Interviews

9-7-08

Interview met Revisor-redacteur Menno Lievers

Onlangs verscheen een themanummer van de Revisor (2008/2+3) over fictie en non-fictie. Volgens redacteur Menno Lievers zijn er "goede gronden [om] het scherpe onderscheid tussen fictie en non-fictie in ere te herstellen." Daarom ging jullie hoofdredacteur via de digitale post in conclaaf met Lievers. Over het hoe en het wat. Hieronder een verslag.

CB: Wat mij in de eerste plaats opvalt (uiteraard, want het staat op de eerste bladzijde) is de inzet van het redactioneel: "'Woorden zijn de vijanden van de schrijver', beweerde de Iraans-Franse toneelschrijfster Yasmina Reza een tijdje geleden, in een interview in NRC Handelsblad (4 april 2008). 'Een schrijver liegt voortdurend, hij knoeit, hij vervalst. Maar dat doet hij met moraal, met ethiek.'"

Is dat niet een tikkeltje zwaar op de hand? Of beter, is dit niet een cliché, dat nog eens flink erin wordt geramd met die laatste zin, over moraal en ethiek. Ik weet dat het nummer andere teksten, met een ander uitgangspunt bevat, maar waarom dit begin?

ML: In de tweede alinea wordt dit citaat meteen gerelativeerd. De bedoeling is het onderscheid tussen fictie (niet waar, dus in zekere zin liegen) en non-fictie (waar) scherp te accentueren, waarna in het vervolg van het voorwoord eerst wordt beschreven hoe dit onderscheid tegenwoordig in twijfel wordt getrokken, en vervolgens wordt gesteld dat er goede gronden zijn het scherpe onderscheid tussen fictie en non-fictie in ere te herstellen.

Overigens proef ik uit je vraagstelling dat je het voorwoord leest als een soort programmaverklaring. Die rol heeft het voorwoord bij ons niet; het is meer bedoeld als een prikkelende introductie tot het nummer, en het thema daarvan, indien het desbetreffende nummer een thema heeft.

CB: Is het misschien zo dat het onderscheid tussen fictie(leugen) en non-fictie (waarheid) niet zozeer een genrekwestie is, maar eerder een vraag die te maken heeft met de leeshouding die de huidige lezer wil aannemen?

ML: Ten aanzien van fictie mag de lezer iedere houding aannemen die hij of zij wil. Maar als een boek gecategoriseerd wordt als non-fictie, mag/moet de lezer verwachten dat het waar is wat hij of zij leest.

CB: De redactie geeft dit zelf min of meer aan in deze zin: "Wat de redactie in dit dubbelnummer wil onderzoeken is de vraag in welk stadium we inmiddels zijn beland: is er nog een onderscheid tussen fictie en non-fictie, nu steeds vaker waar gebeurde levens in romanvorm worden gegoten en kritiek op oninteressante passages worden weersproken met de woorden 'maar zo is het echt gebeurd'."

ML: Hier raken we aan een kwestie waar 'De Revisor' zich al lang mee bezig houdt: realisme versus verbeeldingskracht. Het is geen garantie voor de kwaliteit van de roman dat de daarin beschreven gebeurtenissen echt gebeurd zijn. Dit is een open deur, maar waar het in deze opmerking om draait is dat er bepaalde ontwikkelingen binnen de Nederlandse fictieliteratuur zijn die er op lijken te duiden dat het onderscheid tussen fictie en non-fictie minder duidelijk zijn. Daar verzetten we ons tegen.

CB: En daar ben ik voor. Voor dat verzet, bedoel ik. Echt gebeurd is geen excuus, zoals Reve al zei. Is het trouwens niet zo, als ik even voor advocaat van de duivel mag spelen, dat je een grofmazig onderscheid kunt maken tussen auteurs die wel eens nadenken over hun werk en auteurs die dat niet doen? De eerste categorie zal, door middel van reflectie op het eigen werk, wel eens nadenken over vorm en aard van de tekst die wordt geproduceerd, de tweede categorie, nu ja, dat is de tweede categorie.

ML: Daar heb je denk ik, helemaal gelijk in. Er is een nieuw genre literatuur ontstaan 'lichte literatuur'. De beoefenaars van dat genre zijn niet bezig met de plaatsing van hun werk tegen de achtergrond van de geschiedenis van de literatuur. Ze schrijven maar zo'n beetje.

CB: De Revisor heeft ooit ruim baan gegeven aan het – terecht – klassieke essay van P.F. Thomése, De autobiografische samenzwering. Literaire bladen kunnen meer ruimte geven aan zorgvuldigheid, of aan werken van verbeelding – jullie doen dat bijvoorbeeld door veel ruimt aan A.F. Th. Van der Heijden te geven. Er zijn ook andere houdingen denkbaar. Als ik, en ik noem maar eens een voorbeeld, Joe Speedboot lees, wat ik onlangs gedaan heb, dan vraag ik me al lezend af wat een groot aantal recensenten toch bezield heeft om dat boek zo juichend te bespreken. Tegen het eind wordt het weliswaar beter, maar zeker de eerste 150 blz. zijn rommelig, slecht of matig geschreven, etc... Ik zou wel eens een artikel van iemand willen lezen die het boek echt bespreekt, en niet alleen ‘in de markt zet’.

ML: Toen de huidige redactie in oktober 2000 aantrad, zette zij zich inderdaad af tegen bijvoorbeeld het autobiografisch realisme, alsof dat soort literatuur niet zou mogen. Inmiddels ben ik althans daar wat anders over gaan denken. Laat verschillende vormen van literatuur maar naast elkaar bestaan. In de filosofie bestaat er 'the argument from best explanation': je hebt pas echt een positie verworpen, indien je zelf met een betere verklaring voor het probleem komt. Iets dergelijks geldt misschien ook in de literatuur: je moet vooral zelf laten zien wat goede literatuur is.

Je schrijft 'ruimte geven aan zorgvuldigheid': daar zit een fundamenteel probleem. Die ruimte geven we wel, maar we zijn aangewezen op slechts een zeer kleine pool van kwalitatief hoogstaande auteurs die ook nog eens moeten zien te overleven in een steeds commerciëler wordend literair klimaat. Die moet je overhalen om voor je blad tegen een door de overheid vastgesteld laag tarief te schrijven, in plaats van bijv. voor de krant, die per woord vier à vijf keer zoveel betaalt.

Overigens hebben we, omdat we ook het gemis aan 'echte besprekingen' voelen, de rubriek 'Het maaiveld' in het leven geroepen, waarin boeken die dat volgens de redactie verdienen uitgebreid besproken worden: in dit nummer Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers door Arnold Heumakers en Lucifer van Connie Palmen door Manon Uphoff

CB: Hier wil ik even, ja hoor, met een Bourdieu-achtige opmerking komen: zou het niet zo moeten zijn dat bladen de medewerkers zoveel cultureel kapitaal verschaft, dat zij dat elders – en gemakkelijker – te gelde kunnen maken?

ML: De waarde van cultureel kapitaal is in onze maatschappij sterk verminderd. Ik zie dat ook op de universiteit, waar de waarde van opleidingen wordt afgemeten aan het aantal studenten dat de studierichting aantrekt, waar het Academiegebouw wordt uitgebaat door een cateraar en de idee dat een universitaire opleiding ook een intrinsieke waarde heeft verdwenen is. Dat geldt ook voor de literaire wereld. Ooit behoorde het tot het zelfbeeld van een literaire uitgever dat hij (we spreken over het verleden, dus geen 'of zij') poëziebundels uitbracht en een eigen letterkundig tijdschrift. Nu moet een tijdschrift zich bewijzen en is er een wachtrij voor de uitgave van dichtbundels. Verkoopcijfers lijken tegenwoordig ook deel uit te maken van 'cultureel' kapitaal. Voor zover letterkundige tijdschriften cultureel kapitaal kunnen bieden is dat zo gering dat het eigenlijk alleen aantrekkelijk is voor auteurs die (nog) helemaal geen (cultureel) kapitaal hebben: debutanten die niet rechtstreeks de weg naar de uitgeverijen weten te vinden; onbekendere auteurs die niet de ruimte krijgen op andere fora. Interessant in dit verband is overigens dat we veel ongevraagde inzendingen binnenkrijgen van vooral dichters die op internet publiceren. Blijkbaar verschaft een papieren publicatie nog steeds meer cultureel kapitaal, of wordt dat zo gepercipieerd.

