« september 2007 | Hoofdmenu | november 2007 »

oktober 2007

21-10-07

Christian Dotremont

Tn_dotremont De Belgische, franstalige auteur Christian Dotremont (Tervuren, 1922 - Buizingen, 1979) is stichter en bezieler van de COBRA-beweging (1948-1951). Behalve dichter was hij romancier, kunstcriticus, beeldend kunstenaar en pamflettist. Hij debuteerde in 1940 met de dichtbundel Ancienne Eternité en publiceerde in 1946 Labisse, een boek over de Brusselse surrealistische schilder Felix Labisse (Brussel, La Boétie). In 1955 werd zijn enige roman La Pierre et l'Oreiller gepubliceerd bij Gallimard. In 1987 verscheen hiervan een Nederlandse vertaling. De hieronder opgenomen bijdragen verschenen eerder in Kruispunt en De Poëziekrant in een vertaling van Hendrik Carette. (Kees Klok)


Te Tervuren de taxi naar Brussel

Te Tervuren de taxi naar Brussel, in Brussel de trein naar Kopenhagen, de trein op de boot op de Baltische zee, in Kopenhagen de trein voor Mjölby in Zweden, de trein op de boot op de Oeresund, in Mjölby de trein voor Boden, in Boden de trein voor Haparanda, in Haparanda de taxi naar Tornio in Finland, in Tornio de trein voor Rovaniemi, in Rovaniemi de autobus van de posterijen naar Ivalo, in Ivalo de autobus der posterijen naar Kaamanem, in Kaamanem de hondeslee naar Sevettijärvi, in Sevetttijärvi niets anders meer dan sleeën-schuiten, het bruuske van schokkende sleeën getrokken door een rendier, en ook de traagheid, eindelijk de absolute traagheid, alsof ik dood was, om alleen naar nergens te gaan, het nergens waar enorme sneeuw- en ijsvlakten zijn met de sterren en de lucht, eindeloos veel lucht tot mijn adem stokt, alsof ik in leven was.


A Tervuren le taxi pour Bruxelles

A Tervuren le taxi pour Bruxelles, à Bruxelles le train pour
Copenhague, train sur bateau sur la Baltique, à Copenhague le 
train pour Mjölby en Suède, train sur bateau sur l’Oeresund, à
Mjölby le train pour Boden, à Boden le train pour Haparanda,
à Haparanda le taxi pour Tornio en Finlande, à Tornio le train
pour Rova,iemi, à Rovaniemi l’autobus postal pour Ivalo, à
Ivalo l’autobus postal pour Kaamanem, à Kaamanem la chenil-
lette postale pour Sevettjärvi, à Sevettjärvi plus rien que des
traîneaux-barques, la brusquerie des traîneaux-barques tirés
par un renne, et aussi la lenteur, enfin absolue, comme si j’étais
mort, d’aller seul à nulle part qu’énormes la neige, la glace, les
astres et l’air, tellement d’air que mon souffle me tire, comme
si j’étais vivant.

1971


Zo verlaten als de winter in het hoge noorden

zo verlaten als de winter in het Hoge Noorden
is en zo donker als de nacht die wij zopas
nog voegden bij deze nacht, vonden wij
er nog enorm veel lumineus licht,
niet zozeer in de schittering van de lucht
die reëel is en nabij, of de verblindende schittering
van de besneeuwde vlakten, of het bruuske
noorderlicht, dan in de vermoedelijk niet te beschrijven
huivering alles te beleven wat wij zagen en meer dan dat


Si désolé que soit dans l’extrême-nord

si désolé que soit dans l’Extrême-Nord
l’hiver et si sombre que soit la nuit que nous
venions ajouter encore à cette nuit, nous y
trouvions énormément de luminosités,
moins dans les éclats du ciel, réel, proche, ou
de la terre infiniment neigeuse, ou d’une
brusque aurore boréale, que dans la
sensation probablement indéfinissable de
vivre tout ce que nous voyions et plus

1974


Societynieuws

Bij de aanwezigen bemerkte men :
Mijnheer Kunst, met zijn beroemde pagina in het weekendbijvoegsel.
Juffrouw Huwelijk, met haar beroemde (collectieve) uitvinding
      tegen de liefde.
Mevrouw Leven (meisjesnaam Zomaar), met haar beroemde verdwijning.
Mijnheer Biechtstoel, de bekende spuwbak.
De Siamese tweelingen Goed en Kwaad, gedecoreerd met het Groot Lint
      van de Orde van het Fatsoen.
De families Dom en Achterlijk, aangesloten bij de Bond
      van Grote en Jonge Gezinnen.
Mevrouw Literatuur (meisjesnaam Belletrie), de gereputeerde wildebras.
Mijnheer Kritiek, de beroemde minnaar van Juffrouw Poëzie van de Avant-Garde.
Mijnheer Kostschool, uit het beroemde vervroegd geopende Kerkhof etc. etc.
Mevrouw Geluk had zich laten excuseren om existentiële redenen
      alsook Juffrouw Dood die weerhouden was.


