20-7-08

Juan Paulo Huirimilla

Huirimilla

Juan Paulo Huirimilla werd in 1973 op het Chileense eiland Calbuco geboren. Hij schreef o.a. El ojo de vidrio, Cantos para niños de Chile en Palimpsesto. Zijn teksten verschenen in binnen- en buitenlandse publicaties. Hij schreef ook essays en bijdragen over cultuur in tijdschriften en dagbladen. Verschillende literaire onderscheiden werden hem toegekend. Hij doceerde ook Mapuchecultuur en -wereldvisie aan de Universidad de los Lagos. Hij doceert er nu moedertaal en filosofische grondslagen van de basispedagogie. Huirimilla is één van de Chileense dichters die zeer door de cultuur van de oorspronkelijke bewoners is beïnvloed en die zich inzet voor het behoud ervan.

Noot: De taal die deze dichter schrijft is niet overal Castellano. Om al te grote moeilijkheden te vermijden heb ik gedichten gekozen waarin spelling en zinsbouw niet of niet te sterk daarvan afwijken. Huirimilla is weinig consequent in zijn gebruik van eindpunten en hoofdletters. Het feit dat er geen punt staat betekent niet dat de zin niet af is; zijn versregels beginnen tamelijk willekeurig met hoofdletter of kleine letter. Een andere eigenaardigheid: op het internet staan gedichten van hem, maar de versie van het gedicht kan varianten tonen van site tot site. Zo luidt het slot van het eerste gedicht dat ik hier vertaal: que vamos a trenzar con la música del respirar. Op een andere pagina staat: con la música del respiradero, en nog op een andere plaats: con la música de caballos blancos. Dat is lang geen alleenstaand geval. In datzelfde gedicht is een paard van de ene versie in de andere een stier. Misschien is dat een speciaal gebruik. Het heeft er de schijn van dat dergelijke "kleinigheden" de dichter niet bijzonder interesseren. (Fa Claes)


                 "Ik heb je mond aangeroepen
                 uit de kruin van een kersenboom"

ZANG VOOR DE POËZIE

De poëzie is de kop van een haan,
Onder de grond afgesneden door een boom,
Die een jongen van op de hoek
Verwart met de zon die in
Een waterpoel blinkt.
Dat is mijn woord in de grote stad:
Een duif die onder deze stad woont terwijl ze
De beklemming van een haven observeert
Zonder dat iemand de gouden sleutel bemachtigt
Een volk met tarwe verguld
Dat naast de zon en de maan loopt
In dezelfde ruimte
Met hoeden die worden uitgewisseld
En bomen met pas ontloken knoppen.
Hier heb je de zee met zijn steiger voor kwallen
Die nooit zullen sterven bij het aan land gaan
Vermits de stier met zijn hoorn de weg
Aan het vrijmaken is voor de geesten
Die vanuit zomerweiden reizen.
Vanuit het hemelsblauw
Is er een magische wind die stenen opent
Tot hij estuariën opgraaft die verschijnen
Als de nevel aan boord gaat
En wij een bloedende slang op haar plaats brengen
Aan het luik van de achtsteven vastgemaakt
Om elkaar in onze jeugd te ontmoeten
Zo lief als het bos en de poëzie
Die we gaan vervlechten met de muziek van het ademhalen.


                 "He llamado a tu boca
                 desde la copa de un cerezo"

ÜLKANTUN PARA LA POESÍA

La poesía es la cabeza de un gallo
Cortado bajo tierra por un árbol
Que un muchacho de la esquina
Confunde con el sol que brilla
En una poza de agua.
Esta es mi palabra en la urbe:
Una paloma observando la congoja
De un puerto que habita bajo esta ciudad
Sin que nadie consiga la llave de oro
Un pueblo dorado de trigo
Que corre junto a la luna y sol
En el mismo espacio
Con sombreros que se intercambian
Y árboles de brotes recién nacidos.
He ahí el mar y su atracadero de medusas
Que nunca morirán al llegar a tierra
Porque está el toro con su cuerno
Abriendo el paso a los espíritus
Que viajan desde veranadas.
Desde el azul
Está un viento mágico que abre piedras
Hasta desenterrar esteros que aparecen
Al subir la neblina al barco
Y nosotros colocamos una serpiente sangrante
Amarrada al lucero en popa
Para encontrarnos en la infancia
Tan dulce como el bosque y la poesía
Que vamos a trenzar con la música del respirar.

(De "Rawe")


DE TERECHTSTELLING VAN DE APPELBOOM

- Je moet met jezelf te rade gaan vent
je hebt toen geen tiuqes om regen zien roepen
en geen trailes hun vlooien over de weg zien meesleuren
Laat het drinken van die tequila con gusano
Je hebt me zo vaak gestorven en ik blijf het moeilijk hebben
ik zal niet ophouden je slechte bed te krabben
tot ik je hoofd bereik.
Ik was je beste ballerina.
Ik kom je huis binnen als je samen met andere zweet.
In de appelboom zal ik met een karabijn je strot staan samen te drukken:
je zult te paard slapen tot de flessen gisten -

Noot: Tiuque en traile zijn namen van vogels, valkachtigen. Tequila con gusano is een naam die de dichter gebruikt voor mezcal con gusano. Mezcal is zoals de tequila een sterk alcoholhoudende drank uit de agave gedistilleerd. Naar het schijnt is de “gusano” (worm, in casu een worm uit de agave) er pas in de jaren 1950 aan toegevoegd als kwalijke grap om te zien of de Noord-Amerikanen, de gringo’s, ook mezcal zouden drinken als er een worm in de fles lag. Mezcal con gusano wordt nu als een specialiteit beschouwd.


EL AJUSTICIAMIENTO DEL MANZANO

-Debes entrar en tu juicio hombre
no has visto entonces tiuques llamando lluvias
y trailes arrastrar sus pulgas en el camino-
Ese tequila con gusano deja de beber
Me has muerto tantas veces y sigo en pena
no dejaré de rasguñar tu camastro
hasta llegar a tu cabeza.
Fui tu mejor bailarina.
Entro a tu casa cuando sudas junto a otras.
En el manzano apretando con carabina tu cuello estaré:
dormirás en tu caballo hasta que las botellas fermenten-


RANCHERSVROUW IN DE VROEGE MORGEN

"zelfs de dood wint het niet van de wijn"

Vroeg in de morgen zoekt mijn hart je heengaan
In een zwarte kat die op elk ogenblik mijn keel kruist.
Misschien is het nodig het licht dat waait op te geven
want
"zelfs de dood wint het niet van de wijn".
Je beeld verschijnt op de buis
Ik luister naar Antonio Aguilar in de radioseries.
Opnieuw het dromen van een steen in mijn schoen.
En toch, je schaduw blijft in mij
gelijk een ster in een wasbak met water.


RANCHERA DE MADRUGADA

"al vino no lo vence ni la muerte"

Mi corazón de madrugada busca tu partida
En un gato negro que ha cada rato cruza mi garganta.
Es preciso acaso renunciar a la luz que sopla
porque
"al vino no lo vence ni la muerte".
Tu imagen en la T.V. a tubos aparece
Escucho a Antonio Aguilar en las radionovelas.
De nuevo el soñar con una piedra en el zapato.
Y sin embargo, tu sombra queda en mí
Cual estrella en un lavatorio de agua.


IK VERWACHT DE KOMST VAN EEN GROTE GEEST

Ik ben uit de droom gestapt.
Vandaag is donkere nacht en de bomen vechten niet
het water staat stil in het mos
en jij blinkt niet zoals Witranalwe vroeger
Ik weerspiegel je afwezigheid in de oogleden
van het vensterluik
laat de rivieren terugkeren
als tranen van andere rivieren.

Noot: Witranalwe is een landelijke duivel, het kwaad of de negatieve krachten in de natuur.


ESPERO LA LLEGADA DE UN GRAN ESPÍRITU

He bajado del sueño.
Hoy es noche de oscuridad y los árboles no se trenzan
las aguas se detienen en el musgo
y tú no brillas como antes Witranalwe
Reflejo tu ausencia en los párpados
del lucero
que los ríos vuelvan
como lágrimas de otros ríos.


ABSURDITEITEN

Als ik uit de kerker weerkeer en je bent er niet
Strijkt een ster neer op mijn adem.
In mij had ik de stilte en de dood nooit zo vlakbij als nu.
Ik ben het wit van de opschriften:
*TIEN DUIZEND VOOR EEN SCHURK*
daarom krimp ik ineen als een pasgeboren kleine
niemand kan de galg oprichten in mijn ogen.
Ik neem het bloed van de zwakste
Zijn zielen vallen in mij.
Bij de voorraden bekijkt het astrolabium mij overdekt met vissen
Op zee bedreigt Ñankupel mij met een mes
en de striemen vervormen mij
want ik was de dapperste piraat van de spiegel.
Op mijn schip jagen allen de hasj erdoor
Met sterke drank.
Vrouwen lopen krankzinnig op het dek
En de haaien omsingelen hun zielen
Die omdraaien in mijn mond.
- Dat een zeeman me wekt als er sterren geboren worden -
- Niemand luistert
misschien zien ze geen zeemeerminnen ontroerde ranchersvrouwen dansen -
Ik kom aan in de haven van het vuilnis waar de wijnhandeltjes om vijf uur in de middag sluiten.
Ik neuk een prostituee en houd al op met spreken.

Noot: Pedro María Ñankupel (ook gespeld Ñancupel) was een bloeddorstig piraat uit de 19de eeuw die zijn gevangen met een mes afmaakte. Hij werd in 1890 terechtgesteld.


DESVARÍOS

Cuando vuelvo de la cárcel y no estás
Una estrella se posa en mi aliento.
Nunca tuve en mí el silencio y la muerte tan cerca como ahora.
Soy el blanco de los letreros:
*DIEZ MIL POR UN PEÑAN*
por eso me encojo como cría recién parida
nadie puede poner la horca en mis ojos.
Cojo la sangre del más débil
En mí caen sus almas.
En los retenes el astrolabio mírame cubierto de peces.
Ñankupel en el mar me amenaza con un cuchillo
Y se me tuercen las estrías
Porque fui el pirata más bravo del espejo.
En mi barco todos se fuman el cáñamo
Con bebidas blancas.
Mujeres corren a cubierta locas
Y los tiburones rodean sus ánimas
Que dan vuelta en mi boca.
-Que un marino me despierte cuando nazcan astros-
-Nadie escucha
acaso no ven a las sirenas bailar movidas rancheras-
Llego al puerto del desperdicio donde los negocios de vino
cierran a las cinco de la tarde.
Cojo a una prostituta y termino ya de hablar.

(De "La vuelta del ojo de vidrio")


DE GELE BLOEM

Dronken van sterven
Observeer ik de bloem die lacht en niet tot me spreekt
- Ik herinner me alleen het trillende jachtgeweer
bij de haven van het zwijgzaamste gehucht
Zij die de bar binnenkomen
tonen me sterren in hun handen
Ik luister alleen naar het weggaan van het wapen
Een oude sirene weerklinkt -
Ik weet dat iemand zijn eigen aders doet zwellen
Daarginds is de gele bloem
ingesloten in een druppel melk.


LA FLOR AMARILLA

Ebrio de morir
Observo la flor que ríe y no me habla.
-Recuerdo sólo la escopeta temblando
junto al puerto de la aldea más muda
Ellos que entran a la cantina
Mostrándome estrellas en sus manos
Sólo escucho la salida del arma
Suena una sirena vieja-
Sé que alguien hincha sus propias venas
Ahí está la flor amarilla
Encerrada en una gota de leche.


MASKER

Ruk me de ogen uit in aanwezigheid van Tiresias
een ander kijkt in zijn masker
iemand weet dat ik hier in Het Noorden
voorbijkwam toen ik wraak kwam innen
Aan de pruimenboom bij de waterput proberen ze me op te hangen.
Ik bind mijn haar samen tot ik het nieuwe zaaisel bijeenraap
Ik verbrand droge takken opdat de rook mijn lichaam uitdroogt.


MÁSCARA

Sácome los ojos ante Tiresias
otro mira en su antifaz
alguien sabe que he pasado
Por El Norte cobrando venganza.
En el ciruelo junto al pozo intentan ahorcarme.
Encojo mis cabellos hasta recoger una nueva siembra
Quemo ramas secas que el humo deshumedezca mi cuerpo.