CB: Neemt de redactie – en ik bedoel dit in het geheel niet cynisch, of ironisch – een moralistisch standpunt in ten opzichte van literatuur.

ML: Ja, daarin heb je gelijk. Literatuur is ons heilig - uiteraard in het volle besef van de vooronderstellingen van die uitspraak (wat is literatuur? wat is heilig?) Ik kan wel zeggen dat de redactie een tamelijk elitair standpunt inneemt over wat 'literatuur' is - hetgeen iets heel anders is dan een elitair standpunt innemen over wie literatoren zijn.

CB: Terzijde: behoren fictie en non-fictie beide tot het domein van de literatuur?

ML: Nou, 'terzijde'... Dat is de cruciale vraag voor dit nummer! Naar mijn mening behoort non-fictie slechts in uitzonderingsgevallen tot de literatuur. Maar de rechtvaardiging van die mening is uitermate lastig te geven. Zijn we in de val van een marketingstrategie gevallen of bestaat er echt literaire non-fictie?

CB: Dat vind ik een boeiende vraag. Je zou sommige boeken van Capote literaire non-fictie kunnen noemen. Toch? Of Kapuczynski, soms (De Keizer is een verslag van de nadagen van Haile Selassi, maar het is ook literatuur...) Is de vraag of een tekst literair is dan toch alleen een kwestie van stijl?

ML: Relevant hier is het boek van Vogelaar over kampliteratuur. Misschien dat we daar nog een keer een themanummer aan wijden. Verhalen over kampbelevenissen is een vorm van ultrarealisme. En toch kun je je met Vogelaar de vraag stellen 'Wat maakt dit boek tot een ontroerend egodocument en dat tot echte literatuur?' Daaruit blijkt dat stijl zeker belangrijk is, maar niet alles bepalend; ook de beheersing van de auteur over de feiten.

CB: Met Vogelaar haal je een apart geval aan. Hij is iemand die ik eerder een politicus dan een schrijver zou willen noemen. Als hij een 'ontroerend egodocument' alleen dan kan waarderen, als het 'echte literatuur' is, creëert hij volgens mij – en misschien wel expres – een welles-nietes waar alleen ellendig leesvoer van kan komen – het oeuvre van Vogelaar zelf. Vogelaar vind ik vaak een onproductieve schrijver – iemand die zich vastklampt aan de status die hij als schrijver heeft, in kleine kring, en niet aan zijn schriftuur.

ML: Dat ben ik niet met je eens. De inzet van dat boek van Vogelaar lijkt mij dat hij grip wil krijgen op realisme in de literatuur. Dat zou het thema van dat nummer zijn

CB: Tsja... Hoe dan ook: dank voor dit interview en gefeliciteerd met het fraaie nummer van jullie blad!

23-3-08

Interview met Geert Buelens over Oneigenlijk gebruik

Onlangs verscheen Geert Buelens essaybundel Oneigenlijk gebruik. In dat boek formuleert hij antwoorden op 'een oude, maar nog steeds belangrijke vraag: wat betekent poëzie?' Daartoe onderzoekt hij ook teksten die niet meteen door iedereen tot het domein van de poëzie worden gerekend, zoals liedteksten en gedichten die door politici zijn geschreven. De Contrabas vroeg zich af: wat dreef Buelens om zijn boek te schrijven?

GB: Wat ik tracht te zeggen in het boek is dat onze visie op poëzie de afgelopen decennia erg is versmald. Concreet: versmald tot een 'autonoom' domein waaruit bijvoorbeeld politiek veelal is verdwenen. Ik wil dat begrip graag weer wat opentrekken, waardoor dat politieke (maar ook het populaire, zoals in popmuziek) weer binnen kan.

CB: Als dat zo is – en het zou zomaar zo kunnen zijn – dan denk ik toch dat je het wat het tweede (het populaire, de popmuziek) veld betreft er een beetje naast zit: al die pogingen om de muziek, de rap, het weet-ik-veel, ja zelfs het levenslied (Revisornummer) met poëzie te omkleden, – je zou bijna gaan verlangen naar minder populair en minder muzikaal.

GB: Je bedoelt: ik zit er naast met waar ik aandacht voor heb in mijn boek?

CB: Ja.

GB: Dat is dan misschien een kwestie van smaak. Ik wil natuurlijk bepaald niet suggereren dat al die klassieke dichters maar moeten oprotten en we voortaan enkel aandacht moeten besteden aan rappers. Het boek gaat niet toevallig heel uitvoerig in op het werk van dichters als Gezelle, Ter Balkt, Dickinson en Claus. Maar wat is er mis met de taalcreativiteit van De Jeugd van Tegenwoordig of 't Hof van Commerce? Zie je heilloze invloed daarvan op de poëzie-in-boekvorm?

CB: Integendeel, maar ik zie in de taalcreativiteit van genoemde voorbeelden geen poëzie. Ze schrijven leuke teksten, soms heel sterk, maar poëzie? Nee.

GB: Dan is er geen probleem, toch? Jij vindt poëzie wat je poëzie wil vinden. En ik zie het dan misschien net iets ruimer. Maar nogmaals: niet om daarmee vanuit verkeerd begrepen cultuurrelativisme al die dingen van hetzelfde niveau te vinden. Wel omdat ik denk dat er best wel frisse lucht mag binnenwaaien uit onverwachte hoek.

CB: Frisse lucht is altijd goed, zoals mijn oma al zei. In je boek speelt het 'inzetten' van poëzie binnen andere velden dan de poëzie een rol. Vertel eens.

GB: Als ik schrijf dat mensen poëzie altijd inzetten voor iets (om een vrouw te versieren, indruk te maken op schoonmoeders in leesclubs, een oorlog te legitimeren, om wijs en eloquent over te komen)... mijn opsomming suggereert uiteraard niet dat ik al die doelen van dezelfde orde vind… dan chargeer ik maar een heel klein beetje, denk ik. Mijn punt is: ik geloof niet zo in 'autonomie'.

CB:
Is autonomie van een kunstvorm niet iets anders dan autisme? Als een kunstvorm autonoom bestaat en een autonoom gebied vormt, kan die kunstvorm toch ook 'communiceren' buiten het eigen veld. Dat kan ondanks die autonomie, of misschien wel dankzij: omdat het genre een groot zelfbewustzijn heeft, kan het in vele velden 'opereren'.

GB: Dat kan, ja. En gebeurt het ook?

CB: Ja.

GB: Ja. voldoende? Kan beter, vind ik. Autonomie is inderdaad niet hetzelfde als autisme. Maar het risico op autisme bestaat wel. Grote autonomisering leidt veelal tot grote specialisering. Dat geldt voor de wetenschap ook. En dan kom je soms op een punt dat je zo gefocust bent op dat eigen specialisme, dat je nauwelijks nog ziet wat er daarbuiten ook bestaat. En ook in de wetenschap is het dan vaak zo dat belangrijke nieuwe impulsen van buitenaf komen. Anders gezegd: ik wilde graag even signaleren dat je ook naar het genre kunt kijken door er kwesties bij te betrekken die binnen het 'autonome gebied' zelden aandacht krijgen.