Mondanités

On remarquait dans l’assistance :
Monsieur Art, la célèbre page du dimanche.
Mademoiselle Mariage, la célèbre invention (collective) contre
      l’amour.
Madame Vie (née Vie-Facile), la célèbre disparition.
Monsieur Confessionnal, le crachoir bien connu.
Les frères siamois Mal et Bien, décorés du Grand Cordon de
      l’Ordre des Conventions.
Les familles Imbécile et Con, affiliées à la Ligue des Familles
      Nombreuses.
Madame Littérature (née Belles-Lettres), la jungle réputée.
Monsieur Critique, le célèbre amant de Mademoiselle Poésie
      d’Avant-Garde.
Monsieur Pensionnat, le célèbre Cimetière Anticipatif; etc. etc.
Madame Bonheur s’était fait excuser pour cause d’inexistence
      ainsi que Mademoiselle Mort, retenue.

1940


COBRA IS EEN LEGENDE

Cobra is een legende die we in 1948 hebben gesticht
ter gelegenheid van een bezoek aan Parijs, we hebben
ons eerst dadelijk gebogen over onze bronnen en we
hebben het letterwoord Cobra uitgevonden, kortom we
hebben een woordspeling gemaakt omheen ons Kopen-
hagen, Brussel en Amsterdam en we hebben de legende
leven gegeven, bijvoorbeeld ook door te reizen van Brus-
sel naar Kopenhagen, van de schrijverij naar het schilderij,
van de lach naar de traan, van de lach naar de schreeuw
naar de creatie van de eeuw. In een chaotisch ritme, perfect
overroepen als bij een ware legende en toen we in 1951
bedachten dat deze legende vermoeiend werd, moest zij
ophouden te bestaan. Welnu, juist door het einde van
Cobra uit te roepen, waren we geheel en al mythomaan.


COBRA EST UNE LÉGENDE

Cobra est une légende que nous avons fondée à l’occasion
d’une visite à Paris, en 1948, nous sommes d’abord immédia-
tement rentrés dans nos sources et avons formé le tittre, Cobra,
c’est-à-dire que nous avons fait un calembour de nos Copen-
hague, Bruxelles, Amsterdam, et nous avons fait la légende elle-
même, par example aussi de voyages de Bruxelles à Copen-
hague, d’écrire à peindre, de rire à pleurer à crier à rire à créer.
Rythme chaotique parfaitement exagéré de vrai à même la
légende, et nous avons pensé en 1951 que cette légende deve-
nait ainsi fatigante et devait finir. Eh bien., c’est en proclamant
la fin de Cobra que nous fûmes le plus mythomanes.

1975


RITVA

Blote winterhuid
al te mooi van achter de vensterruit

Je versierde aangezicht
dat toch zuiver is als vuur

Versierd als de kerstbomen
met de kerstdagen in de stations

Waar we zo wanhopig willen landen
die we zo snel verbranden

Winter van Lapland
waar de tijd ons beidt


RITVA

La peau nue de l’hiver
par les vitres léchée

Ton visage vêtu
mais clair comme le feu

Vêtu comme les arbres
de Noël dans les gares

Que nous brûlons si vite
que nous brûlons d’atteindre

L’hiver de Laponie
où le temps nous attend

1956


EEN DAG IN LAPLAND IN DE WINTER

een dag in Lapland in de winter en dus in de nacht kom ik terug van de bibliotheek
met verhalen van Tsjechov in het Fins om de sneeuw in de tekst te leren zien en te  lezen, de bibliotheek is ver zoals vroeger toen ik nog op school was en de winter zacht was en ik kom bij de herberg zoals ik vroeger thuis kwam waar de winter zacht was maar de deur blijft gesloten

ik kom langs een andere weg met meer ijs maar er is niemand, ik klop ik schreeuw een onhoorbare schreeuw, langzaam wacht ik op de hospita die vermoedelijk al lang vertrokken is en die geen zwerver van hier en geen zwerver van nog verder dan hier binnenlaat en ik loop in een kring omheen het nachtverblijf en om niet dood te gaan  ren ik voor de door uit, ademloos

en zonder nadenken begin ik een trage dans te dansen en mijn dans wordt de enige
dans die ik ooit heb gedanst, het was met Gloria, het was in Kopenhagen met mijn hoofd in haar haren het was in 1951 het was een soort wals, en de waardin komt terug en ik drink thee en val in slaap en al slapend dans ik om in leven te blijven  nog de hele nacht


