Interview met Hans van de Waarsenburg
Toen ik onlangs een lang weekend doorbracht in Ljubljana, liep ik daar Hans van de Waarsenburg tegen het lijf (op de foto Van de Waarsenburg, rechts, en uw hoofdredacteur, links, in Triëst, waar we na Ljubljana nog een weekend doorbrachten). Van de Waarsenburg was er niet, zoals ik, om maar wat te lanterfanten... nee, hij was er om voor te lezen uit zijn onlangs verschenen bundel Opisovanja jezera. Meteen ontspon zich een spontaan interview, waar we hieronder de weerslag van publiceren.
CB: in 2004 verscheen een bundel in Mexico, in 2006 in Macedonië en onlangs verscheen Opisovanja jezera, een bundel die een keuze uit je werk representeert, in Slovenië. Tekent zich hier een internationale doorbraak af?
HvdW: Laat ik bescheiden blijven. Ik was zeer vereerd toen de Mexicaanse uitgeverij TRILCE zich aandiende met het verzoek om een bloemlezing uit mijn werk uit te geven. TRILCE is een uitgeverij van ‘standing’ en geeft onder andere dichters uit als Nuno Judice (Portugal), Seamus Heaney (Ierland) en Matthew Sweeney. De dichteres en vertaalster Pura Lopez Colomé, zij vertaalde Heaney en Sweeney, was bereid om in samenwerking met mijn Engelse vertaler (Peter Boreas) en mijzelf een keuze uit mijn gedichten in het Spaans te vertalen. En dat heeft ze schitterend gedaan. En de bundel is overigens prachtig uitgegeven. Tja, en Spaans is een wereldtaal. En dat heeft misschien uitnodigingen uit Columbia en Argentinië opgeleverd. Maar die heb ik helaas moeten afzeggen.
De Macedonische uitgever en dichter Igor Isakovski heeft een dikke bundel van 310 pagina’s in 3 talen (Macedonisch, Nederlands, Engels) uitgebracht. En zo is er dus recent in Slovenië een beknopte bloemlezing op fraaie wijze uitgegeven.
Maar een internationale doorbraak via kleine taalgebieden? Nee, dat lijkt me onmogelijk.
Overigens de complimenten aan het NLPVF die ondersteunen, waar ze kunnen ondersteunen.
Natuurlijk streelt het, zo’n bundel in je hand. Zo’n bundel die je niet kunt lezen, maar waar gedichten in staan die blijkbaar in vertaling ook elders in de wereld aanspreken. En daar gaat het om, uiteindelijk. Geen geneuzel op de vierkante millimeter, maar de horizon en alles wat daar tussen ligt!
CB: De horizon en alles wat daar tussen ligt... Een boeiend perspectief. De Nederlandse poëzie heeft soms horizonvrees, inderdaad.
Hoe zie jij dat voor je eigen werk, waarin je van specifiek - geëngageerd bent geëvolueerd naar persoonlijk - geëngageerd; iets wat volgens mij de weidsheid en het universele in je werk ten goede is gekomen...
HvdW: Nederland is een land dat ontzettend graag ‘labelt’, etiketten opplakt, in hokjes en vakjes stopt. Om het overzichtelijk te houden, denk ik. Ik werd vroeger – sprak opa - als ‘politiek – geëngageerd dichter’ beschouwd in negatieve en positieve zin. Dat etiket, realiseerde ik me pas later, is te vergelijken met een soort ‘levenslang’. Daar kom je niet meer van af. Ik vind het allemaal prima.
Men ‘labelt’ maar verder.
In De Volkskrant van vrijdag 29 juni 2007 las ik een interview met de Amerikaanse dichter Mark Strand. Hij zegt daarin o.a. dat hij geen vaste manier heeft om gedichten te maken. Letterlijk: ‘Een krantenfoto uit Irak kan het begin zijn.’ Mijn eerste ‘geëngageerde ‘ gedichten schreef ik in 1965 naar aanleiding van foto’s in Het Parool die oorlogsbeelden uit Vietnam lieten zien.
Maar daarnaast zie je ook in mijn vroegere werk thema’s opduiken die ik later ben gaan uitwerken. De zee is er één van, maar ook het landschap speelde al vroeg een rol in mijn werk. En laten we de muziek niet vergeten!
CB: Labelen is inderdaad een favoriete bezigheid in Zeverland. Je raakt wel een boeiend punt in je antwoord: je dichterschap is één geheel, daar waar buitenstaanders (ook ik, eigenlijk) je soms zien als de dichter van vóór en van na de Zoveelste Internationale.
HvdW: Weer een probleem opgelost!