Voor mij is de grote traditie van de Westerse poëzie (al te snel samengevat: van Blake en Hölderlin via de grote romantici, Baudelaire, Rimbaud tot de historische avant-garde, Vijftig etc) van cruciaal belang. Maar daarnaast zijn er nog andere tradities (bijvoorbeeld die van de liedzanger, die bijna zonder onderbreken doorloopt vanuit de Middeleeuwen) die me ook interesseren en kunnen inspireren.

CB: In je boek lopen de verschillen tussen 'echte' en 'niet-echte' poëzie door elkaar, als ik het zo mag zeggen. Je doopt songteksten en verkiezingsretoriek, omdat zij gebruik maken van poëtische middelen, tot poëzie. Is dat wel… hoe zeg je dat? Is dat wel nodig?

GB: Als ik jou goed begrijp - door het onderscheid dat je maakt tussen 'techniek' en 'echt poëzie' - geloof jij wel in autonomie. De gedichten van een politicus zijn dan niet 'echt', want niet autonoom, ze gebruiken wel 'de techniek', maar vallen buiten onze esthetische categorieën.

CB: Ik bedoel meer: reclamekreten (Geen gelul / Gebak van Krul) maken gebruik van poëtische technieken, maar zijn nog niet meteen poëzie. Voor gedichten van dictators geldt hetzelfde. Liedteksten zijn het soms (behalve die van Dylan, ja, sorry). Maar poëzie bestaat uit meer dan techniek (én kan inderdaad op vele plekken opduiken of worden ingezet.)

GB: Bij extreme gevallen kun je dat punt inderdaad maken. Maar volgens mij is het nagenoeg onmogelijk om die grens tussen 'echt' en 'techniek' zuiver te trekken. Is het sentiment van de a-politieke Toon Hermans 'echt' of 'techniek'?

CB: Grappige vraag. Ik denk dat hij zijn (en ik geef het knarsetandend toe) niet geringe techniek zo wist te gebruiken, dat hij soms toch poëzie schreef...

GB:
Zijn de overduidelijk in Arabische poëzie-tradities verankerde verzen van Osama 'echt' of 'techniek'?

CB:
Ik ken zijn poëzie niet, maar hoop dat ze alleen op techniek varen.

GB: En waarom 'hoop' je dat? Omdat je de poëzie liever niet geassocieerd ziet met terroristen?

CB: Nee. Niet alleen. Maar omdat ik hoop dat poëzie het niet alléén van 'techniek' hoeft te hebben, dat een 'boodschap' soms onverenigbaar is met poëzie – maar misschien is dat te idealistisch.

GB: Ik zit nu 6 maanden in de Library of Congress onderzoek te doen naar WOI-poëzie. Letterlijk honderdduizenden gedichten zijn er over die oorlog geschreven. Maar wanneer zijn die gedichten 'echt'?

CB: Echt. Is dat als er sprake is van 'techniek + ontroering'? Of van 'techniek + boodschap + ontroering?'

GB: En wie moet er ontroerd worden? Bundels die toen herdruk na herdruk kenden, zijn vandaag veelal vergeten. Toen ontroerden ze meer dan de gedichten die wij vandaag nog bloemlezen. Waren ze dan toen 'echt' en vandaag 'vals'? En waren die andere gedichten toen 'vals' en vandaag 'echt'?

CB: Tijden en smaken kunnen toch veranderen? Net als de inhoud van de begrippen 'echt' en 'vals'?

GB: Die 'boodschap' waar je naar verwijst, hebben ze welhaast allemaal (daar is het ook oorlogspoëzie voor, natuurlijk); die boodschap kan propagandistisch zijn of humanistisch of een combinatie... Ook pacifisme is een vorm van propaganda. Als je politiek onverenigbaar acht met poëzie, dan sluit je nagenoeg het volledige corpus uit, inclusief bijvoorbeeld ook de Italiaanse futuristen.

CB: Dat waren dan vaak ook meer brallers dan dichters, toch? Net zoals Van Ostaijen (met respect) ook zijn bralperiode had.

GB: Vind je Majakovski ook een braller? en Chlebnikov? en Apollinaire?

CB: Van Apollinaire weet ik dat niet. Maar Chlebnikov en Majakovski hebben beiden een bralperiode gehad, lijkt me.

Ik heb nog iets. Is jouw poging om de poëzie de werkelijkheid in te jagen, niet een wat bevreemdende? Wat moet Marc Reugebrink daar wel niet van denken? Is die werkelijkheid daar wel van gediend? Komt de deologische zuiverheid (jij bent ook redacteur van yang geweest, toch?) niet in het geding?

GB: Goh. Ongeveer de helft van dit boek is ooit in Yang verschenen. Het Politbureau had er toen alvast geen bezwaar tegen. Plus (niet dat ik denk dat dit vooroordeel hierdoor weggewerkt kan worden, maar ik probeer het toch maar): zelden heb ik me in mijn leven zo geamuseerd als toen ik in de Yang-redactie zat. Omdat er ontzettend hevig gediscussieerd werd (met andere woorden: dat zgn. stalinistische cenakel is het over nagenoeg niets eens met elkaar), omdat er tussendoor tijdens rookpauzes gevoetbald werd, een redacteur ons zonder intellectuele ironie enthousiast kwam vertellen over de nieuwe single van Britney Spears en er zo veel gelachen werd dat ik nadien veelal uitgeput naar huis ging. Ik zou niet weten welke ideologische zuiverheid yang aanhangt. Behalve dan dat literatuur van belang is in en voor het leven. En in dat opzicht heb ik, hopelijk, een absoluut yang-boek geschreven.

CB: Daar ben ik blij om. Niet dat je antwoord me – inderdaad & helaas – overtuigt. Maar de inzet van je boek is inderdaad enthousiasmerend van aard. Wat me er aan blijft verbazen, is het gemak waarmee allerlei  'grenzen' worden opgeheven: de poëzie moet ineens, na, ook door jou, in de wetenschap en in het gilde te zijn gehouden, de wereld in... zou de poëzie daar wel goed tegenkunnen, of tegen bestand zijn – vraag ik me soms af?

GB: Bedoel je dat de poëzie niet sterk genoeg is? Ik zie poëzie niet als een kasplantje-in-gevaar. Het genre is zo sterk dat het best ook genereus kan zijn. Gedichten zullen in onze cultuur vanzelfsprekend een rol blijven spelen in het prive-bestaan van mensen, heel stil en rustig in een hoekje. En daarnaast functioneert ze op straten en pleinen en op affiches en in kroegen en op slams en andere podia. En het ene zie ik niet als een gevaar voor het andere.

Geert Buelens, Oneigenlijk gebruik, Vantilt, 2008, €19,90

14-1-08

Mark Boog – Gedichtendagbundel & Second Life

Op 31 januari is het Gedichtendag. Mark Boog levert de traditionele 'Gedichtendagbundel'. Een jaarlijks verschijnend boekje met tien nieuwe verzen van een bekende dichter dat voor maar €2,50 in de winkel ligt. Boogs bundel heet Alle dagen zijn van liefde.

CB: Hoe was het, om in opdracht een bundel te vervaardigen?

MB: Dat was nauwelijks anders dan zonder opdracht een bundel vervaardigen, want ik had niet de verplichting om me aan het thema te houden. Het enige verschil met 'gewoon' schrijven is dan de deadline, en deadlines doen me in het algemeen juist goed - ze bestrijden de lamlendigheid effectiever dan ik dat zelf kan.

CB: Je bent iemand die flink doordicht, maar misschien is het idee dat een zo groot publiek kennis neemt van je werk een belemmering?