EN HIVER UN JOUR LAPON

en hiver un jour lapon donc de nuit je rentre de la bibliothèque
avec des contes de Tchekhov en finnois pour apprendre à lire
et voir la neige dans le texte, la bibliothèque est loin où l’hiver
était doux comme l’école j’arrive à l’auberge comme chez
moi où l’hiver était doux mais la porte est fermée

j’arrive par le chemin distinct par plus de glace mais il n’y a
personne, je frappe je crie dans l’écho sourd, lentement j’at-
tends la logeuse partie sans doute plus loin que jamais ne lais-
sant aucun vagabond d’ici dormir ni rentrer le vagabond de
plus loin qu’ici puis je cours sur place et tout autour pour ne
pas mourir je cours après mon souffle

puis sans y penser je danse puis lentement ma danse devient
la seule danse que j’ai jamais dansée, c’était avec Gloria, c’était
à Copenhague la tête dans sa chevelure c’était en 1951 c’était
une sorte de valse, et la patronne revient et je bois du thé et
je dors et dormant je danse encore à ne pas mourir


Christian Dotremont
Vertaling: Hendrik Carette

13-10-07

Salvador Espriu

Salvador Espriu (1913-1985) is een van de bekendste Catalaanse dichters van deze eeuw. Zijn eerste boek verscheen in 1931: Doctor Rip; in 1939 volgt zijn eerste toneelstuk: Antigone; in 1946 zijn eerste dichtbundel: Kerkhof van Sinera. In 1968 werd begonnen met de uitgave van zijn verzameld werk. Espriu over zichzelf: 'Op de drempel van mijn veertigste levensjaar kan ik zelfs nog geen klein fiche vullen met biografische gegevens. Ik heb gestudeerd, ik werk om in mijn onderhoud te voorzien en ik streef ernaar, zonder enige hoop overigens, me ooit volledig aan mijn literaire arbeid te kunnen wijden. Vooralsnog heb ik geen tijd gehad om te trouwen en mis ik daar bovendien de optimistische moed of de onbaatzuchtige wanhoop voor. Ik verafschuw literaire prijzen, geldzucht en smerigheid, kerstgroeten en verjaardagswensen, hommages, wind, wanorde en lawaai, avondjes uit, eten buiten de deur, al datgene dat men "sociaal leven" noemt, concerten, ontboezemingen, raad geven, de obscene uitingen van ijdelheid. Zolang ik met rust word gelaten, ben ik bereid te geloven, in de volste overtuiging, dat jij en zelfs u, ongeacht wie, de beste schrijvers ter wereld zijn. Ten slotte denk ik dat de mensheid afstevent op een zekere catastrofe in de nabije toekomst, maar gesteld dat die kleine gebeurtenis even onontkoombaar als stompzinnig is, zou ik willen vragen, zo ik durfde, er in de letteren niet op elk
moment zoveel ophef over te maken.'

SINERA

Al vell orb preguntava l'esglai
si el meu poble tindria demà.
I la boca sense llavis començà
la riota que no para mai.
La destral de la llum en els caps.
El carrer se'ns tornava fornal.
Una mica d'oreig de la mar
arribava de sobte als portals.
Els ulls blancs ja no eren davant
la temença que havia parlat.
Ara els passos s'allunyen enllà
dels immòbils xiprers vigilants.
Repreníem el somni tenaç
-contra el bou, el serpent, el senglar-
de la nostra difícil bondat,
de la nostra viril dignitat,
de la nostra fidel llibertat.

Uit: Llibre de Sinera (1963)

SINERA

Het afgrijzen vroeg aan de oude blinde
of mijn volk een morgen had.
En de mond zonder lippen begon
het gegrinnik dat nooit ophoudt.
De bijl van het licht boven de hoofden.
De straat werd ons een oven.
Een vleug zeebries
reikte plots tot aan de portalen.
De witte ogen stonden niet meer
voor de angst die had gesproken.
Nu verwijderen de stappen zich voorbij
de onbeweeglijk wakende cipressen.
We hernamen de halsstarrige droom
- tegen de os, de slang, het everzwijn -
van onze moeilijke goedheid
van onze mannelijke waardigheid
van onze getrouwe vrijheid

INICI DE CÀNTIC EN EL TEMPLE

A Raimon, amb el meu agraït aplaudiment.
Homenatge a Salvat-Papasseit.


Ara digueu: "La ginesta floreix,
arreu als camps hi ha vermell de roselles.
Amb nova falç comencem a segar
el blat madur i, amb ell, les males herbes."
Ah, joves llavis desclosos després
de la foscor, si sabíeu com l'alba
ens ha trigat, com é llarg d'esperar
un alçament de llum en la tenebra!
Però hem viscut per salvar-vos els mots,
per retornar-vos el nom de cada cosa,
perquè seguíssiu el recte camí
d'accés al ple domini de la terra.
Vàrem mirar ben al lluny del desert,
davallàvem al fons del nostre somni.
Cisternes seques esdevenen cims
pujats per esglaons de lentes hores.
Ara digueu: "Nosaltres escoltem
les veus del vent per l'alta mar d'espigues."
Ara digueu: "Ens mantindrem fidels
per sempre més al servei d'aquest poble."