OVER HOE PAARDENDIEVEN ELKAAR KENNEN

Ze noemen mij Porfirio Alcalá
degene die vergaat bij het zien
van de blik van die meiden tussen twee waters.
Een boom begint onzichtbaar te zijn.
Ik ga naar de steenachtige weg
om de afstand van mijn luchtpijp te verkorten
Op de andere oever wachten mijn streekgenoten de Schurken:
- We brengen je een stuk koe
opgegraven met de machtigste van de toverkunsten
Er is een kaneelboom gezaaid
In onze grot -
Mij blindheid zal ik bedekken met wat leer.
Aan zijn hals hangt een witte zakdoek
Die zijn blik doet stikken.


DE CÓMO SE CONOCEN LOS CUATREROS

Me llaman Porfirio Alcalá
aquel que se triza al ver
La mirada de ellas entre dos aguas.
Un árbol comienza a ser invisible.
Voy al camino pedregoso
Para acortar la distancia de mi respiradero
En la otra orilla aguardan mis paisanos los Peñan:
- Te hemos traído un pedazo de vaca
desenterrada por la más poderosa de las magias
Se ha sembrado un canelo
En esa cueva nuestra -
En la barra brindaremos Peñan
Taparé mi ceguera con un poco de cuero.
De su cuello cae un pañuelo blanco
Que ahoga su mirada.


ZANG VOOR DE WATERVAL

We daalden met mijn moeder af naar de waterval
om medicijn te halen uit zijn nevel
Hier is de blauwe bloem in zijn beek
roept de laarzenmaker van het andere eiland
De morgenster licht ons bij
In de dauw zeggen we de ballade:
Ai, blauwe steen die komt om ons hart te doen groeien
Blauw was de bliksem
Hier brengen we het goud want vader slaapt vandaag
met de maan hoger dan de regenboog
Zij heeft een zilveren boom geplant
In de vijver
En bejaarden maken met een pijl knopen los
in regen sneeuw later hagel.


CANTO A LA CASCADA

Bajamos con mi madre a la cascada
Para tomar remedios de su neblina
Aquí está la flor azul en su arroyo
Llama el botero de la otra isla
El lucero de la mañana nos alumbra
En el rocío decimos el romance:
Ay! Piedra azul que vienes a crecernos el corazón
Azul ha sido el relámpago
Aquí te traemos el oro que el padre hoy duerme
Con la luna más arriba del arco iris
Ella ha plantado un árbol de plata
En el pantano
Y ancianos desatan nudos con una flecha
En lluvia nieve luego granizo.


BEZWERING VAN EEN CABARETUTOPIE

Het regent noodlotsregen
Ankers ophalen en neerlaten
en dit anker valt opnieuw.
Een vogel is het slangenoog
Daarmee terugkeren naar de haven waarvan de nacht
af en toe een spelonk is
Daar zijn nog gestreepte
vissen
Stranden
En de "Witte Olifant"
waar we niet naar binnen mogen
omdat er een man is
met een been op zijn rug
die het hoofd naar zijn moeder heeft gekeerd
om het naakt van de boom te bespieden.
Buiten bij het openen van de grot
zwerven mijn verlossers met de utopie
dat de rivier die ons baadt
gelijk een museumstuk is geschramd.


EXORDIO A UNA UTOPÍA DE CABARET

Llueve lluvia de destino
Subir y bajar anclas
y esta vuelve a caer.
Un pájaro es el ojo de serpiente
Con esto volver al puerto cuya noche
Es a ratos una caverna
Allí aún están rayados
peces
Playas
Y el "Elefante Blanco"
al que no podemos entrar
porque hay un hombre
con pierna en la espalda
que ha vuelto la cabeza a su madre
para espiar el nudo del árbol.
Afuera al abrir la cueva
Rondan mis redentores con la utopía
Que es el río que nos baña
Arañado como pieza de museo.

Juan Paulo Huirimilla
Vertaling Fa Claes

22-6-08

Javier Bello

Javier_bello

Javier Bello werd geboren in 1972 in Concepción (Chili). Hij is licentiaat in Spaanstalige literatuur (Universiteit van Chili) en doctor in de hedendaagse Spaanse literatuur (Complutense, Madrid). Bekende dichtbundels van hem zijn La noche venenosa, La rosa del mundo (gedeelde eerste prijs Juegos Florales Gabriela Mistral, 1994), El fulgor del vacío, Las jaulas (bekroond met een prijs in de wedstrijd Jaime Gil de Biedma, Segovia, Spanje) en Jaula sin mí en Los pobladores del entresueño. Hij publiceert in binnen- en buitenlandse tijdschriften, is opgenomen in talrijke bloemlezingen en werkt mee aan verschillende projecten. (Fa Claes)

V

Ik geloof niet in standbeelden,
standbeelden zijn goden die ik nooit heb gekend,
die tegenover de zee nooit hebben geleden bij het bekijken van hun hart.

Ik geloof niet in de snijkant die achter sommige hoeken zit
en niet in de aanroeping die deze zo lange levens ons ontlokken
en niet in de rijen die een reusachtige vogel plassen bij het ochtendgloren van
                    de steen.

Er zijn landschappen die mijn handen kwetsen,
hun geluid van natte vleugels, hun geluid van zaden die branden,
en ik wil niet spreken over de koninkrijken waar de taal van mijn moeder altijd
                    ontbrand is,
en ik wil spreken zoals de appelboom spreekt,
een lip waarderen méér dan de bliksem horen
en in het koeterwaals van de muziek de strofe van de buiken proeven als een
                    gekende volksvertegenwoordiging,
de blindheid van de sneeuw bezitten, van zijn tweelingdieren en ze begraven.

Ik geloof niet in standbeelden en wacht  midden in mijn taal op de mis van de
                    tovenaars,
hun opaal die ze in de woestijnen hebben prijsgegeven tegen het bot van de
                    honger.

Ik geloof niet in goden die naar as ruiken
en niet in de ronde ogen die de regen kent,
die de regen met zijn zwarte kroon langzaam laat gisten,
meesteres over de bloem, over de steen en over het water.

Ik geloof niet in standbeelden en niet in hun lippen die door rode vogels
                    bezeten gloeien,
ik geloof niet, geloven doe ik niet tenzij mijn handen iedere dij die brandt
                    reeds hadden gedronken.

V

Yo no creo en las estatuas,
las estatuas son dioses que nunca he conocido,
que nunca han padecido frente al mar al mirarse el corazón.

Yo no creo en el filo que hay detrás de algunos huecos
ni creo en la oración que esas vidas tan largas nos provocan
ni en las filas que orinan una enorme ave frente al amanecer de la piedra.

Es que hay paisajes que me hieren las manos,
su ruido de alas mojadas, su ruido de semillas que arden,
y yo no quiero hablar de los reinos donde está encendida siempre la lengua de
      mi madre,
yo quiero hablar como habla el manzano,
preciar un labio más que oír el relámpago
y en la algarabía de la música saber la estrofa de los vientres como un
      parlamento conocido,
poseer la ceguera de la nieve, de sus bestias gemelas y enterrarlas.

Yo no creo en las estatuas y aguardo en mitad de mi lengua el oficio de los
      nigromantes,
su ópalo gastado en los desiertos contra el hueso del hambre.

Yo no creo en los dioses que tienen un olor a ceniza
ni en los ojos redondos que la lluvia conoce,
que la lluvia fermenta despacio con su negra corona,
dueña de la flor, de la piedra y del agua.

Yo no creo en las estatuas ni en sus labios que arden poseídos de pájaros rojos,
no creo, yo no creo sino hasta que mis manos hayan bebido cada muslo que
      quema.

Uit: La rosa del mundo

DE KOOI VAN DE ZANG

Hoeveel houd ik nog van mijn door voorspellingen gezwollen maag, van mijn
                    stormzwangere buik,
hoeveel houd ik van mijn dier dat op regendagen dicht bij de binnenplaats gaat
                    liggen slapen,
van mijn beest dat zich uitstrekt naar het zuiden met zijn tong gekleurd met
                    onpare nummers,
van zijn tong die tot aan de zee reikt om de baard van mijn voorvaderen
                    te likken,
die met open armen ter ere van mijn verwanten het huis van de polen
                    aanwijzen,
van het onheil van de vogel die in de tuin fluit verbrand door de wind van de
                    voortekens,
van de hoeveelheid amandelen die ik nu moet tellen om op de lettergrepen
                    te bijten die mij gratie verlenen,
van de heliotropen die het kwaad met zich meebrengen, de zang gelijk een
                    grote duif.

Hoeveel houd ik nog van mijn oren, magneten van een vruchtbaarheid die niet
                    in mijn mond past,
van mijn spiegel zonder kwikzilver aan het einde van de nacht met de dag
                    begraven,
van mijn weemoedige nagel die het zilverpapier schramt op de achtergrond
                naast de tijger,
van mijn haar dat nat is van naamloos water dat neervalt als trage ijzerdraad
                    in de drankstokerijen,
een draadje dat tevergeefs omlaag stort van de distilleerketel die met vuur
                    de woorden vastbindt
en mijn voorhoofd nadert en zich uitstrekt in de kou en zijn opdracht vervult
                    als het in mijn beenderen huilt
en die een ander hij is die doorregent en zonder ophouden uitdruipt
en mijn zoon en mijn sleutels wrijft met zand,
hoeveel houd ik van de mysteries, de stenen, de handen die ‘s nachts met
                     lange erfenissen binnenvallen.

Hoeveel houd ik van mijn hoofd voorbestemd voor het zout dat de smeekbede
                     weent,
van de duistere straling van de lagen die een orkaan van mieren begraaft,
van de gesloten doos waar ze spuwen, de zak die de slachtoffers met sneeuw
                    vullen,
van de crèches waar de bedenkelijke immune stralen leven,
van de klacht van de schildpadden in het alfabet,
van de onthoofde vrouw met een ideogram op haar knie,
van de aanhef van het gedicht dat brandt in mijn hoofd van gehakt hout,
van tabel van duisternis, zwarte vogel tegen een hemel bekrast door
                    grammofoonplaten.

Hoeveel houd ik van mijn naam en van mijn verkeerde voorzeggingen
                    zonder meester,
van mijn armoedige kledij op de foto van de tijd die aan de drenkelingen
                    als aalmoes werd gegeven,
van de zo vreemde tunnel waarmee ze proberen mij te testen,
van de wesp in de wijnkelders waar ik zing
en waar ik een bejaarde en zijn moeder hoor praten over de branden
en dan herken ik mijn zusters,
een gezicht met twee korven waar overvloed in ligt.

Ik houd nog van mijn zangen, van het stof van mijn aders,
van mijn aanwijzingen om te branden in het woord van de sabbat,
maar ik heb er niet van gegeten, hun geloof heeft me verlaten,
van de zelfmoord van de vogel van God tegen de boom zonder hemel,
van het witte overspel dat de letters van het woord zoon ejaculeert.

LA JAULA DEL CANTO

Cuánto amo todavía mi buche hinchado de presagios, mi vientre preñado de
      tormenta,
cuánto quiero a mi animal que se echa a dormir los días de lluvia junto al patio,
mi bestia que se tiende hacia el sur con la lengua teñida de números impares,
su lengua que llega hasta el mar para lamer la barba de mis antepasados,
los brazos abiertos en honor a mis deudos indicando la casa de los polos,
el desastre del pájaro que silba en el jardín quemado por el viento de las
      premoniciones,
la cantidad de almendras que ahora he de contar para morder las sílabas que
      me otorguen la gracia,
los heliotropos que acarrean el mal, el canto como una gran paloma.

Cuánto amo todavía mis orejas, imanes de una fertilidad que no cabe en mi
      boca,
mi espejo sin azogue con el día enterrado al final de la noche,
mi uña melancólica que araña en el fondo el papel de plata junto al tigre,
mi cabello mojado por el agua sin nombre que cae como un alambre lento en
      las destilerías,
un hilo que se despeña en vano del alambique que ata las palabras con fuego
y se acerca a mi frente y se extiende en el frío y cumple su mandato cuando
      aúlla en mis huesos
y es otro el que se llueve y se escurre sin pausa
y restriega a mi hijo y mis llaves con arena,
los enigmas, las piedras, las manos que irrumpen de noche con las largas
      herencias.

Cuánto amo mi cabeza destinada a la sal que llora la plegaria,
la oscura radiación de los lechos que entierra el vendaval de hormigas,
la caja cerrada donde escupen, el saco que llenan las víctimas con nieve,
las guarderías donde viven los graves rayos inmunes,
el lamento de las tortugas en el abecedario,
la mujer decapitada con un ideograma en la rodilla,
la cabeza del poema que arde en mi cabeza de madera cortada,
tabla de oscuridad, pájaro negro contra el cielo arañado por los discos.