MB: Het valt wel mee hoor, met dat doordichten. Ik doe heel rustig aan. Bovendien, wat moet je anders? Het grote publiek was geen belemmering. Het is te abstract om over schouders te kijken. Wel kan het een overweging zijn. Het zou misschien geen goed idee geweest zijn om met mijn meest hermetische
verzen ooit te komen. Aan de andere kant: waarom niet?

CB: Voor de opening van Gedichtendag begeef je je zelfs op Second Life, samen met – uiteraard – Ilja Leonard Pfeijffer. Why?

MB: Ach, waarom niet? Zo kom ik daar ook nog eens. Uit mezelf was ik er nooit heen gegaan. Bovendien wordt de muziek van de cd bij mijn laatste boek gebruikt bij mijn 'optreden' in Second Life, en ik wil graag dat die gehoord wordt. Ik denk wel dat het hierbij blijft, want als Second Life, zo is mijn First Impression, twee dingen is, dan traag en saai. (Maar meer dan een eerste indruk is het niet, dat moet ik toegeven, want ik heb de besturing van mijn 'avatar', ook wel 'poppetje' genoemd, meteen overgedragen aan mensen die er verstand van hebben. Ik heb er maar een uurtje zelf doorgebracht en daarin ongeveer niets gedaan.)

CB: Mogen wij een gedicht inzien, alvast?

MB: Bijgesloten het vierde gedicht uit de reeks, dat op deze manier weliswaar de context van de reeks moet missen.

4. De trein is een lange regel...

De trein is een lange regel die zijn rijm
zoekt te ontwijken, die zich proza waant

of zelfs een trein. Maar de velden liggen
in verwondering uiteen, de onverschilligheid
geketend aan hun oppervlak, de lucht

een wijd en blauw verlangen, bijna opgegeven,
elk voorbijgesneld station een verbaasd kind.

Aan het einde wacht het punt. Het ongeloof,
loerend op een kans om groter terug te keren,

zit zich op zijn plastic kuipstoel te verbijten,
vervloekt het achteloze razen, mompelt,

raadpleegt de tabellen in zijn winderige hoofd.

© Mark Boog, 2007

22-12-07

Niets in mij gelooft dat – interview met Liesbeth Eugelink

In Niets in mij gelooft dat geeft Liesbeth Eugelink een beeld van de vele wijzen waarop religie, ondanks het vermeende taboe, aanwezig is in de Nederlandse literatuur. De essays worden afgewisseld met interviews waarin H.M. van den Brink, Ronald Giphart, Rutger Kopland, Doeschka Meijsing, Jan Siebelink, Rosita Steenbeek en Marjoleine de Vos spreken over de manier waarop religie een rol speelde en speelt in hun werk. Nu interviewen wij de schrijver.

CB: Religie is 'in', en dat is aardig, want over religie raak je – net als over voetballen of het weer – nooit uitgesproken. Hoe kwam je op het idee om dit boek te maken?

LE: Tegenwoordig lees je vaak dat religie weer helemaal terug is van weggeweest, in het publieke debat en in de literatuur. Vooral naar aanleiding van het succes van Jan Siebelinks Knielen op een bed violen (2005) wordt die bewering vaak gedaan. Ik stoor(de) mij aan die bewering. Mijns inziens is religie niet terug, maar was het altijd een thema in de Nederlandse letteren. Dat werd alleen, door het taboe op het positieve spreken over religie, niet als zodanig onderkend.

In Niets in mij gelooft dat laat ik zien op welke vele, verschillende manieren religie de afgelopen decennia wel degelijk aan de orde gesteld werd in de letteren. De omvang van het boek, en de veelheid van de onderwerpen die ik aankaart, bewijst het gelijk van die stelling. Dat is natuurlijk een beetje pedant gezegd. Maar mijn boek is wel degelijk relevant in die zin. Het is een (eerste) aanvulling op een lacune in de Nederlandse letterkunde; nog in de laatste literatuurgeschiedenis, die van Hugo Brems, wordt aan de relatie literatuur-religie geen aparte aandacht besteedt. Zoals Jaap Goedegebuure ergens schrijft: er bestaat bij veel beroepscritici een blinde vlek voor de religieuze dimensie van veel literatuur.

CB: Je spreekt in je boek van een 'taboe' dat op het spreken over religie zou hebben geheerst, ongeveer tot de Blijde Inkomst van Otten c.s. Is dit niet een beetje kort door de bocht? Misschien kun je zeggen dat in sommige kringen sommige mensen moeite hadden met het spreken & schrijven over religie...

LE: In Niets in mij gelooft dat spreek ik over het taboe dat op het (positieve) spreken over religie lag. Dat taboe gold voor het intellectuele debat, de literaire kritiek en de literatuur voor zover dat plaatsvond in het literaire machtscentrum. Hoewel het om een, qua omvang, beperkte groep ging (gaat), was dit wel een zeer machtige groep, en dus was het ook een zeer krachtig taboe. Jarenlang mocht religie wel beschimpt en bespot worden, maar als je je positiever, of misschien zelfs alleen maar neutraal uitliet over religie, werd je toch weggehoond, was je ‘dom’. Dat je ook op een intelligente manier over dit onderwerp kon spreken, was volstrekt niet aan de orde. (Een opvatting die haar wortels heeft in de Verlichting, waar elk geloof gelijkgesteld werd aan bijgeloof, en waar een werkelijk intellectueel en onafhankelijk denkend mens zich verre diende te houden van geloof).

Het ging dus inderdaad over een relatief kleine groep, maar wel de groep met de teugels in handen. En de vraag wie de macht heeft, is met het oog op de vraag hoe veel impact dat taboe had, uiteindelijk belangrijker dan de omvang van die groep. Naar analogie van de Franse literatuursocioloog Pierre Bourdieu: het culturele kapitaal van het niet-spreken over religie was in het kritische literatuurdebat veel meer waard dan het (positieve) spreken erover.

CB: Kellendonk, die je aanhaalt, zegt in zijn essays ook een paar keer, dat hij niet kán geloven... schrijft hij dat omdat hij zich aan het taboe ‘houdt’?

LE: Kellendonk was zich vast bewust van het taboe, maar het niet kunnen geloven bij hem had meer betrekking op een bezinning op religie na de dood van God.

Hij liet zich juist niet leiden door het taboe, want hij was een van de weinigen die in de jaren tachtig het woord God in de mond durfde te nemen, en niet alleen op ironische wijze.

In intellectuele zin waren God en geloof, alle Grote Verhalen, afgeschaft, maar daarna kwam de vraag: wat nu? In de woorden van Kellendonk: 'Je kunt de grote woorden wel afschaffen, maar niet het verlangen waarvan ze altijd bestaan hebben.' Het is die positie waar Kellendonk op doordenkt, en waarin hij een levensbeschouwing probeert te formuleren. 

CB: Je wisselt je essays af met schrijversinterviews. Hoe ben je tot de keuze van auteurs gekomen?

LE: Ik heb om te beginnen die schrijvers gekozen van wie ik het werk ken en bewonder. Uiteraard ‘moest’ hun werk ook representatief zijn voor het spreken over religie in een bepaalde periode, en moesten er verschillende geloofssignaturen (protestant/katholiek) en de belevingen daarvan aan bod komen (positief/negatief). Meer specifiek waren mijn overwegingen:

- Bij Rutger Kopland was ik benieuwd of er wellicht sprake was van een herbezinning op het geloof. Hij geeft aan geen positieve associaties te hebben met het geloof, daarvan afscheid genomen te hebben; anderzijds zie je in zijn werk een bepaalde ambivalentie.