Uit: Les cançons d'Ariadna (1949)

BEGIN VAN HET KANTIEK IN DE TEMPEL

Voor Raimon, met mijn dankbare instemming.
Hommage aan Salvat-Papasseit.


Zeg nu: “De brem bloeit,
overal in de velden is er rood van papavers.
Wij beginnen het rijpe koren af te snijden met een
nieuwe zeis, en met haar maaien we het onkruid.”
Ah, jonge lippen ontsloten
na de duisternis, als je wist hoe de dageraad
uitbleef voor ons, hoe lang het wachten duurt
op het rijzen van licht in het donker!
Maar we leefden om voor jullie de woorden te redden,
om jullie de naam van elk ding terug te geven
zodat jullie de rechte baan zouden volgen naar toegang
tot het volledige bezit van de aarde.
Wij gingen goed kijken tot diep in de woestijn,
we daalden af tot de bodem van onze dromen.
Droge waterputten werden bergtoppen
ingedeeld in treden van lange uren.
Zeg nu: “Wij horen de stemmen
van de wind over de hoge zee van aren.”
Zeg nu: “Wij zullen trouw blijven
voor altijd in dienst van dit volk.”

REDEMPTOR MUNDI

Salvà màgics prestigis
del dos i dos són quatre,
decapitant modestos
transgressors de decàlegs.

Que fidel el seu crani
geomètric! Com plora
aquell gran cor, quan sonen
tecletes de piano,
si refilen dolcíssim
rossinyols a bardisses!

En expressar l'abstracte
amor per tots els homes,
escurça pams inútils
de companys de col.legi.

S'aixecaran patíbuls
lloats per servils boques.
S'ompliran de sangota
bocois, cossis, garrafes.
L'encert de tants esforços,
al llarg dels mil.lenaris,
vint o cent, farà lliure,
qui sap si en algun codi
de negres, un captaire
destruït per la vida.

REDEMPTOR MUNDI

Hij redde het magisch prestige
van het twee maal twee is vier
en onthoofdde gematigde
overtreders van decalogen.

Hoe trouw was zijn geometrische
schedel! Wat weent
dat grote hart, als toetsen
van de piano weerklinken,
als uit de struiken de zoetste
nachtegalen slaan!

Bij het uitdrukken van de abstracte
liefde tot alle mensen
verkort hij onnutte handbreedten
van schoolkameraden.

Galgen zullen worden opgericht,
door slaafse monden geprezen.
Kuipen, vaten, karaffen
zullen met bloed worden gevuld.
De grootste verdienste van zoveel moeiten
zal, aan het einde van het millennium
twintig of honderd, wie weet
in welk wetboek van negers
een door het leven vertrapte
bedelaar bevrijden.

AMB ELS PALS ELS CAPTAIRES RESSEGUIEN

Amb els pals els captaires resseguien
un a un els barrots de les reixes del meu carrer.
Basarda de la fosca per l'esclat del sol,
venien del camí d'atzavares del Mal Temps,
s'atansaven a poc a poc des de la pujada
i demanaven almoina de cancell en cancell.
Un cop a la setmana els pobres arribaven,
en una lenta, quasi aturada processó,
i ens cridaven amb veus de ronca cantarella
al tenaç i obscè mercat de sutzures i mals.
La corrua passava davallant cap a la placeta
i es perdia després, pels alts plàtans polsosos,
enllà de l'ombra ja llunyana dels xiprers.
Com deixava sollats els portals, les eixides,
la mica d'aire de mar, la llum sencera de l'estiu!
Però encara quedava, sempre ressagat, el vell cec
que s'ho mirava tot des de les plagues dels ulls,
àvides, xopes de sang, calentes,
obertes sense cap resposta
a les preguntes del nostre esglai,
esbatanades en el buit fins que les cobria
en un sobtat vol compacte la negror del moscam.