Cuánto amo mi nombre y mis falsas predicciones sin dueño,
mis pobres ropas en la fotografía del tiempo entregado como limosna a los
      náufragos,
el túnel tan ajeno con que intentan probarme,
la avispa en las bodegas donde canto
y oigo a un anciano y a su madre hablar de los incendios
y entonces reconozco a mis hermanas,
un rostro con dos cestas donde yace abundancia.

Amo todavía mis cantos, el polvo de mis venas,
mis instrucciones para arder en el vocablo del sábado,
pero no he comido de ellos, su fe me ha abandonado,
el suicidio del pájaro de Dios contra el árbol sin cielo,
el adulterio blanco que eyacula las letras de la palabra hijo.


DE KOOI VAN HET OORDEEL

I

Hoed je voor reizen, mijn zoon,
hoed je voor reizen en treinen
en voor het wankelen van boten in het gevecht van de dageraad.

Hoed je voor treinen
en voor de aarde waar een vlam danst, begraven,
hoed je voor boten en voor dwaallichten
zoals je je knieën verbergt voor de kwelling van de storm.

Nooit zul je de route van de dieren verstaan
over weggetjes en door parken,
de kwade dieren die hun dorst eten.
Nooit zul je de ogen van de honden verstaan
die verdwijnen na het fluitsignaal van de jagers.
Maak me niet wijs dat je de zwarte dieren
niet hebt opgemerkt die er als bejaarden uitzien.
Maak me niet wijs dat je de vermoeide paarden
niet hebt opgemerkt die met hun benen de waarheid kruisen.

Hoed je voor reizen,
Hoed je voor treinen en voor boosaardige krachten
en voor het verloren lopen in je eigen waters.

Laat je hoed niet buitenhuis liggen,
laat je wanten niet ver van de dageraad liggen
want de mieren zullen je met hun antennes slaan tot ze je pijn doen,
want de stenen zullen branden in je zwarte schoenen
om je te leren niet met de lijnen in je hand te spelen,
om je eraan te herinneren, mijn zoon,
dat het noorden op het kompas de kop van je eigen dier opeet.

Hoed je voor reizen,
hoed je voor reizen en treinen
en voor het wankelen van boten in zeeën zonder wet,
want in reizen huist de dood al pratend in je oor,
want in treinen reist de dood gezeten
en in boten vaart de dood rechtop.

LA JAULA DE LA SENTENCIA

I

Cuídate de los viajes, hijo mío,
cuídate de los viajes y de los trenes
y del tambaleo de los barcos en la batalla del amanecer.

Cuídate de los trenes
y de la tierra donde baila sepultada una llama,
cuídate de los barcos y de los fuegos fatuos
como escondes tus rodillas del tormento de la tempestad.

Nunca entenderás el recorrido de los animales
por las veredas y los parques,
los animales malos que se comen la sed.
Nunca entenderás los ojos de los perros
que desaparecen tras el silbido de los cazadores.
No me digas que no has visto
los animales negros que tienen cara de anciano.
No me digas que no has visto
los caballos cansados que cruzan con sus patas la verdad.

Ten cuidado de los viajes,
ten cuidado de los trenes y de las potencias malignas
y de perderte entre tus propias aguas.

No dejes tu sombrero fuera de la casa,
no dejes tus guantes lejos del amanecer,
porque las hormigas te golpearán con sus antenas hasta causarte daño,
porque las piedras arderán en tus zapatos negros,
para que aprendas a no jugar con las líneas de tus manos,
para que recuerdes, hijo mío,
que el norte de las brújulas se come la cabeza de tu propio animal.

Cuídate de los viajes,
cuídate de los viajes y de los trenes
y del tambaleo de los barcos en los mares sin ley,
porque en los viajes va la muerte hablándote al oído,
porque en los trenes va la muerte sentada
y en los barcos va la muerte de pie.


III

Wie boeken aankruisen sterven jong,
met de kracht van de zon brandt het onzichtbare onze daden.
Er is geen vrijheid in de doorzichtigheid van de partituren,
er is geen vrijheid op het uur dat door de hemel in beslag werd genomen,
met de vinger van een god tatoeëren wij onze dagen.

Zoon van de vrede en de onthoofdingen,
zoon van het zaad dat de gehangene morst,
er is geen vrijheid in de rode bakstenen,
er is geen zuiverheid in het woord dat de nacht aan de patio’s dicteert.
Je verbergt je boeken van de dageraad,
zet je naam er niet in,
alleen je dierlijke licht,
alleen je paard in het huis van je vader.
Je bent niet in veiligheid,
je bent niet in veiligheid.

Ze sterven jong, degenen die weggaan,
de bejaarden sterven bejaard in hun bedden,
wie boeken aankruisen en wie ze niet aankruisen,
ook wie lasteren,
wie wachten in de vrede van de heer,
wie in kostuum ten oorlog gaan,
allen, allen.

Alleen jij als je het vuur eet,
alleen je paard in het huis van je vader,
alleen je dierlijke licht,
zoon verbannen tegen mijn alfabet,
manke zoon tegenover de ruiker van de zon.

Wie boeken aankruisen sterven jong,
ook wie voor ze bidden,
ook wie voor ze blaffen.
Elke andere waarheid is weerzinwekkend,
elke andere leugen is een dradenveld:
het woord dat komt, loopt ongeschoeid.

III

Los que marcan los libros mueren jóvenes,
lo invisible quema nuestros actos con la fuerza del sol.
No hay libertad en la transparencia de las partituras,
no hay libertad a la hora confiscada por el cielo,
tatuamos nuestros días con el dedo de un dios.

Hijo de la paz y las decapitaciones,
hijo de la semilla que derrama el ahorcado,
no hay libertad en los ladrillos rojos,
no hay pureza en la palabra que dicta la noche a los patios.
Escondes tus libros del amanecer,
no pones en ellos tu nombre,
sólo tu luz de animal,
sólo tu caballo en la casa del padre.
No estás a resguardo,
no estás a resguardo.

Mueren jóvenes aquellos que se van,
los viejos mueren viejos en sus camas,
los que marcan los libros y los que no los marcan,
los que cantan plegarias,
también los que maldicen,
los que esperan en la paz del señor,
los que van a la guerra con traje,
todos, todos.

Sólo tú cuando comes el fuego,
sólo tu caballo en la casa del padre,
sólo tu luz de animal,
hijo proscrito contra mi abecedario,
hijo cojo ante el ramo del sol.

Los que marcan los libros mueren jóvenes,
también los que les rezan,
también los que les ladran.
Cualquier otra verdad es ominosa,
cualquier otra mentira es un campo de alambres:
la palabra que viene, va descalza.

Uit: Las jaulas


Achter de gedachte staat een gebroken paal. Een paal die de stroming tot aan de voet van het bed heeft meegesleurd. De ruiten zijn afbeeldingen waar de doden om hun handen vragen. Achter de spiegels is een andere rechtopstaande aanplant. Vuurdraden die de meisjes in een coma pulseren. Een tunnel vol weken. Een tunnel wil zeggen tunnel. Wat wil zeggen: kanker. Plantenkas en dorst. Buidel. Gehoorde melk. De lever praat in de hoeken. Een wijn vol nummers. Een zak met droge blaren achter de blik. Een theezakje. Een doodskist gevuld met takken. Onder de leeftijd staan de dode jaren. Onder het licht de verrezen prisma’s. Een kind draagt een brug die een ander kind draagt dat niets draagt. De leegte is een bloedziekte. Ze klaart zoals het roest in de visnetten. In alle kasten zijn er schrikbeelden. In de schuiven ontroostbare handen.  De wanden, die heeft niemand gearceerd. De herfst heeft vele namen. Achter de gedachte weet ik wie niemand is.

Detrás del pensamiento hay un palo quebrado. Un palo que arrastró la corriente hasta los pies de la cama. Los vidrios son retratos donde los muertos preguntan por sus manos. Detrás de los espejos hay otra plantación erizada. Hilos de fuego que pulsan las muchachas en coma. Un túnel lleno de semanas. Un túnel quiere decir túnel. Lo que quiere decir cáncer. Invernadero y sed. Bolsa marsupial. Leche de oído. El hígado habla en las esquinas. Un vino lleno de números. Un saco de hojas secas detrás de la mirada. Una bolsa de té. Un ataúd repleto de ramas. Debajo de la edad están los años muertos. Debajo de la luz los prismas resucitados. Un niño carga un puente que carga a otro niño que no carga nada. El vacío es una enfermedad a la sangre. Decanta como el óxido en las redes de pesca. En todos los armarios hay espectros. En los cajones manos desconsoladas. Las paredes las ha rayado nadie. El otoño tiene muchos nombres. Detrás del pensamiento yo sé quien es nadie.

Uit: Letrero de albergue


Javier Bello
Vertaling Fa Claes

21-6-08

Keith Douglas

Keith_douglas

Keith Douglas werd geboren in Tunbridge Wells in Kent. Hij sneuvelde op 9 juni 1944 tijdens de invasie van Normandië, als commandant van een tankeenheid die deelnam aan een aanval op Bayeux. Voor hij zich aan het begin van de Tweede Wereldoorlog meldde als vrijwilliger, waarna hij de officiersopleiding in Sandhurst volgde, studeerde hij Engelse taal- en letterkunde in Oxford. Daar deed hij reeds van zich spreken als dichter. De hier opgenomen gedichten komen uit de bloemlezing De War Poets, samengesteld en vertaald door J. Eijkelboom, die in 2002 verscheen bij Wagner & Van Santen. (Kees Klok)


Woestijnbloemen

Levend in een wijd landschap zijn de bloemen –
Rosenberg, ik herhaal slechts je woorden –
de granaat en de havik doden elk uur
mannen en muizen - doden

de geest; maar het lichaam kan de hongerige
bloemen voeden en de honden die 's nachts
woorden roepen, de vijandigste dingen.
Maar dat is niet nieuw. Telkens als de nacht

gordijnen van de ogen trekt en de geest wakker houdt
kijk ik aan elke kant van de deur van de slaap
uit naar het muntje dat ik mee zal nemen
om het geheim te kopen dat ik niet bewaar.

Ik zie mannen als bomen die lijden
of het detail en de horizon door elkaar halen.
Leg de munt op mijn tong en ik zal zingen
van dingen die anderen nooit zagen.

    El Ballah, Ziekenhuis, 1943


Desert Flowers

Living in a wide landscape are the flowers –
Rosenberg I only repeat what you were saying –
the shell and the hawk every hour
are slaying men and jerboas, slaying

the mind: but the body can fill
the hungry flowers and the dogs who cry words
at nights, the most hostile things of all.
But that is not new. Each time the night discards

draperies on the eyes and leaves the mind awake
I look each side of the door of sleep
for the little coin it will take
to buy the secret I shall not keep.

I see men as trees suffering
or confound the detail and the horizon.
Lay the coin on my tongue and I will sing
of what the others never set eyes on.

    El Ballah, General Hospital, 1943


Sportsmen

'Ik denk dat ik een God word.'

Het edele ros met moed in zijn ogen, goed
van bouw, kijkt op van een ontploffende granaat:
weg vliegen de beelden van de provincie
maar hij steekt de pijp weer in zijn mond.

Peter werd ongelukkigerwijze gedood door een 88er;
die rukte zijn been eraf; hij stierf in de ambulance.
Toen ik hem zag kruipen, zei hij:
Dit is niet fair, ze hebben mijn voet erafgeschoten.

Hoe kan ik nu leven tussen dit welopgevoede
verdwijnende ras van helden en niet wenen?
Eenhoorns, bijna. Want zij verdwijnen in twee legendes
waarin hun stupiditeit en heldenmoed worden geëerd;
de dwaas en de held zullen onsterfelijk zijn.

Deze vlakten waren een cricketveld
en in de heuvels brachten geweldige hindernissen
sommige renpaarden ten val, die
onder deze stenen en aarde nog rondhangen
in roemruchte houdingen van nonchalance. Luister:
tegen de kogel roept de simpele jachthoorn.

    Tunesië (mei-juni) 1943


Sportsmen

'I think I am becoming a God.'

The noble horse with courage in his eye,
clean in the bone, looks up at a shellburst:
away fly the images of the shires
but he puts the pipe back in his mouth.

Peter was unfortunately killed by an 88;
it took his leg off; he died in the ambulance.
When I saw him crawling, he said:
It's most unfair, they've shot my foot off.

