.
El de agua es un mar de brumas blancas.
El de las azoteas toma el tono
de ropas que se orean al levante.
La luz de atardecida mancha todo
de un incierto color tostado y ocre.
La ciudad es un círculo cerrado
salpicado de torres y de árboles.
A lo lejos, la estela de algún barco
que vuelve o que se va por la bahía
te invita a repasar tu singladura:
en la cámara oscura ves a otro
repetir tu viaje hacia la nada.

Onuitgegeven

© Álvaro Valverde
© vertalingen Fa Claes

12-3-07

Javier Almuzara

Almuzara De Spaanse dichter Javier Almuzara werd in 1969 in Oviedo geboren. Hij publiceerde de dichtbundels: El sueño de una sombra (Óliver, Oviedo, 1990), Por la secreta escala (Renacimiento, Sevilla, 1994) en y Constantes vitales (Visor, Madrid, 2004), waarvoor hem de II Premio Emilio Alarcos werd toegekend. Hij is tevens auteur van twee bundels met gemengd prozawerk: Letra y música (Llibros del Pexe, Gijón, 2001) en Títere con cabeza (AMG, Logroño, 2005), dat bekroond werd met de XII Premio Café Bretón. (Fa Claes)


AFSPRAAK

Ik ken je naam niet
en niet de naam die de liefde droeg op jouw lippen,
ik ken de dromen niet die je met het leven
verknoopten,
en niet de tijd die je ontstal
aan de tijd van de dood.
En toch zal ik nooit vergeten
dat een onvoorziene reis
en enkele stappen zonder koers
me heimelijk naar onze afspraak brachten,
dat je geduldig wachtte op mijn komst,
dat ik om mezelf gehuild heb op jouw graf.


CITA

No sé tu nombre
ni el nombre que el amor tuvo en tus labios,
no conozco los sueños que te ataron
a la vida,
ni el tiempo que robaste
al tiempo de la muerte.
Y, sin embargo, nunca olvidaré
que un viaje imprevisto
y unos pasos sin rumbo
me han traído en secreto a nuestra cita,
que esperabas paciente mi llegada,
que he llorado por mí sobre tu tumba.


Uit: Por la secreta escala, 1994


TIJD WINNEN

Al wat me rest zet ik in
op de kaart waarop de oude
metafoor van lot
en toeval staan afgebeeld.
Alles of niets is de inzet
van deze duldzame partij
die ik bij voorbaat verlies.
Alleen heb ik het in mijn hand
te tellen wat ik dag na dag aftrek,
tijd te winnen tegen de tijd
door het geleefde te verdubbelen
en te bestaan en te schrijven in het bewustzijn
dat ik op elk ogenblik mijn leven
en in elke regel mijn verrijzenis inzet.


GANAR TIEMPO

Me juego lo que resta
a la carta ilustrada
con la vieja metáfora
del azar y el destino.
Todo o nada es la apuesta
de esta lenta partida
perdida de antemano.
Tan sólo está en mi mano
contar lo que descuento día a día,
ganarle tiempo al tiempo
doblando lo vivido,
y existir y escribir con la conciencia
de jugarme la vida cada instante
y la resurrección en cada línea.


Uit: Constantes vitales, 2004


NAARGELANG VAN HET STANDPUNT

                        Uitgaande van een anoniem gedicht

De kaars die met zo onzeker licht brandt
deelt haar onrust mee
aan wat haar omringt.
Geen andere ontroering bestaat in het gedicht.
Haar in vuur ontstoken blik
brengt aan het trillen wat hij verlicht.


SEGÚN SE MIRE

                        a partir de un poema anónimo

La vela que arde en tan precaria luz
contagia su inquietud
a cuanto le rodea.
No existe otra emoción en el poema.
Su mirada encendida
hace temblar las cosas que ilumina.


Uit: Constantes vitales, 2004


DE ZITTENDE KLERK

Hij rust in een doorschijnend mausoleum
behoedzaam uitgestald aan ‘t eerbetoon
van wie nauwelijks een glimp opvangt van zijn reis
langs de Nijl van de tijd tot in een museum.

De hand op haar hoede, het lichaam sloom,
hanteert hij de wapens van zijn beroep,
aan alles vreemd behalve aan zijn dienst
schrijft hij nu op een afstand van de dood.

Wie was, wie is hij? Wat beluistert hij aan de andere kant?
Mens of god, een minus habens of een hoog begaafde?
Waarvan legt hij getuigenis af op het alerte
papyrus dat op zijn knieën openligt?

Notaris van de dagen van de woestijn
bewijst hij dat in wat stierf nog leven steekt.


EL ESCRIBA SENTADO

Reposa en cristalino mausoleo
expuesto mansamente al homenaje
del que apenas vislumbra su viaje
por el Nilo del tiempo hasta un museo.

La mano prevenida, el cuerpo inerte,
esgrimiendo las armas del oficio,
ajeno a todo excepto a su servicio,
escriba ahora al distado de la muerte.

¿Quién fue? ¿Quién es? ¿Qué escucha al otro lado?
¿Hombre o dios? ¿La minucia o el portento?
¿De qué deja constancia en el atento
papiro entre sus piernas desplegado?

Notario de los días del desierto
da fe de que aún hay vida en lo que ha muerto.


Uit: Constantes vitales, 2004


SCHEDEL, 1953

                        (Luis Fernández)

Het negatief van een zelfportret.

Een eerlijk gelaat, ontdaan
van zijn argeloos masker uit huid.

De onnutte harde helm
van de soldaat die viel.

Een trofee zonder roem
in handen van de onafwendbare nacht.

Het huis van de worm.

Het lichaam van een idee dat voort bestaat
- het niets is voor altijd -
waar de gedachte zich een thuis had ingericht.


CRÁNEO, 1953

                        (Luis Fernández)

El negativo de un autorretrato.

Una cara sincera, despojada
de su cándida máscara de piel.

El duro casco inútil
del soldado caído.

Un trofeo sin gloria
en manos de la noche inevitable.

La casa del gusano.

El cuerpo de una idea que perdura
-la nada es para siempre-
donde hacía su vida el pensamiento.