MET HUN STOK TASTTEN DE BLINDEN

Met hun stok tastten de bedelaars
één voor één de staven van de hekken in mijn straat af.
Angst voor de duisternis wegens schittering van de zon,
kwamen zij van de agavenweg van de Slechte Tijd,
naderden stilaan vanaf de klimming
en bedelden van deur tot deur.
Eens in de week kwamen die armen
in een langzame, bijna stilstaande processie
en schreeuwden ons met hese zangstemmen
naar de koppige en schunnige markt van vuil en kwaad.
De groep trok bergafwaarts naar het pleintje
en verdween daarna achter de hoge, stoffige platanen,
voorbij de reeds verre schaduw der cipressen.
Hoe liet het eerlijke licht van de zon de portalen,
de uitgangen, de vleug lucht van de zee er vuil uitzien!
Maar nog stond daar, altijd achterblijver, de oude blinde
die alles had bekeken vanuit de wonden van zijn ogen,
begerig, van bloed doortrokken, warm,
zonder enig antwoord
open op de vragen van onze angst,
opengesperd op de leegte tot de zwartheid van een
vliegenzwerm ze met een plotse dichte vlucht overdekte.

ASSENTIRÉ DE GRAT

Assentiré de grat, car només se'm donà
d'almoina la riquesa d'un instant.

Si podien, però, durar
la llum parada, l'ordre clar
dels xiprers, de les vinyes, dels sembrats,
la nostra llengua, el lent esguard
damunt de cada cosa que he estimat!

Voltats de por, enmig del glaç
de burles i rialles d'albardans,
hem dit els mots que són la sang
d'aquest vell poble que volem salvar.

No queden solcs en l'aigua, cap senyal
de la barca, de l'home, del seu pas.
L'estrany drapaire omplia el sac de retalls de records i se'n va,
sota la fosca pluja, torb enllà,
pels llargs camins que s'esborren a mar.

IK ZAL GRAAG TOESTEMMEN

Ik zal graag toestemmen want mij werd als aalmoes
slechts de rijkdom van het ogenblik geschonken.

Konden ze maar duren:
het stilstaande licht, de heldere orde
van de cipressen, van de wijngaarden, van de velden,
onze taal, de langzame blik
over ieder ding dat ik heb liefgehad!

Omgeven door angst, midden in de kou,
de spot en het lachen van potsenmakers
hebben wij de woorden gezegd die het bloed zijn
van dat oude volk dat wij willen redden.

In het water blijven geen sporen, geen teken
van de boot, van de mens, van zijn stap.
De vreemde lorrenboer vult zijn zak
met flarden van herinneringen en gaat weg
onder de donkere regen, de wervelwind na,
over de lange wegen die in zee vervagen.

AQUESTA TRISTESA, IMMENSA

Aquesta tristesa, immensa, glaçadora,
que plana des de sempre damunt nostre,
fa que sentim proper l'acabament del món.
Però qui sap si algú, des del mar de naufragi,
un dia guanyarà la clara riba
i ordenarà de nou el pas afermat
pels oberts i dreturers camins.
Aleshores serà potser comprès el cant
que s'elevà i amb molta dolor venia
del cor mateix d'aquesta nit.

DIE DROEFHEID, ONAFZIENBAAR

Die droefheid, onafzienbaar, ijzig,
die sinds altijd al boven ons zweeft,
maakt dat we het wereldeinde nabij voelen.
Maar wie weet of iemand uit de schipbreukzee
op een dag de helle oever bereikt
en opnieuw de verzekerde pas beveelt
langs de open en rechtere wegen.
Dan zal misschien de zang worden verstaan
die opsteeg en met veel leed
uit het hart zelf van die nacht ontsprong.

Vertaling: Fa Claes

7-10-07

Jorge Leónidas Escudero

Escudero Jorge Leónidas Escudero werd in 1920 in San Juan (Argentinië) geboren. Zijn landbouwstudies gaf hij op om mijnbouw te gaan studeren. Gedurende jaren zocht hij naar goud en edele metalen in de bergen van zijn provincie. Hij begon pas vanaf zijn vijftigste te publiceren. Zijn gedichten gaf hij uit in dagbladen en tijdschriften. Vrij gauw werden zijn gedichten bekroond met verschillende prijzen en in heel wat bloemlezingen opgenomen. Een bloemlezing uit zijn eigen werk verscheen in 1990 in Mexico, samengesteld door de bekende dichter, hoogleraar aan de universiteit van Guanajuato, Benjamín Valdivia. Hij componeerde ook folkloristische liederen.

Van hem verschenen de verzenbundels: La raíz en la roca (eigen beheer, San Juan, 1970), Le dije y me dijo (Spae, San Juan, 1978), Piedra sensible (eigen beheer, San Juan, 1984), Los grandes jugadores (eigen beheer, San Juan, 1987), Basamento cristalino (Filofalsía, Buenos Aires, 1989), Umbral de salida (RundiNuskin, Buenos Aires, 1990), Elucidario (Fos-Epsilon, Buenos Aires, 1992), Jugado (Fos-Epsilon, Buenos Aires, 1993), Cantos del acechante (Fos-Epsilon, Buenos Aires,1995), Viaje a ir (Fos-Epsilon, Buenos Aires, 1996), Caballazo a la sombra (Tierra Firme, Buenos Aires, 1998), Aguaiten (Canto Rodado, Mendoza, 2000), Senderear (Martín, San Juan, 2001), Endeveras (2004). (Fa Claes)


MENSELIJKE RESTEN

Hier hebben ze liefgehad, hier, in de diepte van deze vallei.