- Met Marjoleine de Vos wilde ik graag spreken omdat zij vanaf eind jaren negentig in NRC Handelsblad (!) is gaan schrijven over levensbeschouwelijke vragen, omdat zij een echte zoeker is, de diepte niet schuwt, en in haar zoektocht representatief is voor het zoeken van veel mensen.

- Doeschka Meijsings antwoorden verrasten mij. Op basis van haar werk dacht ik dat zij veel kritischer zou staan ten aanzien van het rooms-katholieke geloof; bij haar zie je echter een heroriëntatie op het geloof, met name op het joodse.

- Van den Brink wilde ik interviewen omdat hij in de Kellendonklezing uit 2004 heel uitgesproken is in zijn opvattingen over wat kunst moet zijn, en omdat daar heel duidelijke katholieke noties in verwerkt zijn (de transsubstantiatieleer), een opvallend geluid in de Nederlandse literatuur.

- Jan Siebelink wilde ik graag interviewen om een beeld te krijgen van zijn houding ten aanzien van de zware geloofsovertuiging van zijn vader, en omdat ik wilde weten welke rol religie speelt in zijn eigen leven.

- Ronald Giphart sprak ik omdat ik ook het jongere, kritische geluid aan bod wilde laten komen. Ik wilde graag horen hoe hij aankijkt tegen het fenomeen religie. Ik vind het interessant om te zien hoe geloofsopvoeding doorwerkt, of niet. Giphart is als kind nooit in contact geweest met geloof, en blijkt daar ook later immuun voor. Zijn antwoord: dat hij als kind zo onder de indruk was van het wetenschappelijke verhaal over de ontstaansgeschiedenis van de aarde, dat het religieuze verhaal niet meer kon wortelen, vind ik ontroerend, en overtuigend.

- Rosita Steenbeek heb ik uitgenodigd, omdat haar werk getuigt van een vanzelfsprekend spreken over religie, en omdat zij zowel het protestantse als het katholieke geloof van binnenuit kent.

CB: Ik vind je (zeer interessante) boek helaas niet overal overtuigend. Bijvoorbeeld waar je Rosita Steenbeek aan het woord laat. Het is allemaal een kwestie van smaak, uiteraard, maar Steenbeeks uitspraken serieus nemen lijkt me de religie als 'zaak' geen goed doen.

Van Rosita Steenbeek kende ik voordat ik haar ging interviewen De laatste vrouw en Intensive Care. Beide integere, autobiografische verhalen verteld zonder opsmuk, waarin religie vanzelfsprekend een thema is.

Steenbeek is Nederlands hervormd opgevoed, een verhaal dat ik zeker in mijn boek wilde hebben (om ook de niet zware variant van het protestantse geloof aan bod te laten komen). Bovendien was ik benieuwd waar zij stond ten opzichte van het katholieke geloof; juist als ingewijde buitenstaander kon zij hier een ander licht op werpen.

Ik denk dat haar werk interessant is, juist vanwege die uitzonderingspositie die ze inneemt in het literaire landschap. Religie heeft in haar werk altijd vanzelfsprekend een rol gespeeld, zonder dat zij hierop is aangevallen.

CB: Literatuur is een zoektocht. Of je voor die zoektocht nu de nadruk legt op God, of op de Existentiële Leegte, of op het Marxisme of op je Eigen Navel: maakt dat eigenlijk wel verschil?

Ik zou eerder zeggen: literatuur is meerduidig, polyfonisch. Literatuur, elke literatuur, die een eenduidige boodschap brengt, is onverteerbaar. Of een roman nu de boodschap van het marxistische heil verkondigt of de blijde boodschap van het evangelie, dat levert in beide gevallen volstrekt oninteressante literatuur op. Dat is dan ook niet datgene waar ik in geïnteresseerd ben.

Waar het mij om gaat is dat religie een plek zou moeten kunnen hebben in romans, die hoogwaardig zijn. Dat dat kan bewijst Graham Greene, door velen gezien als een geniaal schrijver. Ik zeg niet dat religie per se een thema moet zijn, het is 1 van de mogelijke onderwerpen. Het vanzelfsprekend verwerpen van het thema religie als zijnde not done, daar heb ik moeite mee.

CB: Ben je zelf gelovig? Zo ja, heeft dat geloof een etiket? Je gaat er in je boek wel op in, maar zonder een definitieve uitspraak erover te doen.

Een antwoord op deze vraag geef ik via een omweg.
In het essay Bestaan er gradaties in het geloof? (opgenomen in De Gids, oktober 2004), geeft Rudy Kousbroek een mooie definitie van het atheïsme. Hij zegt daar dat atheïsme een houding is waarin iemand in zijn levensbeschouwing geen enkele transcendente verklaring een rol laat spelen. Ik citeer: 'Het onderscheid [tussen geloof en atheïsme, LE] is het al dan niet toelaten van het bovennatuurlijke in een beschouwing' (p. 795)

Dit vind ik een prachtige, heldere, eenvoudige definitie, die volgens mij waar is. (Het maakt ook meteen duidelijk dat een werkelijk atheïstische houding, dus een die geen enkele bovennatuurlijke verklaring toelaat in het denken, maar voor heel weinig mensen opgaat.)

Je kunt Kousbroeks redenering ook omdraaien: ik heb een houding waarin ik het transcendente wel een rol laat spelen. En daar heb ik geen andere motivatie voor dan: ‘Omdat ik het zo ervaar, omdat het zo is voor mij.’

Wat dat transcendente dan is? Niet ‘iets’, want dat is mij weer te vaag en vrijblijvend.

Waar ik me heel erg in kan vinden is in de uitspraak van Renate Rubinstein die Doescha Meijsing aanhaalt in het interview in mijn boek. Rubinstein omschrijft God ergens als een ‘spoken to, degene met wie je in gesprek bent’. Dat gesprek is voor mij tegelijkertijd heel vanzelfsprekend als bijzonder.

21-11-07

Hollands Maandblad wint prijs

Hollands Maandblad wordt onderscheiden met de legpenning van het Lucas Ooms Fonds. Ter ere van het veertigjarig bestaan van het LOF worden op 23 november veertig tijdschriften en tijdschriftmakers gelauwerd.

Hollands Maandblad is het enige literaire tijdschrift dat de prijs in ontvangst mag nemen. HM-redacteur Bastiaan Bommeljé krijgt de legpenning vanwege zijn ‘grote betekenis voor de tijdschriftenjournalistiek' en neemt de prijs wel in ontvangst hoewel hij naar eigen zeggen er niet warm of koud van wordt. ‘Er is mij toegezegd dat er bitterballen worden voorgeschoteld.' Maar liever een vakprijs als deze legpenning dan een literaire prijs. Volgens Bommeljé zijn de literaire prijzen in Nederland wel heel ruim vertegenwoordigd.

De prijs van het Lucas Ooms Fonds bestaat uit een penning en een feestelijke bijeenkomst. Het LOF, opgericht in 1967 stelt zich ten doel tijdschriften en tijdschriftjournalistiek te stimuleren. De prijs is vernoemd naar de directeuren van drukkerij en uitgeverij De Spaarnestad, C.P. Ooms en J.W. Lucas.

Hollands Maandblad wordt sinds 2005 uitgegeven door Nieuw Amsterdam waar nog een andere LOF-laureaat aan verbonden is: Derk Sauer. Voorheen verscheen Hollands Maandblad bij uitgeverij L.J. Veen en daarvoor bij J.M. Meulenhoff.

Reden voor de Contrabas om redacteur Bommeljé aan een kort diepte-interview te onderwerpen.

Mosterd_2CB: Waarom word je warm noch koud van de toekenning?

BB: Quid quid id est, timeo Danaos et dona ferentes... ofwel: wees op je hoede voor wie je met lauwerkransen behangt - het is daarbij tamelijk pijnlijk geprezen te worden door iemand anders dan je moeder.