How then can I live among this gentle
obsolescent breed of heroes, and not weep?
Unicorns, almost. For they are fading into two legends
in which their stupidity and chivalry are celebrated;
the fool and the hero will be immortals.

These plains were a cricket pitch
and in the hills the tremendous drop fences
brought down some of the runners, who
under these stones and earth lounge still
in famous attitudes of unconcern. Listen
against the bullet cries the simple horn.

    Tunesia (May-June) 1943


Dapperheid

De kolonel sprak als terloops
een grap in de microfoon
die door een honderd koptelefoons
een gedoemd ras ter ore kwam.

Ter ore van de gedoemde knaap, de dwaas
wiens volmaakt gemanierde vlees viel
toen hij voor een granaat de deur openhield,
zoals hij geleerd had op school.

Conrad overleefde gelukkig de winter:
hij schreef een brief om de veelbelovende
lente te begroeten; alleen werden zijn zijden
bedoelingen verscheurd door één enkele splinter.

Was George dol op kleine jongens?
Wij hadden altijd het vermoeden,
maar wie zal 't zeggen: sinds George werd getroffen
zijn wij er nooit meer over begonnen.

Het was iets dappers wat de kolonel zei,
maar de hele lucht werd te heet
en de drie helden hoorden nooit
wat het was, doof door staal en lood.

Maar de kogels gierden van de lach,
granaten kwamen niet meer tot bedaren,
staken hun kop in staal en aarde
(de lucht had een gefluisterd commentaar).

    El Ballah, ziekenhuis, 1943


Gallantry

The Colonel in a casual voice
spoke into the microphone a joke
which through a hundred earphones broke
into the ears of a doomed race.

Into the ears of the doomed boy, the fool
whose perfectly mannered flesh fell
in opening the door for a shell
as he had learnt to do at school.

Conrad luckily survived the winter:
he wrote a letter to welcome
the auspicious spring: only his silken
intentions severed with a single splinter.

Was George fond of little boys?
We always suspected it,
but who will say: since George was hit
we never mention our surmise.

It was a brave thing the Colonel said,
but the whole sky turned too hot
and the three heroes never heard what
it was, gone deaf with steel and lead.

But the bullets cried with laughter,
the shells were overcome with mirth,
plunging their heads in steel and earth –
(the air commented in a whisper).

    El Ballah, General Hospital, 1943


Keith Douglas
Vertaling: J. Eijkelboom

25-5-08

Francisco Véjar

Francisco Véjar werd geboren in 1967 te Viña del Mar, Chili. Hij is dichter en literair criticus. Hij publiceerde de verzenbundels Fluvial (1988), Música para un álbum personal (1992), Continuidad del viaje (1994), A vuelo de poeta (1996), Canciones imposibles (1998), País insomnio (2000) en Bitácora del emboscado (2005). Werk van hem is in verschillende bloemlezingen opgenomen en vertaald in het Engels, Italiaans, Catalaans, Portugees en Kroatisch. In 1999 heeft hij een bloemlezing uit jonge Chileense dichters uitgegeven. In 2002 publiceerde hij in samenwerking met Sven Olsson en Armando Roa Vial Georg Trakl. Homenaje desde Chile. Hij is docent aan de Universidad del Desarrollo in Santiago de Chile, columnist bij het dagblad El Mercurio en medewerker aan het Spaanse tijdschrift Clarín. Hij werkt momenteel aan een kroniek over de voornaamste Chileense auteurs uit de tweede helft van de 20ste eeuw.


DAAR SLAAPT MIJN VADER

Ik bezoek de begraafplaats:
daar slaapt mijn vader
op stof en nog meer stof
waar niets anders bestaat dan de doffe stilte
van andere stemmen,
door stormen bijna uitgewiste gedenkstenen:
zwakke sporen op het marmer.

De wind verstoort de orde van de omgeving.
Ik stap op verdroogde bloembladen
die met de aarde één worden,
op brokstukken van lippen
die samenkwamen om elkaar te beminnen.
Maar een antwoord is er niet.

Geest en lichaam
waren ooit sterk,
zwierven zonder haast
bij het lezen van de levenstekens in de lucht.

Rechtop sta ik in deze wereld,
kijk uit hoe de middag vergaat,
voel de dreigende gewaarwording
in één seconde andere echo’s te bevatten.

Er zijn stappen die horen,
er zijn ontbonden ogen die scherp toezien,
zelfs op de schittering van het niets.

Daar slaapt mijn vader,
koud en broos als de sneeuw.


ALLÍ DUERME MI PADRE

Visito el cementerio:
allí duerme mi padre
sobre polvo y más polvo,
donde no hay más que el silencio sordo
de otras voces,
lápidas casi borradas por las tempestades:
débiles huellas sobre el mármol.

El viento desordena el entorno.
Camino sobre pétalos resecos
que se unen a la tierra,
sobre pedazos de labios
que se juntaban para amarse.
Pero no hay respuesta.

Un día espíritu y carne
fueron fuertes,
vagaban sin prisa,
releyendo en el aire las señales de la vida.

Estoy de pie en este mundo,
mirando como muere la tarde,
sintiendo la enarbolada sensación
de contener en un segundo otros ecos.

Hay pasos que oyen,
hay ojos disueltos que observan,
también el destello de la nada.

Allí duerme mi padre,
frío y delicado como la nieve.


JOSEPH BRODSKY IS OVERLEDEN

Joseph Brodsky is overleden
In onze wijk speelde iemand
Op een anachronistische vleugelpiano
En het licht van uitgeputte melodieën ging branden
Die dagen passen niet in de kalender
En gelijk een punch vermengen ze zich
Zacht als het stromen van ons bloed
Maar niet alleen punch stroomt door de aders
Op straat komen motorfietsen voorbij gelijk wespen
En een puber stapt uit
Haar dubbel leven om naar huis te gaan
Joseph Brodsky is overleden en met hem
Een deel van het lezen
Van zijn gedichten wat we deden
Tijdens zomers aan zee
Zon, zee en maan volstaan niet meer
En het loont niet de moeite ons
Naar de waarde van het leven te vragen
Alleen het ronddwalen blijft over langs straten
En plaatsen waar wij graag
Zoals jij een universele liefdesbloemlezing wilden maken
Voor de geliefden uit de liefdeshotels.
Deze woorden van je willen we onthouden:
De dag is in de kast naar een hemd voor je aan het zoeken
Hopelijk komt spoedig de winter
En dekt met sneeuw
De steden de mensen bovenal het groen
Als ik ’s nachts een ster op het dak zie
Schiet die - volgens de wetten der verbranding -
Langs mijn wang tot op mijn hoofdkussen
Zonder me tijd te geven om een wens te bedenken.


HA MUERTO JOSEPH BRODSKY

Ha muerto Joseph Brodsky
En nuestro barrio alguien tocaba
Un anacrónico piano de cola
Y se encendía la luz de melodías cansinas
Esos días no entran en el calendario
Y se mezclan como un ponche
Suave como el fluir de nuestra sangre
Pero no sólo ponche corre por las venas
En la calle las motocicletas pasan como avispas
Y una adolescente abandona
Su doble vida para volver a casa.
Ha muerto Joseph Brodsky y con él
Parte de las lecturas
Que hacíamos de sus poemas
En veranos marítimos.
Ya no bastan sol, mar, ni luna
Y no vale la pena preguntarnos
Por el valor de la vida
Sólo queda vagabundear por calles
Y lugares donde nos gustaría
Hacer como tú una antología universal del amor
Para los amantes de hoteles de paso.
Queremos recordar estas palabras tuyas:
El día te va buscando en el armario una camisa
Ojalá llegue pronto el invierno
Y con la nieve cubra
Las ciudades los hombres sobre todo lo verde
Si de noche veo una estrella en el techo
Ella – según las leyes de combustión –
Me resbala por la mejilla hasta la almohada
Sin darme tiempo a pensar un deseo.


DE TRILLING VAN DE RIVIER OVER DE STAD

In de stad hebben we naakte bomen gezien
die weggetjes opzetten en wat van hen is opeisen.
Hun wortels omarmen elkaar als ondergrondse geliefden
die weet hebben van dromen en verlies.

Het is vreemd hier te staan en de schreeuw te horen van de meeuwen
die onzeker op het water neerstrijken.
Wachten op een houten barkas
of op de vlucht van de zon en de oceaan.
Half zeven ’s avonds op de oevers van de Mapocho,
het onvermijdelijke litteken van Santiago.

Deze geschriften zullen verloren gaan met het stromen van de rivier
en hun echo zal zijn alsof je jezelf ziet in een absurde film
waarvan de hoofdpersonages werden afgedankt.


LA VIBRACIÓN DEL RÍO SOBRE LA CIUDAD

Hemos visto árboles desnudos en la ciudad
que levantan veredas y reclaman lo suyo.
Sus raíces se abrazan como amantes subterráneos
que saben de sueños y pérdidas.

Es extraño estar aquí y oír el grito de las gaviotas
que caen inciertas sobre el agua.
Esperar una barcaza de madera
o la huida del sol en el océano.
Seis y media de la tarde en las riberas del Mapocho;
la inevitable cicatriz de Santiago.

Estos escritos se perderán con el fluir del río
y su eco será como verse en una película absurda
cuyos actores principales han sido dados de baja.


REGELS OVER DE HOES VAN EEN FONOPLAAT VAN STAN GETZ

We kwamen uit de liefde als uit een vliegramp
na het rondzwerven langs motels en eenzame stranden
waar onze sporen verdwenen met de vloed;
dagen en dagen van baden in champagne
en vrijen bij het huilen van de golfslag.
We waren een vreemde soort dieren
die op hun blote lichamen
sapfische imperfecta schreven.
Zo speelden we te geloven dat we de taal beheersten
zoals we dat ogenblik beheersten.

Vandaag verzamelen wij handschriften, jazzplaten, boeken
en die vlam die we wilden ontsteken
gelijk een afvallige die terugkeert tot zijn geloof
en de kaarsen op een geoxideerde kandelaar ontsteekt.

We kwamen uit de liefde als uit een vliegramp
zonder bagage en zonder retourbewijs.


LÍNEAS SOBRE LA CARÁTULA DE UN DISCO DE STAN GETZ

Salimos del amor como de una catástrofe aérea
después de vagar por moteles y playas solitarias
donde nuestras huellas desaparecían tras la marea;
días y días de bañarnos con champaña
y hacer el amor mientras gritaba el oleaje.
Fuimos una rara especie de animales
que escribían sáficos imperfectos
en sus cuerpos desnudos.
Así, jugábamos a creer que dominábamos la lengua
como dominábamos ese instante.

Hoy atesoramos manuscritos, discos de jazz, libros
y esa llama que quisiéramos encender
como un profano que retorna a su creencia
y enciende las velas de un oxidado candelabro.

Salimos del amor como de una catástrofe aérea
sin equipaje ni boletos de vuelta.


TEKST AANGETROFFEN OP EEN TAFEL IN HET RESTAURANT MIRAMAR (QUINTAY)

Als de afgrond met zijn stilte ons niet riep
konden wij Trakl niet lezen, en niet uren die anonieme
grafstenen blijven bekijken die de storm teistert
gelijk de schreeuw van de vogel die de doden begeleidt.
Versregels uit Sebastian im Traum aan het einde van het strand
met drijfzand gelijk schipbreukelingen. Onze tijd
moest eindeloos zijn als het zand van dat strand.
Maar alle as, alle donkenschap, alle duurzaamheid
is overbodig omdat wij vergaan. En op de kust - zoals je weet - duurt
het gestage schouwspel van de golfslag voort. Wij trekken verder
over verspreid gebeente dat de golven van de zee hebben teruggespoeld,
we trekken verder om zoveel deuren te openen,
stalen deuren, houten deuren, onzichtbare deuren,
- innerlijke verhuizing waarvan we ons willen bevrijden -
waar een woord alles met zich neemt wat we hebben kunnen bezitten.


ESCRITO ENCONTRADO EN UNA MESA
DEL RESTAURANTE MIRAMAR (QUINTAY)

Si el abismo no nos llamara con su silencio
no podríamos leer a Trakl, ni permanecer horas
mirando estas lápidas anónimas que golpea la tempestad
como el grito del ave que acompaña a los muertos.
Líneas de Sebastián en sueños al fin de una playa
de arenas movedizas como náufragos. Nuestro tiempo
debería ser infinito como las arenas de esa playa.
Mas toda ceniza, toda embriaguez, toda permanencia
es innecesaria porque perecemos. Y en la costa - como se sabe - sigue
el incesante espectáculo del oleaje. Caminamos
sobre osamentas dispersas que han devuelto las olas del mar,
caminamos para abrir tantas puertas;
puertas de acero, puertas de madera, puertas invisibles,
- mudanza interior de la cual queremos desprendernos -
donde una palabra lleva todo lo que hemos podido poseer.