De Sinanthropus Calingastensis,
hij die zich met een stok tegen de vergetelheid verzette.
Hier zijn middenvoet, een enkele tand,
schedeldak kurk met onfortuinlijke ziel.

Hier ligt het rudiment van zijn hoop
in handen van de krekels,
de puzzel van zijn schaduw nutteloos gespeeld.

Hij liet zijn vrienden achter bij gitaren en kaarten
en ging langs smalle straatjes achter het geluk aan
vaag in de verte te zien toen
een mammoet zijn klauw op hem lei.

Van zijn leven bleven meer dan rozen op herfstige
stenen gegrift en in de wind een tikkeltje
schrik,
snuifjes grootspraak in de bron
en in de vijgenboom twee verstrengelde namen
die niemand kan lezen.


RESTOS HUMANOS

Aquí han amado, aquí, en el fondo de este valle.

El Sinanthropus Calingastensis,
el que se defendía del olvido con un palo.
Aquí su metatarso, un solo diente,
calota corcho de alma desgraciada.

Aquí está el rudimento de su espera
en manos de los grillos,
el rompecabezas de su sombra jugado inútilmente.

Dejaba sus amigos en guitarras y cartas,
y andaba callejones pos la dicha
entrever lejos cuando
un mamut le puso la pata.

De su vida quedaron más que rosas grabadas
en piedras otoñales y una pizca en el viento
de susto,
pulgaradas de chamuyo en la fuente
y en la higuera dos nombres enlazados
que nadie puede leer.

(Uit: Le dije y me dijo, 1978)


GEK VAN LIEFDE

Hij vestigde een paar lange gedichten,
grijs en overdreven,
een fantasmagorische manier
die in zijn geschriften belandde.

Dadelijk zei hij haar dat hij haar liefhad
en zij maakte zich uit de voeten, ver,
tot ze in rook oploste.

Alles is gezegd;
maar er ontbreekt het motief van een gitaar
die de man met zeker gemak hanteerde
niet ontdaan van een zenuwtrek in zijn schouder
alsof hij zei: het leven?

Ik heb behoorlijk mijn geheugen verloren,
maar de viool paste in zijn handen
gelijk een golf muziek.
Hij slurpte schepjes sterren
en braakte blauw.

Hij kwam in geestelijke stroomversnellingen terecht.
Op alle manieren gehandicapt
dreef hij stroomafwaarts met geheven riemen
in een leren boot van zichzelf.

Hij zong van heel ver weg:
Ik ben het weduwnaartje van alle vrouwen,
ik wil trouwen maar vind niet met wie.

En de meisjes
die vanaf de oever hem voorbij zagen varen
antwoordden voor de grap:
als je zo mooi bent en de ware niet vindt,
hier zijn er honderd, kies wie je zint.


LOQUITO DE AMOR

Establecía unos poemas largos,
grises y desmedidos,
una fantasmagórica manera
que le venía dada en la escritura.

En seguida le dijo que la amaba,
y ella entre ambos mucha tierra puso
hasta desvanecerse en humo.

Está dicho todo;
pero falta el motivo de una guitarra
que manejaba el hombre con cierta soltura
no exenta de un tic en el hombro
como diciendo ¿la vida?

He perdido bastante la memoria,
mas la viola cabía entre sus manos
como una olla de música.
Sorbía cucharaditas de estrellas
y regurgitaba azul.

Cayó en los rápidos mentales.
Imposibilitado de todo,
en un bote de cuero de sí mismo
derivó río abajo con los remos levantados.

Cantaba lejanísimo:
Yo soy el viudito de todas las mujeres,
me quiero casar y no hallo con quién.

Y las muchachas,
que lo veían pasar desde la orilla,
le contestaban por chiste:
Si siendo tan guapo no encuentras con quién,
elige a tu gusto que aquí tienes cien.

(Uit: Le dije y me dijo, 1978)


ZIJ

Gezeten koude nacht naakte boom
op hoge takken onder maanas
hurken ze neer.
Hebben kop gestoken onder vleugel,
andere tsjilpen,
ze bewegen haastig om mij plaats te maken
maar ik heb nog geen etherische
vederdos bereikt.

Zij kwamen uit de bar,
bevrijdden zich van de restanten van de tijd,
vielen in onbruik.

Nu bewonen ze de nacht.
Gezeten op hun tak op de boom schuiven ze op
om mij plaats te geven.
ik ben weg ik ben weg ik ben weg,
denk niet dat ik hier ga blijven,
blijf rustig zitten,
ik betaal de rekening en ben bij u.


