Voor u staat wat men vroeger een gesjeesde student noemde. Het moment waarop ik sjeesde viel ergens in 1988, mijn eigen annus horribillis, met de details waarover ik u vandaag verder niet lastig zal vallen. Vanaf 1983 had ik – eerst als neerlandicus, en vanaf 1985 ook als student Algemene Literatuurwetenschap – geprobeerd om de studie, die mij zo aanlokkelijk had toegeschenen, af te ronden, een mooi plan dat strandde op luiheid en op onwil om aan te nemen dat de theorie waar het bij literatuurwetenschap om draaide iets wezenlijks kon zeggen over de literatuur die ik, met heel mijn post-puberale gemoed, zo intens beleefde.
Sinds mijn sjezing 1988 heb ik de literatuur wel steeds gediend – vermoedelijk uit een vaag schuldgevoel jegens mijn hoogleraren Kees Fens en W. Bronzwaer, twee leermeesters voor wie ik nog steeds grote waardering heb (voor de eerste wat minder, voor de tweede wat meer). Ik deed en doe dit onder meer als boekverkoper, toegevoegd redacteur, gewoon redacteur, standhouder tijdens beurzen en uitmarkten, persklaarmaker, tijdschriftredacteur, schrijver van recensie-achtige teksten, bloemlezer, beheerder van een poëziereeks en oprichter van een poëziesite. Het krijgt zowaar iets weg van achterflapproza, waarin auteurs altijd blijken te hebben gewerkt als barman, afwasser en helpdesk-medewerker.
Dat dienen van de literatuur neem ik nogal serieus. Ik bedoel hiermee waarlijk dat er een instantie is – de literatuur – die op zichzelf en buiten om ons bestaat, maar die wel door sommigen onder ons – want velen voelen zich geroepen, maar slechts weinigen zijn in staat om daar gehoor aan te geven – gediend moet worden. Alle hierboven door mij genoemde functies zijn dan ook samen te vatten met de door Martin Ros geïntroduceerde term 'letterknecht'. Ik ben een letterknecht en verheug mij dagelijks in het werk dat op mij wacht.
Ooit, in mijn jonge jaren namelijk, zo ongeveer voor mijn achttiende, om niet te zeggen: op mijn zestiende, ben ik gebeten door de literatuur, en het is nooit over gegaan. In het begin, tot mijn vijfentwintigste, vond ik alles wat ik las op zijn minst een beetje interessant en vrat ik mij, als een soort graafmachine, een gang door alle aardlagen van de literatuur heen. Ondertussen ontwikkelde ik – eerst voorzichtig, al snel met de panache die de jeugd kenmerkt – een eigen smaak. Hoe ik dat deed, weet ik niet meer. Wel weet ik nog, dat ik vanaf het begin van mijn queeste strikt persoonlijke, om niet te zeggen dictatoriale maatstaven aanlegde als het ging om een kwaliteitsoordeel. Alleen wat ik goed vond, was ook echt goed. Ik leek wel een redacteur van yang. Wat mij onderscheidde van deze diersoort, was de interesse die ik voor literaire teksten aan de dag legde, en het gegeven dat die interesse verder ging dan wat de literatuur-correcte smaak mij voorschreef.
En hier komen we voor het eerst op een wezenlijk punt. Veel mensen die ik sinds mijn letterknechtschap ontmoette, bleken zich – ook al deden ze zich anders voor – nauwelijks te interesseren voor de boeken die ze lazen, maar meer voor de doelen die ze, na lezing van honderden keren voorgekauwde teksten, konden bereiken. Niemand kan mij, om een voorbeeld te noemen, wijsmaken dat álle literatuurwetenschappers allemáál tegelijk een liefhebber zijn van het werk van Beckett en Joyce, ik bedoel van Samuel Beckett en James Joyce. Toch waren ze het tijdens mijn studietijd allemaal. Dat wordt op den duur verdacht. Tevens lijkt het mij sterk, dat álle studenten van een aantal lichtingen tegelijkertijd de hoogste intellectuele bevrediging vinden in het lezen van het werk van Jean-François Lyotard; toch ben ik van dergelijke collectieve verdwazing de verbaasde getuige geweest.