Francisco Véjar
Vertaling Fa Claes

18-5-08

Fivos Stavridis

Fivos Stavridis (1938) werd geboren in Larnaka. Hij studeerde voor apotheker. Sinds 1995 houdt hij zich uitsluitend bezig met literatuur. Hij publiceerde drie gedichtenbundels. Samen met Lefteris Papaleontiou en Savvas Pavlou schreef hij Bibliografía Cypriakís Logotechnías, een bibliografie van de Cypriotische literatuur vanaf Machairas tot heden. Ook schreef hij de Bibliografía Cypriakís laikís piïsis, een bibliografie van de Cypriotische volkspoëzie en publiceerde hij Filládes kai aftotelís ekdósis 1884-1960, een collectie oorspronkelijke teksten uit de volkspoëzie.

Hij is redacteur van het culturele tijdschrift O Kyklos en hij publiceert in samenwerking met Lefteris Papaleontiou het blad Mikrofilologiká. Van zijn hand verscheen eveneens een aantal essays over de Cypriotische literatuur van de 19e en 20e eeuw. De gekozen gedichten zijn afkomstig uit zijn (tweede) bundel Tríto Prósopo (1982). Zij werden vertaald door Hero Hokwerda en eerder opgenomen in de bloemlezing Wij wonen in een taal, Brugge 2004. (Kees Klok)


    De symmetrie van de kosmos

Alles heeft een plaats in de symmetrie van de kosmos

Het rode overhemd van de namiddag
geweekt in de dorst van het vasteland
naast een naakt meisje dat ligt te zonnebaden

klanken die vervliegen in het licht

de oude vrouw die eens haar zoon te betreuren had
en nu zelfs niet hoopt op de dood
kijkend naar een hond die doelloos rondzwerft in de buurt

de jaren niet door ons verwacht maar toch gekomen
de jaren wel door ons verwacht maar die niet zullen komen

resoluties, mozaïeken, geblankette idolen
mythen, wonden, de voor- en keerzijde
van een onbesteld gebleven leven

de stemloze schreeuw
het barmhartig niets

Miranda, Charis, Stéfanos
en het zinnenbegoochelend stempel van de gift.


    Onzichtbaar

Welk gezicht aanvaard je uiteindelijk?
Ik herinner me jou dacht ik in andere gedaante
je had een wrat onder de wang
en trok een beetje met je rechterbeen.
Nu de zaken zijn zoals ze zijn en alles
met de grond gelijk gemaakt is in onze geest
is zelfs de wind, die overbrenger
van onvoltooide bewegingen of stemmen,
buitengesloten en kan niet binnenkomen
wat we ook zeggen wat we ook doen.

Als dit gezicht, dus, jou niet toebehoort
moet het van iemand zijn die in een droom in slaap viel
en eeuwen eerder is ontwaakt, zonder te weten
dat al die tijd met lege ogen wíj
lazen wat in het lot geschreven stond.


    Oud lied

Ach, had ik maar een blaadje! sprak de wind, en
ach, had ik maar twee vleugels! sprak de dichter.
Ze gingen samen door de tuin van God
vroeg op een zoele ochtend van zijn heiligheid,
een stralende zon keek van boven toe en
de wereld hing daar als een vrucht in 't licht.

De wind boog zijn gezicht over het meer en was onthutst:
hij zag zijn aangezicht doorgroefd door duizenden onweren
en niet te dragen was de pijn der dingen.
Toen waste met koud water hij zijn aangezicht
en zwoer een eed dat hij de mensen niet zou kwellen.
De dichter voerde met de schaduwen en kleuren een gesprek,
werd moe en zat toen neer om op verhaal te komen.


    Voor Miranda

Elk landschap dat we geleefd hebben,
elke hoek die door de jaren verbleekt is
is ónze zaak,

we zullen niet toelaten
dat grondwerkers en graafmachines
onze dagen slopen
onze nachten verjagen.

We hebben geen vergeving van zonden gegeven
aan stedenbouwer en landmeter,
we hebben geen boekhouders aangesteld
voor onze dromen vol gaten.


Fivos Stavridis
Vertaling: Hero Hokwerda

11-5-08

Marcelo Rioseco

Marcelo Rioseco werd in 1967 in Concepción (Chili) geboren. Hij is ingenieur. Aan de Universidad del Bío-Bío stond hij aan het hoofd van de Afdeling Extensión. Werkte actief mee aan het  televisieprogramma La belleza de pensar waarin meer dan 150 Zuid-Amerikaanse auteurs en intellectuelen werden geïnterviewd. Bekend zijn van hem de dichtbundel Ludovicos o la aristocracia del universo (Premio de Poesía Revista de Libros del diario El Mercurio, 1994), de verhalenbundel El cazador y otros relatos en - in samenwerking met de Chileense dichter Armando Roa Vial - de vertaalbundel THIS BE THE VERSE. 25 poetas de habla inglesa (2002). Werk van hem verscheen in verschillende publicaties en tijdschriften. Hij woont sinds 2007 in Pittsburgh, Pennsylvania, USA.


GROET AAN DE LEGENDE VAN MORGEN

Ludovicus
energie van bijeengevoegde kraters
stormwind en ijzerelement van oorlog
voor je figuur projecteert het licht zijn lot en zwicht het wonder
niemand kan zich vijand noemen van je muziek
je werd ontzaglijk geboren
en nog ontzaglijker zul je moeten sterven
omdat in je longen alle zuurstof van de wereld gaat
en aan je hart komt de meerring van de ultieme impuls toe

Je bent gelijk aan oceanen van hese stem
aan bossen en hun aroma’s van trotse bomen
aan ganse rivieren, archipels
schiereiland of vulkanische rots
je gelijkt op alles wat leeft
alsof je hart een bijzonder atoom verdicht

En ik steek mijn hand naar je uit en groet je oude bedevaartgang
ik drink op je onstandvastigheid
ik zegen de onverantwoordelijkheid die je zoveel schoonheid heeft geschonken
ik verklaar je tot substantie van het wonderbaarlijke
materie en smeltkroes van de parallelle poëzie
Welke eeuwige onrust staat je bij
gelijk het groeien van het korstmos of scholen vissen zonder rust
die gelijken op kudden buffels in razende draf
ik kijk toe op het halsstarrige levensrad
maak de buik van de zaden open
op weg naar sterren en van daaruit naar het oneindige

Welk belang heeft het dat de blinde mens de drang om
boven alle realiteit te staan niet begrijpt
Ik stem in met je sprong met open vleugel
en dat is meer dan het inzicht
Ik knoop me vast aan de kruisen van de kathedralen
en gelijk een goddelijk element
rijs je aan alle kanten op om me mee te voeren

Oh! Ludovicus
monnik-soldaat van de toekomst
zoon van de aarde en zijn eigen tegenstrijdige zwerver
de blik van je ogen doorbreekt de hindernis
en luchtig als niet één
knoopt eeuwige arenden aan je oogleden
Wat kun je doen tenzij je kwellen met de dwazen
Ludovicus
ik ken deze engel die aan de schitterende donder verbonden is
kolos
vijand van ankers en hun gewicht aan stille dood
Ik ken het eenzame hart dat niet ophoudt te vechten

Ik drink op je gezondheid, mystieke kameraad
Aan alle kanten verschijnen onverwachten uit jou
het zwaard blinkt
Nooit een wapenstilstand, een overgave
dat noem ik gekkenwerk, loszinnigheid, wandaad
en uit mijn standpunt van bevoordeeld toeschouwer
applaudisseer ik, applaudisseer ik
zo leeft de geëxalteerde geest
gelijkend op het woeste veulen met de onvaste
bliksem
en zelfs zo, blootgesteld aan vorstelijke stormen
met dromen binnen handbereik
bevat zijn sterrenarchitectuur de magneet van de wereld
levend en meer levend
met ontploffingen in de borst
historisch en absoluut
gericht naar de toekomst van het licht
Zo, Ludovicus
Zo voor altijd


SALUDO A LA LEYENDA DEL MAÑANA

Ludovicos
energía de cráteres concentrados
vendaval y férreo elemento de guerra
A tu figura la luz proyecta su destino y cede el milagro
no hay quien pueda declararse enemigo de tu música
naciste inmenso
y más inmenso habrás de morir
porque en tus pulmones entra todo el oxígeno del mundo
y a tu corazón corresponde la argolla del impulso último

Eres igual a océanos de ronca voz
a bosques y sus perfumes de árboles orgullosos
a ríos enteros, archipiélagos
península o roca volcánica
te pareces a todo lo que vive
como si tu corazón concentrara un átomo especial

Yo tiendo mi mano hacia ti y saludo tu viejo peregrinar
brindo por tu inconstancia
bendigo la irresponsabilidad que te ha dado tanta belleza
te proclamo la sustancia de lo maravilloso
materia y crisol de la poesía paralela
Qué perpetua inquietud te asiste
como el crecimiento del liquen o cardúmenes sin sosiego
semejante a manadas de búfalos en trote furioso
te observo en la rueda obstinada de la vida
abriéndole el vientre a las semillas
yendo por estrellas y desde allí al infinito

Qué puede importar si el hombre ciego no comprende
el deseo de estar por sobre toda realidad
Yo me adhiero a tu salto de ala abierta
y eso es más que el entendimiento
Me anudo a las cruces de las catedrales
e igual a un elemento divino
desde todas partes surges llevándome

¡Ah! Ludovicos
monje guerrero del porvenir
hijo de la tierra y su propio vagabundo contradictorio
la mirada de tus ojos traspasa el obstáculo
y aérea como ninguna
anuda águilas eternas a tus párpados
Qué puedes hacer sino atormentarte con los necios
Ludovicos
sé ese ángel aliado al trueno resplandeciente
coloso
enemigo de las anclas y su peso de muerte silenciosa
Sé el solitario corazón que no cesa de luchar

Yo bebo a tu salud, camarada místico
Por todas partes te salen imprevistos
brilla la espada
Nunca un armisticio, una rendición
a eso llamo locura, insensatez, desmán
y desde mi posición de espectador favorecido
aplaudo, aplaudo
así vive el espíritu exaltado
similar al potro embravecido con el relámpago
vacilante
y aún así, arrojado a regias tormentas
con sueños al alcance de la mano
su arquitectura estelar comprende el imán del mundo
vivo y más vivo
con explosiones en el pecho
histórico y absoluto
vuelto hacia el porvenir de la luz
Así, Ludovicos
Así por siempre.


LUDOVICUS
ARCHITECT VAN DE ONDERGRONDSE BEDDINGEN

Zoals de engelen spreek ik uitsluitend in verzen
de woorden komen tot me
op dezelfde wijze als uitgestrekte vlakten over de blik
ieder gedicht explodeert in mijn handen vóór het ontstaat
en laat me dan duizend verliefde zonnen na
die mijn ogen dopen met sterrenlicht

Ik ben deze en gene en die andere
de lanterfanter van alle mooie middagen
Ik kom voort uit de zeestroom die het natuurlijke koestert

Welke kleur zou een valscherm moeten hebben
om uit de hemel te springen
bij het uitdelen van kamperfoelie aan de dromerige vogels?
Hoe heet de komeet die de honingvrouwen doet wenen
wanneer hij het firmament doorkruist al schrijvend
“zul je me ooit beminnen?”

Kus me
ik heb zo naar je liefdeskussen gewacht
Ik sterf en voel de dood in mij
Mijn gezicht is veranderd in de spiegel van het universum
Op zonnige januarimiddagen
komen  zwaluwen van mijn schouders drinken
De boeren konden niet op tegen mijn zwaard van pluimen
mijn vijanden waren afgunstig op het dynamiet van mijn gedachten
Al mijn kameraden zijn dood of gaan geboren worden

Ik was de architect van de ondergrondse beddingen
de tekenaar van de morgen

Het kruis van de tijd weerklinkt nog edelmoedig
ik sta niet toe dat de dood hymnen van droefheid aanheft
en lagunes zonder bodem
dode vissen
een leegte van afgrond en zwart haar

Kom als je mijn dorstige werveling kunt verdragen
kom als je het gewicht van mijn geschiedenis kunt torsen

Hier op de laatste trede van de hemel
vraag ik me af
hoe ik door de wereld kan gaan terwijl ik vlinders
betover
en met suikeren woorden de planeten een naam geef

Ik houd van de tegenstelling als van mezelf

Alleen een dichter kun je beschuldigen
van honderd terzelfder tijd uitgevoerde tegenstrijdige handelingen

Ik loop door de wereld door elkaar geschud door een magische razernij
mijn bewijzen willen de wereld verleiden
noem mijn stem
goochelaar van de verrukte regenboog
ontdekker van de nectar van avondschemering in de lente

Je moet alleen geloven in het licht
Schoonheid is een persoonlijke aangelegenheid.