Uit: Constantes vitales, 2004


IN DE KANTLIJN VAN HET LEVEN

                        Uitgaande van Federico García Lorca

Ik houd van dit herhaalde rustige ogenblik
aan de oever van de rivier die ons meevoert
en ik zie het water graag voorbijgaan dat achterblijft
om op mijn zwijgzaam lijk te wachten.

Ik wil graag slapen,
mijn hoofd verbergen
onder het hoofdkussen van de wereld,
het waken van het leven afgelasten
in een droom van zichzelf bewust.

Ik wil graag een tijdje slapen,
een tijdje, een minuut, een eeuw,
en dat de tijd, die oude die mank loopt
in de uurwerken, ermee ophoudt om op
ieder uur het noorden
van mijn dagen aan te geven.

Ik wil een tijdje slapen,
een tijdje, een minuut, een eeuw,
maar dat allen weten dat ik niet doodgegaan ben,
dat ik alleen maar van huis ben gegaan
om heimwee naar de hel te voelen.


AL MARGEN DE LA VIDA

                        a partir de Federico García Lorca

Quiero este quieto instante repetido
a la orilla del río que nos lleva
y ver pasar el agua que se queda
esperando mi tácito cadáver.

Quiero dormir,
esconder la cabeza
tras la almohada del mundo,
suspender la vigilia de la vida
en un sueño consciente de sí mismo.

Quiero dormir un rato,
un rato, un minuto, un siglo,
y que el tiempo, ese viejo que cojea
en los relojes, deje de marcar
a todas horas
el norte de mis días.

Quiero dormir un rato,
un rato, un minuto, un siglo,
pero que todos sepan que no he muerto,
que sólo me he ausentado de la casa
para sentir nostalgia del infierno.


Uit: Constantes vitales, 2004


IN ELKAAR GESTORT LICHAAM

Trampoline van de leegte, afgrond
aan de rand van zichzelf, diepe wortel
in de lucht, het kruipende
geweten dat zich aan mijn voeten
vastklampt en me met zich
meesleept, het meest getrouwe
portret - dat van de spiegel
van de aarde -, mijn vingerafdruk
van gehele lichaam, donker
silhouet van nog uit te voeren
misdaad, aanvoelingsvermogen
van het graf, nacht
die me in volle dag
is voorbijgegaan, het gaatje
waardoorheen mijn ziel
ter aarde viel.


CUERPO A TIERRA

Trampolín del vacío, un precipicio
al borde de mí mismo, honda raíz
al aire, la conciencia
reptante que se agarra
a mis pies y me lleva
a rastras, el más fiel
retrato -el del espejo
de la tierra-, mi huella dactilar
de cuerpo entero, oscura
silueta de un crimen
por venir, intuición
de la tumba, la noche
que me ha salido al paso
a pleno día, el hueco
por donde se me cae
el alma al suelo.


Onuitgegeven


VOOR EEN ANDERE KEER

De tijd is een methodisch lezer
die niet bij toeval zijn gewoonte opgeeft,
herleest het beste uit het allerbeste
en laat de overigen op hun plaats staan.

Ik speelde god maar ik was marionet
die ze doen leven en vergeten, redeloos,
en zocht in mijn schrale geheugen een plaats,
echo van de schaduwen die ik belichtte.

Wie zou in mijn toekomst iets kunnen lezen
dat het slot waard is dat iemand verzint
in een universele donkere taal.

Wat daarna overblijft gaat mij niet aan.
Het beste laat ik na als het overleeft
om een andere keer, van mij vervreemd, te sterven.


PARA OTRO DÍA

El tiempo es un metódico lector
que no abandona su hábito al azar,
relee de los mejores lo mejor
y deja a los demás en su lugar.

Yo he jugado a ser dios siendo un muñeco
al que avivan y olvidan sin porqué,
y en la escueta memoria busqué un hueco,
eco de aquellas sombras que alumbré.

Quién pudiera leer en mi futuro
algo digno del fin que alguien concibe
en un lenguaje universal y oscuro.

Lo que quede después no es cosa mía.
Dejaré lo mejor, si sobrevive,
para que, ajeno a mí, muera otro día.


Onuitgegeven


IDENTITEITSKENMERKEN

Zinspeling boven getuigenis verkies ik,
het intieme leed boven het podium.
En hoewel mijn stijl het tegendeel veinst,
terwijl ik Manuel smaak stam ik uit Antonio.

Ik bewonder het precieze vers dat beklijft
omdat het goed doordacht is. Laat het duidelijk zijn
dat ik geen mysterie behoef maar het schaarse
domein van het licht en van de diepte.

Liefst liet ik trouwe herinnering aan mij na
door hoge waarheden te zeggen die ik niet weet
als ik op fluistertoon de ironie weerleg.

En voor zover ik schrijf, dat daar sta ingegrift
datgene wat ik was, wat ik ben, wat ik zal zijn.
Om niet totaal te sterven leef ik me heftig stuk.

Noot van de vertaler:

Met Manuel en Antonio zijn de twee broers Machado bedoeld, allebei opmerkelijke en zeer verwante dichters. De burgeroorlog veroorzaakte een breuk, Manuel koos voor Franco, Antonio ging in ballingschap. In Spanje zijn ze het beeld van de burgeroorlog, twee nauw verwante geesten in een verschillend kamp.


SEÑAS DE IDENTIDAD

Prefiero la alusión al testimonio,
el íntimo dolor al escenario.
Y, aunque mi estilo finja lo contrario,
gustándome Manuel yo soy de Antonio.

Admiro el verso exacto que perdura
porque está bien pensado. Queda claro
que no aspiro al misterio sino al raro
dominio de la luz y de la hondura.

Quisiera dejar fiel memoria mía
diciendo altas verdades que no sé
si en voz baja desmiente la ironía.

Así queda grabado en cuanto escribo
lo que fui, lo que soy, lo que seré.
Por no morir del todo me desvivo.