Grote Europese schrijvers als Kafka of Hamsun – geen student die er (in mijn tijd) een letter van tot zich nam. Hoogstens werden er uitstapjes gemaakt naar tweederangs Amerikanen, want in de literatuurwetenschap is de veramenikarisering een nog groter probleem dan in de ‘gewone’ maatschappij. De literatuurwetenschap speelt zich af in de Verenigde Staten van Amerika en baseert zich op tig-keer opgekookte en meerwerf uitgekauwde en consequent verkeerd begrepen Franse ideeën. De in mijn studietijd voorgeschreven kost, van Lotman tot de antisemiet Paul de Man; – alleen een dorre geest kon deze teksten tot zich nemen zonder zich te verliezen in een lichte vorm van krankzinnigheid. Ik ben niet ongevoelig voor de marmerharde zekerheid, die een theorie kan vertegenwoordigen, sterker nog: ik heb een grote bewondering voor iedereen die een mooie theoretische tekst kan schrijven, ik laat mij graag benevelen door de roes van de theorie, maar helaas zijn de meeste theoretici niet in staat om een zin die niet mank loopt op te schrijven. En ze zijn theoretisch niet voldoende onderlegd, excusez de paradox.
Terzijde. Ton den Boon, mijn uitgever (die wij later nog tegenkomen), meldt: ‘In Groningen - ik ben ook literatuurwetenschapper - deden we helemaal niet aan Amerikanen. De Man - ik heb weleens van hem gehoord, maar dat is ook al. En wij lazen Kafka, Thomas Mann, Narziss und Goldmund van Hesse vanuit het perspectief van de narratologie, Dostojewski en Tolstoy ('heren en dame' - wij waren met drie studenten ALW - 'wij lezen dit semester elke week een boek uit de wereldliteratuur, en dat zijn dikke boeken. Dat betekent dat jullie om de week een referaat moeten voorbereiden.'), en ik herinner me dat we ook eens wat met Honger van Hamsun hebben gedaan. Lyotard, Barthes, Levi-Strauss, Foucault en en Julia Kristeva waren inderdaad hip, ook in Groningen. Maar wij moesten ook de Russische literatuurwetenschappers lezen: Viktor Sjklovski. Bahktin en zo. Wij moesten enorm veel lezen in die twee jaar, maar ik denk er nog steeds met weemoed aan terug, aan die lessen met z'n drieën op de kamer van professor Mooij, Zonder die jaren zou ik heel wat klassiekers niet gelezen hebben.’ Het kan dus wel en je hoeft het niet altijd – zoals ik – op je eigen houtje uit te vinden, maar bij ons, in Nijmgen, was het curriculum zowel bij Nederlands als bij ALW zo leeg als de boeken van Mieke Bal of Maarten van Buuren.
We slaan nu een paar jaar over en belanden in 2004. Na mijn hierboven beschreven 12 ambachten en 13 ongelukken begeef ik mij in wat een boeiend avontuur zou worden. Op 29 september 2004 verschijnen namelijk vier nieuwe dichtbundels in de door mij heropgerichte Windroosreeks, een poëziereeks die eerder tussen 1950 en 1972 werd geredigeerd door Ad den Besten. Tijdens de presentatie in het Letterkundig Museum zei ik onder meer het volgende:
'Het idee om de Windroos nieuw leven in te blazen, heb ik al heel lang. De een wil conducteur worden, de ander leraar in het voortgezet onderwijs, en ik, ik wilde de Windroos nieuw leven inblazen. In februari van dit jaar trok ik uiteindelijk eens de stoute schoenen aan en belde uitgeverij Holland, de uitgeverij die in de jaren '50 furore maakte met de reeks, en die nu vooral bekend is als kinderboekenuitgever. Ik kreeg de uitgever, Ruurt van Ulzen, te spreken, en hij zei, nadat ik mijn plan hakkelend en wel uiteen had gezet: 'Nee, daar beginnen wij niet aan.’
Uiteraard begon Van Ulzen er wel aan. Twee maanden na het verschijnen van de vier bundels, op 21 november 2004, begon ik een weblog, om de papieren reeks te kunnen promoten – http://dewindroos.web-log.nl Al snel verliet ik de bedding van mijn promotionele bedoelingen. Ik nam (al dan niet bewerkte) persberichten op die mij werden toegezonden, ik schreef nu en dan eens een opiniërend stukje en ik snoeide de dorre takken, die ik her en der in de tuin der Nederlandstalige poëzie meende te ontwaren. Het viel me op dat de vorm – een weblog – mij paste: korte en lange stukken, interviews en recensie, aankondigingen en korte, felle tackels op de man, alles door elkaar heen: ik vond het vanaf het begin geweldig om te doen.
