Poëtische hulptroepen
Het Huis van de Poëzie heeft vele kamers; nu nog een voordeur. Zo zou het pleidooi van Ron Rijghard in het Cultureel Supplement van 29 juni jl. misschien het beste kunnen worden samengevat. Rijghard signaleert dat de Nederlandse poëzie slecht is in het dagelijks gebruik. Hij roept dichters op tot het schrijven van gedichten die ons door de dag heen helpen, poëzie die kan inspireren en verlichten, die een hart onder de riem steekt. Waar is de toegankelijke, begrijpelijke poëzie die je kunt navertellen, die van toepassing is op je eigen leven?
Als ik zie hoe vaak er gedichten van mij met meer en minder accuratesse worden geciteerd door webloggers, zou ik zeggen: kennelijk in mijn bundels. En als ik zie wat er in mijn omgeving aan gedichten op servetten, beddengoed, posters, deuren en glazen zijn aangebracht, kan ik daaraan toevoegen: in de catalogus van Plint.
Een paar keer per jaar schuif ik bij goede vrienden aan voor een poëziediner. De aanwezigen lezen elkaar de hele avond voor uit, onder vele anderen, Toon Tellegen, Wislawa Szymborska, Bart Moeyaert, Gerrit Komrij, Tjitske Jansen, Joke van Leeuwen, K. Michel en Hagar Peeters (wiens gedicht ‘Genoeg gedicht over de liefde vandaag’ een jaar terug ongevraagd werd gemutileerd in het feelgood-blad Happinez; over navertellen gesproken).
Kortom, in mijn omgeving zijn er genoeg mensen die de weg naar poëtische hulptroepen weten te vinden, maar ik wil gerust aannemen dat dat niet overal zo is. Volgens mij is dit niet alleen maar de schuld van de dichters; in Nederland grijpt een normaal mens kennelijk pas naar een dichtbundel als er een kist de grond in moet. Daarbij zou je kunnen betogen dat je voor gedichten met een doel niet bij de Nederlandse poëzie moet zijn.
Onze poëzie wentelt zich nu eenmaal in zelfverklaarde autonome nutteloosheid. Ik ben blij dat iemand zich daar eens over opwindt, maar wil ook aandragen dat er voor maatschappijkritiek, satire en het begrijpelijk brengen van grote gevoelens andere ventielen zijn, namelijk cabaret en Nederlandstalige muziek, twee genres die zich uitstekend laten navertellen als iemand naar goede woorden voor een groot gevoel zoekt. Zo heb ik al jaren geleden Acda & De Munnik horen citeren bij een crematie, en de tekst van het nummer ‘Astronaut’ van Spinvis wordt zowel voor geboortekaartjes als in rouwadvertenties gebruikt.
Dat betekent niet dat ik het volkomen oneens ben met Rijghard. Het is een feit dat dichters van toegankelijk werk zelden voor vol worden aangezien door de kritiek, en dat de term ‘poëziekritiek’ in dit land nagenoeg synoniem is voor ‘de dichters zelf’. Het lijkt me verdedigbaar dat deze houding mede voortkomt uit de eerdergenoemde zelfverklaarde autonomie van het genre; in dit land is poëzie pas echt poëzie als het nergens goed voor is en als het dientengevolge ook bijna niemand aanspreekt, een paar duizend hartstochtelijke liefhebbers en twee busladingen beroepslezers daargelaten.
Het zal niet altijd zo zijn geweest, maar vermoedelijk moeten we een paar eeuwen terug als we dichters willen aantreffen zoals Ron Rijghard ze liever zou zien: als leveranciers van troost, hoop, maatschappijkritiek, misschien zelfs als advocaten van normen en waarden. Ik moet onwillekeurig denken aan een bijvak dat mijn lief vorig jaar volgde over oud-Iers recht: ooit konden dichters in Ierland de hoogste maatschappelijke status van het land bereiken, gelijk aan rijke kooplieden, edelen, zelfs koningen.
Een dichter kon zijn opdrachtgever maken, en diens tegenstander breken - hij bezat zelfs de macht om iemand bijna letterlijk dood te schrijven door zijn slachtoffer dusdanig zwart te maken in gedichten, dat hij aan de bedelstaf raakte. Een dichter schreef niet alleen zelf nieuw werk in opdracht, hij werd ook verondersteld zeer veel lange gedichten van voorgangers uit zijn hoofd te kennen en bij passende gelegenheden te declameren. De dichter was zodoende entertainer, reclameman, magiër, chroniqueur – alles wat de gemiddelde Nederlandse dichter niet is en ook niet worden wil. Er wordt nog altijd neergekeken op dichters die optreden en schrijven in opdracht.
Piet Gerbrandy trok vorig jaar in het essay ‘Formats & targets’ fel van leer tegen dichters die op die manier met hun werk wensen deel te nemen aan de economie. ‘De muzen zijn geen hoeren, maar godinnen’ aldus Gerbrandy. Ik vind het verrassend dat zo’n toonaangevend criticus niet alleen zichzelf zo openlijk uitroept tot amateur, maar zelfs kritiek heeft op dichters die professioneler met hun werk wensen om te gaan – ik neem zelf althans de bemoeienis van amateurs met mijn beroepspraktijk zelden serieus – maar het is een duidelijk signaal dat het betoog van Ron Rijghard op sommige punten wel degelijk hout snijdt.
Als dichters zich al niet met zulke lage zaken als optreden en schrijven in opdracht bezig mogen houden, hoe kunnen ze dan werk schrijven waar een niet ingewijde lezer iets mee kan? De dichter mag de gewone lezer niet eens proberen aan te spreken, op straffe van de kwalificatie dat hij hoerenloper is in de Muzenbuurt, waar bovendien elk bordeel eigenlijk een tempel voor vrijetijdsdichters is.
Tenslotte; bestaan er in Nederland werkelijk geen dichters die de poëzie naar het volk willen brengen? Zeker wel, maar die bevinden zich (nog) volkomen onder de radar van de landelijke media en de literaire smaakmakers, in het slamcircuit. Er is de laatste jaren wel geschreven over de meer opzichtige kanten van dat circuit, zoals het wedstrijdelement en het feit dat sommige slamdichters op internet hun eigen circuit neerzetten als een rellerige slangenkuil door voortdurend ruzietjes met elkaar uit te vechten op hun weblogs, maar er is tot nu toe bitter weinig gezegd over hun werk en over wat hen beweegt. Bij het lezen van Rijghards enthousiasme over Taylor Mali moet ik direct denken aan de slamdichter Gijs ter Haar, een boomlange man vol tatoeages die zichzelf onomwonden presenteert als anti-establishment.
Zijn motto’s ‘Poetry to the People’ en ‘Als niemand je snapt weet je niets te delen’ zouden Rijghard op het lijf geschreven moeten zijn. Ter Haar dicht vanuit zijn hart, en daardoor kan hij zich op het podium en in zijn gedichten opwinden over allerlei misstanden, net als Mali. Ook geeft Ter haar veel optredens op scholen om kinderen te winnen voor de poëzie. Hij doet dat met gedichten die, wat je er verder ook van vindt, te kwalificeren zijn als duidelijke taal. Zoals de dichter op zijn weblog postte, de dag dat het pleidooi van Rijghard in de krant stond:
Neem dit brood
Neem dit brood, dit is mijn lichaam
draag het over drempels heen
in vrede van verstilde huizen
voedt je kinderen en de honden
dat er niets verloren gaat
als elke letter is verteerd
laat me vallen in een pan
met andere excrementen
© Gijs ter Haar
© artikel Ingmar Heytze, 2007

Reacties