LUDOVICOS
ARQUITECTO DE LOS CAUCES SUBTERRÁNEOS

Como los ángeles sólo hablo en versos
las palabras me vienen
igual a llanuras extendidas sobre la mirada
cada poema me explota en las manos antes de nacer
dejándome mil soles enamorados
que bautizan mis ojos con luces de estrellas

Soy éste y aquel y ese otro
el holgazán de todas las tardes hermosas
Provengo de la corriente marítima que anida lo natural

¿De qué color sería necesario un paracaídas
para lanzarse desde el cielo
repartiendo madreselvas a los pájaros soñadores?
¿Cómo se llama el cometa que hace llorar a las mujeres de miel
cuando cruza el firmamento escribiendo
“me amarás algún día”?

Bésame
he aguardado tanto tus besos de amor
Yo muero y en mí siento la muerte
Mi rostro se ha transformado en el espejo del universo
En las tardes asoleadas de enero
las golondrinas vienen a beber de mis hombros
Los villanos no pudieron contra mi espada de plumas
mis enemigos envidiaron la dinamita de mis pensamientos
Todos mis camaradas están muertos o van a nacer

Fui el arquitecto de los cauces subterráneos
el dibujante de la mañana

La cruz del tiempo resuena generosa aún
no permito que la muerte entone himnos de tristeza
y lagunas sin fondo
peces muertos
un vacío de abismo y negra cabellera

Ven si puedes cargar mi remolino sediento
ven si puedes llevar el peso de mi historia

Aquí en el último peldaño del cielo
me pregunto
cómo puedo ir por el mundo embrujando mariposas
nombrando a los planetas con palabras de azúcar

Amo a la contradicción como a mí mismo

Sólo a un poeta se le puede culpar
de cien actos contradictorios ejecutados simultáneamente

Ando por el mundo sacudido por un mágico frenesí
mis pruebas quieren seducir al mundo
llama a mi voz
prestidigitador del arco iris encantado
descubridor del néctar de atardeceres primaverales

No hay que creer sino en la luz
La belleza es un asunto particular.


LUDOVICUS
INGEWIJDE IN DE ASTRONAUTICA VAN HET ONZICHTBARE
(Fragmenten)

Nu
aanwezig en voor het leven
in deze show met een enkel lichtend en convergerend punt
vindt Ludovicus de vergelijking van het toeval
vertaalt haar
plaatst zijn oog in het oog van het universum
en beide zoenen elkaar met het onomkeerbaar besef van het mysterie

Ludovicus in volmaakte meditatiehouding
opent zijn lichtend oog en het hele universum gaat er doorheen
een enkele trilling, een enkele klank
dan verschijnt de onafgebroken geheime zeegang

Ik zie een diepe omloop van zeevogel
het regent munten van doorzichtige en nog fluviatiele suiker
de tijd smelt tot hendeltjes van bloembladen
lente, liefde, alle sporen
gebeuren hier tussen het loof van open blaren
boven de woestijn en de holten van de stenen
draagt de beschonken atlas vlechten van duizendjarige druif
aan de wereldsokkel bevestigd

Alle beelden zijn één beeld
ik kan hier zijn en ginder
en nergens mijn gelaat herkennen
Ik leef in door de tijd geteisterde steen
in de schors van de duizendjarige boom ben ik zelfs meer mens
atoom, evolutie, licht, energievelden
ik richt me tot het zwervende dier
tot de vogels en hun verborgen nesten
ik ben het en in mij krijgen de dingen zin
O, wereldgenie, schoonheid
ieder ding omstrengelt de liefde van het universum en vliegt
en zo wordt het luchtig en dromerig
heerser over de oncontroleerbare hoogte van het enige
De materie ontbinden!

Ludovicus voelt de overeenkomst met ieder geschapen wezen aan
zijn visioenen zijn een vlammende stip:

Ik zie honingeieren

spiegels van gesmolten ogen in een schitterende straling
koraal van papavers
blinde haaien die zich voortslepen over de zanderige grond van de stranden
In de ongeschonden letter trilt het woord
frequentie van het absolute, een enkele uiting, zuiverheid
Het visioen verbrokkelt
dan zie ik de herfstblaas van de Atlantische walvis
en tot mijn verbijstering komt zwarte droefheid opzetten
een wriemelende toast van een bijenkoningin.


LUDOVICOS
INICIADO EN LA ASTRONAUTICA DE LO INVISIBLE
(Fragmentos)

Ahora
presente e inamovible
en el espectáculo de un solo punto luminoso y convergente
Ludovicos encuentra la ecuación del azar
la traduce
coloca su ojo en el ojo del universo
y ambos se besan en la comprensión irreversible del misterio

Ludovicos en posición de meditación perfecta
abre su ojo luminoso y por él pasa el universo todo
una sola vibración, un solo sonido
aparece entonces la continua marejada secreta

Veo una órbita de ave marítima y profunda
llueven monedas de azúcar transparente y fluvial aun
el tiempo se derrite en manecillas de pétalos
primavera, amor, todos los rastros
suceden aquí entre follajes de hojas abiertas
sobre el desierto y las oquedades de las piedras
trenzas de uva milenaria sujetas al pedestal del mundo
carga el atlas borracho
Veo al hijo irrespetuoso del crepúsculo
trazando los perfiles de una ciencia secreta

Una imagen son todas las imágenes
puedo estar aquí y allá
y en ninguna parte reconocer mi rostro
Vivo en la piedra azotada por el tiempo
en la corteza del árbol milenario ya soy más hombre
átomo, evolución, luz, campos de energía
me dirijo al animal errante
a las aves y sus nidos ocultos
soy yo y en mí las cosas adquieren sentido
Oh, genio del mundo, belleza
cada cosa se enlaza al amor del universo y vuela
y así se es aéreo y soñador
dueño de la altura incontrolable de lo único
¡Disolver la materia!

Ludovicos intuye el acuerdo de todo ser creado
sus visiones son un punto llameante:

Veo huevos de miel

espejos de ojos derretidos en un fulgor espléndido
coral de amapolas
tiburones ciegos arrastrándose en el arenal de las playas
En la letra incólume vibra la palabra
frecuencia de lo absoluto, una sola manifestación, pureza
La visión se fragmenta
entonces veo la vejiga otoñal de la ballena atlántica
y acuden a mi estupor tristezas negras
un hormigueante brindis de abeja reina.


Marcelo Rioseco
Vertaling Fa Claes

20-4-08

Leo Lobos

Leo Lobos

Leo Lobos (Santiago de Chile, 1966) is dichter, vertaler en visueel kunstenaar. Hij studeerde Spaans, filosofie, bibliotheekwezen en communicatie. Zijn bekendste werken zijn: Cartas de más abajo (1992), +Poesía (1995), Ángeles eléctricos (1997), Nueva York en un poeta (2000), Marnay (2003), Devagar (2003), Turbosílabas. Poesía Reunida (1986-2003), en Un sin nombre (2006). Hij is activist voor de mensenrechten en het milieu en is lid van de CODEJU (Comisión Chilena Pro-Derechos Juveniles). Hij vertaalde en illustreerde werk van Braziliaanse auteurs, onder andere Roberto Piva, Claudio Willer, Helena Ortiz, Tarso de Melo, Tanussi Cardoso, Hilda Hilst en Claudio Aguiar. In 2006 was hij co-producer van de documentaire HILDA HILST. Casa do sol Viva in DVD-formaat, samen met de Braziliaanse dichteres Cristiane Grando. (Fa Claes)

"op onontwarbare manier
gaan in de poëzie
inspiratie en berekening samen"

Octavio Paz

"En ik zing en ik zing”
Vinicius de Moraes

POËZIE

ik zal toelaten dat in mij
het ritme sterft
het gebaar
de stem
dit nieuwe mysterie
deze scherpe hekserij
bestaan
meer, meer en meer
redeloosheid om te schrijven

ik zal toelaten dat in mij
deze aanwezigheid sterft
de zee, de hemel die ik ken
de wind met zijn vogels
deze stenen toren
dit veld met witte wolken
die zich uitstrekken
onder
de vlucht
van een eenzaam voorrecht


"en la poesía se combinan,
de manera inextricable,
la inspiración y el cálculo"

Octavio Paz

"E cantei e cantei"
Vinicius de Moraes

POESÍA

dejaré que muera en mí
el ritmo
el gesto
la voz
este nuevo misterio
este agudo sortilegio
existencia
más, más y más
sinrazón para escribir

dejaré que muera en mí
esta presencia
el mar, el cielo que conozco
el viento con sus aves
esta torre de piedra
este campo de nubes blancas
que se extienden
bajo
el vuelo
de un solitario privilegio


VINGERSCHRIFT OP DE PLAYA DEL FRANCÉS GEVONDEN

Op zoek naar toeristen om het vitale verlies te overleven
leren de kinderen op de Playa del Francés
ver van school
nieuwe talen en gewoontes

twee, drie, vijf kwartjes moeten ze meebrengen
naar hun vaderzonen als een dagelijkse
bijdrage voor het middagmaal

dan

gaan en komen ze door het zand
zoals allen, ze worden nat en lachen
onder rondtrekkende venters
en blinde badgasten die ons begeleiden en leiden

ze zijn

reddingsplanken

in
deze
onze
eigen
schipbreuk


DIGITOSCRITO ENCONTRADO EN LA PLAYA DEL FRANCÉS

en busca de turistas para sobrevivir a la pérdida vital
los niños de la playa del francés alejados de la escuela
aprenden
idiomas y costumbres nuevas

dos, tres, cinco reales deben llevar
a sus padres-hijos como una cuota
diaria para el almuerzo

entonces

van y vienen en la arena
como todos, se mojan y ríen
entre vendedores ambulantes
y bañistas ciegos nos acompañan y guían

son

tablas de salvación

en
éste
nuestro
propio
naufragio


"Het leven is bruggen bouwen over stromen die voorbijgaan"
Gottfried Benn

EXCUUS VOOR EEN IRREËEL SCHAAP

vergeef me schaap
maar de woorden
verhuizen
een voor een
naar het grote boek

ook sterven ze zoals
wij
beetje bij beetje
zoals de mens
die je onzichtbare wol knipt
en die onvermoeibaar elke nacht weeft
om
zijn
fantasieën
te koesteren


"La vida es construir puentes sobre corrientes, que pasan"
Gottfried Benn

DISCULPA PARA UNA OVEJA IRREAL

perdóname oveja
pero las palabras
transmigran
una a una
al gran libro

mueren como nosotros
también
gota a gota
como el hombre
que corta tu lana invisible
y que cada noche teje incansablemente
para
abrigar
sus
fantasías


WOORDEN VAN VERSCHILLENDE KUDDEN

eerst
verloor hij het woord hand
de landkaart
de richting
de wind
daarna verloor hij het zwart en het rood
het blauw, het groen
het geel
de wolken van as
en al de tijd van de wereld
woorden
van verschillende kudden
kwamen elkaar tegen
bij deze zonnestand
in
het
midden
van
een
heldere
nevel

voor hem was
alles een
buitenlandse stad


PALABRAS DE REBAÑOS DIFERENTES

primero
perdió la palabra mano
el mapa
la dirección
el viento
luego perdió el negro y el rojo
el azul, el verde
el amarillo
las nubes de ceniza
y todo el tiempo del mundo
palabras
de rebaños diferentes
se encontraban
a esa altura del sol
en
el
centro
de
una
niebla
luminosa

para él todo
era ciudad
extranjera


DRIE VROUWEN, EEN PIANO, EEN KAT EN EEN STORM

voor Alexandra Keim

Het is moeilijk om een vogel te zijn
en tegen de storm in over het litteken
van de Aarde te vliegen
beter is het om als een kat altijd
bedacht te zijn op de gloeiende kolen
dicht bij de schouw
en om te luisteren
altijd bedachtzaam te luisteren
naar drie verschillende talen die
een taal spreken die terzelfder tijd boeiend
terzelfder tijd mysterieus en gekend is
om te horen en te lopen in hun muziek
in hun klaartes en eigen
en universele schaduwen
om te fotograferen
slechts gedurende een seconde
met de blik hun profielen te fotograferen
indien mogelijk
te drijven
binnen
in de kamer
gelijk
een vogel
in
de
storm


