« Mini-interview met Ted van Lieshout | Hoofdmenu | Mini-interview met Arnoud Rigter »

5-6-07

Mini-interview met Jabik Veenbaas

JabikveenbaasJabik Veenbaas (1959) is schrijver, vertaler en filosoof. Als Friestalig auteur publiceerde hij tot nog toe drie Friestalige gedichtenbundels, drie verhalenbundels en één essaybundel. Juni 2007 verschijnt zijn vierde gedichtenbundel, De sinne, it smelle bêd, myn lichem, bij Uitgeverij Bornmeer te Leeuwarden. In 2006 verscheen een keuze uit zijn eerste drie bundels onder de titel Darwinistische weemoed, bij BnM Uitgevers in de Contrabasreeks, waarin in 2007 (zeer onlangs) ook Brieven aan mijn kind het licht zag. Hij werkt momenteel aan zijn eerste Nederlandstalige gedichtenbundel. Naar aanleiding van de eerste bundel in de Contrabasreeks schreef Piet Gerbrandy: 'Veenbaas is een belangrijk dichter'.

Hij maakte verder tal van vertalingen. Hij vertaalde veel poëzie uit het Engels en het Fries. Uit het Engels vertaalde hij werk van onder meer Shelley, Blake, Abani en Williams. Binnenkort verschijnt bij Wagner & Van Santen Uitgevers Grashalmen, zijn vertaling van een uitgebreide keuze uit het werk van de Amerikaanse dichter Walt Whitman. Uit het Fries vertaalde hij onder meer werk van Obe Postma, Douwe Tamminga, Theun de Vries en Albertina Soepboer. Hij vertaalde verder veel filosofisch werk. Samen met Willem Visser vertaalde hij onder meer de Kritiek van de zuivere rede en de Kritiek van de praktische rede van Immanuel Kant. Hij recenseert filosofische boeken voor Het Financieele Dagblad.

1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?

Laat ik dat doen met het gedicht ‘stervende taal’ (de vertaling van stjerrende taal, dat wordt opgenomen in de bundel De sinne, it smelle bêd, myn lichem, die in juni 2007 verschijnt. De Nederlandse vertaling werd al eerder gepubliceerd: in Darwinistische weemoed (2006) en in 25 Jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005).

stervende taal

Opgedragen aan Jan Wybenga, auteur van het klein fries dodenboek

heel vroeger was de taal een huis met fluistergordijnen een
kachel die melkwoordjes prevelde een zang van zorgzame
kieviten van gras dat zich babbelziek neervlijde onder
klappeiende koeien toen de taal nog als brugman sprak hij
werd met hooigeur en wijzang de trap opgedragen hij
sliep al snel

wanneer hoorde hij dat hij de wereld niet was, een haveloze
eerder en een honger?

                                 zo immers was het ooit begonnen:

boten, lek als mandjes, bevoeren de diepten,
opgedreven krijgers vielen het land in – de taal
was een blinkende helm, bloed op de kling – doodden de
onverstaanbare bewoners

                                      vochten als wilden, maar raakten
het nooit kwijt:

                        het vertrokken gezicht van
de vrouw, die haar dode kind wiegde
en schreeuwde. vlakbij het huilen
van wolven, door het vuur
nog op afstand

                      (ieder huiverde bij dat huilen, en voelde
het jacht en in borst en geslacht, voelde
het zwetende leven, voortgekropen
in korsten: schelp en wier, gestrand en
vergaan, een groot en log dier
wierp zich aan land en ademde zwaar)

de hele troep huilde nu: een antwoord,
een angst door allen gedeeld,
als bij toeval eenstemmig. een woord
was het amper

                     evenmin als nu, in zijn laatste uur, dat van
de oude, roemloos wegkwijnend in een
verpleeghuisbed, stervend als de droom van een
rijk, zoals een spiegelspel van lucht en wolken
op een buiige dag plotseling oplost

                                                     terp en dijk, wat
hadden ze hem gebaat? hij, veeg,
had het gezien: zijn zoon die het zompige land
inliep, niet meer wist hoe de koeien heetten, de vreemde
kreten der vogels niet meer begreep

                                                       en omdat hij de taal kende
als een hunkering, borg hij die weg als
een schaamte, een duister abuis: een dorp,
verdronken in zee, een steen die aanspoelt, een
scherf (stuk van een

etensbord misschien)

2. Waarom poëzie?

Poëzie is voor mij de meeste complete manier om mijn verhouding tot de wereld te benoemen, om aspecten of nuances van die verhouding te suggereren. Ook in een filosofisch exposé kun je iets over je verhouding tot de wereld zeggen, maar alleen in een gedicht kun je de ondertonen tot klinken brengen. De poëzie is een heel oude liefde van me en oude liefde roest niet. De poëzie is complex als het leven zelf. De poëzie is een verslaving. De poëzie is mijn verweer en mijn overlevingskunst.

3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw werk beïnvloeden?

Ik heb me door heel wat dichters laten inspireren, van uiteenlopende aard. Ik hou van Whitman, Dickinson, Eliot, Rilke, Auden, Plath, Les Murray, Pessoa (en dan met name diens heteroniem Alvaro de Campes), Pavese, Montale en Pablo Neruda. Ik hou van Marsman, Lucebert, Vasalis, Campert, Reve, Van Ostaijen en Gorter (en dan vooral van De Mei). Ik hou van Obe Postma en van Tsjêbbe Hettinga. Ik hou ook van de poëzie van de Bijbel, bijvoorbeeld van die van de psalmen of die van het boek Prediker. Bij mijn gedicht Metropolis, opgenomen in mijn eerste bundel, heb ik welbewust een oudtestamentische toon gebruikt, de toon van Jahweh wanneer hij sprekend wordt opgevoerd. Verder kan ik wel eens een zin in mijn gedichten aanwijzen die er zonder mijn lectuur van anderen anders zou hebben uitgezien. Zo heb ik in het gedicht ‘De onschuld’, opgenomen in mijn bundel Brieven aan mijn kind, ergens een kerktoren gepersonifieerd, iets wat Obe Postma (op een andere manier) al eens deed in zijn prachtige gedicht As ik opdroegen wurd (Als ik uitgedragen word).

4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen opnemen? 

Er schieten me nu heel wat titels van gedichten te binnen. Maar laat ik er een nemen waarvan ik denk dat het niet zo snel door collega’s zal worden genoemd: ‘Lex barbarorum’ van Marsman. Het is in al zijn hardheid en eenzijdigheid een schitterend vers. Elke klap is raak, luister maar:

Lex barbarorum

Geef mij een mes,
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.

ik heb mij langzaam recht overeind gezet.

ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar één wet:
leven.

allen, die wegkwijnen aan een verdriet,
verraden het en dat wil ik niet.

© Foto: Reyer Boxem

 

Reacties

Controleer uw reactie

Voorbeeld van uw reactie

Dit is slechts een voorbeeld. Uw reactie is nog niet ingediend.

Bezig...
Uw reactie kon niet worden ingediend. Fout type:
Uw reactie werd gepubliceerd. Nog een reactie achterlaten

De letters en cijfers die u invulde kwamen niet overeen met de afbeelding. Probeer opnieuw.

Als laatste stap voor uw reactie wordt gepubliceerd, gelieve de letters en cijfers in te vullen die die u ziet in de afbeelding hieronder. Dit voorkomt dat automatische programma's reacties achterlaten.

Problemen met het lezen van deze afbeelding? Alternatief bekijken.

Bezig...

Laat een reactie achter