CB: Aha. En het is wellicht zo dat literaire prijzen erg ruim vertegenwoordigd zijn – voor tijdschriften geldt dit volgens mij niet.

BB: Alles bijeen telt Nederland meer dan 400 literaire prijzen (van heel klein tot de PC Hooft) - dat is meer dan één per dag. Wie de laureaten van de grotere prijzen beziet, krijgt het vermoeden dat men dikwijls tamelijk hard moet zoeken om bij elke prijs een winnaar te verzinnen. En bovendien: tijdschriften zijn er niet om geprezen te worden, maar om gevreesd te worden.

CB: Hoe heb jij je bitterballen het liefst?

BB: Zeer krokant aan de buitenzijde; gloeiend heet aan de binnenkant; gedompeld in scherpe Utrechtse mosterd.

16-11-07

Mini-interview met Look J. Boden

Lookjboden_zwLook J. Boden werd in 1974 geboren in Vlaardingen. Hij begon al vroeg met schrijven, maar debuteerde pas in 1995 als podiumdichter. Later publiceerde hij in Op Ruwe Planken, nrc*next en een bloemlezing.  In 1996 richtte hij literair tijdschrift Renaissance op, waarvan hij tot 2002 hoofdredacteur was. Boden studeerde enkele jaren Nederlands recht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, en werkte als redacteur voor diverse bladen, voordat hij in 2002 TextMessage Communicatie oprichtte, het bedrijf dat ook een uitgeverij omvat.

1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?

Met 'Vrouw in blik'. Het is volgens mij behoorlijk helder, toegankelijk en actueel. Het is een aanklacht tegen de mode-industrie. Je zou het kunnen zien als een steunbetuiging aan Sunny Bergman c.s., die de documentaire 'Beperkt Houdbaar' hebben geproduceerd. De maakbaarheid van Photoshop-vrouwen met een BMI van 10 vind ik ook zorgelijk.

Vrouw in blik

Het is genetisch bepaald
niet zuiver, maar als je
je nou eens voorstelde
dat vrouwen klinische
objecten waren
die je ingeblikt
of ingeseald
kon kopen
bij de
super

(Ingrediënten:
verstand, liefde
redelijkheid,
sex-appeal –
20% van de
Aanbevolen
Dagelijkse
Hoeveelheid –,
conserveermiddel:
poëzie, smaakmakers:
u en andere mannen.
Tenminste Vruchtbaar Tot:
Zie onderkant)

dan zou ik sex
met een vleesetende plant
overwegen.

2. Waarom poëzie?

Het is een uitdaging om met weinig woorden een klein stukje van de wereld begrijpelijk te maken. Ik zeg expres 'een klein stukje', want een gedicht zou in mijn ogen maar één fragment van de werkelijkheid moeten beschrijven. Net als een foto. Daar zit de uitdaging in de sluitertijd, de belichting, het standpunt, de ISO-waarde. Bij het schrijven van een gedicht is dat niet veel anders. Het gaat om één beeld, waarbij je je afvraagt of je lezer dat uitgebreid of vluchtig mag zien (sluitertijd), of het kraakhelder of bedekt moet zijn (belichting), vanuit welke hoek het wordt beschreven (standpunt) en of het 'grof geschreven' dan wel fijn gestileerd is (ISO-waarde). Een gedicht is een foto, een verhaal is een film.

3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?

Om met de laatste vraag te beginnen: ik hou niet zo van lange en/of hermetische gedichten. Niet om te schrijven, maar ook niet om te lezen. Dus mijn 'helden' zijn woordfotografen, schrijvers die met een handvol letters de lezer kunnen raken. Door middel van het beeld zelf, maar ook door hun manier van kijken of formuleren.

Mijn hitlijst: Rutger Kopland, Jean Pierre Rawie, Gerrit Krol ('Geen señorita'), Tjitske Jansen, Diana Ozon ('Heldinnetje' hangt bij ons in de keuken), Kees Stip (briljant), Toon Hermans, Annie M.G., Koos Meinderts (moet elk kind gelezen hebben!).

4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?

(zonder titel)

ik heb besloten
van zwanen te houden.
die vuile rotbeesten
heb ik lief
als pianohanden op de piano
en hagelslag op de grond.

ik kom terug
als dikke mislukte zwaan
en ik trouw met een mooi eendje

omdat niet alles vanzelfsprekend mag zijn.

Uit: Lianne Sasja van Kalken, BAR, 2007

29-10-07

Mini-interview met Wouter Steyaert

FotowouterWouter Steyaert (Gent, 1982) studeert farmacie en biotechnologie. Hij publiceert poëzie in verschillende literaire tijdschriften (bijv. Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, Krakatau en Ballustrada). Zijn gedichten werden meermaals bekroond, onder andere in de Basiel de Craeneprijs en de Literaire Prijs van de stad Harelbeke. In 2007 won hij de HC-trofee schrijfwedstrijd.


1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?

Er staat een praatpaal op mijn hoofd.
Het is niet evident
om bijv. door de deuropening te raken.
Ik moet me diep bukken
en als een kuikentje het huis binnengaan.

Een geluk dat door één of ander toeval
het plafond te hoog werd gelegd,
en ik zomaar kan wandelen
in mijn woonst. Ook   
headbangen is een mogelijkheid.

Het ontspant me meer en meer.
De dokter zegde enkel dat ik voorzichtig moet zijn,
hersenbloedingen zijn nooit ver weg moet je weten.
Zonde dat die hoorn steeds
tegen dat schoon stuk oranje slaat. 

Op straat staren de mensen me na
alsof het zo ongewoon is
een praatpaal op je hoofd te hebben.
Misschien zijn ze enkel verbaasd
omdat ik er steeds in slaag het evenwicht te bewaren.

Er zijn ook mensen die me opbellen, vraag me
niet hoe, want ik dacht
dat het onmogelijk geworden was.
Ik neem dan heel beleefd op, en zeg
dat het met de Belgische staat is.

Mensen stellen me de allergekste vragen.
Of ze wat reclame mogen maken langs het luidsprekertje.
Waar hun auto precies staat geparkeerd, wanneer
hun slee nog eens in panne zal staan. Of er ergens
een spookrijder is gesignaleerd, …

Soms belt er een pienter meisje
met de stem van Ayco Duyster.
Ze vindt me aardig denk ik, en noemt me ‘Belgische’.
Ze vraagt vaak hoe het gaat met mij,
en dat roert me wel.

2. Waarom poëzie?

Behoorlijk toevallig. Het had evengoed fotografie of schilderkunst kunnen worden, als ik er maar mijn manier van waarnemen in kwijt kan. Voor die laatste heb je natuurlijk wel een technische bagage nodig die ik naar alle waarschijnlijkheid niet zomaar heb; poëzie ligt dus meer voor de hand.

Een jaar of vier geleden had ik iets opgeschreven en er waren mensen die dat een gedicht noemden, geheel onterecht natuurlijk. Toch moet dat mede de oorzaak geweest zijn (naast het feit dat dingen opschrijven nu eenmaal goedkoop is) dat ik nog zoiets neerschreef. Enzovoorts. Langzaamaan kreeg hetgeen ik schreef een zekere kwaliteit, en begonnen ook belezen mensen het oké te vinden. De waardering die ik kreeg, was een extra stimulans om ermee door te gaan, en dat is nog steeds zo.

Sinds een drietal jaar ben ik ook echt gaan houden van poëzie. Het lezen van andermans werk en het zelf bereiden van een gedicht is een passie geworden; ik denk zelfs dat ik het nodig heb de dag van vandaag. Ik zie dus geen enkele reden om ermee te stoppen, meer nog, ik zie een noodzakelijkheid om ermee door te gaan.