Onuitgegeven


© Javier Almuzara
© vertaling Fa Claes

16-8-06

Moniza Alvi

Moniza AlviVan Moniza Alvi verschenen eerder vertalingen op Stanza, uit haar bundel Het land aan mijn schouder (Wagner & Van Santen, 2003). Onderstaande gedichten werden oorspronkelijk gepubliceerd in het literaire tijdschrift Ballustrada. (Kees Klok)


Vlucht

Wat is het dat in de herinnering blijft hangen
over Mohammed Ayaz?

De manier waarop hij zich binnenwrong
in het landingsgestel
    van een Boeing 777,
een plek vond om in te kruipen en zich vast te klampen?

De wijze waarop hij, 30000 voet hoog, in het vrieskoude
donker, veranderde in een klomp ijs?

Is het de plaats waar zijn verwrongen lichaam werd gevonden,
op het parkeerterrein van een DIY-warenhuis
    in Londen,
door een medewerkster – op weg om
verfblikken in te pakken
    in stevige papieren zakken?

Wat is het dat er in de herinnering blijft hangen
over Mohammed Ayaz?

Is het zijn dwaasheid?
Is het zijn moed?

Is het dat de schulden van zijn familie
zo hoog waren als de berg Mankial?

    Ze hadden zo weinig tijd om te treuren
    onder het oogsten van de uien.

Is het dat 3000 mensen
maar één telefoon delen
in de wijde, groene vallei van Swat?

Is het dat de piloot routineus
het landingsgestel neerliet
en hem eruit wipte?

    En anderen zullen op deze manier naar beneden vallen,
    op bijna precies dezelfde plaats.

Allah geeft en Allah neemt weg
sprak zijn vader.
Het was voorbeschikt dat hij
op deze tijd zou sterven.

Maar de zoon die ter aarde
was gestort kreunde
Het was de verkeerde tijd.
De verkeerde manier.


Flight

What is it about Mohammed Ayaz
that sticks in the mind?

Is it how he squeezed himself
into the wheel bay
    of a Boeing 777,
found somewhere to crouch and cling?

Is it how, at 30,000 ft in the freezing
dark, he turned into a block of ice?

Is it where his twisted body was found,
in a DIY store car park,
    in London,
by a worker – on her way
to load paint tins
    into strong paper bags?

What is it about Mohammed Ayaz
that sticks in the mind?

Is it his foolishness?
Is it his courage?

Is it that his family’s debts,
were as high as Mount Mankial?

    Harvesting the onion crop,
    they had so little time to grieve.

Is it that 3,000 people share
only one telephone
in the broad green valley of Swat?

Is it that routinely the captain
opened the undercarriage
and tipped him out?

    And others will fall in this way
    on almost exactly the same spot.

Allah gives and Allah takes away
said his father.
He was meant to die
at this time.

But the son who had fallen
to earth groaned
It was the wrong time.
The wrong way.


© Moniza Alvi, 'Flight' uit: Souls (Tarset, 2002)
© vertaling Kees Klok

Moniza Alvi

De jongen uit Bombay
(voor Varuna en Jan)

Hij slaapt: een vuist gebald
op een brokstuk van India.

Schaduwbroers
die achter zijn oogleden bewegen
rollen zich op in hun lage bedden,
rammelen met hun blikken ontbijtborden.
Een kamer vol verdwaalde jongens.

Hij wordt wakker in de frisse Zwitserse lucht,
de schone grijze straten,
uitzicht op de bergen.
Hij wordt wakker bij nieuwe ouders.
Eindelijk hadden ze hem thuisgebracht!
                  *
Het nieuwe kind met de nieuwe naam.
Amit Andr?, die met zijn oren ziet
en met zijn ogen hoort,
zijn heden dat over zijn
verleden en toekomst struikelt.
Een afwezigheid van stof.

Een computerfoto
van Amit met olifanten
maakt zijn aankomst bekend.
Zijn wijsvinger die over een onmetelijk
turkooizen voorhoofd aait.
De jongen uit Bombay
die liefdevol de baas speelt
over dieren van papier.
Zijn ogen waakzaam
en verwonderd.
                  *
Misschien dat hij jaren later
in de spiegel kijkt en zich
even verbeeldt
dat hij ergens anders is.

Niet in deze door sneeuw
verdoofde stad, maar onder het gele
basalt van de Toegangspoort tot India.
Of dat hij pomfret koopt op de markt.
                  *
Hij rekt zich om te kijken -
alsof hij achter het hele verhaal
kon komen.
Alsof hij een boot op het meer
kon losmaken,
hem van de ene naar de andere
wereld roeien-

heen en terug-
door het zonlicht
en de schaduwen.


The Boy from Bombay
(for Varuna and Jan)

He sleeps – one fist clenched
on a fragment of India.

Shadow-brothers
moving behind his eyelids
curl up on their low beds
clatter their metal breakfast plates.
A roomful of lost boys.

He wakes to the crisp Swiss air
the clean grey streets
a view of the mountains.
He wakes to new parents.
At last they’d brought him home!
                  *
The new child with the new name.
Amit Andr?, seeing with his ears
hearing with his eyes,
his present tumbling
over his past and future.
An absence of dust.

A computerised image
of Amit with elephants
announces his arrival.
His forefinger stroking
an immense turquoise forehead.
The boy from Bombay
in loving command
of paper animals.
His eyes watchful
and amazed.
                  *
Years later, perhaps,
he’ll look in the mirror
and picture himself
for a moment
somewhere else.

Not in this town numbed
by snow, but under the yellow
basalt of the Gateway of India.
Or buying pomfret in the market.
                  *
He strains to see –
as if he could uncover
the full story.
As if he could untie
a boat on the lake,
row it from one world
to another –

backwards and forwards –
through the sunlight
and the shadows.


