Eleni Theocharous
Eleni Theocharous (1953) werd geboren in de Cypriotische stad Limassol. Na de middelbare school studeerde zij medicijnen aan de Aristotelesniversiteit van Thessaloniki. Zij specialiseerde zich in de pediatrische urologie en chirurgie, waarop zij in 1989 promoveerde. Zij was directeur van de pediatrisch-chirurgische kliniek van het universiteitsziekenhuis in Alexandroupolis in Noord-Griekenland en assistent hoogleraar aan de universiteit aldaar. In 1993 keerde zij terug naar Cyprus, waar zij werd benoemd tot directeur van de pediatrisch-chirurgische afdeling van het kinderziekenhuis van Nicosia. Zij woont in Nicosia. Sinds mei 2001 is zij lid van het Cypriotische Huis van Afgevaardigden voor het district Limassol.
Eleni Theocharous is oprichtster en voorzitster van de Cypriotische afdeling van Artsen Zonder Grenzen. Zij werkte verschillende malen in oorlogsgebieden als vrijwilligster en is betrokken bij veel internationale projecten van deze organisatie. Uit erkentelijkheid voor haar verdiensten vernoemde de Bosnische gemeente Teslic een straat naar haar.
Als dichteres publiceerde zij in tal van literaire tijdschriften op Cyprus en in Griekenland. Tot nu toe verschenen er drie bundels van haar hand. Voor de eerste Poiïtiki praxi kai politiki symbraxi kreeg ze de Cypriotische Staatsprijs voor Poëzie 1995, een prijs die zij voor de tweede keer in 1999 won met haar derde bundel Oi Megaloi Tritoi. De hier gekozen gedichten, eerder gepubliceerd in de door Stella Timonidou en mij samengestelde bloemlezing Wij wonen in een taal (Kruispunt, Brugge, 2004), komen uit deze twee bekroonde bundels (Kees Klok).
Psychoanalytische vergadering over een Grieks woord
The Union of Cyprus to Greece
Cassel’s English Dictionary
Dat woord dat verborgen blijft in kamferballen
met de vlaggen, lappen katoen en mirte
van onze ouders
duizenden jaren na de ramp,
dat beeldschone Meisje
dat voor hoer werd uitgescholden en met stenen bekogeld
door een razende menigte,
oude vrijsters en hysterische travestieten,
- terwijl wij haar afwezen en onwetendheid veinzend
met een schijnbaar onverschillige blik aan het bloedende
lichaam voorbij gingen -
die mooie Moeder
die glimlachend haar stervende zonen kuste,
gaat heimelijk uit met de avondschemering achter de heuvels
en glanst als een standbeeld,
ze rijst te middernacht als de maan midden uit zee
in een verzegelde fles uit een zeesprookje,
soms geeft ze licht in de duisternis,
gegrift in onze schoollinialen
gloeit ze zacht na in de schemering op de muren
van een kerk,
een school,
en wil maar niet doven...
Dat woord wordt Mythe
en Vrouw die terugkeert,
die onze slaap verstoort en Grieks met ons spreekt,
Grieks leert aan onze kinderen,
die ons bij de hand neemt en
door de stegen van Kyreneia voert,
die het vocht van de iconen der Heiligen veegt
en met eeltige handen op het bidsnoer
ons aller zonden aftelt,
terwijl ze ergens op Karpasía
St. Jansbrood plukt,
die murmelt in de bronnen, gekabbel wordt en een ader
en die wordt geboren in zee als nieuwe maan,
die zonder rimpels, zonder make-up uitzeilt,
een vlot dat nauwelijks schipbreukelingen meevoert.
Een verlicht pad
Ik tel de woorden en jammerklachten
in eenzame slapeloze nachten,
maar ook in de praatgrage slaap
van de vergeten baarmoeder,
ik graaf de tatoeage, de hybris,
maar ook de leugens op die samen mijn
gebeente vormen
en de surfplank vasthouden,
ik kan niet huilen,
niet jammeren, niet janken,
alleen amechtig vluchtige toespelingen uiten,
de prikkels komen terug,
ik herinner me vaag de visioenen van de onsterfelijken,
namen van doden maken indruk op me
en zonloze landschapsbeschrijvingen;
ik bedenk hoe het pad is overwoekerd,
hoe donker de vlakte geworden is,
hoe wegen verdwenen zijn en doornstruiken opgeschoten.
Blindgemaakte rebellen volgen hand in hand
een eenoog met een
geweer,
uit de baard van de Balkan druipt
gal en droefenis...
maar op het kerkhof
zijn de cipressen verdord
hier en daar is de grond gescheurd
en uit de spleten klinkt
een onbekend gezang,
een spookmelodie,
het marslied van de zondaars.
De taveerne
Een vlieg in de jus d’orange
De harten zijn er zeer ruim gedrenkt in wijn,
maar ik ben aan krap gewend,
een boordevol glas betekent narigheid,
druivenbladeren en wijnranken bajonetsteken,
de witte grond, een vat op reis
te midden van legenden
en de herinneringen aan wespen op druiventrossen.
Ik droom voortdurend,
ik zie je met je blote voeten
druiven pletten in de wijnpers,
ik zie je mijn lichaam pletten,
of andere lichamen, met de moed van verlangen,
ik hoor je zingen over een stel oeroude schelpen
tussen stenen gestoken,
over versteende mosselen in het reservoir,
over de overstroming en je onderzeese ritmes
en je bedwelmt me met brakke wijn
die opwelt uit de golven van je stem.
Alles en iedereen wordt dronken, mosselen, schelpen, microfoons
en de zandloper die de uren bekort
en de cisterne doet leeglopen.
In de kroeg raken de zinnen in vervoering.
Hier is nooit zee geweest,
ook al is de wijn zilt,
hier wordt een stel vergeetachtige mussen zat,
hier raak ik dronken en ontnuchter door je stem
en hier sluit zich in mij de cirkel...
Vertaling: Stella Timonidou & Kees Klok










Laatste reacties