Een essay van Daniel Kane over het leven en werk van John Ashbery
John Ashbery werd op 28 juli 1927 geboren in Rochester, New York. Hij groeide op een boerderij op en was als jongen verlegen, een boekenwurm en een bolleboos. In zijn gedicht 'De foto van kleine J.A. in een panorama van bloemen' beschrijft hij zijn jeugdig voorkomen als volgt:
Mijn kleine ik in die zee van bloemen:
Mijn hoofd tussen de vlammende flox
Leek een bleke en gigantische paddestoel.
Ik had een felle blik, die alles
Accepteerde, niets aannam.
Ashbery lijkt zichzelf hier te presenteren als een argwanende outcast, ofschoon de regels ook een mix van zachtaardigheid, onnozelheid en onderlegdheid suggereren. Dit beeld geeft hem ook vandaag de dag nog altijd goed weer. Ashbery heeft zijn wantrouwen ten aanzien van collectieve bewegingen gehandhaafd - zo promoot hij zijn leven lang al schrijvers die moeilijk tot een beweging kunnen worden gerekend (zoals John Clare, Raymond Roussel en Laura Riding) en heeft hij zich immer verzet tegen de bestempeling van zijn werk door critici als behorende tot de New York School.
Wellicht een andere reden waarom Ashbery zichzelf een gigantisch hoofd aanmeet is het feit dat hij reeds op jeugdige leeftijd uitzonderlijk onderlegd was. In 1941 vertegenwoordigde hij Rochester in een nationale, op de radio uitgezonden quiz. Zijn onderlegdheid verklaart mogelijk gedeeltelijk zijn voorliefde voor gecompliceerde versvormen als de pantoum en de sestina alsmede de aanwezigheid van veel verwijzingen in zijn gedichten, onder meer naar de schilder Giorgio de Chirico, Daffy Duck, de Franse revolutie en de gebroeders Bobinski. In zijn werk toont Ashbery zich een veelzijdig erudiet met een zekere archaïsche charme - hij gebruikt vreemde en verouderde woorden en uitdrukkingen zoals paalwoningbewoner en kolenbakdrager. Soms geeft zijn taalgebruik het gevoel dat we luisteren naar een slim, excentriek persoon, die veel en in eenzaamheid heeft nagedacht over taal en voor de lol vreemde woorden uitprobeert.
In de context van de New York School is het interessant om op te merken dat Ashbery's eerste liefde schilderen was. Hij heeft in zijn jeugd schilderlessen gevolgd. Veel dichters die behoren tot de New York School hebben een hartstochtelijke relatie met de beeldende kunsten, vooral met schilders die deel uitmaken van de New York School, waaronder Jane Freilicher, Norman Blum en Larry Rivers. Ashbery en ook Kenneth Koch refereren in hun gedichten regelmatig aan de beeldende kunst en hebben samengewerkt met hedendaagse beeldende kunstenaars. Zo schreef Ashbery een gedicht genaamd 'De dichter' en verwijzen de titels van twee van zijn poëziebundels naar een schilderij (The Double Dream of Spring is ook de titel van een schilderij van Giorgio de Chirico en Self-Portrait in a Convex Mirror van de Italiaanse schilder Francesco Parmiglianino). Daarnaast is Ashbery redacteur van Art News geweest. Zijn poëzie heeft met schilderijen gemeen dat veel van zijn lezers zeggen plezier te beleven aan de woorden zelf, aan hun klank en vorm, zeker wanneer het gedicht bij eerste lezing geen conventionele narratieve betekenis lijkt te bezitten.
Op de middelbare school raakte Ashbery geïnteresseerd in poëzie. Hij studeerde aan Harvard University, waar hij Kenneth Koch en Frank O'Hara ontmoette en zijn proefschrift schreef over de poëzie van W.H. Auden, die hem later de Yale Younger Poets Award zou uitreiken voor zijn poëziebundel Some Trees. Na Harvard studeerde Ashbery nog enige tijd Frans aan diverse hogescholen maar maakte deze studie nooit af. Aan het begin van de jaren vijftig werkte hij voor enkele uitgeverijen tot hij in 1955 een beurs kreeg toegewezen om zich in Parijs in de Franse literatuur te mogen gaan verdiepen. Hij raakte verkikkerd op Frankrijk en zou daar de volgende tien jaar verblijven. In deze periode schreef Ashbery als kunstcriticus artikelen voor onder meer de New York Herald Tribune en Art International. Daarnaast maakt hij samen met Kenneth Koch, James Schuyler en Harry Mathews deel uit van de redactie van het invloedrijke literaire tijdschrift Locus Solus. In 1962 publiceerde hij zijn derde poëziebundel The Tennis Court Oath, die door gevestigde critici slecht werd ontvangen, maar door experimentele en avant-garde dichters op een voetstuk werd geplaatst. De laatsten zagen in de gefragmenteerde verhalen, collages en readymades die tezamen The Tennis Court Oath vormen een belangrijk postmodern statement en een voorbeeld voor toekomstige vernieuwende poëzie.
