Ik had een uurtje piano zitten spelen in een café. Niets speciaals. Een
paar trage bluesnummers en een bossa nova. Ik heb nooit heus piano
leren spelen, maar gaande de jaren heb ik door zelfstudie toch een
klein repertoire in de vingers gekregen en als ik toevallig in een café
ben waar er een buffetpiano staat en ik heb een paar biertjes op, dan
wil het wel eens gebeuren dat ik de barman vraag of ik enkele liedjes
mag spelen.
‘Kun jij wel piano spelen,’ vraagt die gozer dan.
‘Beter dat jij.’
Je moet in het leven wat lef hebben, dat heb ik onderhand geleerd en
niemand is ooit doodgegaan van het beluisteren van een beroerd pianist.
En die avond, al zeg ik het zelf, speelde ik redelijk goed. Ik kreeg
een bescheiden applausje en toen ik weer naar de bar liep, hoopte ik
dat ik van de barman een gratis drankje zou krijgen. Daar was het me
eigenlijk om te doen geweest. Ik zat krap bij kas en was immer dorstig.
‘Doe mij maar een whisky,’ zei ik toen hij vroeg wat ik wilde drinken.
‘Komt er aan,’ zei hij.
‘Doe maar een dubbele,’ zei ik.
‘Niet overdrijven hé vriend.’
Het was een regenachtige zaterdagavond en het café liep langzaam
vol. Ik rookte een paar sigaretten en genoot van mijn dubbele whisky.
Ongevraagd kreeg ik nog een whisky van de barman, maar als wederdienst
moest ik weer achter het klavier en zijn publiek entertainen.
‘Speel iets vrolijks, wil je?’
Het is geloof ik Schubert die ooit zei dat er geen vrolijke muziek
bestaat. Altijd verliefd die Schubert en altijd op vrouwen die hij niet
kon krijgen. Ik speelde het adagio uit zijn postume sonate en toen ik
daarmee klaar was keek de barman me ontredderd aan, woest zelfs. Maar
ook met die in en in treurige muziek oogstte ik succes bij zijn
klandizie en daarna bracht ik een fantasie die Mozart had gecomponeerd
toen hij zestien jaar was of zo en tenslotte speelde ik boogie-woogie.
De barman bracht mij nog een whisky (aangeboden door een klant) en ik
besloot met een meeslepende tango van Milonte. Pas toen ik weer naar de
bar liep, realiseerde ik me dat ik dronken aan het worden was en dat ik
niet ook nog een derde luik aan mijn caféoptreden zou kunnen breien als
ik aan dat tempo bleef drinken. Bovendien had ik zo ongeveer mijn
gehele repertoire ten gehore gebracht.
‘Doe mij maar een biertje,’ zei ik toen de barman me met zijn kin vroeg of ik nog iets van de zaak wou drinken.
Ik ben pas heel laat met pianospelen begonnen. Ik was al meer dan
dertig jaar. Ik voorvoelde dat het met mijn schrijven niets zou worden
en ik wou iets in de plaats. Muziek dus. Ik dacht aanvankelijk dat ik
ooit jazz zou spelen, maar zoveel talent heb ik helaas niet. En mijn
toenmalige vriendin werd horendol van mijn getingeltangel.
‘Het lukt je nooit,’ zei ze af en toe.
‘Geef me een paar jaar,’ zei ik. ‘Als ik de basistechniek onder de knie heb dan ga je nog staan kijken.’
Ze liet me uiteindelijk staan voor een andere gozer, een
hardwerkende Nederlander die geen piano speelde en die ook niet van
zichzelf dacht dat ie een schrijver was. Ik leefde een jaar op een
kamer.
Ik was werkeloos en had zeeën van tijd die ik vulde met het
schrijven van mislukte liefdesgedichten en urenlang oefenen aan het
klavier. Na dat jaar was mijn verdriet over het spaak lopen van mijn
relatie nog altijd schrijnend, maar ik kon het tenminste in trage
bluesnummers verklanken.
Daar zat ik aan te denken toen er een vrouw naast me op een barkruk kwam zitten en me vroeg of ik nog iets wou drinken.
‘Doe mij maar een biertje,’ zei ik.
‘Wil je niets sterker?’
‘Goed, een whisky dan, ik hoef toch niet meer te spelen.’
‘Dat wou ik je net vragen,’ zei de jonge vrouw. ‘Kom je niet mee naar een feestje?’