© Moniza Alvi, 'The Boy from Bombay' uit: Souls (Tarset, 2002)
© vertaling Kees Klok

11-5-06

Stina Aronson

Stina Aronsson Stina Aronson (1892-1956), geboren in Zweden, was auteur van novellen, romans, drama’s en poëzie. Haar werk is deels autobiografisch, gebaseerd op het feit dat zij spoedig na haar geboorte door haar moeder werd afgestaan. Haar poëzie kenmerkt zich, behalve door elementen als het zoeken naar de eigen identiteit en de grond van het bestaan, door een zekere tegendraadsheid. In de jaren ’30 van de vorige eeuw was zij een aanhangster van het modernisme, eind jaren ’40 wendde zij zich daar juist weer vanaf. Een bron van inspiratie die we terugvinden in haar werk is het Norrland, het noorden van Zweden, waar zij met haar echtgenoot woonachtig was. De vertalingen door Willemien Drion, Ellemieke Lensen en Jetje Schram, onder redactie van Petra Broomans, verschenen eerder in het tijdschrift Kruispunt, nr. 185. (Kees Klok)


            MIJN IKKEN

In mij woont een schare mensen,
narren, dwaasverliefden, kluizenaars, danseressen.
Mijn leven is een bouwwerk van levens
ik ben als een menigte, een vuil marktplein.
Ik verstoor mijn eigen gebeden
met mijn luidruchtige stappen.
Ik stoor mezelf met de veelheid van de vloek.
Ach, dan ontluiken de klimrozen op een ochtend
voordat het ochtendgloren is omgezet in dag.
Ik drink deze ene minuut voor de bloei
die nog slechts een voorgevoel is.
Niets anders dan mijn zuivere klimrozen,
mijn zuivere verhalen,
kan mij en mijn ikken
een teug rust schenken
en onze handen aandachtig samenhouden.


            JAGEN

I mig bor en skara människor,
Narrar, kärlekskranka, eremiter, danserskor.
Mitt liv är en byggnad av liv.
Jag är som ett vimmel, ett smutsigt marknadstorg.
Jag stör mina egna andaksstunder
med mina laramnde steg.
Jag stör mig med förbannelsens mångfald.
Ack då slår klängrosorna ut en morgon
innan skimret har förvandlats till dag.
Jag dricker denna enda minut före blomningen
som ännu är bara en aning.
Intet annat än mina skära klängrosor,
mina skära sagor,
kan skänka mig och jagen
en dryck stillhet
och hålla våra händer andaktsfullt tillsammans.


Copyright Nederlandse vertaling © Willemien Drion, Ellemieke Lensen en Jetje Schram, onder redactie van Petra Broomans

Stina Aronson

            KANTELE*

De rust van herfstig water tegen het land,
het zwakke geruis van moerassige weiden
waargenomen in de beweging van mijn hand
en de toon uit de snaren van de kantele.

Door de aloude klaaglijke stem der luit
en de troost der vrouwenhanden
wordt uit de boezem der vergetelheid
een oude onsterfelijke melodie langzaam verlost.

*Een van oorsprong Fins tokkelinstmment.


             KANTELE

Det höstliga vattnets vila mot land,
det svaga suset från myrens ängar
förnims i rörelsem av min hand
och tonen ifrån kantelens strängar.

Av lutans åldriga klagoröst
och kvinnohändernas lisa
förlossas sakta ur glömskans bröst
en gammal odödlig visa.


Copyright Nederlandse vertaling © Willemien Drion, Ellemieke Lensen en Jetje Schram, onder redactie van Petra Broomans

Stina Aronson

            DE WOLF

Ik zwierf over de kruin van de kale berg
eenzaam op weg naar het dal van mijn broer.
Mijn hart gehoorzaamde aan de mis van de rust
maar begreep niets van de stem van de stilte.

Ik vond mijn broer stijf en doodgebloed
met gescheurde kleren en opengereten borst.
En de toon van de stilte kreeg betekenis door de dood
en van de echo van honger in de stem van de wolf.


            VARGEN

Jag vandrade över kalfjällets hjässa
allena på väg till broders dal.
Mitt hjärta lyddes till stillhetens mässa
men fattade intet av tystnadens tal.

Jag fann min border stel och förblöden
med rivna kläder och uppfläkt bröst.
Och tystnadens ton fiek mening av döden
och hungerekot i vargens röst.


Copyright Nederlandse vertaling © Willemien Drion, Ellemieke Lensen en Jetje Schram, onder redactie van Petra Broomans

Stina Aronson

            WOLKEN

Er is zoveel moois achter de wolken:
de zon,
de hemel,
de vrijheidsdroom.
En de bundel sterren schittert
in gevangen uren
als sleutels tot geheime hoeken van de wolken.


            MOLN

Det finns så mycket vackert bakom molnen:
solen,
himlen,
frihetsdrömmen.
Och stjärnornas knippe glimmar
i fångna timmar
som nyeklar till molnens gömmen.


Copyright Nederlandse vertaling © Willemien Drion, Ellemieke Lensen en Jetje Schram, onder redactie van Petra Broomans

4-11-05

Delfina Acosta

Delfina Acosta (Asunción, Paraguay, 1956) schrijft gedichten en verhalen. Ze is ook columniste en journaliste. Haar eerste gedichten verschenen in 1984 in Poesía Itinerante, een collectieve uitgave van het poëzie-atelier 'Manuel Ortiz Guerrero'. Ze won de Mburucuyá de Plata prijs in de Juegos Florales de Paraguay, een culturele wedstrijd ter gelegenheid van de 450ste verjaardag van de stichting van Asunción. Van haar verschenen de volgende poëziebundels: Todas las voces, mujer... (1986), La Cruz del Colibrí (1993), Romancero de mi pueblo (1998, tweede prijs 'Federico García Lorca') en Versos esenciales (2001), gedichten opgedragen ter nagedachtenis aan de Chileense dichter Pablo Neruda en waarmee Delfina Acosta de Pen Club Prijs 2003 won. Haar laatste bundel Querido mio is van 2004 (Premio Roque Gaona). Veel van haar verhalen en gedichten werden opgenomen in binnen- en buitenlandse bloemlezingen. (Fa Claes)


DE PASSAGIERS

Vriend, we zullen op een trein stappen.
Vanuit het raampje zullen we kijken naar
de wolven die de maan omkringen
en naar de regen die het firmament uitdooft.
We nemen straks een pauze in de vlakte
waar een droevige kraai tot de Heer krast.
Het zal regenen en we stappen terug in.
Ik zal zijn weggegaan van je verre omarming.
Zonder er me rekenschap van te geven dat je onder
de cipres bent blijven staan die buigt voor de wind
zal ik je de dingen vertellen die ik heb verzwegen
en in je mond zal ik je zeggen dat ik van je hou.
De trein zal hebben haltgehouden tussen de figuratie
die van hoek tot hoek tot aan de haven gaat.
Na een tijd zal hij fluiten en dan zal ik
met hem vertrekken om in de verte voorbij te komen.


