Juana Castro
DE OPGEBORGENEN
De gegrendelden. De levend opgeborgenen.
In de war geraakt, vastgeketend in het achterste deel
van het huis, worden ze verteerd en praten.
Buiten loopt de dood.
Ze praten tegen het televisietoestel en tegen hun doden.
Ze vergeten de toekomsttermijnen
zoals ze vandaag vergeten
welke dingen hen gisteren pijn deden.
De ramen openen ze niet
om zon en dieven niet binnen te laten,
en de hemel heeft een dak van asbestcement,
en ze willen niet weten op welke leeftijd
hun moeder of hun vader is gestorven.
En vergeten! Ze vergeten zich boos te maken, ze slikken
de uren, de bouillon, de pilletjes, en ze slepen hun naam
en hun twee voeten mee als een geheim.
En ze lezen en herlezen, keer op keer,
hardnekkig als koorddansers,
de lichtrekening, het testament,
de huwelijksuitnodiging van een achternicht.
- Stappen, vader, je moet stappen.
En hij staat op en gaat buiten en stapt omdat zijn dochter
hem heeft gezegd dat hij elke dag moet stappen
als hij niet wil roesten.
Terwijl moeder, om het scherp niet te zien,
om de dood niet te zien,
vergeet dat het vandaag woensdag is, vergeet dat het augustus is.
Ze vergeet dat ze heeft geleefd.
En ze zwoegt, en is in de weer, en ze lacht en ze lacht.
- Zo zie je maar dat ik tachtig jaar word.
LOS ENCERRADOS
Los atrancados. Los encerrados vivos.
Oscurecidos, aherrojados en el último cuerpo
de la casa, se consumen y hablan.
Corre la muerte afuera.
Hablan con el televisor y con sus muertos.
Olvidan los plazos del futuro
igual que olvidan hoy
qué cosas les dolieron ayer tarde.
No abren las ventanas
porque no entren el sol ni los ladrones,
y el cielo está techado de uralita,
y no quieren saber a cuántos años
se murieron su madre ni su padre.
Por olvidar, olvidan enfadarse, se tragan
las horas, el caldo, las pastillas, y arrastran
su nombre y sus dos pies como un misterio.
Y leen y releen, una vez y otra vez,
tercos como funambulistas,
la cuenta de la luz, el testamento,
la invitación de boda de una sobrina nieta
–Anda, padre, hay que andar.
Y se levanta, y sale, y anda, porque su hija
le ha dicho que hay que andar cada día
si no quiere oxidarse.
Mientras madre, para no ver el filo,
para no ver la muerte,
olvida que hoy es miércoles, olvida que es agosto.
Olvida que ha vivido.
Y se afana, y trajina, y se ríe y se ríe.
–Cómo voy a tener yo ochenta años.
© Juana Castro - 'Los encerrados' uit: Los cuerpos oscuros, 2006
© vertaling Fa Claes







Reacties