CB: Mocht jij je dichterschap dan kort mogen omschrijven ('labelen'), en dat mag, hoe zou je dat doen? Ik zie je, zeker sinds de laatste vier bundels, als een dichter die het autobiografische exploreert, een exploratie die bijna automatisch leidt tot 'universeel' werk; veel dichters die ik graag lees, blijven dicht bij hun eigen leven – wat juist verrassend 'wereldse' poëzie oplevert.
HvdW: Ik maak gebruik van mijn autobiografie, maar op een diverse en naar ik hoop geraffineerde manier. Ik ben een dichter die geen aantekenboekjes bij zich heeft. Ik registreer met mijn zintuigen.
Vroeger was ik me niet bewust van het feit dat ik goed kon observeren en vooral kijken en daarvoor een bijzonder geheugen had. Vandaar dat heden en verleden zich zodanig kunnen vermengen, dat er een werkelijkheid ontstaat, die voorheen niet bestond.
’Universeel’ klinkt prachtig maar het is wel een woord dat voor mij de kermisattractie van de zweefmolen oproept. Aards ja, daar ben ik het mee eens. Werelds? Ik kan me redden in een groot aantal landen, vooral daar waar ik me thuis voel.
CB: Je poëzie is aards. Je zegt dat je je daar 'vroeger' niet van bewust was, valt dat vroeger nog binnen je dichterschap? Zo ja, wanneer is het omslagpunt gekomen?
HvdW: Naarmate ik ouder werd, schat ik zo in, tuimelde de schat aan herinneringen uit hun krochten het bewustzijn binnen. Bij mij zijn herinneringen dikwijls visualiseringen van ontroerende, aangrijpende, indrukwekkende beelden, die ik wel of niet kan gebruiken. Het schrijven van gedichten is voortdurend een keuze maken uit beelden, ook uit het verleden. In wezen is het wat Seamus Heaney omschreef als ‘digging’.
Graven in de veenlagen van je verleden, ‘spitten’ in de turf, de vezels van de klot ontrafelen, en daarom heen mensen, dode mensen tot leven wekken. Of mijzelf? (Althans dat menneke van toen?)
Voorbeeld:
Boerderij Brouwhuis
We gingen niet naar mijn oom
Of tante, maar naar Boerderij
Brouwhuis. Een verre rit. Altijd
Op de fiets, ik achterop.
Verscholen tussen leibomen en
Melkbussen, in een oksel van de
Peel, werd ‘volk’ geroepen. Kort
Daarna verschenen ze op het erf.
Een landschap van schraal zand,
Door eeuwen geturfd, geen woord
Teveel. Een hand, warme melk,
Vers van de koe en verder zwijgen.
De stad onzichtbaar, een graai naar
De haan, de scherpe snavel hakt naar
De kinderschoen. De kippen tokkend.
Water uit pomp en put. Of alles zo
Zou blijven. Of er geen herfst of
Winter meer zou komen. Er achter
De rug van het paard niets anders
Bestond, dan dit stille leven.
****
Vooral de geheimzinnige geuren
Van de boerderij, de varkens en de
Koeien die hij zich ‘s avonds, thuis
En in bed, probeerde te herinneren.
Door het open slaapkamerraam klonk
Zacht muziek. Radio Hilversum was
Een zee vol rare golven en ruiste als
Wind door de lindebomen. Geur
Vermengde zich met klank, versmolt
Tot solide herinnering aan Boerderij
Brouwhuis. Verdwenen, maar soms
Zo aanwezig, alsof tijd niet bestond.
(ongebundeld)
Tijd kent geen omslagpunt. Alles verdwijnt en komt terug. In Ljubljana, waar ik recent was, vond ik op een vlooienmarkt twee bankbiljetten uit de Tweede Wereldoorlog. Biljetten van tien gulden (Betaald aan toonder). Het ene biljet, met watermerk, was van 1941. Het andere van 1944, allebei ondertekend door Rost van Tonningen! Dan wil ik, na driemaal dralen een koop sluiten en met een goed getapte pils bij de hand aan mijn grootouders, en ouders terugdenken. Dat geld was hen vertrouwd en het was veel geld. Een tientje in de oorlog. En ik kijk, met mijn goed getapt glas bier voor me, naar het watermerk, de vouwranden van het biljet. Raar en vreemd dat thuis voelen door een stukje papier. Het idee dat je tussen 1941 en 1944 bent geboren.
CB: In Azul zit dit ook al helemaal. ’Verdwenen, maar soms / Zo aanwezig, alsof tijd niet bestond.’