LOS PASAJEROS

Amigo, vamos a abordar un tren.
Desde la ventanilla miraremos
a los lobos cercándole a la luna,
y a la lluvia apagando al firmamento.
Tomaremos un breake en la campiña
donde grazna al Señor un triste cuervo.
Lloverá y volveremos a subir.
Me habré marchado de tu abrazo lejos.
Sin darme cuenta de que te has quedado
debajo del ciprés que arquea al viento,
te contaré las cosas que he callado,
y te diré en la boca que te quiero.
El tren habrá parado en la comparsa
que de esquina en esquina va hasta el puerto.
Después de un rato pitará, y entonces
me iré con él para pasar de lejos.

Delfina Acosta, uit: Querido mio, 2004
Copyright vertaling © Fa Claes

Delfina Acosta

GEWAAD

De zee is mijn gewaad: zo, naakt
gelijk een enorme golf, kom ik tot bij jou.
Mijn gelegenheid de storm en de bliksems
en van mijn liefde is het rijdier de wind.
Geen terugkeer: ik ga, want mijn stappen zijn
zoals voor het kruid de passie van het vuur.
Ik ben het langharige beest
dat de andere tong likt die de zoen is.
In de stenen vorm voel ik me thuis
omdat op die manier mijn stilte zo hard is
dat het leed van de wereld haar niet zal overwinnen,
en niet van de haat de druppel gif.
De zee is mijn gewaad: zo, naakt
gelijk een enorme golf, kom ik tot bij jou.
In mijn handen met vuil water ontkiemden
de giftige bloemen van deze verzen.


ROPAJE

Es el mar mi ropaje: así desnuda
como una enorme ola a ti yo llego.
Mi ocasión la tormenta y los relámpagos,
y es la montura de mi amor el viento.
No retorno: yo voy pues son mis pasos
como a la hierba la pasión del fuego.
Soy la bestia de larga cabellera
que lame la otra lengua que es el beso.
En la forma de piedra me hallo a gusto
porque es así tan duro mi silencio
que no lo vencerá el dolor del mundo,
ni del odio la gota de veneno.
Es el mar mi ropaje: así desnuda
como una enorme ola a ti yo llego.
Brotaron en mis manos de agua sucia
las flores venenosas de estos versos.

Delfina Acosta, uit: Querido mio, 2004
Copyright vertaling © Fa Claes

Delfina Acosta

ANGELUS

Wie had de lange verzen kunnen leren
die de donkere zwaluwen kennen;
ze keren terug bij het horen van de zang
van wat een ver Ave Maria was.
Wie had plots gezegd toen hij zich mij herinnerde:
vóór een ontstoken lamp
liet ze op elke regel van het papier
de verzen staan die de bladzijden verloren.
Ze placht er somber uit te zien als ze zag dat haar
haar en haar tranen en haar nagels waren gegroeid.
En om er droevig uit te zien zijn voor haar
madeliefjes gegroeid in plaats van onverschillig wat.
En laat iemand het kind een lief verhaal vertellen:
de dood daalde tot bij haar op een dag
waarop de regen een druppel werd
op de roos die het leven verloor.


ANGELUS

Quién pudiera aprender los largos versos
que saben las oscuras golondrinas;
ellas retornan al oír el canto
de lo que fue un lejano Ave María.
Quién dijera de pronto al recordarme:
delante de una lámpara encendida
dejaba en cada línea de papel
los versos que las páginas perdían.
Solía al ver crecidas su melena,
su lágrima y su uña andar sombría.
Y le han crecido por andarse triste
en vez de cualquier cosa, margaritas.
Y que se diga un dulce cuento al niño:
bajó la muerte a ella cierto día
en que la lluvia se volvió una gota
sobre la rosa que perdió la vida.

Delfina Acosta, uit: Querido mio, 2004
Copyright vertaling © Fa Claes

21-10-05

Alfonso Vázquez Alonso

De Spaanse dichter Alfonso Vázquez Alonso (Oviedo, 1945 - Andújar, 2003) behaalde zijn doctoraal Genees- en Heelkunde aan de 'Universidad de Santiago de Compostela' en zijn doctoraal Psychiatrie aan de 'Universidad Complutense de Madrid'. Van hem is slechts één bundel verschenen, het posthuum uitgegeven Poemas (Ediciones Gaztambide, Madrid, 2003). De auteur, die publicatie van zijn werk altijd weer uitstelde, overleed tijdens de voorbereiding van deze uitgave. (Fa Claes)


De koude wereld

De koude wereld in de nacht met zijn krekels van ijs.
De overdaad aan mogelijkheden om onverschillig wat te denken.
Deze planeet in de nacht; deze weerswisselvalligheid in de weerswisselvalligheid.
De warmte van de zonde, toch; de rode
warme kleur van de zonde, toch.
De vergulde warme pijn van het geheugen.
Onze jeugd zonder geliefde, uitsluitend vol
van de obsessie voor de onbekende van het zijn.
De verslagenheid nu
wegens de betrekkelijkheid van de gedachte.
De behoefte om nu de liefde te bezitten
die we in onze jeugd hadden moeten bezitten
en de begrafeniskrekels, de begrafeniseentonigheid
van deze nacht waarin ik mijn verst afgelegen jeugd
opteken, er heimwee naar heb, haar betreur.
Als in een lege, immense, zwarte schedel
begraaft deze nacht zichzelf.


