Kees Engelhart, geboren op 05-01-1957 te Beverwijk en sinds 1974 woonachtig in Den Helder. Men spreekt al van een ‘fenomeen’, en ‘nu reeds een legende’, reden te meer om Engelhart zelf eens aan het woord te laten omtrent deze wellicht boude omschrijvingen. Begin november verschijnt namelijk Engelharts debuut Wereldsuccessen, een debuut dat een lange ontstaansgeschiedenis kent, bij BnM uitgevers te Nijmegen. Daarom: een namiddag half oktober 2006 te zijnent.
1) Met welk gedicht zou je je aan je lezers voor willen stellen?
Hij Kent De Huizen Van De Liefde Niet
1
Hij kent de huizen van de liefde niet
Ze liggen aan de andere zijde van de stad
Hij moet er de oude stenen brug van de rivier voor over
Die langzaam en doelloos stroomt naar zee
Zijn moeder heeft hem verboden ooit daar te komen
En vele jaren lang heeft hij
Wanneer de avond duisternis over de stad bracht
Gekeken uit zijn kleine slaapkamerraam op zolder
Naar de krans van licht die opwelde uit de
Oude stadswijk aan de overzijde van het water
Al die avonden staarde hij naar de huizen van de liefde
Iedere vallende duisternis opnieuw waarbij hij
Sterker en sterker het verlangen groeien voelde
Dat hem uiteindelijk over de brug drijven zou
Om de huizen van de liefde te bezoeken en
Mocht zijn bonzend hart het toestaan
Binnen te gaan in de huizen van de liefde
Om er de weg voor altijd te leren kennen
Nu op deze septemberavond loopt hij eindelijk door
Achterstraatjes en stegen heimelijk opdat niemand
Hem zien zal naar de oude stenen brug
Het is een lange wandeling die hij maakt
Maar de tocht vermoeit hem geenszins
Zeventien is hij nu en zijn kolkend bloed zal hem
Jagen over de brug naar de andere zijde van de stad
Waar de huizen van de liefde zijn
Het bundeltje geld waarvoor hij een jaar lang heeft
Gespaard omknelt hij stevig in zijn rechtervuist
Juist wanneer hij de brug over wil gaan
Ontwaart hij midden op de stenen brug
2
Een onguur uitziend manspersoon die onder een booglantaarn
Leunend tegen de balustrade uiterst traag een sigaret rookt
Als hij de rook uitblaast brengt hij zijn kin omhoog en
Zijn rechterhand duwt de rand van zijn hoed dieper
Over zijn ogen
Langzaam zet hij zijn rechtervoet tegen de onderste
Spijl van de balustrade
Dan draait zijn hoofd zich een halve slag
Hij verstijft als hij voelt hoe de man hem ziet
Hij durft niet goed verder meer
En zonder dat hij dat wil denkt hij aan het gebod
Van zijn moeder dat hij eindelijk overtreden zou
Vanavond nog
Zijn moeder die niet van hem houden kan
Omdat zij niet weet wat liefde is
Vanwege dat zij nooit geleerd heeft
Wat de moeite waard is na te streven
En wat niet
Zijn moeder die alleen zichzelf ziet
En niet de wereld kent
Daar denkt hij aan als hij staat voor
De oude stenen brug kijkend naar de man
Een twintigtal meters voor hem
Het is beslist een onguur en onbetrouwbaar type
Desondanks jagen zijn geld en bloed hem aan
Maar hij aarzelt
Plotseling loopt hij ter linkerzijde van de brug
De onguur uitziende man ter rechterzijde voorbij
De brug schommelt hevig en de man kijkt naar hem
Verder gebeurt er niets verontrustends
3
Dan is hij over de oude stenen brug
Dan is hij nabij de oude stadswijk
Hij ziet het licht stralen hoog boven de huizen uit
Dankzij dat licht bepaalt hij de richting die hij in zal slaan
Om zijn uiteindelijk doel te bereiken
De huizen van de liefde
Die hij binnentreden wil om er de weg te leren kennen
En het onrustbarende bonzen van zijn hart
Tot kalme en bedaarde slagen te maken
Om hem uiteindelijk na al zijn verzoeken
En betrachten uitgeput aan de welvingen van
De echte liefde in slaap te laten vallen
2) Waarom Dichtkunst?