Dat is fraai. Wat ik me, naar aanleiding van dit citaat en van je antwoorden afvraag, is het volgende: is dat 'aardse', dat vermengd is met engagement, in de ruime zin van het woord, niet ook voorzien van, en nu niet meteen gaan sputteren, een 'religieuze' notie, waarbij ik dat 'religieuze' eerder zie als 'tijdloosheid', als iets waar de poëzie aan het 'eeuwige' kan raken, als iets dat dichter bij de poëzie van Les Murray komt dan bij die van Beets?
HvdW: Laat ik beginnen met een citaat van de door jou genoemde Les Murray, dat op fraaie wijze in één regel een gedeelte van mijn ‘Werdegang’ als dichter omvat:
‘Ik zwaai mijn bijl over mijn schouder en keer huiswaarts door de stilte.’
(‘De slabonenpreek’, zie: Houthakker op het middaguur, Meulenhoff, 1997. Vertaling Maarten Elzinga)
Dus Beets en de Beetsen (er wordt nog altijd ‘gebeetst’) daar heb ik niet veel mee. Dus Les Murray en Seamus Heaney en Ted Hughes en zoveel meer prachtige dichters, ja! Daar word je vanzelf klein bij en bescheiden als Nederlandstalig dichter.
Ik kan niet aan het eeuwige raken en dat wil ik ook niet. Er zijn in mijn poëzie veel connotaties naar mijn katholieke achtergrond te vinden. Dat wel. Ik had iedere week een tien voor godsdienst in mijn rapport staan. En de bijbel was een ongelooflijk boek om te lezen.
Daarom hangt er zoveel in de herinnering, heeft zich dat uitgekristalliseerd, net als alle andere beelden en is dat een bron geworden waaruit ik kan putten. Dat doe ik dan ook, wanneer het mij uitkomt.
Maar houd me ten goede: ik ben geen NEO – KATHOLIEK dichter, geen poëtische zemelaar of slijmslak, die in wijwater en wierook gedrenkt, als een Roomsche Wolf in Schaapskleren opnieuw de poëzie is binnengeslopen. Predikend en zalvend, minzaam lachend, jeukende, zelfverheerlijkende askruisjes tijdens lezingen. Dit alles staat ver van mij af.
Tijdloosheid? Dat even niet bestaan? Dat terughalen van vroeger en ooit? Ik kijk naar mijn gedicht ‘Zuidwal’, uit de gelijknamige bundel uit 1995.
Ik kijk eveneens naar mijn gedicht ‘Misdienaar’ uit Azul (2006), waar opnieuw ‘de oude man’ samenvalt met de jongen die hij ooit was:
Misdienaar
Alleen ik weet nog wie je toen was,
Blonde jongen, kleine misdienaar
Met de blauwe ogen, zes jaar oud.
De handen gevouwen, het hoofd
Gebogen. In zwarte toog en witte
Superplie knielde je op de onderste
Altaartrede. Rinkelde met de bel.
Loofde in helder Latijn de Moeder
Gods. Bekende schuld. Sprak Credo.
Of alles Zeepwaardig Zonlicht was,
Slikte jij met afgrijzen een in bloed
Gedrenkt lichaam door de keel, dat
Daarvoor als witte uitslag op de tong
Plakte. Elke hostie was sterven in
Dromen van vuur en hellebrand:
Blonde jongen, kleine misdienaar.
Met bejaarde ogen, de handen niet
Gevouwen, kijk ik naar je terug.
Eet het gedesemd brood, lik de
Miswijn van je vingers en vrees
Niet meer. Je bent nog altijd zo
Nabij, dat ik soms het zout van
Jongenstranen proef. Je blik
Herken en jaren zich hechten.
CB: Heeft je werk als festivaldirecteur van The Maastricht International Poetry Nights, en het daarmee samenhangende contact met dichters, je blik op de internationale poëzie veranderd / verbreed?
HvdW: Nee! Ik denk eerder dat het omgekeerd werkt. Door mijn kennis van en ervaring in de internationale poëziewereld, kan ik dichters bereiken en bereid vinden om naar Maastricht te komen. Daar ontstaat dan wel een bijzondere chemie tussen de uitgenodigde dichters en dikwijls ook het publiek. En met publiek bedoel ik de geïnteresseerde, de echte poëzieliefhebbers, die verder kijken dan provinciale of landsgrenzen en bereid zijn, uit de verre omtrek, om naar Maastricht te komen. Wat natuurlijk fantastisch is.
De bundels van Hans van de Waarsenburg verschijnen in Nederland bij de Wereldbibliotheek.


HvdW raakt het eeuwige meer dan hij zelf vermoedt; hij tilt de aarde naar de zon, de anekdote naar de trillende horizon, verten schenkt hij nabijheid en hij gebruikt het enjambement als weinig anderen.
Geplaatst door: Gert Boonekamp | 7-7-07 at 11:04