De bezoekersaantallen – want net als een papieren blad is een website of een weblog afhankelijk van het aantal lezers – namen al snel een hoge vlucht. Zo’n hoge vlucht, dat het weblog zich leek los te zingen van de reeks. Ondertussen verliep de samenwerking met de uitgever van de Windroos, Holland, om meerdere redenen niet soepel. Mijn idee was om de reeks uit te breiden en meer handen en voeten te geven, Holland wilde op zeker spelen. Bovendien was ik ontevreden over de manier waarop men de reeks wilde exploiteren.
In die tijd ontmoette ik Ton den Boon van BnM Uitgevers. Hij zag wel brood in een poëziereeks. We hebben nog geprobeerd om met Holland samen te werken, maar dat is helaas niet gelukt. Daarom zijn we, na ampel beraad, een nieuwe poëziereeks begonnen: de Contrabasreeks. Voor het weblog leverde dat een probleem op. Ik had de naam de Windroos in de titel ervan staan en wilde die eigenlijk niet graag opgeven. Na veel vijven en zessen en gezeur van Holland kwam ik tot een polderoplossing: ik noemde het geheel ‘Het weblog van De Contrabas’ en handhaafde de url: http://dewindroos.web-log.nl
Nu gaan we naar begin 2005. In die tijd kreeg ik een e-mail van Ton van ’t Hof, een dichter met een eigen weblog, stelde voor om samen te gaan werken. Hij meende, om een of andere reden, dat samenwerking ons beiden voordeel zou brengen. En hoewel wij elkaar nog niet persoonlijk kenden, was een en ander vrij snel beklonken. De polderoplossing kon vervallen en we verhuisden naar het veel ‘echtere’ url: http://www.decontrabas.com – op 21 augustus 2005, om precies te zijn.
Het weblog is op dit moment nog steeds ‘in opbouw’, als je dat zo kunt zeggen. Het functioneert als nieuwsbron, het geeft ruimte aan discussie, het bevat gedichten, het bevat vertalingen, het bevat recensie en interviews; het geheel is – als ik dat zelf mag zeggen – een aangenaam, maar toch gestructureerd rommeltje, een grabbelton met voor elk wat wils. Wat de Contrabas zeker niet is – en hier ga ik zo langzamerhand alle door mijzelf gemaakte losse eindjes naar mij toe trekken, om zo meteen als een soort Hans Klok van de digitale poëziedienst ineens met een heel touw in handen te staan – is een site waar wordt voorgeschreven hoe de poëzie in elkaar hoort te zitten.
Goed, de site bevat wel eens ongezouten kritiek. Ik ben niet vies van een onredelijkheid, op zijn tijd. Collega’s als Marc Reugebrink, Xavier Roelens of Samuel Vriezen mogen zich verheugen in mijn niet-aflatende aandacht. Maar als ze hun mening willen ventileren op de Contrabas – gesteld dat ze dat willen, natuurlijk, en gesteld dat ze een mening hebben – dan kan dat. Ton van ’t Hof en ik zijn het ook lang niet altijd met elkaar eens, en nooit, nooit valt daar ook maar één onvertogen woord over.
Door alle jaren heen heb ik, zoals gezegd, met groot genoegen gewerkt als de eenvoudige letterknecht die ik ben. Dat het goed gaat met de Contrabas, en met de Contrabasreeks – het vervult mij met grote dankbaarheid. ‘Wie ben ik, dat ik dit allemaal mag doen?’ Om maar eens een voormalig staatshoofd te parafraseren. En wat ik dan mag doen? Ik mag bundels uit laten geven, ik mag een weblog volschrijven en ik mag daar zo nu en dan eens iets over vertellen. In diezelfde lijn ligt het maken van een bloemlezing: 25 jaar Nederlandstalige Poezie-1980-2005, in 666 en een stuk of wat gedichten; een bloemlezing die nauw-verweven is met de andere hier vandaag geschetste werkzaamheden, die als het ware verslag legt van mijn lectuur door de jaren heen; en lectuur vat ik dan als volgt op: ‘alles wat ik heb gelezen op papier en op een beeldscherm, alle poëzie die zichtbaar is vastgelegd.’
