1. Into the rose-garden
Een bal van goud
rolt vurig over daken, steen
& grasperk, kloosterkerk & hout
dat in je tuin tot molm vergaat
& voor een wolk je plek betrekt,
vertrekt een trage hand het beeld
voor je sluimerzoekend oog
in strakke vouwen naar een hoek
& geeft aan jongensjoelen,
galm van droom & vogelzang
het eenheidsruisen mee van rust
aan zee : zo duik je gans gedwee
in wat zich nu ontsluit, de gang
die afgesloten toch van angst
& pijn je borst tot stilstand dwong,
dat de dingen die al wakend
van verlangen in hun woord gevangen
onuitspreekbaar waren, nu al slapend
aan je zwijgen luid hun namen geven.
2. Voices
Je leest het boek
in afgeronde vorm : het staat
er niet maar is er rond geweven.
De weg terug ligt voor je uit
bezaaid met kraaiepoten, hakend
naar je eerste pijn : een zeemeermin
heeft op dit punt haar ene staart
gespleten voor een been of twee.
Kopje onder, duiken maar : nodeloos
dit zoeken naar een klare lens
in volle zee. Aanverwanten
worden op je wenken opgediept :
de glimlach ter herkenning
van een weggelaten woord, stilte
na de eerste sneeuw, de bloem
die bleek van zoveel aarde toch
je ochtend met een geur bereikt. Een
vogel zingt, een kind schreit, een wereld
lacht je adem op & is verblijd.
3. The still point
De pit hangt stil
& blank, van vlees ontdaan,
aan de kromming van haar steeltje
& je strakke kijken
naar de kerseboom in je
oma's achtertuin
is ademloos. Ook
in het eeuwig opgewarmde kopje
zwart met cichorei
zie je nog wat ze zei van dode
achterneven in de waterput
& van de zomers toen
rest niets méér dan zweet
heel even op de koude steen
van kindervoeten nu :
blind aan tijd gebonden
is het zoemen links boven
van het éne diertje
in de losbarstende bijenzwerm.
4. Breathing the space
Het raakt je niet :
het staat je aan. Het gebouwde
heeft niets behouden van de
verhouding der ingezetenen
tot wat hen voorstond : god
is dood & weerom is het kerkbezit
bezeten van het niets dat zij
halsstarrig hakten in zijn al, een
vorm van buiten die niet binnen wou.
Maar nu je van de witste zon
de zwaar getrokken grens betreedt
& tot je naam geslagen wordt,
ontzet je warmste leden al
als pingpongbal het koele, stille
duister in ziet zweven, beef je
even, voor je bruusk de klank invalt
die hier als glas het licht aansnijdt
tot waas, tot mist in aardse duisternis.
Het staat er niet : je raakt het aan.
5. Nothing matters
Het leven dan
is onaantastbaar : dageraad,
de zon komt netjes in
het magnifiek geplaatste
kathedraalrozet geschoven
& 't monotone tikken
van je naaldje ik op het
je toegewezen raamluik
in de zwartglazen muur
breekt af, brak door & barst
in polychrome schittering.
De prins aan scherven stamelt
in dit licht van ademnood
& jij nog minder dan nooit
bij het teveel aan noten :
een Messiaanse melodie
van merels, duif & pauwen
haakt in je hang naar nacht
je naam om op te staan.
© Dirk Vekemans, 2008
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Wow, merci broer, gezijneschat, en zoals ik al zo lang weet: ne verdomd goeien dichter!
Geplaatst door: Herlinda Vekemans | 5-3-08 om 16:18
Waarlijk mooi, is dit.
Geplaatst door: Otto Maanzaad | 27-3-08 om 0:15