Hans Kloos' (1960) eersteling Legioen verscheen in 1986 bibliofiel op instigatie van zijn vrienden Jan Kostwinder en Marisa Groen die daartoe een uitgeverijtje met de welluidende naam Kruiwagen in het leven riepen. Tot op heden volgden vier bundels; recentelijk zag zoekresultaten
voor liefde, dood, afscheid, huwelijk, oorlog, water, biografie,
vriendschap, geluk, geboorte, ouder(s), alleen, jarig, sonnet, school,
zomer, verhuizen, humor, poëzie, oma het licht. Deze bundels verleidden zeer verschillende critici tot dit soort uitspraken: ‘Kloos schrijft gedichten die zich als een film voor het oog van de lezer ontrollen’ (Gerbrandy), ‘Zijn filmploeg heeft een goede geluidsman’ (Heytze), 'Bij Kloos is het allemaal concreet, menselijk. En liefdevol. (…) En het resultaat is nieuwe poëzie’ (Kregting).
Als vertaler heeft hij werk op zijn conto staan van onder andere Michael Ondaatje, Astrid Lindgren, Torgny Lindgren, Marianne Moore, Lars Norén, Monty Python en Thomas Tidholm (de bloemlezing Ik was een slechte hond, 1995). Daarnaast heeft hij een toneelmonoloog en de tekst van een strip geschreven en houdt hij zich op hanskloos.nl bezig met de mogelijkheden van het digitale medium. Sinds maart 2006 vervult hij bovendien het edele stadsdeeldichtersambt van het Amsterdamse stadsdeel Westerpark.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
De vraag veronderstelt dat het kan en dat dit ene gedicht representatief is. Als dat zo is, zou een psychoanalytisch criticus na lezing van mijn werk waarschijnlijk de volgende diagnose stellen: vergevorderde schizofrenie – de menigte stemmen laat zich niet herleiden tot één personage. Ik heb mij wel eens afgevraagd of ik, gelijk Pessoa, mezelf als dichter zou moeten opsplitsen in een aantal heteroniemen. Maar dat zou leiden tot een ordening die ik niet zie en ook niet hoef. Ik scheid de koppen liever niet van mijn romp. Ik kan echter slechts één kop door deze maak-een-foto-van-uzelf-als-dichter-stellage steken. De andere zijn onder meer te bezichtigen op hanskloos.nl en in mijn onlangs verschenen zoekresultaten voor liefde, dood, afscheid, huwelijk, oorlog, water, biografie, vriendschap, geluk, geboorte, ouder(s), alleen, jarig, sonnet, school, zomer, verhuizen, humor, poëzie, oma. De bushokkop die ik nu door het gat steek, is het laatste gedicht uit die bundel.
Je ziet hier iedereen voorbijkomen
interview met het bushokje
Marcanti-eiland
achter me stonden vroeger
op een zandvlakte in de winter
de kermisgasten
die zijn nu verstopt aan de overkant
tussen de markthallen en de begraafplaats
soms ben ik een bed
en vaak slachtoffer
van vandalisme
ik zat een keer
vol met kogelgaten
als iemand bus na bus
niet instapt de ogen gesloten
het hoofd tegen mij rustend
wou ik dat ik de rokken
van zijn moeder was
mijn glas rammelt
zachtjes bij het remmen
en optrekken van mijn vrienden
de nachtbussen
om de zoveel jaar krijg ik gratis
een complete makeover
ik begin nu te rotten
in mijn betonpoeren
maar zo lang de stad blijft
zal ik wel blijven
ik word ook op gezette tijden gereinigd
eind jaren tachtig
was er een klein punkmeisje
dat steeds weer glasnost op mij spoot
vorige week verkondigde ik nog:
weg met de kazen!
het mooist is het
als ik vol stroom
met lijven op zoek
naar de gewenste afstand
van elkaar en de regen
ik heb een keer gedroomd
dat ik midden op straat stond
en iedereen dwars door me heen reed
de volgende dag
was ik tijdelijk opgeheven
wegens wegwerkzaamheden
dat moeten ze niet te vaak doen
dat is niet goed
voor het zelfvertrouwen van een bushalte
ik heb een neef
waar nooit iemand uitstapt
2. Waarom poëzie?
Ik heb in de loop der jaren te midden van vele mogelijke redenen er twee kunnen ontdekken waarvan ik redelijk zeker ben: ik kan het niet laten en het is goed voor mij.
Toen ik ergens begin twintig was, heb ik een tijdje geprobeerd niet te schrijven – het waarom laat zich hier niet eentweedrie uit de doeken doen – en dat heb ik nog geen jaar volgehouden. Op de zoveelste dag dat er zich maar regels in mijn hoofd bleven vormen, ben ik ze maar weer op papier gaan zetten. Het was en is niet anders.
Een geliefde heeft mij eens woedend toegevoegd: Man, ga toch schrijven! Het was er door fysieke en andere omstandigheden al een poosje niet van gekomen en ik was inmiddels niet meer te genieten, niet voor mijn omgeving en niet voor mijzelf. Ik zie dichten niet als therapie, ben ook geen autobiografisch schrijver – het eigen leven is een van de vele materialen – maar niet schrijven is niet goed voor mijn welbevinden en dat van mijn naasten. De combinatie van het niet kunnen laten en de kriegeligheid van het niet doen zijn eventueel te duiden als symptomen van verslaving, bedenk ik nu, maar de hoop is dat mijn schrijven niet alleen mij goed doet, maar ook wie het resultaat leest.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Goede en slechte. Olivia Newton-John is waarschijnlijk de allerslechtste. Haar ‘Let’s Get Physical’ belandde zomaar als titel boven een gedicht uit de hand boven het hoofd. In een ander interview heb ik al eens een hele rits goede genoemd.
Waarschijnlijk ben ik kortere of langere tijd besmet geweest met wat ik zoal heb vertaald. En als Bernlef dat niet al was overkomen met Tranströmer, Ten Berge met Ekelöf en Nijmeijer met Simic, had ik me dat graag laten gebeuren. Vasko Popa.
‘And the horses wonder who U are’, een regel uit ‘Raspberry Beret’ van Prince, duikt meerdere keren op in mijn werk. En momenteel werk ik aan een gedicht dat zijn ontstaan dankt aan een plek in Westerpark en aan Nijhoffs ‘Het kind en ik’.
Op school moest ik een zelfgekozen gedicht voordragen. Ik begreep amper iets van ‘De rijke armoede van de trekharmonika’, maar was wel gegrepen door Van Ostaijens gedicht. Het enige dat mijn lerares Nederlands na mijn brugklassertjesvoordracht kon uitbrengen, was een ontsteld “Dit kan niet, dit kan helemaal niet!”. Ze gebaarde mij weer te gaan zitten, gaf de klas een grammaticaopdracht en beende het lokaal uit, waarin ze pas vlak voor het gaan van de bel weer verscheen zonder ook maar met een woord te reppen over het voorval. Of ze nu zo ontzet was door mijn voordracht, het gedicht of beide, weet ik tot op de dag van vandaag niet, maar wel dat de late Van Ostaijen met zijn eenvoud, herhaling en variatie hier en daar zijn sporen nalaat in mijn werk.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandse poëzie willen laten opnemen?
Weerwerk van Bert Schierbeek, maar ik ga geen RSI riskeren door 145 pagina’s over te typen. Misschien iets voor het hier onlangs geopperde digitale archief?
© foto Roeland Fossen
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Reacties