ELLOS

Sentados fría noche árbol desnudo
en altas ramas bajo lunar ceniza
se acurrucan.
Han metido cabeza bajo el ala,
otros pían,
se mueven prestamente haciéndome lugar
pero yo todavía no alcanzo
plumaje etéreo.

Ellos salieron del bar,
se soltaron de las barbas del tiempo,
cayeron en desuso.

Ahora habitan la noche.
Aperchados en el árbol se corren
dándome espacio.
Ya voy ya voy ya voy,
no crean que voy a quedarme aquí,
esperen tranquilos,
pago la cuenta y estoy con ustedes.

(Uit: Le dije y me dijo, 1978)


19

Dit was een meneer die naar het casino ging
voor een whisky of twee, om naar vrouwen te kijken,
spelen nooit, zei hij;
maar bij wijze van grap komt het ervan,
hij zette een fiche op de vijf en die kwam uit
jammer genoeg.

Van hieraf aan is het de geschiedenis van altijd.
Zelfs was de ontgoocheling zo rijkelijk
dat op een fatale nacht
het nummertje hem talloze keren in de steek liet.

Dan is hij opgebruikt de straat opgegaan,
stuurs van plechtstatigheid,
en terwijl hij naar het park gaat kiest hij een boom,
geeft de voorkeur aan ik weet niet welke tak en sterft.

Het is zeker dat de boom zich ontdeed van een traan;
maar ginder in het casino, toen ze het vernamen,
daar heeft geen blad bewogen, bij niemand.


19

Este era un señor que fue al casino
por un whisky o dos, mirar mujeres,
jugar nunca, expresó;
pero a modo de broma ya está,
puso una ficha al 5 y se le dio
desgraciadamente.

De ahí para adelante es la historia de siempre.
Hasta abunda tanto el desengaño
que una noche fatal
el numerito aquel se le negó muchísimas veces.

Entonces ha salido apurado a la calle,
seco de solemnidad,
y dirigiéndose al parque elige un árbol,
prefiere no sé qué rama y fallece.

Sin duda que al árbol se le desprendió una lágrima;
pero allá en el casino, cuando se enteraron,
a nadie se le movió una hoja.

(Uit: Los grandes jugadores, 1987)


HET GROTE HUIS

Allen zijn vormelijke mensen in dit huis,
allen zijn vreedzame mensen en zo in slaap
ontvangen ze hun bezoekers.

Allen hebben handen met handschoenen
van louter bot, en besmeerd haar;
allen met holle blik
en een verzonken mond.

Hier staat in vergeten vazen
de verleptheid van bloemen in memoriam,
vale en vergane geuren
in de schemer van de gangen.

De cipressen wandelen straatjes
al snikkend op weg naar boven,
raken het blauw en beven onbeslist
zonder vraag te beantwoorden.

En foto’s van de mensen in oude mode;
en namen in het brons tevergeefs;
elke vrouw stilzwijgend op haar kastplank
en elke man ontdaan van bitterheid.

Want hoewel elke deur een uitgangsdeur is
wie binnenkomt gaat niet terug weg
maar hij blijft bij wijze van zaad
wie weet van wat voor verdrietigheden.


LA CASA GRANDE

Toda es gente formal en esta casa,
toda es gente de paz y así dormida
recibe sus visitas.

Todos tienen las manos enguantadas
con hueso puro, y cabellera untada;
todos con la mirada cavernosa
y la boca sumida.

Aquí está en olvidados floreritos
la marchitez de flores in memoriam,
olores desvahídos y podridos
en la penumbra de los corredores.

Los cipreses caminan callejones
yéndose para arriba entre sollozos,
tocan azul y tiemblan indecisos
sin contestar pregunta.

Y fotos de la gente en viejas modas;
y nombres en el bronce vanamente;
cada mujer callada en su anaquel
y cada hombre exento de amargura.

Que aunque esta puerta es puerta de salida
uno no se retira cuando entra
sino que queda a modo de semilla
vaya a saber de qué desolaciones.

(Uit: Umbral de salida, 1990)


MOGELIJK GRAFSCHRIFT

Dat het leven zijn hand losliet
en dat hij viel in wat niemand zag.
Dat de nacht hem ontving, onverschillig.
Dat zijn vrienden die hem stonden aan te kijken
het hoofd schudden en zeiden het is zover,
zo is de wet.

Wie zich afbeulde om het ondoorgrondelijke te zoeken
ging ginder met kaarsen belicht binnen
met zijn armen gekruist en ingepast
in glanzend hout. De wereld
draaide voort zoals de tango zegt.