El mundo frío

El mundo frío en la noche con sus grillos de hielo.
Las demasiadas posibilidades para pensar cualquier cosa.
Este planeta en la noche; esta intemperie en la intemperie.
El calor del pecado, sin embargo; el rojo
color caliente del pecado, sin embargo.
El dorado dolor cálido de la memoria.
Nuestra juventud sin amada, únicamente llena
de la obsesión por la incógnita del ser.
El abatimiento ahora
por la relatividad del pensamiento.
La necesidad de tener ahora el amor
que debiéramos haber tenido en la juventud
y los grillos funerarios, la monotonía funeraria
de esta noche en que anoto, añoro, lamento,
la lejanísima juventud.
Esta noche se sepulta a sí misma
como en un cráneo vacío, inmenso, negro.


Alfonso Vázquez Alonso, uit: Poemas (Ediciones Gaztambide, Madrid, 2003)
Copyright vertaling © Fa Claes

Alfonso Vázquez Alonso

In je haren

In je haren hangt de dood van oude dakgoten;
de tijd is grijs en droevig; de wind loopt
over de Noordzee in een verte
van vlaggen die stukgaan.
Je ogen doen denken aan ijs van afgebrokkelde winters.
Een liefkozing bloedt in mijn handpalm.
Laten we hier blijven, jij de sfinx, ik het geheugen
totdat de dag vervaagt binnen in de steen
naar zijn oorsprong toe.
De tijd is grijs en droevig. De Noordzee.
De vlaggen gaan stuk achter het gezicht dat droomt.
Je haren van dood in oude dakgoten,
je ogen in mijn ziel. Wij blijven.


En tus cabellos

En tus cabellos hay la muerte de los aleros viejos;
el tiempo es gris y triste; el viento corre
sobre el mar del Norte en una lejanía
de banderas que quiebran.
Tus ojos recuerdan el hielo de inviernos derrotados.
Una caricia sangra en la palma de mi mano.
Permanezcamos aquí, tú la esfinge, yo memoria,
hasta que el día se borre, adentro de la piedra
hacia el origen.
El tiempo es gris y triste. El mar del Norte.
Las banderas se quiebran tras el rostro que sueña.
Tus cabellos de muerte en los aleros viejos,
tus ojos en mi alma. Permanecemos.


Alfonso Vázquez Alonso, uit: Poemas (Ediciones Gaztambide, Madrid, 2003)
Copyright vertaling © Fa Claes

Alfonso Vázquez Alonso

Het geheugen

Alleen in jou de wijsheid, alleen in jou de waarheid.
Je hart morst vuur
over de middag in schaduw van mijn ziel.
Aan de gouden spiegel van je deuren
klop ik aan nu ik zoals de zon die sterft
de stilte van de aarde hoor.
Alles is weg. Ik heb de weg verloren
die van je ogen naar het land van de afstanden ging.
Je zachte, vluchtige lichaam slaapt ver.
Heb je me voor altijd
in het donkere nu gelaten?
Moet je me niet bezoeken, en verblijf gunnen,
standvastigheid, en lange naam voor het verwachte?
In jou ontbloot de wind
het geliefde hart van andere dagen.
Vallen, zwijgen, wegzinken in het verlorene.
Dingen zijn er in je hart die je in geen enkel ander vindt.
Ik kan niet verder komen dan tot de boord
van het geroezemoes aan je voorhoofd.
De slang van mijn wereld blaast in het slijk
onverschilligheid en tekort.
Herhaald tot in het ijs
het niets zijn voor mijn ziel.
Alleen voor jou en vroeger was de stem van wat is geweest,
ze vergat mijn verlangen, vergat mijn hoop;
vandaag is vergetelheid en leegte
zonder jou dat wat me overblijft.


La memoria

Sólo en ti la sabiduría, sólo en ti la verdad.
Tu corazón derrama fuego
sobre la tarde en sombra de mi alma.
Al espejo de oro de tus puertas
llamo ahora cuando, como el sol que muere,
oigo el silencio de la tierra.
Todo se ha ido. He perdido el camino
que iba de tus ojos al país de las distancias.
Tu suave cuerpo huidizo duerme lejos.
¿Me has dejado por siempre
en lo presente oscuro?
¿No habrás de visitarme, y dar estancia,
firmeza, y largo nombre a lo esperado?
En ti desnuda el viento
el corazón amante de otros días.
Caer, callar, hundirse en lo perdido.
Cosas hay en tu pecho que en ningún otro se hallan.
No puedo llegar sino al borde
del rumor de tu frente.
La serpiente de mi mundo sopla en el barro
indiferencia y falta.
Repetido hasta el hielo
el ser nada por mi alma.
Sólo por ti y antaño fue la voz de lo sido;
olvidó mi deseo, olvidó mi esperanza;
hoy es olvido y vacío
sin ti lo que me resta.


Alfonso Vázquez Alonso, uit: Poemas (Ediciones Gaztambide, Madrid, 2003)
Copyright vertaling © Fa Claes

23-8-05

Moniza Alvi

Moniza Alvi Moniza Alvi, geboren in 1954 te Lahore, Pakistan, maar reeds als baby verhuisd naar Engeland, deed voor het eerst van zich spreken door het winnen van de Poetry Business Competition in 1991. De winnende gedichten, uitgekomen onder de titel Peacock Luggage (Smith/Doorstop Books, een uitgave samen met medewinnaar Peter Daniels), zijn opgenomen in haar eerste officiële, bij de Oxford University Press uitgegeven bundel The Country At My Shoulder (1992), die werd genomineerd voor de T.S. Eliot Prijs. In 1996 verscheen A Bowl of Warm Air, eveneens bij de Oxford U.P. Nadat deze uitgeverij besloot met zijn vermaarde poëziereeks te stoppen, stapte Alvi over naar Bloodaxe, bij wie in 2000 Carrying My Wife en in 2002 Souls, verschenen.

Een belangrijk thema in haar werk is de band met haar geboorteland. Aanvankelijk was Alvi zich, zoals ze zegt in een interview met de BBC, weinig bewust van haar bi-culturele achtergrond. Haar Pakistaanse vader en haar Engelse moeder vestigden zich na hun terugkeer uit Lahore in Hatfield, Hertfordshire, waar zij in haar eigen woorden 'a fairly typically English 1950s/1960s upbringing' ontving. In die tijd waren er nog nauwelijks emigranten uit de voormalige koloniën. Bovendien was haar vader wel moslim, maar niet praktizerend, en kreeg zij een christelijke opvoeding. Na de middelbare school studeerde zij Engels aan de universiteit van York.