‘Bedoel je vanavond?’
‘Ja’
‘En ik moet op dat feestje piano spelen?’
‘Als je daar zin in hebt.’
Ik had wel zin in die vrouw. Ze had grote borsten en prachtige
benen. D’r haar was kortgeknipt en ze had de ogen van een politica. Ik
weet niet waarom ik dat dacht, dat van die ogen, maar dat dacht ik dus.
‘Mireille,’ zei ze en gaf me een hand.
‘Raf,’ zei ik.
We dronken samen whisky en zeiden niet veel tegen elkaar. Ik was
best wel wanhopig op zoek naar een vrouw, maar ik had geleerd van die
wanhoop geen millimeter te tonen. Dus zat ik daar naast die meid te
roken en te drinken en verder niks.
‘Dat feestje,’ zei ik, ‘weet je wel zeker dat ze daar op een amateur-pianist zitten te wachten?’
‘Ik vind je heel goed spelen.’
‘Dank je Mireille,’ zei ik en ik legde mijn hand op haar bil. Ze legde
haar hand op mijn hand en keek me glimlachend aan. Dat zit wel snor,
dacht ik. Ik ledigde mijn glas en liet me van mijn kruk glijden.
‘Zullen we dan maar?’
‘Wil je niet eerst nog wat drinken?’ vroeg Mireille. ‘Er is geen haast bij.’
‘Goed,’ zei ik. ‘Een biertje dan.’
We dronken nog elk een biertje. Weer zonder veel te zeggen tegen elkaar. Ik hield mijn handen verder thuis.
Haar auto stond op de parking van het café. Buiten was de regen
overgegaan in motregen. Mijn gezicht gloeide, alsof ik koorts had. Bij
haar auto omhelsde ik haar. Ik voelde haar borsten tegen mijn borst
drukken. Het was alsof dat jaren geleden was en dat was het ook, want
mijn laatste vriendin had eerder iele borstjes die ik nimmer tegen mijn
borst had voelen drukken, hoe vaak ik haar ook had omhelsd.
‘Je brengt me straks toch thuis?’ zei ik. ‘Op dat feestje ken ik vast geen kat.’
‘Je kan bij mij overnachten, als je dat wil.’
Ik had mij nooit moeten inlaten met literatuur, dacht ik. Ik had
meteen piano moeten leren spelen, of gitaar. Dan had ik nu meiden zat.
Muzikanten zijn lukzakken, schrijvers en vooral dichters zijn losers.
In de wagen zette Mireille de radio aan. Een jazzprogramma. Ik kende
toevallig het stuk dat werd gespeeld. Song for my father van Horace
Silver. Ik kon dat stuk zelf spelen, in een gesimplificeerde uitvoering
weliswaar. Ik nam me voor op dat feestje met dat stuk te openen. Ze zal
het herkennen, dacht ik. En als ze het niet herkent dan, dan… Ik wist
niet wat ik dan zou doen of besluiten, maar om de één of andere reden
zou het me teleurstellen als ze zich niet zou herinneren dat wij, zij
en ik, dat liedje, Song for my father van Horace Silver, eerder in de
wagen hadden gehoord.
Dat was ook in literatuur zo’n beetje mijn dada.
Geen horlogemakerproza maar teksten die met de beleefde realiteit als
het ware samenvallen en die in één ruk worden geschreven, als betrof
het een improvisatie. Zo wou ik schrijven. Dat was mij natuurlijk nooit
gelukt, laat staan dat ik er ooit een uitgever warm voor had kunnen
maken, maar het verlangen om ooit een dergelijk verhaal te schrijven
had mij nooit verlaten en ook nu weer leek het me, ondanks eerder
falen, toch mogelijk, makkelijk zelfs.
‘Ken je dit stuk?’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei ze. ‘Jij?’
‘Yep,’ zei ik. ‘Horace Silver.’
‘Zegt me niks.’
‘Maar als je het nog eens hoort, denk je dat je het dan zal herkennen?’
‘Weet niet. Is dat belangrijk?’
‘Nee hoor,’ zei ik. ‘Ik vroeg het me alleen maar af.’
Kijk, een heus schrijver zou hier verder schrijven over hoe dat
feestje was, over hoe de nacht was met die meid met de ogen van een
politica. Maar zo’n schrijver ben ik niet. Wat ik wou vertellen, heb ik
verteld.
© Koenraad Goudeseune, 2006
Laatste reacties