In Parijs schreef Ashbery ook een dissertatie over de weinig bekende Franse dichter Raymond Roussel (1877-1933), wiens werk een aanzienlijke invloed op Ashbery zou uitoefenen. Ashbery prees Roussels toepassing van taalspelletjes, waaronder woordspelingen en meervoudige uitwijdingen, alsmede de uitwendige 'bekoring die lezers in eerste instantie naar het werk trekt'. In de dissertatie wordt ook Caradec,de biograaf van Roussel, geciteerd: 'We moeten het werk eerst en vooral lezen om wat het is, een prachtig spel dat ons verrukt.' Dit citaat is typerend, daar Ashbery's eigen werk vol zit met woordspelingen, voornaamwoordelijke verschuivingen, dolle lijstjes, gecompliceerde en obscure versvormen alsmede uitwijkende en op zijn kop gezette verhaallijnen, die voor zijn fans zeker als een prachtig spel kunnen worden gedefinieerd.
Na zijn terugkeer naar de Verenigde Staten werkte Ashbery als leidinggevende redacteur bij Art News totdat hij in 1972 les begon te geven aan het Brooklyn College. 1976 was een opmerkelijk jaar, waarin hij voor zijn bundel Self-Portrait in a Convex Mirror drie belangrijke literaire prijzen ontving - de National Book Critics, de Pulitzer Prize en de National Book Award. Deze gebeurtenissen markeren de verschuiving van zijn positie als 'dichter voor dichters' naar 'internationale poëziester'. Zijn prijzenlijst is lang en omvat onder meer de Bollingen Prize, de Shelley Memorial Award, een Guggenheim fellowship en een MacArthur Foundation fellowship. In 1990 mocht hij de Charles P. Stevenson Jr. Professor of Languages and Literature leerstoel aan Bard College bekleden, waar hij tot op de dag van vandaag nog altijd werkt.
Ashbery heeft meer dan twintig boeken geschreven, waaronder dichtbundels, literaire kritieken, toneelstukken, een roman en vertalingen van Franse literatuur. Zijn schrijfwerk is gevarieerd en analyseert droomtoestanden, mixt speelsheid met retorisch taalgebruik, combineert aardse gedachten met transcendente mijmeringen, verzet zich tegen geslotenheid en onderzoekt op filosofische wijze de aard van het schrijven, de identiteit en de plaats van de dichter in de wereld. Zijn invloed op de hedendaagse Engelstalige poëzie is diepgaand.
Ashbery's esthetiek vraagt om een creatieve manier van lezen. Als ik hem lees heb ik vaak het gevoel dat ik iets met veel plezier achternazit zonder dat iets ook maar te kunnen grijpen. Ik geloof dat als men eenmaal heeft geaccepteerd dat een gedicht van Ashbery nooit een afronding of een doel kent, men hem enorm kan gaan waarderen. Ann Lauterbach (dichteres en vriendin van Ashbery) benadrukt de pret die voortkomt uit het feit dat je bij Ashbery niet gehouden bent aan conventionele zinnigheid. Ze vergelijkt het lezen van zijn gedichten met rondzwalken in New York City, waar 'je veel mensen en dingen en reclameborden en lichten waar kunt nemen, die in het gedicht evenwel minder bij elkaar lijken te horen dan in de stad waar je ze werkelijk vindt'. Anders gezegd, de poëzie van Ashbery is volgepropt met informatie zoals een huizenblok in New York City is volgestouwd met mensen afkomstig uit de gehele wereld. En zoals je dat huizenblok nooit naar zijn nut zult vragen (je verkiest in plaats daarvan om van de bruisende energie te genieten), zou je er ook van af kunnen zien om naar de boodschap van Ashbery te vragen en je gewoonweg mee kunnen laten slepen door zijn complexe, intelligente en vaak grappige vrije associaties.
Ik gebruik hier de uitdrukking 'vrije associaties' vanwege een interview dat ik ooit met Ashbery had, waarin hij enkele opmerkingen maakte over het gebruik van vrije associatie voor het vinden van compositie. Psychoanalytisch gezien hoopt men met behulp van de vrije associatie toegang te verkrijgen tot het onderbewustzijn, teneinde nieuwe en belangrijke dingen naar boven te halen die diep in onze psyche zijn begraven. Ashbery's poëzie lijkt vaak uiting te geven aan onbewuste expressieve mogelijkheden - zoals de surrealistische eerste regel van het gedicht 'Vertrek van het station van Atocha': 'De arctische zoetheid verraadde het rapport en veroorzaakte duisternis'. Om deel te kunnen nemen aan het genot dat Ashbery vindt in wat hij ziet en hoort en aan het meer intellectuele, filosofische meanderen in zijn werk, is het belangrijk om zijn vrije associaties op te sporen, om zichzelf eveneens over te geven aan dat proces.