Door haar doorsnee Engelse jeugd in Hertfordshire ontwaakte het gevoel in zekere zin te verschillen en niet helemaal thuis te zijn in Engeland, pas op latere leeftijd. Toen de interesse in haar oorsprong was gewekt, schreef zij een serie 'Pakistaanse' gedichten, die werd opgenomen in haar eerste bundel. In 1993 bezocht zij voor het eerst sinds haar babyjaren Pakistan. Daar werd ze zich bewust van de afstand tussen haar en het land van haar vader. Zoals ze in hetzelfde interview opmerkt: 'When I eventually went to Pakistan, I certainly didn't feel that was home - I'd never felt so English.' Alvi wordt vaak, maar niet terecht, ingedeeld bij de 'black writers,' de immigranten die zich in Engeland hebben gevestigd. Door haar opvoeding en door andere thema's in haar werk onderscheidt zij zich van hen. (Kees Klok)


De kind-godin

Laten we aannemen dat uit ons
de Koninklijke Kumari van Patan is geboren -

de kind-godin die huwelijken
zegent, de zieken geneest,

en alleen maar staart naar de kant van hen
die de donkere ster van de geslachtsrijpheid

hebben bereikt. Onze persoonlijke godheid -
We zijn zo trots!

Ze trekt niet langer aan ons haar.
Ze heeft geen tandbederf.

Misschien zal ze voor altijd zeven blijven.
Iedereen staart naar haar kwetsbare gezicht

en verklaart dat ze de wangen van een leeuw heeft.
Soms zijn we wanhopig omdat ze nooit ons huis

mag verlaten behalve
wanneer wij haar in optocht door de straten voeren.

Aan de machtigste van alle maagden
is maar één vriendin toegestaan.

We kleden haar in flonkerend scharlaken
en zetten haar op een scharlakenrode stoel.

Ze grijpt de armen van die troon
alsof ze net wil opstaan

om naar buiten te rennen om te spelen.
Maar ze is volkomen bewegingloos, volkomen stil.

Op een dag zal ze onvermijdelijk
haar knie schaven, in haar vinger prikken,

een tand kwijtraken - haar status van godin
zal verdwijnen bij haar eerste druppel bloed.

Ze zal een beetje zoals een echt kind worden.
Onze Kumari van Kathmandu,

van de buitenwijken, van om het even waar we zijn

Uit: Het land aan mijn schouder (Wagner & Van Santen, Sliedrecht 2003)
Copyright Nederlandse vertaling © Kees Klok

19-8-05

Louis Armand

Jacques Cousteau est mort

(voor Michael Brennan)

      we waren gewaarschuwd voor de verwachtingen omtrent plot & ontknoping maar vergezelden niettemin ons medeleven in de openbare bibliotheek aan de voet van het nationale monument
      & met het verstrijken van de dag leek het alsof de vlaggen aan de vlaggenstokken een vochtige fase van onverschilligheid waren binnengegaan
      een kind met een hemelsblauwe hoed zwaait vanachter het raam van een tram terwijl de tram duwt tegen de stroom voetgangers
      het was overeengekomen dat er niet langer ruimte was om onszelf in waar te nemen om af te stijgen in die zee van kuddesympathisanten
      stemmen in tekstballonnen die zweven boven de vormeloze massa
      geheel in overeenstemming met het programma, een krabbel die aandringt op puur spektakel: 'er gebeurt zoveel & niets vindt plaats'
      we keren terug op onze schreden & wagen een oversteek vanuit de tegenovergestelde richting
      herhaling
      om 12.00 uur pauze nemen op de hoogte raken van de laatste roddels, aanwijzingen omtrent de afloop van ongekende gebeurtenissen
      daarna de laatste eer bewijzen op het kantoor der onbestelbare brieven (in de hoop verkeerd geadresseerde correspondentie te onderscheppen)
      & koffie drinken aan een kraam
      & vluchtig de koppen van de kranten in een krantenrek doorlezen: 'verandering voorspeld ...' nadenken over waar nu heen te gaan, nooit naar dé plaats of 'daar' zoals ze zeggen
      rustig prijsgeven aan de starende blik van passerende vreemden twee drie vier, wachten in de rij om te betalen 'zoveel armoede is een doorn in het oog' zegt de vrouw in de lakleren laarzen & het reclamebord zegt stem x voor meer y en minder z
      de duiven denken onder de dakrand in de blauwe schemering koerend
      & plotseling, zo lijkt altijd wel, wil je niet weer alleen zijn, vanavond, als je de trappen opgaat die één voor één leiden omhoog naar de oppervlakte & de lucht
      maar zoals de deuren in dromen heeft het geen handvat

'Jacques Cousteau est mort' uit: Strange Attractors (Salt Publishing, 2003)
Copyright Nederlandse vertaling © A.T. van 't Hof 2004

Robert Archambeau

Experimentele onderzoeken naar de irrationele opsmuk van Chicago

I.M. André Breton, zijn stad en zijn ontwerpen

Moet men in stand houden, modificeren, veranderen of onderdrukken:

De Water Tower
Plaats het onder water opzij van de meest oostelijke punt van de Navy Pier. Vervang het door een dertig meter hoge kapperspaal.

Buckingham Fountain
Vul de fontein dagelijks met gouden munten waarop de woorden van burgemeester Daley die hij sprak tijdens de Democratische Nationale Conventie in 1968, 'Teneinde de bestaande wanorde te bewaren'. Om gratis mee te nemen.

De Picasso
Vernietig het en gebruik het schroot om veel opwindbare speeltjes van te maken in de vorm van Al Capone. Laat ze vrij op Daley Plaza onder een spandoek waarop 'Een lokale bezienswaardigheid' staat.

Wrigley Field
Vervang het scorebord door een reusachtige fruitmachine die het motto draagt 'De stad die werkt'.