Om te beginnen: laten we er een fijn, onderhoudend en openhartig gesprek van maken, wat jij? Koffie?
Goed, laten we beginnen: lang geleden, om aan de ijzeren vuist van de drank, opwekkende middelen en het zware leven in het algemeen weerwoord te geven, schreef ik – om mijzelf van de straat te houden -, in een zekere koorts een verhaal, misschien zelfs in een bepaald opzicht, een mininovelle. Vijftien tot het allerlaatste wit uitgetypte bladzijden in een week, verbijsterend. Nog nooit had ik proza geschreven. En opeens was het er: compact, staccato, vloeiend. Ik wist het onmiddellijk: dit is wat ik kan. Helaas zijn er nog maar fragmenten van bewaard gebleven. Het effect ervan op mij was zo mogelijk nog glorieuzer. Ik was vierentwintig jaar en besefte eindelijk wat mij in het leven te doen stond. Al wat ik in de jaren daarvoor aangehoord had over mijn vermeende talenten: mijn prachtige touché, mijn geroemde schaaktalent, het judo, alles waarvan ik wist er niet uitzonderlijk in te zijn, aldat was gelukkig als sneeuw voor de zon verdwenen.
Ik had mijn roeping gevonden. Ik had het verhaal, ‘Winterorkest’ heet het overigens, nog niet afgerond of ik wist: dit is het, dit is wat ik werkelijk kan. Alsmede begreep ik onmiddellijk, en dat bevreesde mij in het geheel niet, hoe lang de weg nog zijn zou die ik ongetwijfeld, daar kon geen twijfel over bestaan, afleggen moest om te komen tot de soort dichtkunst die ik toen reeds, vanaf dat allereerste moment, glaszuiver in mijn hoofd had, doch vanwege allerlei literaire gebreken nog niet in staat was uit te voeren.
Aldus besefte ik terstond, dat ik in mijn vier en twintigste levensjaar, ik geef het zonder gêne toe, op een zich zeer snel ontwikkelende maniakale wijze, de dichtkunst in het algemeen, en die van mijzelf in het bijzonder, op leven en dood en voor de rest van mijn leven zou blijken, en alzo is het dan ook gegaan, te zijn toegedaan. Om er inderdaad niet meer, tot op de dag van vandaag, alsmede die van morgen en overmorgen, van los te komen. O ja, daar dank ik God nog dagelijks voor.
Deze lange weg heeft mij niet gedeerd, integendeel. Ik heb bijzonder genoten onderweg, en ben er, zoals ik mij voorgesteld had, dan ook heel gezond van geworden Je moet weten: ik koesterde en koester nauwelijks andere ambities dan die het schrijven zelf betreffen. Carrièreachtige ambities zijn mij geheel vreemd. Dus vanaf die dag zat ik niet anders, voor mij in ieder geval, dan gewoon iedere avond fijn, en soms niet fijn, maar toch altijd fijn, te schrijven. Door niets of niemand gestoord. Waarom dichtkunst? Omdat ik dat almaar wilde: aan tafel zitten, ongestoord schrijven, als een soort van bezetene, met nog een zekere, weliswaar vederlichte, realiteitszin.
Waar het de smaak, hoe arbitrair smaak ook moge zijn, betreft ben ik meedogenloos. Mijn smaak is namelijk de beste, de meest verfijnde. De meest exquise. Dat is een eigenaardig trekje in mij. Wel heeft een en ander mij opgeleverd dat, zelfs ten tijde van Het lijden van de Jonge Werther: een euvel waar elke jongeling doorheen moet, net als dat oeverloze gezwam van Herman Hesse overigens, dat het mij opleverde te beseffen: dat er nog vele andere benaderingen van de thema’s, dichten en dichterschap, moesten zijn. Ik besefte dat er een dichtkunst moest zijn die ik, dat besefte ik terdege, toen nog niet op papier brengen kon maar later… dacht ik… misschien… vast en zeker… later!
