Over de ontwikkeling van een flarf poëtica met 'hogere' aspiraties en de mogelijke gevolgen ervan voor de positie van de flarf auteur
De auteur als schuimspaan
In Fold Appropriate Text, een bijna 200 bladzijden dikke bundeling collagegedichten, wordt de huidige Amerikaanse maatschappij 'brutaal en schokkend' bespot. In hun voorwoord hekelen de redacteuren Stan Apps & Mathew Timmons het kapitalisme en consumentisme: 'a general economy of waste'. In de Westerse overvloed raakt betekenis verloren en hebben productie en distributie de overhand. Elk nieuw boek lijkt op alle andere: 'I came to realize that the primary meaning of books was this division into selfsame pages.'
Zoals Thomas Vaessens al eerder deed, menen ook Apps & Timmons een verandering in de wijze van lezen waar te nemen: een vluchtig doorlezen van de tekst. 'The Internet Age is the age of literature intended to be skimmed. It will contain all the information, but we will not bother to process it.' Vervolgens geven Apps & Timmons aan dat ze eigenlijk alleen nog maar geïnteresseerd zijn in boeken waarin reeds het voorwerk is gedaan: 'The only book I will read closely is a book that replicates the pleasures of skimming even when it is read the old-fashioned way.'
In een informatietijdperk waarin alles reeds geschreven lijkt te zijn en het steeds lastiger wordt om zinvol dictum te onderscheiden, herdefiniëren Apps & Timmons de rol van de auteur: hij krijgt een schaar in plaats van een pen, een elektronische schaar wel te verstaan: copy/paste. 'To be pirated is a future. A full frontal act of acidic plagiarism stains the integrity of the text, giving it a hint of interest at last.' Het knippen in en plakken van andermans teksten wordt als een daad van verzet gezien tegen de Westerse zucht naar voortdurende innovatie: '"Rather than make it knew, I prefer to make it known," Mathew Timmons said, grammaticaly.'
Apps & Timmons geven ook blijk van hoop, van idealisme: 'The primacy of distribution is the greatest lesson of capitalism; ultimately it will be understood that capitalism has nothing to do with money or profit at all: capitalism is simply the recognition that the connections between people are more important than the information or objects they exchange.' En deze band tussen mensen - de intimiteit - beschouwen Apps & Timmons als zuivere, nog niet door het kapitalisme aangetaste betekenis, 'pure-in-itself value of that which cannot be exchanged except between human beings in a humano-centric form'.
Tot slot roepen de redacteuren op tot een sensitieve poëzie 'in which no one is stigmatized as a mere parasitic "consumer"' en waarin noodzakelijkerwijs slechts plaats is voor een auteur als 'transmitter', als 'skimmer', schuimspaan.
Flarf met 'hogere' aspiraties
In een recent essay houdt K. Silem Mohammad een pleidooi voor een 'nonsensical' poëzie, waarmee hij poëzie op 't oog heeft 'that resists assimilation into a recognizable semantic framework altogether'. Dit verzet uit zich in een 'patently absurd "misuse" of language, either as a mistake or a deliberate rhetorical strategy'. Het 'misbruik' van de taal zou moeten leiden tot 'what might seem a completely untenable proposition: one can say something without actually saying it'.
Ik moest bij deze laatste uitspraak van Mohammad denken aan Mallarmé: 'De Poëzie is de uitdrukking van de mysterieuze betekenis van het bestaan door de menselijke taal [...]'
Mohammad besluit als volgt: 'The territory of negative aesthetics for which I am claiming a nearly primal poetic importance is one which resists intelligible criteria altogether, and therefore leads to exactly what we know poetry to be: a wide and various field with no determinate boundaries and very uncertain prospects of internal mapability. This is not just a condition that poetry has to put up with; it is one on which it depends.' Mohammad, een flarf dichter van 't eerste uur, lijkt in dit essay een negatieve esthetiek te verbinden met een 'hoger' doel - flarf met 'hogere' aspiraties.
The Hovering Girl
Mark Wallace beschouwt in Fold Appropriate Text Mohammads flarf bundel Deer Head Nation (2003). In zijn afsluitende woorden besteedt hij aandacht aan het allerlaatste gedicht uit de bundel, 'The Hovering Girl', waarvan de eerste en laatste strofe als volgt luiden:
The Hovering Girl
... a celestial goddess was hovering in the clouds
... dressed in a beautiful flowing peach gown
... hovering inside the dress
... a pair of golden panties covered in sharp spikes
... like a spaceship landing - blinding,
... seething life with hovering orange blurs
... a heterogeneous assemblage of "holy things"
... forced upon the sight
... accelerate its deterioration
The Hovering Girl
... is still hovering around the planet
... and bids everyone "peace"
Wallace zegt over dit laatste gedicht: 'But the book's final poem, "The Hovering Girl," presents a startling contrast to what has come just before. [...] This sexualized image of a goddess of transcendence is of course satirical, like everything else in Deer Head Nation. Yet as ridiculous as she is, can it really be true that the girl [...] is purely and absolutely ridiculous? Or is the possibility of some nonetheless real human interconnectedness implied by the Girl's final gesture of bidding everyone "peace," one which, while it has no real power to heal the social and psychological wounds highlighted throughout Deer Head Nation, at least suggests the possibility of such healing?'
Flarf is voor Mohammad allang geen spelletje meer. Het gebruik van aanstootgevende taal, andermans taal - 'patently absurd "misuse" of language' - is voor hem slechts middel om 'iets' uit te drukken zonder het daadwerkelijk te zeggen. Alsof hij ernaar streeft om 'de taal haar geheimen te ontlokken'. Mohammad lijkt zichzelf hiermee in een poëtische traditie te plaatsen, die haar wortels nog voor dada heeft.
De rug van de dirigent
De geleidelijke ontwikkeling en openbaring van een flarf poëtica met 'hogere' aspiraties bij enkele flarf dichters heeft gevolgen voor hun positie als auteur. Niet langer zijn het alleen de anderen die spreken in hun flarf gedichten, de anderen van wie teksten zijn 'gejat', maar vanwege het gestelde doel - 'iets' willen uitdrukken - komen zij als dirigent nadrukkelijker in beeld. Het lijkt gerechtvaardigd om bij flarf gedichten die meer willen zijn dan louter een collage van gevonden teksten op zoek te gaan naar wat het gedicht dan precies wil uitdrukken, om de keuze van de flarden tekst en de compositie van het gedicht nader onder de loep te nemen en om uiteindelijk ook de vraag te stellen naar de intentie van de auteur met het gedicht.
Deze laatste vraag mag wat mij betreft ook een ethische dimensie hebben, sterker nog, zal bij gebruik van aanstootgevende taal de moraal van de dichter niet ongemoeid laten. Het komt mij voor dat Mohammads bedoelingen hem voor de taak stellen om in zijn poëzie duidelijk afstand te nemen van wat Pamela Lu heeft omschreven als 'transgressieve kunst die simpelweg het experiment als excuus gebruikt voor haar eigen gewelddadige, rascistische of seksistische interesses'. De rug van de flarf dirigent lijkt door deze ontwikkelingen apparent op de voorgrond te worden geplaatst.
Ton van 't Hof © 2007
Een introductie tot flarf is hier te vinden.

Jürgen Smit
Peter Knipmeijer
Peter Drehmanns
Nanne Nauta
Eelke van Es
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Laatste reacties