TRES MUJERES, UN PIANO, UN GATO,
Y UNA TORMENTA

a Alexandra Keim

Es difícil ser un pájaro
y volar contra la tormenta sobre
la cicatriz de la Tierra
mejor es como un gato estar
siempre atento a las brasas
cerca de la chimenea
y escuchar
siempre atento escuchar
a tres lenguas diferentes hablar
un idioma a la vez fascinante
a la vez misterioso y conocido
oír e ir en su música
en sus luces y propias
y universales sombras
fotografiar
por tan solo un segundo
fotografiar con la mirada sus perfiles
de ser posible
flotar
dentro
de la sala
como
un pájaro
en
la
tormenta


EEN BEZOEK AAN HET ZOÖLOGISCHE SPOOK

"Vrij van ziekte zelfs midden in de ziekte"
Yagyu Munenori

Ik heb zoveel hondenpoep gezien
in de straten van Parijs dat ik voorzichtig
moet lopen in de nacht
het is me dan alsof ik spoken
van jongens en meisjes meen te horen
lachen in de rij voor de ingang van
de zoo die hier voor hen oprijst:
een stoet witte olifanten steekt
het plein van het Louvre over terwijl ze
de draak steken met kunstwerken en overblijfselen
van buitenaardse archeologieën, giraffen
rennen over de Champs-Elysées die
de kerstverlichting opeten die aan de bomen
groeit, walvissen, dolfijnen,
wilde eenden zwemmen op de Seine
en slikken verrast toeristen binnen
die flashes ontsteken in hun neusgaten
leeuwen copuleren hongerig
over de daken gelijk kristallen
relikwieën van een ophanden zijnde stad...
Dronken nijlpaarden komen klem te zitten in haar
kronkelige straten, in haar triomfbogen,
in haar beroemde toren...
Verwarde galerijhouders
rennen achter vrijlopende carrousel-
paarden die in hun flank een gouden ster
dragen gegraveerd...
Zwermen tropische vogels bedekken de maan
met plasticpluimen die
modieus geklede beren wegblazen
met nucleaire ventilators vanaf
wereldbollen die afwisselend omhoog-
en omlaaggaan langs onzichtbare trappen
die blinde arenden meebrengen
vanaf Notre Dame...

Wolkenklokken beladen met
menselijke parfums regenen
aan het einde van de nacht
over de zoo van bloed en
in de ogen van een kat wordt alles
wijselijk
zonlicht
en Parijs
Parijs
is
een ander ding.


UNA VISITA AL ZOOLÓGICO FANTASMA

"Libre de la enfermedad aun en medio de la enfermedad"
Yagyu Munenori

He visto tanta mierda de perro
en las calles de París que debo
caminar con cuidado en la noche
es cuando me parece entonces
escuchar a niños y niñas fantasmas
reír en la fila a la entrada del
zoológico que para ellos aquí se levanta:
un desfile de elefantes blancos cruza
la plaza del Louvre haciendo
malabares con obras de arte y restos
de arqueologías extraterrestres, jirafas
corren por los Campos Elíseos comiendo
las luces navideñas que crecen en
sus árboles, ballenas, delfines,
patos salvajes nadan por el Sena
tragando turistas desprevenidos
que encienden flashes en sus narices
leones copulan hambrientos
sobre los tejados como reliquias
de cristal de una ciudad inminente...
Hipopótamos ebrios se atascan en sus
calles serpenteantes, en sus arcos triunfales,
en su torre famosa...
Galeristas confusos
corren tras caballos libres de
carrusel que llevan grabada una estrella
de oro en su flanco...
Bandadas de aves tropicales cubren la luna
de plumas de plástico que
osos vestidos a la moda soplan
con ventiladores nucleares desde
globos que intermitentes suben
y bajan por escaleras invisibles
que águilas ciegas traen
desde Notre Dame...

Campanas-nubes cargadas de
perfumes humanos llueven
al final de esta noche sobre
el zoológico de plasma y todo
vuelve en los ojos de un gato
sabiamente
a ser luz solar
y París
París
es
otro día.


Leo Lobos
Vertaling Fa Claes

13-4-08

Michalis Pasiardis

De Cypriotische dichter Michalis Pasiardis (1941) werd geboren in Tseri. Hij maakte culturele programma’s voor de Cypriotische radio en publiceerde zestien dichtbundels, waarvan de eerste, Piïmata in 1962 uitkwam. Zijn recentste bundel, Tetrasticha, verscheen in 1999. De gedichten 'Vermist' en 'Het voorjaar' komen uit O dromos tis piïsis B’ (1976). 'Lidrastraat' werd gekozen uit Pente kykli (1981). Voor zijn bundels Dia-stásis (1972) en Párodos (1983) ontving hij de Cypriotische Staatsprijs voor poëzie. (Kees Klok)


  Lidrastraat

           I

Lidrastraat
lange straat
eenrichtingstraat
die nergens heen leidt
of
beter

naar de groene lijn.

           II

Ik zal deze straat nemen
die nergens heen
leidt
of
die andere tijden

doet terugkeren!

           III

Straat
met je oude
demonstraties
de moorden
in je zijstraten

de vrijheid
waarover we alleen maar lazen
in de kranten.

           IV

Deze straat
die zich heeft opgerold
als een slang

en ons giftig
in de hiel
beet.

           V (1963)

Mijn oude mitraillist
in de
Lidrastraat

die rende om op tijd te zijn

waarvoor?

           VI

De groene lijn
doorsnijdt je
de groene lijn
verwondt je;

en het gescheurde
overhemd
van de gesneuvelde landgenoot.

           VII

Nu delen meisjes
water rond
aan wie geen dorst hebben

nu delen ze
glimlachen uit
aan wie onverschillig
voorbijlopen.


  Vermist

Dromen blijven dromen,
maar jij niet,
in de hoek hangt nog steeds je warmte,
voor de spiegel ligt nog je kam
met een pluk van je haar,
onze deur wacht ’s middags
op jouw schaduw die verkoeling zoekt,
ik heb, als altijd, het eten klaar
en het raam voor je openstaan.
Dromen blijven dromen,
maar jij niet,
daarom schrik ik ’s nachts wakker en huil
omdat jij in de droom voorkomt
en ik je niet kan vinden.

Daarom schrik ik ’s nachts wakker en huil...

(Dat zei de vrouw in haar monoloog;
een meisje van tweeëntwintig dat dag en nacht
wacht op de terugkeer van haar man.)


  Het voorjaar

Het voorjaar - dat opfladderde in de droom
en in het water tot bloei kwam
zoals een bloem in een vaas.
Het voorjaar - met zijn zwarte wortels
in de grond van onze vaderen.


Michalis Pasiardis
Vertaling: Stella Timonidou & Kees Klok

6-4-08

Charis Vlavianós

Vlavianos

De Griekse dichter Charis Vlavianós (Rome, 1957) is hoofdredacteur van het toonaangevende literaire tijdschrift Poiisi. Hij studeerde economie en filosofie te Bristol en politieke wetenschappen en geschiedenis in Oxford, waar hij ook promoveerde. Hij was in 2000 te gast op Poetry International in Rotterdam. Naast dichter is hij vertaler van onder andere Walt Whitman, John Ashberry en Zbigniew Herbert. Onlangs verscheen bij uitgeverij Ta Grammata in Groningen Na het einde van de schoonheid, een uitgebreide keuze uit zijn poëzie, vertaald en ingeleid door Hero Hokwerda. De onderstaande gedichten zijn afkomstig uit deze publicatie. (Kees Klok)


        BIECHT

De dood
vliegt laag over haar bed.
Zelf kan ze hem niet meer zien.
Maar de vrouw die haar bijstaat ziet hem
en slaat haar ogen neer.
Ze zijn alleen in de kamer.

De vrouw buigt zich over het gezicht,
om de adem te voelen, zich te vergewissen.
Met een vers watje
bevochtigt ze telkens de bleke lippen.

Alles is voorbij.
Maar de vrouw blijft
- zolang ze nog niet weg hoeft
van de drukbezette verpleegsters -
haar hun geliefde sprookje vertellen
(over het knappe meisje enz.
dat na jarenlange omzwervingen enz.
ten slotte beland is in de krachtige omhelzing enz. enz.),
ze blijft,
met weglating- het is ook al over middernacht, trouwens –
van alle vreselijke episodes
(maar die wel een zekere zin verlenen
aan de wanhopige smeekbeden van de heldin),
ze blijft
met dezelfde vaste, lieve stem
haar in het oor fluisteren
(hoe vaak eigenlijk nog?)
het enige verhaal dat ze kent,
het enige verhaal dat ze kan vertellen;

als een moeder die haar kleine dochter in slaap probeert te sussen
- haar kleine dode moeder.


        ROOD/ZWART

Ik ben het kind
dat thuis in de keuken
zijn ouders ruzie ziet maken,
hoe de vader de moeder een klap geeft
en de moeder de watermeloen van het marmeren aanrecht grijpt
en met kracht op de grond smijt,
en hoe die in tweeën splijt
en het sap over de witte tegeltjes loopt.

Ik ben de man
die terugdenkt aan die hete augustusdag,
terugdenkt aan de blik van de moeder
op het ogenblik dat de vader zijn hand hief,
terugdenkt aan haar rood aangelopen gezicht,
de plof, het gesnik, het geschreeuw, het gedreig,
die terugdenkt en - met het potlood van het kind
dat geen weet had, geen weet zou kunnen hebben
van het goedkope melodrama waarin het weldra
de hoofdrol zou spelen - schrijft:

            Bolronde Boeddha
            in lotuszit op tafel.
            Bolronde Boeddha
            in stukken op de grond.
            Ik eet de glimlach op,
            en spuug de tanden uit.


        FIN DE SIÈCLE, MAL DE SIÈCLE

                                    Alle dichters zijn joden
                                    Marina Tsvetajeva, 'Gedicht van het einde'

'Ik ben te jong geboren
in een wereld die al oud was,'
schrijf ik op mijn beurt
terwijl ook ik afscheid neem
van mijn eigen verlamde eeuw
die zich nu ten einde sleept.
Onder haar barbaarse Pompeji's
(Theresienstadt, Treblinka, Timisoara),
naast de verbrijzelde schedels van andersgezinden,
liggen de hoge filosofenladders begraven,
de zonnige dichterwroegingen.

Ik weet dat het lichaam ongeduldig is,
dat het brein tevergeefs tracht
te ontsnappen uit dit kleurloos,
ondeelbaar heden.
Dat de hete tranen der poésie
opdrogen voor ze zich goed en wel hebben gevormd.

                    Maar ik heb liefgehad,
ben liefgehad.

Bij me heb ik jullie,
de lichtende gezichten van mijn leven.
Ik heb geen behoefte aan meer melodramatische stappen,
vriendschapseden,
loopgraafbekentenissen.
Vanaf dit vaste punt
dat ik tot standpunt verkozen heb,
zal ik zien hoe de nieuwe messlassen ten hemel stijgen,
hoe het duister om mij heen zich verdicht.


        TATE GALLERY

                                onder de waakzame blik van R.W.

De trouwe wachter van de kunst
(Indiër uit Bombay,
thans inwoner van Oost-Londen,
die terugverlangt naar de Iron Lady
‘want sorry hoor, maar het land gaat naar de bliksem’)
kijkt vol trots
naar zijn nieuwe witte plastic stappers.
Nu zal hij vrijelijk
de hele dag toezicht kunnen houden
in de grote zaal van de Iste verdieping
zonder haar ook maar enigszins tot last te zijn,
de broze balletdanseres van Monsieur Degas
die op dit ogenblik
een moeilijke pirouette inzet
op zijn strak gewonden tulband.

Voilà!
En dan te bedenken
dat de grote leermeester
(wat hij al niet gedaan heeft voor het gilde
en voor de arme Toulouse),
die vereerder van het vrouwelijk lichaam
dat hij als geen ander bezong,
eens een zeldzame El Greco
gekocht had
- niet (gelukkig niet) de Heilige Petrus -
en daar zijn hele leven geen afstand van deed.
Ja zelfs, zoals zijn nauwste vrienden getuigen,
had hij hem altijd naast zijn smeedijzeren bed
tegen de wand staan,
en wanneer hij ging slapen
koos hij die uit - pas autre! -
om zijn dure broeken overheen te hangen.


