Juana Castro
OCEANEN
Met hen hoor ik de zee.
Ik hoor de zee en bezoek de holten
van de schaduw op hun lippen.
(Maar ik weet niet of ze lippen hebben).
Ze zijn groot en ze zijn langzaam gelijk twee
slurfdieren. Ze vallen
elke dag honderd keer door hun weke
x-been-knie. Ik geef ze
te drinken, smeer de rode huid
van hun stuitbeen in
met pommade en olie
en om twaalf uur zet ik ze op het balkon.
De één praat en praat en praat zonder ophouden
een taal van vod
en van spons
en van water,
terwijl de ander - de andere -
zich onderbreekt met haar eigen huig.
En de zee komt binnen en gaat weg,
ze gaat van hun kamer naar de keuken
en mij maakt ze met staalgrijze kleur
mijn polsen nat.
Als de maan opkomt
hermaak ik twee nesten met sjaals
en melk en slabbetjes
en ik ga zitten luisteren.
En de zee beukt langzaam
- heel
langzaam -
tegen hun buiken van zand.
OCÉANOS
Con ellos oigo el mar.
Oigo el mar y visito los huecos
de la sombra en sus labios.
(Pero no sé si tienen labios).
Son grandes y son lentos como dos
proboscidios. Se caen
cada día cien veces de su tierna rodilla
zamba. Yo les doy
de beber, les unto
de pomada y de aceite
la piel roja del coxis
y a las doce los pongo en el balcón.
Habla y habla y habla el uno sin parar
una lengua de trapo
y de esponja
y de agua,
mientras el otro -la otra-
se atora con su propia campanilla.
Y el mar entra y sale,
va desde su cuarto a la cocina,
y a mí me humedece
de color gris acero las muñecas.
Cuando brota la luna
yo rehago dos nidos con bufandas
y leche y baberolas
y me siento a escuchar.
Y el mar bate despacio
-muy
despacio-
en sus vientres de tierra.
© Juana Castro - 'Océanos' uit: Los cuerpos oscuros, 2006
© vertaling Fa Claes







Reacties