Wat wij nadrukkelijk niet doen, is denken in hiërarchische structuren, ik bedoel die hiërarchische structuren waar Thomas Vaessens in zijn boek Ongerijmd succes. Poëzie in een onpoëtische tijd soms verstrikt raakt. (Vaessens ziet, ondanks alles, de poëzie het liefst vanuit een ‘centrum’ geregeld, want anders weet hij niet meer wat hij goed moet vinden, en dan raakt hij in de war.) Bij de Contrabas eveneens geen avant-garde-tactieken (al beschuldigt Vaessens ons daar wel heel even van), want avant-garde-tactieken werken niet en worden alleen door slechte dichters (& handige netwerkers) toegepast (bij de Vijftigers door Simon Vinkenoog, bij Maximaal door Arthur Lava en voor Serge van Duijnhoven door Serge van Duijnhoven).
Thomas Vaessens leeft in een universum waar er eerst radicale breuken waren in ‘de poëzie’ – en ineens ziet hij zich, oh wonder, geconfronteerd met een tijd waar die dekselse dichters het breken achterwege laten. Wat nu? Welaan, zoals wij inmiddels weten heeft Vaessens er een boek over geschreven, waarin hij zich over de door hem geconstateerde breukloosheid beklaagt. Volgens mij is er in ‘de poëzie’ nooit sprake geweest van radicale breuken (in de beeldende kunst of in de muziek ook niet, trouwens), maar zijn alle dichters onderdeel van een geheel waarin vele opvattingen mogelijk zijn, wat niet wil zeggen dat nu eens deze en dan weer gene opvatting de boventoon voert. Dichters laten zich niet de wet voorschrijven. Dichters schrijven hun oeuvre, los van stromingen, modes, recensenten, literaire jury’s, redacties van tijdschriften en weblogs.
Aha! Dus ook los van de Contrabas? Jawel, ook los van de Contrabas – want de Contrabas kan alleen maar een faciliterende rol spelen. De techniek dient de poëzie, niet andersom. Vaessens trapt in zijn boek vaak in de val van het gezocht-moderne als hij denkt dat bewegende beelden op het web iets met nieuwerwetsigheid te maken hebben. Dat hebben ze niet, ze zijn een uitbreiding van het bestaande, dat wel, maar ze hebben eerder iets te maken met digitale techniek dan met poëzie. Poëzie, dat is het doorgeven van de traditie, dat is het doorgeven van kennis, dat is het maken van berichten, dat is het zorgen dat sommige kennis niet in de verdrukking raakt; de flash-voor-beginners-filmpjes van de grote dichter Tonnus Oosterhoff zijn aardig, maar niet meer dan dat. Alle door Vaessens in zijn boek opgesomde voorbeelden zijn malligheid – wat niet wil zeggen dat de makers ervan niet zo nu en dan een aardig gedicht zullen maken. Ondanks, niet dankzij hun digitale experimenten.
De drie hoofdpunten van Vaessens analyse van de stand van zaken binnen de poëzie: poëzie wordt niet meer vanuit een centrum geregeerd, er is geen ‘richtinggevende’ kritiek op het internet, de rol van de avant-garde is uitgespeeld; zij zijn allemaal waar, maar kunnen niet anders benaderd worden dan met een vriendelijk ‘ja, en?’ Waar Vaessens kiest voor de valkuil van zijn eigen opzet tot een theorie had hij beter kunnen kiezen voor de rol van de professor, die hij is. Een professor geeft zijn kennis door aan zijn leerlingen. Die leerlingen proberen die kennis te beheren en te vergroten, om ze later weer door te kunnen geven aan hún leerlingen. Maar nee, Vaessens buigt diep voor de afwezigheid van kennis bij zijn leerlingen, waar hij zelfs het curriculum, het enige wat een opleidingsinstituut heeft, voor wil opofferen.
Ook ik, de letterknecht, ben niet meer dan een doorgeefluik van kennis. Tenminste, dat hoop ik te zijn. Via de reeks, via de website en via de bloemlezing. Daarbij wil ik mij niet in het centrum bevinden, maar aan de rand van het centrum. Daarbij wil ik geen richting aangeven, maar wil ik laten zien dat er vele richtingen zijn. Daarbij wil ik het woord avant-garde – het misverstand waar de cultuurgeschiedenis zo onder leed en lijdt – niet meer horen, als het even kan. Want waar we het hier vandaag ook over hadden en nog gaan hebben: de techniek waarmee je kennis doorgeeft kan veranderen, maar de kennis zelf blijft een bron van vreugde, in een bundel, een boek of op een blog.
