Juana Castro
PENELOPE
Kaboel
Mij, gekooid vogeltje, hebben ze de ogen uitgestoken
en mij blijft een geruit patroon
op de wereld gekopieerd.
Zelfs mijn eigen zweet behoort mij niet toe.
Wacht in het voorvertrek, zeggen ze, en ik verstrengel
mijn handen terwijl ik de geiten benijd
die op de berg de topjes van de takken bijten.
Verblind door geschiedenis en lijnwaad
verdwaal ik tussen de schimmen
en ik loop op de tast
het licht van het middaguur te tellen.
Mijn nacht van last
die zonder verlichting mij de hoop
ontneemt van de tijd
vastgezet in geschrift. Mijn nacht, mijn licht
in zwart geruit, hoe weegt
mijn mantel en zijn borduurwerk, hoe lang nog
blijft de zwarte vrede van de hemel uit, hoe lang nog.
PENÉLOPE
Kabul
Pajarillo enjaulado, me han quitado los ojos
y tengo una cuadrícula
calcada sobre el mundo.
Ni mi propio sudor me pertenece.
Espera en la antesala, me dicen, y entrelazo
mis manos mientras cubro de envidia
las cabras que en el monte ramonean.
Ciega de historia y lino
me pierdo entre las sombras
y a tientas voy contando
la luz del mediodía.
Noche mía del fardo
que sin luces me arroja
la esperanza del tiempo
engastado en la letra. Noche mía, mi luz
cuadriculada en negro, cómo pesa
mi manto y su bordado, cuánto tarda
la paz negra del cielo, cuánto tarda.
© Juana Castro - 'Penélope' uit: El extranjero, 2000
© vertaling Fa Claes







Reacties