3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?

Het is niet zo dat bepaalde dichters of bundels mij in het bijzonder inspireren. Wat wel het geval is, is dat het lezen van bepaald werk een diepe indruk op mij kan nalaten, en dat zal mij wellicht beïnvloeden op de één of andere manier. Zo is dat gebeurd met het werk van Mevrouw Szymborska. Haar heldere, toch diepzinnige manier van schrijven heeft mijn opvatting over poëzie enigszins bijgesteld moet ik zeggen. Ook Els Moors haar bundel vind ik bijzonder sterk, bijna een opluchting te zien dat zoiets mogelijk is. Erik Spinoy, met Boze Wolven vind ik eveneens uitstekende poëzie. En er zijn nog wel dichters van wie ik grote delen werk bijzonder knap vind, te denken aan Montale, Milosz, Borges en andere die ik nu even uit het oog verlies.

Meestal, echter, vind ik van een dichter slechts beperkte delen goed, en dat is meteen toch een hele andere situatie. Je leest een sterk gedicht, of enkele sterke gedichten, maar je dringt niet binnen in de wereld, zoals dat gebeurt bij de dichters die grote coherente stukken schreven op een constant hoog niveau. En het is net dat laatste, de wereld die wordt gecreëerd, dat mij zo aanspreekt; datgene wat mede tussen de gedichten zweeft.

4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?

de rotsen die hier in het zand liggen
liggen er al eeuwen
die rotsen liggen in het zand

zelfs als je je hand
als je een dromedaris steekt

omdat hij spuugt terwijl hij spreekt

in zuid-amerika
perst men de limoenen boven de
rucola trendy is de limousine
waarmee wij het dorp binnenrijden

daar staat het kind dat krimpt
dat meestal onder het dakraam zit
en kijkt ons aan

een dier in nood dat maakt men af
dat steekt men dood

© Els Moors
uit: er hangt een hoge lucht boven ons, uitgeverij Nieuw Amsterdam

23-10-07

Wat bezielt Nina Targan Mouravi?

Nina Targan Mouravi is vertaalster, voordrachtskunstenaar en portretschilder. Ze werd geboren in Georgië, groeide op in Moskou en kwam veertien jaar geleden naar Nederland. Onlangs bracht ze een meer dan tweehonderd pagina’s tellende selectie van Russische poëzie met eigen Nederlandse vertaling uit. De fraai uitgegeven bloemlezing, compleet met leeslint en cd, werd een onverwachte boekwinkelhit en beleefde twee maanden na verschijning al een tweede druk.

De eerste exemplaren van het boek, Rusland Lethe Lorelei, verzorgde je helemaal  zelf.
‘Ik had eerst een handgemaakte oplage van dertig gemaakt, dat leek me wel voldoende, want ik kon me niet voorstellen dat meer mensen bereid zouden zijn het te kopen. Maar die dertig waren snel op en mensen bleven er maar om vragen, dus ging ik weer naar de copyrette, naaide ik er weer tien met de hand, en voor ik het wist waren die ook op. En dan belde wéér iemand. Uiteindelijk lieten we er toch maar een paar honderd drukken en binden. De eerste vijfhonderd waren binnen twee maanden weg, en nu zitten we over de negenhonderd. En dat terwijl de distributie niet via Centraal Boekhuis loopt en het boek oorspronkelijk alleen bedoeld was om bij mijn voordrachten verkocht te worden!’

Wat het boek extra aantrekkelijk maakt, is dat je er een cd bijgedaan hebt waarop je in beide talen een selectie uit de bundel voordraagt.
‘Ik koos daarvoor omdat ik de klank werkelijk onontbeerlijk vind bij het begrijpen en ontdekken van een gedicht. Het was bovendien relatief eenvoudig om goede opnames te maken, omdat mijn man Guido gespecialiseerd is in klassieke cd-opnames. Daarnaast ontpopt hij zich de laatste tijd als gedreven uitgever.’

Lukt het jullie om werk en liefde enigszins gescheiden te houden?
‘We hebben wel vaker samengewerkt, bijvoorbeeld aan cd-producties waarbij hij de muziekregie deed en ik de grafische vormgeving. Sterker nog: onze relatie begon als werkrelatie en bloeide binnen een week op tot liefdesrelatie. Maar dit bleek wel een lastiger project om samen te doen, omdat het nu om míjn stem ging en geliefden nu eenmaal makkelijker tegen elkaar kunnen vitten dan collega’s. Ik herinner me dat de eerste opnames voor de cd meteen de prullenbak ingingen: we stonden eigenlijk alleen maar te bekvechten, ik was schor en het werd niks. Na een lang gesprek gingen we voor de tweede keer de studio in en toen ging het wél.’

Het boek bevat gedichten van Poesjkin, Tjoettsjev, Goemiljov, Achmatova, Mandelstam, Pasternak, Galitsj, Okoedzjava en Achmadoelina. Is er een van deze dichters voor jou echt favoriet?
‘Poesjkin, Tjoettsjev en Mandelstam zijn de grote favorieten. Aan Poesjkin ga ik me niet verder vergrijpen, omdat hij al heel uitgebreid en goed vertaald is. Ik bewonder degenen die zijn werk aandurven, maar zelf wil ik nog meer met Tjoettsjev en Mandelstam doen. Mijn keuzes zijn grotendeels verbonden aan de persoonlijkheden van de dichters: als ik een dichter lees, heb ik vaak het gevoel dat het wel of niet een vriend zou zijn. Bij bepaalde dichters is me meteen duidelijk dat ik ze eenvoudig niet mág. Dat is volstrekt persoonlijk.’

Je laat iedere afdeling van het boek dan ook voorafgaan door een zeer persoonlijke beschrijving van de dichter.
‘Wat iemand at, met wie iemand sliep, je kunt al dat soort zaken ook buiten beschouwing laten, dat is een keuze en een hele respectabele keuze, maar ik heb die niet gemaakt. Niet eens om het laagdrempeliger  te maken, maar omdat ik me zelf erg voor karakteristieke details interesseer. En ik mag hopen dat het geen roddels lijken, maar kleuraccenten die iets toevoegen aan het beeld van de dichters en hun werk.’

Met die dichters kwam je als kind al in aanraking; vanuit school, vanuit huis?
‘Vanuit huis. Mijn moeder is literator, vertaalster Georgisch-Russisch en docent vertaalkunde. Zij heeft me al vroeg heel veel bijgebracht. Daarbij is het in Rusland gebruikelijk om kinderen Poesjkin voor te lezen, en in Georgië Shota Rustaveli. In beide landen houdt men veel van poëzie en krijgen kinderen die liefde al vroeg ingegoten.’

Je leerde in de afgelopen veertien jaar vlekkeloos Nederlands, maar waarom begon je in die taal ook te vertalen en voor te dragen?
‘Op mijn achttiende besloot ik plotseling dat ik geen schilder maar actrice wilde zijn, maar dat ging er bij mijn moeder niet in. Zij stelde zich waarschijnlijk een leven vol drank en drugs voor en ik was een braaf kind. Dus wat doe je dan: alleen een beetje toneel op school en voordragen thuis, voor dichters en schrijvers die bij mijn moeder te gast waren. Zo wen je aan dat optreden, zij het in kleine kring. Daarnaast hou ik er erg van om iemand te helpen iets te ontdekken, helemaal als dat zonder al te veel moeite kan. In Moskou en Tbilisi had ik graag gasten om rond te leiden in de stad; mijn voordrachten zou je kunnen zien als soortgelijke rondleidingen in de Russische literatuur.’