En wat deed hij in zijn leven? Hij deed wat hij kon
maar stierf onbekend,
hij stierf in het donker terwijl hij twee stenen liet ketsen
om licht te maken.

Vandaag verdient hij de gedachtenis van enkele heel weinigen,
van hen die verstaan dat zijn taak bestond
in een halsstarrige oefening om te Zien.


POSIBLE EPITAFIO

Que la vida le soltó la mano
y cayó en lo que nadie ha visto.
Que la noche lo recibió indiferente.
Que los amigos mirándose unos a otros
menearon la cabeza diciendo ya está,
la ley es así.

Quien se mortificaba en buscar lo oculto
entró a allá iluminado con velas,
de brazos cruzados y encajado
en madera lustrada. El mundo
siguió andando como dice el tango.

¿Y en vida qué hizo? Hizo lo que pudo
pero murió oscuro,
murió en oscuro mientras golpeaba dos piedras
para sacar luz.

Hoy merece el recuerdo de algunos poquísimos
los que entienden que el suyo
fue un empecinado ejercicio para Ver.

(Uit: Endeveras, 2004)


LAATSTE  WEDDENSCHAP

Gaat u uit de weg, laat u me door,
ik kom van te hebben bestaan en ik weet het al
ik ga naar de bleke toestanden. Ik verdien
rust maar eerst
wil ik naar achter de horizont kijken
om me hier niet altijd als droge boom te zien
waar niets anders meer is dan praten.

Wendt u het niet af, zegt u niet dat er goede geneesmiddelen bestaan,
staat u me toe dat ik op de drempel ga zitten
om de laatste mensen te zien langslopen. De vogels
zijn hun kop onder hun vleugel aan het steken.

Stuurt u iemand om brood te kopen,
ik zeg niet van hier maar van morgen
want mijn laatste honger
is van de soort die ik nog niet heb gezien.


ÚLTIMA APUESTA

Apártense, déjenme pasar,
vengo de estar existiendo y ya lo sé
voy a las palideces. Merezco
descanso pero antes
quiero mirar a atrás del horizonte
para no verme siempre aquí como árbol seco
donde no hay más que hablar.

No atajen, no digan que hay medicina buena,
dejen que me siente en el umbral
a ver pasar la última gente. Los pájaros
están escondiendo la cabeza bajo el ala.

Manden a alguien a comprar pan,
no digo de aquí sino de mañana
porque mi hambre última
es de lo que aún no he visto.

(Uit: Senderear, 2001)


ACHTER DE SLEUTEL

Wie is er? Wie daar?
Zeg me wie het is en vanwaar hij komt en waarheen hij gaat
degene die voor mijn deur voorbijkomt om
gelukkig te zijn of om onafzienbaar
te lopen tussen hen die niets bereiken.

Ik vraag en dring aan omdat deze man met zijn
tong uit zijn mond loopt van vermoeidheid en dorst
en zo loop ik oog in oog met luchtspiegelingen. Wij zoeken
datgene wat nooit of nooit, maar.

Dat is waarom wij op de manier van
de kolibrie naar de bloemen gaan terwijl
de katten op de loer liggen. Ik lieg,
het gaat niet om bloemen of katten
maar om het testen van stenen, zien of niet een ervan
de steen der wijzen is geëigend om
de wereld te veranderen.
En het is beter niet méér te zeggen want we zijn
met ons hoofd tegen deuren van de horizont
aan het slaan en het botst weer, keer op keer,
zonder dat we de sleutel te pakken kunnen krijgen.


TRAS LA LLAVE

¿Quién va? ¿Quién anda?
Díganme quién es y de dónde va a dónde
ese que ante mi puerta pasa a
ser feliz o a inmensamente
andar entre los que no aciertan una.

Pregunto e insisto porque anda ese hombre
con la lengua afuera por cansancio y sed
y yo corro igual ante espejismos. Buscamos
lo que jamás de los jamases, pero.

Esto es porque andamos
de modo picaflor en flores mientras
los gatos acechan. Miento,
no se trata de flores ni de gatos
sino de tantear piedras, ver si alguna
es la filosofal de toque para
cambiar nuestro mundo.
Y es mejor no decir más porque estamos
golpeando puertas del horizonte
con la cabeza y nos rebota, pelota,
sin que podamos agarrar la llave.

© Jorge Leónidas Escudero
© vertaling Fa Claes

Zoeken

Colofon

Onder redactie van Chrétien Breukers en Ton van 't Hof. Vaste medewerkers: Fa Claes en Kees Klok. Reacties onder eigen naam of dichterspseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Brakke Verslog

Elders

Google Nieuws

Pagina's

Adverteren?

De Contrabas wordt meer dan 40.000 keer per maand bekeken. Wilt u ook tegen gunstige tarieven adverteren? Neem dan contact met ons op >> email

FeedCount

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005