© Chrétien Breukers, 15 juni 2007
Voorgedragen tijdens de door de Vereniging van Algemene Literatuurwetenschappers georganiseerde studiemiddag Bundel Boek Blog, waarover het persbericht vermeldde:
Uitgangspunt voor de middag is de observatie van Thomas Vaessens in Ongerijmd Succes (Nijmegen 2006) dat met de opkomst van slam-avonden, blogs, en dicht-websites, de bundel niet langer meer de primaire drager van poëzie lijkt te zijn. Tijdens de studiemiddag zal een groep literatuurwetenschappers, mediatheoretici, bloggers, dichters en grafisch vormgevers haar licht laten schijnen op de mogelijke consequenties hiervan voor de productie en receptie van (met name) poëzie.
Sprekers: Thomas Vaessens (hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, UVA); Arie Altena (mediatheoreticus, redactielid Mediamatic, onderzoeker bij V2, auteur van een groot aantal artikelen over literatuur & digitale media); Cornelia Graebner (promovenda UVA, werkt aan proefschrift over Performance Poetry); Chrétien Breukers (dichter, redacteur van Poëzie-blog-website De Contrabas, samensteller van de bloemlezing 25 jaar Nederlandstalige Poëzie 1980-2005 in 666 en een stuk of wat gedichten (2006)) Samuel Vriezen (dichter, blogger, bestuurslid Perdu) en Frans Oosterhof(f) (hoofd afdeling Schrijven aan de Rietveld Academie.)
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Je zegt: "Vaessens trapt in zijn boek vaak in de val van het gezocht-moderne als hij denkt dat bewegende beelden op het web iets met nieuwerwetsigheid te maken hebben. Dat hebben ze niet, ze zijn een uitbreiding van het bestaande, dat wel, maar ze hebben eerder iets te maken met digitale techniek dan met poëzie." Dat klinkt toch alsof platte tekst (op papier of beeldscherm) de enige ware vorm is en digitale experimenten alleen maar leukigheid. Maar in die uitbreiding van het bestaande, zoals jij het noemt, gaat toch iets meer schuil. Soms is de digitale vormgeving, ondanks het beginnersgestuntel, veel adequater dan de papieren. En daar ben je als dichter toch altijd naar op zoek, naar de juiste vorm?
Geplaatst door: hans kloos | 17-6-07 om 12:17
Het gaat mij om wat er buiten de vorm bestaat. Je hebt - in mijn optiek - goede gedichten en minder goede gedichten, waarbij de vorm waarin die gedichten zijn gegoten er niet toe doet. Vormgeving heeft niets met poëzie, een onafhankelijke instantie, buiten vorm en inbedding van de taal om, te maken.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 17-6-07 om 12:55
Zodra een dichter twee regels schrijft, doet ie al aan vormgeving. Het afbreken van de regels, het gebruik van witregels, het maakt elke dichter tot een primitieve, of misschien moet ik zeggen, primaire vormgever. En juist die primaire beginselen leiden tot digitale experimenten waarin het afbreken van een regel een pendant krijgt in de tijd - veel animaties hebben een dwingender structuur dan papieren gedichten omdat de tekst in stukjes en beetjes tot je komt en niet als een geheel.
Enfin, wat ik wil zeggen, voor ik op hol sla: vormgeving is niet alleen een keuze voor een bepaald lettertype, een korps, interlinie enzovoort, het is veel basaler en heeft alles met poëzie te maken.
Geplaatst door: hans kloos | 17-6-07 om 14:24
Wel. Dan scheiden zich op dat punt onze wegen. Maar dat ligt ongetwijfeld aan mij.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 17-6-07 om 14:46
Een mooi aandenken aan een gevarieerde middag. Ik zal mijn tekst ook online zetten na enige redactie.
Voor nu even: ten onrechte werd ik in de aankondiging van de middag, die hier is overgenomen, voor lid van het bestuur van Perdu uitgemaakt. Ik ben lid van de redactie.
Geplaatst door: Samuel Vriezen | 17-6-07 om 14:48
& wat de discussie hier tussen Hans en Chrétien betreft sta ik natuurlijk aan de kant van Hans. Juist bij poezie gaat het niet alleen om welke woorden tot je komen maar ook om hoe ze tot je komen. Zo krijgt een woord dat op het eind van een regel staat alleen daardoor al een nadruk - en alleen dat feit kan verklaren waarom enjambementen ook in vrije verzen een expressieve functie hebben - witregels spelen een vergelijkbare rol, etc. Je kunt alleen al daardoor niet de vormgeving wegdenken en dan de poezie overhouden.