Daar had je ook bestaande vertalingen van anderen voor kunnen gebruiken, maar je bent zelf gaan vertalen.
‘Ik ging op zoek naar vertalingen van mijn lievelingsgedichten, maar juist die gedichten die ik wilde voordragen, bleken vaak niet vertaald of niet helemaal zoals ik wilde. Ik begon een paar ontbrekende gedichten dus maar zelf te vertalen. Toen dat eenmaal lukte, kreeg ik de smaak te pakken en kon ik niet meer stoppen. Ik ben er wel steeds meer van gaan houden, maar het was me er niet om begonnen.’

Je kent het hele boek uit je hoofd in beide talen. Is dat een kwestie van opvoeding, aanleg of training?
‘In mijn familie heeft iedereen een sterk geheugen en een talenknobbel, maar mijn moeder en ik zijn daarin vrij extreem. Gedichten van twintig pagina’s zou mijn broertje bijvoorbeeld niet eens wíllen leren, en ik wel. Sommige gedichten lopen wat moeizamer en moet ik een paar keer doornemen, maar het is nooit wezenloos stampen, het gaat toch min of meer vanzelf.’

Vertaal je ook Nederlandse literatuur naar het Russisch?
‘Tot nu toe heb ik alleen iets van Jan Campert vertaald, maar ik zou het fantastisch vinden om Achterberg, Bordewijk of Couperus te vertalen. Bordewijk is een uniek schrijver die eenzelfde internationale bekendheid als Vincent van Gogh verdient. Ook Achterberg is het vertalen meer dan waard en ik denk dat zijn werk aan zou slaan bij de Russen.’

Het is een geijkte opvatting dat vertalen eigenlijk alleen écht goed gedaan kan worden door native speakers in de doeltaal. Onderschrijf je die opvatting?
‘Natuurlijk, dat is gewoon een regel. Maar je weet dat uitzonderingen de regels bevestigen. Ik denk dat geen enkele vertaler volmaakt is; zelfs al zouden beide talen je moedertaal zijn, dan kan je soms nog het vermogen missen om precies de essentie van een gedicht weer te geven. Vertalen blijft toch behelpen.’

‘Poetry is what is lost in translation’ volgens Robert Frost; mee eens?
‘Het is een mooie uitspraak, maar het lijkt me wel wat arrogant om te veronderstellen dat je als dichter zó uniek bent dat geen ander mens de essentie van je werk kan oppikken en weergeven. Je zou ook kunnen zeggen dat de ziel is wat je verliest in een foto.’

Schrijf je zelf ook gedichten?
‘Vroeger wel, maar sinds ik in Nederland woon bijna niet meer. Ik ben kennelijk te veel op de buitenwereld gericht om gedichten te schrijven in een taal die in de omgeving niet wordt verstaan. Wat eigenlijk merkwaardig is, want in Rusland liet ik mijn gedichten ook lang niet aan iedereen lezen. Misschien is vertalen een krachtoefening, een opstap naar dichten in het Nederlands, maar ik weet het niet zeker. Ik dichtte vooral over onvervulde, ongelukkige liefde… Die ervaar ik al jaren niet meer en ik zou het er eerlijk gezegd ook niet meer voor over hebben. Hopelijk leer ik nog eens over iets anders te dichten.’

Dat lijkt me niet ondenkbaar: ook niet alles wat je vertaalt, gaat over onvervulde liefde.
‘Nee, niet alles. Hoewel veel toch wel.’

[Rusland Lethe Lorelei, Vertaling, voordracht en inleidingen: Nina Targan Mouravi, Uitgeverij Azazello, 2005, € 24,50; www.russischepoezie.nl.]

Eerder gepubliceerd in: Awater, zomer 2005, jaargang 4, nummer 2.

© interview Thomas Möhlmann

18-10-07

Jotie T' Hooft: Ingmar Heytze

1. Heb je het werk van Jotie T'Hooft ooit gelezen? En wat vond je er toen van?

Alles gelezen, natuurlijk, al rond mijn zeventiende, dus zo ongeveer de leeftijd waarop de dichter zelf zijn eerste zelfmoordpoging al had overleefd. Erg goed. Vooral het onsterfelijke 'In het gedicht', (online op Leestafel, ik heb het verzameld werk van T'Hooft even niet bij de hand dus citeer van deze pagina, hopelijk heeft men het correct overgetikt). Evenals bijvoorbeeld Lodeizen schrijft Jotie T'Hooft poëzie waarbij een popdichter als Spinvis, tekstueel gezien, de mosterd lijkt te hebben gehaald; leg 'In het gedicht' maar eens naast een typisch Spinvisnummer als 'Ronnie gaat naar huis'.

Die invloed, of (want ik weet niet of Erik de Jong van Spinvis Lodeizen en T'Hooft nu wel of niet heeft gelezen) dat samengaan is niet zo vreemd, want het zijn allebei jonggestorven dichters van populaire poëzie - zowel in receptie als in 'invloed'. De bundels van T'Hooft staan bol van de directe verwijzingen naar songteksten en andere jeugd/cult-cultuur, zo heeft T' Hooft Jotie ’T Hooft de laatste alinea uit de SF-cultklassieker van Robert Sheckley, Dierbaar doolhof,opgenomen in zijn bundel Schreeuwlandschap: (‘Heilige Carmody!’, sprak de Prijs sarcastisch. ‘Niet meer dan een haarbreedte scheidt jou van je dood! En wat wil je met dat armzalige ogenblik doen?’ ‘Doorgaan met ademhalen,’ zei Carmody. ‘Daar zijn ogenblikken voor.’)

2. Heeft het werk van T'Hooft invloed gehad op jouw dichterschap?

De invloed van T'Hooft op mijn werk is tweeledig: allereerst het accepteren en zelfs benoemen van buitenliteraire inspiratiebronnen als bijvoorbeeld popmuziek en science fiction in mijn eigen werk, vooral in de vorm van motto's en tegenwoordig in het uitdragen van het besef dat er geen hogere of lagere aanleidingen voor een gedicht bestaan, ten tweede een zekere relativering - zelfs de meest inktzwarte gedichten T'Hooft hebben vaak een intelligente vorm van relativering ingebouwd, die in staat is om beelden van lood alsnog een paar millimeter van de grond op te tillen en te laten zweven - precies het verschil tussen alledaags puberaal zelfbeklag en T'Hoofts grote, radeloze dichterschap.

'Wanneer ik dan mijn handen op de aarde leg / zijn het kleine handen.'

Jotie T' Hooft: Joost Zwagerman

1. Heb je het werk van Jotie T'Hooft ooit gelezen? En wat vond je er toen van?

Jazeker. Ik stuitte op zijn werk doordat Jeroen Brouwers over T'Hooft schreef, in De laatste deur. Naar aanleiding van het essay van  Brouwers kocht ik de verzamelde gedichten van T'Hooft - in mijn herinnering: lichtpaars omslag, zwemend naar roze. Ik trof er een opmerkelijk aantal bijzondere gedichten in aan, kan ik me herinneren - maar: het boek raakte zoek, en T'Hooft sijpelde langzaam weg uit mijn geheugen.

2. Heeft het werk van T'Hooft invloed gehad op jouw dichterschap?

Zie vraag 1. Ik herinner me dus vaag dat ik hem destijds met groot enthousiasme las. Maar, nee: nadien heb ik zijn werk nooit meer herlezen en is er dus geen sprake van invloed.

3. Lees je het werk van T'Hooft nu nog wel eens?

Nee, zie de eerdere vragen. Het boek is zoekgeraakt, vermoedelijk heb ik het uitgeleend aan iemand die het eigenlijk liever niet wilde teruggeven of dit vergeten is terug te geven. Maar nu ik er zo over schrijf, zou ik graag zijn Verzamelde gedichten weer eens herlezen. Ook las ik destijds zijn verzameld proza, maar dat maakte iets minder indruk.