Het genoegen van het nooit eindigende achternazitten begon bij mij met Ashbery's gedicht 'Clepsydra' (waterklok). Daarom sta ik stil bij dit gedicht. Naast het concept van de vrije associatie zou ik de lezers willen vragen om ook de volgende uitspraak van Ashbery hierbij in gedachten te houden: 'Maar men weet niet alles! Dat is het probleem.' Dit gegeven is belangrijk om de poëzie van Ashbery te kunnen waarderen. Een dichter die toegeeft dat hij niet alles weet, zegt tegelijkertijd aan twijfel onderhevig te zijn en verwerpt het cliché van de dichter als hartstochtelijke profeet. Aan de andere kant is het ook een aansporing om naar kennis te speuren, en bij deze speurtocht kan men gebruik maken van de vrije associatie.
John Ashbery schreef Clepsydra in 1965 en publiceerde het twee jaar later in zijn bundel Rivers and Mountains. Het gedicht markeert een wezenlijke verandering in zijn werk. In Clepsydra voegt hij lyriek en het gesproken woord bijeen tot vaak speelse maar soms ook onbuigzame filosofische verzen. Deze nieuwe stijl heeft hij tot aan de dag van vandaag doorgetrokken. Een clepsydra is een oude Griekse of Chinese waterklok, die werd gebruikt om pleidooien in de rechtspraak te timen. In dit verband is het van belang om op te merken dat pleidooien van elkaar 'bestrijdende' advocaten verschillende interpretaties zijn van een en dezelfde gebeurtenis. Clepsydra is een bijzonder poreus en kwestieus gedicht, dat uitnodigt tot een veelvoud van lezingen van evenzoveel lezers. De opvatting dat een gedicht een speelveld is waarop ontelbare interpretaties kunnen samenkomen is kenmerkend voor Ashbery's oeuvre; ergens aan het einde van Clepsydra wordt opgemerkt dat 'alles relatief is'. De kortstondige verschijning van waarheid in een individuele interpretatie draaft snel weer weg omdat het vrijwel onmiddellijk wordt geconfronteerd met nieuwe mogelijke interpretaties.
Naast de introductie van filosofische thema's die Ashbery ook nu nog steeds bezighouden, vindt in Clepsydra een verandering van schrijfstijl plaats. Waren zijn regelafbrekingen voordien nog relatief conventioneel, in Clepsydra gaat hij bewust tegen de syntactische logica in, waardoor de poëtische regels aan meerduidigheid winnen, bijvoorbeeld:
Elk moment
Van uitdrukken is de waarheid zelf; evenzo zijn ze alle niet waar,
Behalve dan de begrenzing van lucht tot lucht, een slangachtig
Gebaar dat de waarheid verbergt achter een congruente
Boodschap, de wijze waarop de lucht de hemel verbergt, geschiedt, in feite
Door het op dit moment uiteen te trekken: maar
De hemel heeft zich al verdedigd en dit gaat over
Een zo gracieus mogelijke non-absentie zoals beide
Mogen verwachten
Deze gedachtegang gaat nog zes regels verder eer hij tot een einde komt - het fragment is zeker een slangachtig / gebaar en dient zowel als voorbeeld voor de multi-interpretabelheid als Ashbery's esthetiek.
Ashbery is geen narcistisch schrijver die maar door bazelt zonder af en toe een punt te maken. Zo kan Clepsydra zeker ook worden gezien als een handeling over religie. In contrast met Genesis schrijft Ashbery:
Maar er was geen verklaring
In het begin. Alleen maar een ademloze woestijn,
Een stomme kreet die alles modelleerde naar uitgestippelde
Resultaten, tot wees gemaakt door het deel te spelen dat voor hen bestemd
Was, hoewel men niet moet vergeten dat het de natuur van deze
Ledigheid, deze voorkennis,
Was om alleen maar hier te kunnen gebeuren, op deze pagina
Te dichtbij gehouden om nog leesbaar te zijn, ontspruitende uitwissingen,
Behalve dan dat ze alles beëindigden in de transparante sfeer van wat was
Bedoeld een ogenblik geleden, een steeds groter wordende spiraal,
Het gebaar dat zich uiteindelijk oplost in de wolken.
Ashbery zei ooit in een interview: 'We interpreteren poëzie in overeenstemming met onze ervaringen, daarom zal elke individuele interpretatie verschillen van die van de anderen.' Harold Bloom schreef over Clepsydra dat het geen lezers lijkt nodig te hebben. Toch, ondanks alle serieusheid, is ook Clepsydra - zoals praktisch al Ashbery's gedichten - een vers van plezier, dat de lezer uitnodigt om rond te lummelen, te blijven hangen en te spelen aan de randen van de betekenis en de rationaliteit - 'Hij was natuurlijk weg omdat hij blij wakker had gelegen / aan de koele grenzen van dat veld of wat dan ook.' Zich aansluiten bij John Ashbery op het veld van zijn poëzie is zeker de moeite waard en vaak een overrompelend spel.
Daniel Kane
Copyright Nederlandse vertaling © A.T. van 't Hof 2004
Jürgen Smit
Peter Knipmeijer
Peter Drehmanns
Nanne Nauta
Eelke van Es
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
De bestrijdende advocaten, dat waren ze...
Geplaatst door: Advocaat | 31-10-06 om 1:20