        CARNAVALSMAANDAG

Het huidig ogenblik
                                 afgesneden
van zijn onvervalste verleden
                                 afgesneden
van zijn uitgewiste toekomst
(in het besef van zijn innerlijke volheid)
wendt ten slotte zijn transparant gezicht
naar de waarheid.

God
terugverlangend nog
naar de schone dagen van de val
(toen de tweedimensionale eerstgeschapenen
verstrikt in hun noodlottige
tijdloze rol
toekeken hoe de barmhartige Vader
zorgeloos hun ondergang regisseerde)
verlaat zwijgend het toneel.

De ziel
vrij nu
- veelkleurige vlieger
vakkundig uitgebalanceerd –
rijst zegevierend op
                                   ten hemel.


Charis Vlavianós
Vertaling: Hero Hokwerda

23-3-08

Yuri Pérez

Yuri Perez

Yuri Pérez werd in 1966 in San Bernardo, Chili, geboren. Hij is één van de meest representatieve dichters van zijn generatie. Vooral bekend zijn de bundels Mala yerba, Antología registrada, Cumbia en Ceremonia del Cristo blanco. Teksten van hem verschenen in alle belangrijke tijdschriften en bloemlezingen van Chili. Tweemaal werd zijn werk bekroond met de literatuurprijs van zijn geboortestad. Hem werd de studiebeurs van de Neruda-stichting en de studiebeurs Fondart van het Ministerie van Opvoeding toegekend. (Fa Claes)


VAARWEL  MY  LOVE

De dag waarop ik rot zonder het juiste te hebben gezegd
Bij het licht van mausoleumkleurige kaarsen
Zul je mijn pestkeel komen aanraken
Met de droefenis van een mooie weduwe

Je zult mijn naam in je mond willen oppoetsen
En de eeuwige betovering van de dood ontdekken
In de grafkuil waar de doden elkaar ophitsen
Zul je de nieuwe dikte van mijn bloed proberen te raden

Je zult de graven van je verwanten gaan bekijken
Voor wie ik nooit iets betekende
En van wie ik niet meer wist dan dit.

Je zult me zoeken in het gegons van de vliegen
En moe van dat te proberen zul je onder de mooiste
Rozenstruik van de begraafplaats gaan liggen

Vanuit de grond met de hongerige wormen
Zal ik je het mooiste Russische gedicht lezen
Ik zal slapen
En je zult blij zijn dat je me hebt verloren


ADIÓS  MY  LOVE

El día que me pudra sin haber dicho lo justo
A la luz de velas color mausoleo
Vendrás a tocar mi garganta de peste
Con la tristeza de una viuda hermosa

Querrás pulir mi nombre en tu boca
Y descubrir el eterno embrujo de la muerte
En la fosa donde los muertos se excitan
Intentarás adivinar el nuevo espesor de mi sangre

Irás a contemplar las tumbas de tus parientes
A los que nunca importé
Y de los cuales no supe más que eso

Me buscarás entre el zumbido de las moscas
Y te echarás cansada de intentarlo
Bajo el rosal más bello del cementerio

Desde la tierra de gusanos hambrientos
Leeré para ti el mejor poema ruso
Dormiré
Y te alegrarás de haberme perdido

(Uit Cartas del interno)


DRONKEN  SCHRIJF  IK  SLECHTER

Er ontbreken gedichten - ik praat in mijn eentje -
De genialiteit verstopt zich op ieder ogenblik
Mijn uiterste ervaringen met het woord
Zijn liggende koeien, zonder luzerne of mest

Ik heb in mijn taal doornen van rozen
Overjarige bloedkorsten, infecties
Metaforen geplagieerd van symbolistische dichters
Van wie ik sommige troebele vertalingen meezeul

Zoals Martín Vargas zijn handschoenen aan de haak hing
Na voor de zesde wereldtitel vlieggewichten te hebben gevochten
Moet ik misschien van het slagveld wegvluchten

Ik dacht dat alles zwart of wit was
Maar hier sta ik zonder het ene te zijn of het andere
Op de rand van een volledige mislukking
Die niets te zien heeft met de initiële fantasie


BORRACHO  ESCRIBO  PEOR

Faltan poemas -comento a solas-
La genialidad se oculta a cada instante
Mis experiencias límites con la palabra
Son vacas echadas, sin alfalfa ni estiércol

Tengo en la lengua espinas de rosas
Costras de sangre añeja, infecciones
Metáforas plagiadas a poetas simbolistas
De los cuales cargo ciertas traducciones turbias

Así como Martín Vargas cuelga los guantes
Tras haber disputado el sexto título mundial de los mosca
Quizá deba huir del campo de batalla

Yo pensé que todo era blanco o negro
Pero heme aquí sin ser lo uno ni lo otro
A la altura de un perfecto desastre
Que nada tiene que ver con la fantasía inicial

(Uit Mala Yerba)


DESKTOP  PUBLISHING

Je zangen zijn een eindeloze oude lap, een paar lieve beesten - je weet het,
      Pérez -
De uitgevers zien in jou niet het talent waar je mee te koop loopt als je je
      bedrinkt
Ten hoogste publiceerden ze kleine gedichten van geringe literaire waarde
in universitaire tijdschriften, in vage bloemlezingen
Je bent verdwaald, alleen, gelijk een slechtgezinde en goddeloze oude vrouw

Overgeleverd aan desktop publishing loop je de trappen van de officiële
      gebouwen op en af
Je piepklein braakliggend imperium, je zwakke triomf
Je komt altijd op je vertrekpunt uit, met verlies van verbazing, geërgerd
Je gaat op de pleinen zitten om de lage kont van magere en blonde vrouwen te
      taxeren

Je slechte gedichten zijn het populairst onder je vrienden, arbeiders, bewakers
Zij bewonderen je eigenaardig gratis schrijverswerk, de schoonheid van de
      vriendschap
Dan keer je naar je saaie oefening terug, bitter, koppig
Je ontdekt het oog van de naaktslak die in alle vroegte naar de wasbak
      terugkeert

Altijd waren er betere generaties dan de jouwe - zeg je tegen jezelf - betere
      treffers
In de onzekere wereld van dichter in mineur zit je te klagen als een verdrietig
      kind
Over de taal, de anafoor, de onnauwkeurigheid van het adjectief, de toon, het
      werkwoord
Zonder uitgever, zonder professionele toekomst in de letteren, zonder vrede en
      zonder geld voor de verlichting


AUTOEDICIÓN

Tus cantos son un infinito trapo viejo, unas dulces bestias –lo sabes, Pérez-
Los editores no ven en ti el talento del que presumes cuando te emborrachas
A lo sumo te han publicado en revistas universitarias, en vagas antologías
Pequeños poemas de escaso valor literario
Estás desorientado, solo, como una anciana malhumorada y atea

Entregado a la autoedición, subes y bajas las escaleras de los edificios públicos
Tu diminuto imperio baldío, tu débil victoria
Siempre terminas en el punto de partida, con pérdida de asombro, molesto
Te sientas en las plazas a tasar el hondo culo de mujeres flacas y rubias

Tus malos poemas son los más populares entre tus amigos, obreros, vigilantes
Ellos admiran tu curioso trabajo de escritor al gratis, la belleza de la amistad
Entonces vuelves a tu tedioso ejercicio, amargo, tieso
Descubres el ojo de la babosa que regresa de madrugada al lavamanos

Siempre hubo mejores generaciones que la tuya -te dices- mayores aciertos
En el precario mundo de poeta de tono menor te lamentas, como niño triste
Del lenguaje, de la anáfora, de la imprecisión del adjetivo, del tono, del verbo
Sin editor, sin futuro profesional en las letras, sin paz ni plata para la luz

(Uit Cumbia)


MAGERE  VROUWEN

Je vindt het leuk om de lage kont van de mageren te beloeren
Om in die kruik de vreemde Europese erfenis te ontdekken
Er zit iets ziekelijks in deze derdewereldse fixatie
Een uitputtend werk, aangenaam, poëtisch, verdorven

Een bank wordt overvallen, een motorrijder botst tegen een bakkerswinkel
De verkoopster van chuchufli’s huilt, een bus davert,
De Republiek brandt
Maar jij interesseert je voor het beloeren van de mageren hun kont

In de rij voor de apotheken, bij het trappen klimmen, in de kiosken
Achter de winkelruiten van de lingeriezaken, in de klinieken
In de krottenwijken
verstrekt de kont van de mageren een beetje licht van goedheid aan de
      omgeving

Dan springen de stenen van het ene gebouw naar het andere
De auto’s laten hun stofschoenen stoppen voor de secretariaten
De bedelaars vluchten met hun orthopedische benen
Dan bekrachtig je de geldigheid van de zonde


FLACAS

Te gusta observar el hondo culo de las flacas
Descubrir en esa vasija la extraña herencia europea
Hay algo enfermo en esa fijación tercermundista
Un trabajo agotador, dulce, poético, malvado

Asaltan un banco, choca una motocicleta contra una panadería
Llora la vendedora de cuchuflíes, patea una guagua
Arde la República
Pero a ti te importa observar el culo de las flacas

En la cola de las farmacias, subiendo las escaleras, en los kioscos
Detrás de las vitrinas de las lencerías, en los hospitales
En las barracas
El culo de las flacas otorga al ambiente una pequeña luz de bondad

Entonces las piedras saltan de un edificio a otro
Los automóviles detienen sus zapatos de polvo frente a las comisarías
Los mendigos huyen con sus piernas ortopédicas
Entonces ratificas la vigencia del pecado

(Uit Cumbia)


EERSTE  TUIN

Ik vertrek gelukkig en ontredderd
In jou was ik de slechtste worm uit de rivier
Ik verwedde de ouderloosheid van het hart, koe en bries
Op de fatale vampierzangen in de populieren

Ik ken je naam en het fatale risico van je bloed
Onze kwade zoen spuwde tussen wilde violieren
Geluk en ongeluk
Daarom verheug ik me onder deze schrikbarende storm

Ik ben in jou tot de onoverkomelijke regen van de dolk
Anderen dan ik of betere bloembladen van zieke zoetheid
Zullen je taille verheffen onder gieren en papavers
En zullen hun verse urine achterlaten onder de nissen van je patio.

Alleen ik heb je bemind met onvermoeibare droefheid
De razernij van de rijm op de maan uitgestrooid op het gezicht van de dood
De ton met bloed die de mug meesleept tot aan het graf
Veroordelen mij tot de brandstapel en tot de dodelijke verveling van de
      bruggen

Ik ben de onomkoopbare Yuri Richard, je ruggengraat van as en zout
Kom in dit gedicht als een vinger sneeuw op het water
Kom naar het stof van de tuin, naar het ijs van het dorp
Zoals een dichter binnengaat in de ongenade van de taal


PRIMER  JARDÍN

Me voy feliz y desquiciado
Fui en ti el peor de los gusanos del río
Aposté la orfandad del corazón, vaca y brisa
A los fatales cantos de los vampiros en los álamos

Sé tu nombre y el riesgo fatal de tu sangre
Nuestro beso malo escupió entre alhelíes bárbaros
Dicha y desgracia
Por eso me alegro bajo esta horrorosa tormenta

Estoy en ti hasta la inevitable lluvia del puñal
Otros como yo o mejores pétalos de dulzura enferma
Levantarán tu cintura entre buitres y amapolas
Y dejarán bajo los nichos la orina fresca de tu patio

Sólo yo te he amado con infatigable tristeza
La furia de la escarcha sobre la luna echada en la faz de la muerte
El tonel de sangre que arrastra el mosquito hasta la tumba
Me condenan a la hoguera y al aburrimiento mortal de los puentes

Soy el insobornable Yuri Richard, tu espina de ceniza y sal
Entra en este poema como un dedo de nieve al agua
Ven al polvo del jardín, al hielo del pueblo
Como entra un poeta a la desgracia del lenguaje

(Uit Cumbia)

Yuri Pérez
Vertaling Fa Claes

Zoeken

Colofon

Onder redactie van Chrétien Breukers en Ton van 't Hof. Vaste medewerkers: Fa Claes en Kees Klok. Reacties onder eigen naam of dichterspseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Brakke Verslog

Elders

Google Nieuws