Geplaatst door: Samuel Vriezen | 17-6-07 om 14:57
Alleen de vorm zoals die op papier staat, kan tellen.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 17-6-07 om 15:09
En de vorm die op een beeldscherm kan verschijnen.
Een onvolmaakt, maar wel duidelijk voorbeeld uit mijn eigen praktijk: EFRTtVoC 1, dat je hier http://home.hetnet.nl/~kolos/efrttvoc1.htm kunt bekijken. De kleuren van de letters en de achtergrond geven net zo goed betekenis als de woorden zelf.
Geplaatst door: hans kloos | 17-6-07 om 17:26
Ik weet het Hans. Zou ik... ergens een zintuig voor missen?
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 17-6-07 om 21:25
Ach, de een houdt van helder afbakenen en piketpaaltjes slaan en de ander meer van schemergebieden. Ik heb altijd, niet alleen in de poëzie, een zwak gehad voor maaksels waar genres en disciplines door elkaar beginnen te lopen. Neem nu het autobioessayistische 'De neef van Delvaux' van ene Nicole Montagne...
Geplaatst door: hans kloos | 17-6-07 om 21:49
Een prachtig boek. Maar 'helder afbakenen en piketpaaltjes slaan' – om mijn werkzaamheden nu meteen zo te omschrijven...
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 17-6-07 om 23:35
Zou het kunnen zijn, Chrétien, dat je niet zozeer een zintuig voor vorm zou missen of bepaalde vormen zou uitsluiten, maar dat je poëzie essentialistisch opvat - dus met voorbijgaan aan de vormen waarin ze zich uitdrukt? Om een stukje tekst dat ik in de gauwigheid gevonden heb maar eens te parafraseren:
'Essentialisme verwijst naar de opvatting dat mensen en/of fenomenen een onderliggende, homogene en onveranderlijke authentieke essentie hebben, die constituerend en determinerend is voor die entiteiten en als stabiele referent ervan dienst doet. De categorie 'poëzie', bijvoorbeeld, zou een onderliggende essentiële identiteit weergeven, waardoor een stabiele waarheid gevonden kan worden (i.e. de essentie van het dichterlijke). Men argumenteert dus op basis van een ontologie die zich buiten de sfeer van culturele invloed en historische verandering situeert.'
Ik vind dat wel sympathiek, want het geeft aan dat poëzie een hoge, want vaste waarde voor je vertegenwoordigen zou. Alleen laat poëzie nu juist zien dat zelfs vaste waarden van betekenis veranderen zodra ze in een andere vorm worden gegoten.
Geplaatst door: RHCdG | 18-6-07 om 0:08
Ik weet het niet, Rutger. Maar het lijkt wel op hoe ik er over denk.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 18-6-07 om 0:16
Kijk aan, dat doet me alvast deugd. As. vrijdag ga ik in Perdu met een aantal mensen in debat over 'het prozagedicht' (aankondiging volgt misschien nog?) Over vorm gesproken!
Geplaatst door: RHCdG | 18-6-07 om 0:32
Jawel, maar kijk, volgens mij zit het zo. Er is een literatuur, die weliswaar allerlei vormen zoekt, maar die in essentie alleen kan behoren tot 'de literatuur'. Vorm is minder belangrijk dan je zou denken, al dringt een vorm zich - is dit een paradox? - wel aan elk literair werk op.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 18-6-07 om 0:35
Ik weet niet zeker of ik Rutgers laatste zin helemaal begrijp. Hoe dan ook lijkt het me de vraag of het in een andere vorm gieten onbeperkt door kan gaan – zelfs als je het ‘poëtische’ niet als een essentie ziet, maar als een culturele constructie.
Neem Tonnus Oosterhoff. Ook in zijn meest dynamische experimenten activeert hij bij de lezer/ filmpjeskijker het concept ‘poëzie’ dat hem vertrouwd is. Als dat laatste niet meer zou gebeuren kun je, als je dat wilt, stellen dat het begrip ‘poëzie’ bij Oosterhoff een nieuwe inhoud heeft gekregen, maar je hebt het dan feitelijk over iets anders. Wat zou betekenen dat 'poëzie' of lyriek in onze cultuur toch een soort essentie zou bezitten. Sinds Sappho b.v.