Het Museum of Contemporary Art
Alle tentoongestelde werken dienen te worden bevestigd aan de buitenkant van het gebouw.

Het standbeeld van Goethe
Plaats het boven op een van de met gemeenschapsgeld gefinancierde woningbouwprojecten in Sateway Gardens, naast een levensgrote grootmoeders koekjestrommel. Laat de burgemeester uitleggen waarom zij symbolen zijn van het medeleven van de stad.

Soldier Field
Herdoop het 'Upton Sinclair Field' en verbouw het tot een slachthuis. Zend beelden uit van de slachtlijn in de zendtijd die voorheen aan de Bears werd besteed.

De Art Institute
Laat de kunst aan de muur, maar bouw het interieur om tot een parkeergarage voor de administrateurs van de kantoren in de Loop.

De Sears Tower
Te gebruiken voor het ankeren van zeppelins, de enige toegang tot de stad per luchtvaartuig.

De indianen van Mestrovic in Grant Park
Laat ze precies zoals ze zijn.

'Experimental Researches on the Irrational Embellishment of Chicago' uit: Home and Variations (Salt Publishing, 2004)
Copyright Nederlandse vertaling © A.T. van 't Hof 2004

Robert Archambeau

De schepen van Jan Vermeer

Kende ik je al niet, die keren dat ik bekeek
Hoe jouw licht rust ademde in een stille kamer,
Hoe jouw Delft zichzelf neerzette aan de waterkant?

Ik vermoedde dat je vertrouwd was met de beëindiging van licht,
De connaisseur van 's levens zwijgend balancerend stilleven,
Jouw wereld niet groter dan de smalle straatjes,

Of de ruimte die door de levendige ogen van een meisje wordt omhelsd,
Prijsgegeven, opnieuw doorkruist. En toch hoorde je
Het gerommel van een zich ontrollende wereld, afgescheiden

Van koningen en kosmos door een lens die te ver zijn neus
Stak in de grillige Hemel. En je wist
Wat de natuur te bieden had, vooroverliggend op een objectglaasje,

Aan andere lenzen, broedend op de ontdekking
Van een beeld zoals dat van het land buiten Delft
(Omgeploegd, vaak bevochten, maanachtig, verlaten).

Hoorde je dat gerommel in jouw werk -
Die soldaten, brieven vol zorgen, kaarten van de hemel,
Kaarten van de zeeën rijkelijk versierd met die volle arken,

Dat, kordaat, zeilde weg van die Hollandse kust
(Emigranten, Boerbroeders, Hugenoten)
De Noordzee eeuw van ontvluchtende masten?

Beter om de smalle straatjes te kennen, het licht
Op elke steen in Delft. Beter, weet je,
Om het grijs in het water op te zoeken, blauw in lei.

Beter om één raam en één stoel te kennen,
De vluchtige blik van een vrouw die zich borstelt in jouw ogen,
Een stil vertrek, het gouden licht dat daar schijnt.

'The Ships of Jan Vermeer' uit: Home and Variations (Salt Publishing, 2004)
Copyright Nederlandse vertaling © A.T. van 't Hof 2005

18-8-05

Pamela Alexander

Vlucht

Voor Amelia Earhart

Een reeks witte vierkanten, elk
een uur vliegen, elk met instructies
in potlood: het georganiseerde avontuur. 'Onzorgvuldigheid
grieft de geest van Odysseus.' Ze levert zichzelf over,
zoals hij deed, aan de elementen, vindt
oorzaak zet zich in beweging, voorzichtigheid geboden met het ontwerp.
'Een oceaan leidde op natuurlijke wijze tot
een andere.' Aarde leidde natuurlijk tot lucht
nadat ik een ding van hout en draden zag
op een jaarmarkt in Des Moines, nadat de scherpe
sneeuw was weggeblazen van de ski's van trainingsvliegtuigen
nabij Philadelphia.
                              Het gerommel van de rood en gouden
Electra maakt de lucht wakker, schudt sterren
aan hun touwtjes totdat
ze buiten de cockpit hangen, dichtbij genoeg
om aan te raken. Vierkanten, als opbeurende dagen, lossen elkaar af
en laten haar verstand zien

wat te doen. De broosheid van bloeiende
sinaasappelgaarden brengt behoorlijke
hoogtes met zich mee. 'Niemand heeft een boom gezien
die hem niet vanuit de lucht heeft gezien, met
zijn schaduw.' Het Tsjaadmeer is kolossaal, ondiep,
licht op door de vleugels van kraanvogels en maraboe
ooievaars. De Rode Zee is blauw; de Witte en Blauwe Nijl
groen; de Amazone delta een partij stromen,
bruin en geel, duidelijk waarneembaar. Na

de warboel van sensaties, het geschreeuw en gekletter
van gereedschap op vliegvelden, hernieuwt ze
zichzelf, zoals de motor, voor
één ding. Vlucht
boven de donkere, wijnkleurige, glanzende vloed
is orde, maakt dat de vierkanten
komen en gaan, maakt het vliegtuig
tot een nietig radertje dat de wereld laat draaien. 'Van alle dingen
los van de taak die ons te doen staat, grijpen we
wat we kunnen.'
                              Ze verlaat het vliegtuig even
om een schare Javanen te ontmoeten die een vulkaan beklimmen.
Ze lachen en ze praten, ze dragen manden
en verschillende ladingen op palen. 'Soms
wens ik ergens te kunnen blijven zo lang als ik wil.' Voor

de laatste lange overtocht laat ze persoonlijke spullen
en souvenirs achter; ook de parachute, nutteloos boven de Grote Oceaan.
Het vliegtuig wankelt onder het gewicht aan brandstof,
wordt lichter en dan
licht. Het laatste vierkant bezit
een eiland, maar ziet geen kans
haar daar naar toe te leiden.

'Flight' uit: Navigable Waterways (Yale University Press, 1985)
Copyright Nederlandse vertaling © A.T. van 't Hof 2004

Zoeken

Colofon

Onder redactie van Chrétien Breukers en Ton van 't Hof. Vaste medewerkers: Fa Claes en Kees Klok. Reacties onder eigen naam of dichterspseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Brakke Verslog