Geplaatst door: Gert de Jager | 18-6-07 om 1:19
"De Literatuur" voelt voor mij aan als een soort grote archiefkast, waar elke interessante vorm uiteindelijk door een of andere enthusiasteling in wordt gepropt.
Geplaatst door: Samuel Vriezen | 18-6-07 om 2:09
Chrétien,
Waneer je zegt dat er een literatuur is, die weliswaar allerlei vormen zoekt, maar die in essentie alleen kan behoren tot 'de literatuur', dan verdeel je de verschijnselen via inductie in categorieën, waarbij een van die categorieën dan die van de poëzie is. Maar het is niet de categorie die de identiteit van het verschijnsel bepaalt, maar andersom, omdat het 'initiatief', of laat ik zeggen het criterium van de werkelijkheid, bij het zich in de werkelijkheid voordoende verschijnsel ligt (althans behoort te liggen, als we niet met zijn allen ins blaue hinein willen opgaan). Om die categorie adequaat rekenschap van de werkelijkheid te laten geven, moet ze dan ook even vloeiend en beweeglijk zijn als de werkelijkheid zelf. En aangezien de werkelijkheid niet uit tot categorieën terug te brengen inhouden (essentialia) bestaat (een operatie achteraf), maar uit tastbare vormen, is naar mijn indruk vorm het uiteindelijke criterium van de werkelijkheid, en dus ook van poëzie.
Ik zeg het geloof ik wat omslachtig, maar het is dan ook laat. Voor wat Gert zegt, geldt naar mijn indruk hetzelfde: wanneer je zegt dat Oosterhoff het concept 'poëzie' bij de lezer activeert, ga je uit van een conclusie, nl. dat er zoiets als poëzie bestaat (en wel sinds Sappho). Dat kan zo zijn, maar poëzie is sinds Sappho (of daarvoor, of daarna, om het even) pas poëzie op grond van haar vorm, en niet op grond van een conventie of een uit die vormen geïnduceerde categorie. Het lijkt me niet conform Oosterhoffs auteursintentie (maar allicht vloek ik daarmee in de ogen van sommige bijzienden, vandaar dat ze zichzelf close readers noem(d)en) om te zeggen dat hij een concept activeert, al is het er een van poëzie. Hij biedt vormen, geen concepten.
Geplaatst door: RHCdG | 18-6-07 om 2:14
Oosterhoffs vormen neem je als een vorm van poëzie waar omdat je een concept 'poëzie' in je hoofd hebt. Dat concept heb je in de loop der jaren ontwikkeld omdat je in een cultuur leeft waarin dat concept je wordt aangeleerd aan de hand van manifestaties ervan: gedichten. Overigens, Rutger, je legt opeens wel heel veel nadruk op het formele. Ik kan me herinneren dat je een klein jaar geleden iemand van rare sympathieën verdacht omdat hij formele subtiliteiten in een gedicht van Kopland meende te ontdekken. Meen je nou werkelijk dat je zelf niet vanuit a priori denkbeelden zou redeneren?
Geplaatst door: Gert de Jager | 18-6-07 om 2:49
Gert,
Er bestaat allicht een concept 'poëzie', maar een dichter doet er in mijn ogen goed aan dat niet als uitgangspunt voor praktische exercities te nemen, aangezien ze zelf een conclusie is - en zeker geen a priori denkbeeld (in mijn vorige post had ik het NB over een operatie achteraf, posteriori dus).
En verder heb ik hier nooit iemand, ook jou niet, van rare sympathieën verdacht om wat voor reden ook.
Geplaatst door: RHCdG | 18-6-07 om 11:00
Natuurlijk doet een dichter er goed aan om een concept, hoe vaag en ongereflecteerd ook, als uitgangspunt te nemen. Hij zou niet anders kunnen - zeker als hij iets als een persoonlijke vorm wil ontwikkelen.
Geplaatst door: Gert de Jager | 18-6-07 om 12:34
We zijn het oneens, vrees ik. Het is in het algemeen beter, vind ik, om niet van een standpunt uit te gaan, maar naar een standpunt toe te werken - juist als je een persoonlijke vorm wilt ontwikkelen.
Geplaatst door: RHCdG | 18-6-07 om 12:57