En weet je? vanaf die dag heb ik altijd doorgeschreven. Ik werd er een beetje gek van. Ik begon te tellen: hoeveel meer nog kan ik volgend jaar schrijven. Uiteindelijk schreef ik bijna dertig werken van dichtkunst per week, totdat ik de grens van de vijftienhonderd in een bepaald jaar overschreed. Ik besefte dat het zo niet verder kon. Dat zou mij van een opnieuw voorzekere dood verzekerd hebben, net als indertijd de drank, opwekkende middelen en de rest. Al met al was ik dus alszodanig nog niets opgeschoten. Behalve dan dat ik van de straat was. En dat vond ik al een zeer bemoedigend resultaat.
Zodoende begon ik aan een steenhard zelfhulpprogramma. Goed gedoseerd en overdacht, dus te doen. Met de ijzeren discipline, mij zo eigen, bracht ik in de loop van maanden en jaren het aantal gedichten terug van dertig, vier en twintig, twintig, zestien, twaalf, acht, vijf tot drie werken van dichtkunst per week. Eindeloos en eindeloos heb ik dus, zonder dat werkelijk te beseffen, geslepen aan mijn stijl, uit bittere noodzaak. Prachtig allemaal natuurlijk, hoewel een en ander nauwelijks tot mij doordrong. En hoewel het allemaal uitstekend ging, en is gegaan, besefte ik desondanks onderweg vaag dat er wellicht iets licht krankzinnigs aan dit alles kleefde. Maar zeker niet belangrijk genoeg om er verder veel aandacht aan te schenken. Ik had wel iets belangrijker te doen. Volg je me nog?
Waarom dichtkunst? Om gek te worden of niet gek te worden. Dood te gaan of niet dood te gaan. Te overleven of niet te overleven. Te schrijven of niet te schrijven. Dat is het wel zo’n beetje. Ik betwijfel of ik zonder de dichtkunst, de overlever zou zijn geworden die ik heden ten dage ben. Ik denk niet, de aardse verlokkingen van het bestaan zeer goed kennende, dat ik een en ander zonder de dichtkunst, en mijn discipline doorstaan zou hebben.
Ik debuteerde in Begane Grond: een literair cahier van de Universiteit van Amsterdam, een blad dat onder de bezielende leiding stond van de zo tragisch en jong overleden Eugénie de Munck. Na haar verscheiden is ook de Begane Grond geen lang leven nog beschoren geweest. Dat is zestien jaar geleden nu. Niet lang daarna volgde de Brakke Hond. En vervolgens: Prado en Mens en Gevoelens. Misschien vergeet ik er een paar. Dat opsturen met die enveloppen, postzegels weer niet in huis, wandelen naar de postbus. Het was mij gewoon te veel, ik was er te lui voor. Soms echter deed ik nog wel leuke dingen, want ik schreef ondertussen al de tijd gewoon door, dat begrijp je. Dus ik had materiaal zat. En vanwege dat vele materiaal ontstonden er ook weleens leuke en stoute ideetjes.
Vroeger bestond er een blad dat, naar ik meen, uitgegeven werd door Vassalluci, Lust & Gratie heette het. Je kent het ongetwijfeld nog. Een blad: van, voor en door vrouwen. Nu is het zo, dat weet jij als geen ander: dat ik niet goed tegen elitarisme, je kunt ook zeggen discriminatie, kan. Toevallig had ik ergens in die periode een heel aardig gedicht, of aantal gedichten, geschreven over Elly de Waard. In dat gedicht komt er een jeugdige bewonderaarster, later natuurlijk een Nieuwe Wilde, bij Elly aan de deur om haar bewondering uit te spreken, een handtekening, enz. Natuurlijk was dat meisje een heel mooi meisje: Elly doet open, en van het een komt het ander, je begrijpt… Heel netjes allemaal, maar toch. Dat gedicht, of die gedichten, stuurde ik in onder de naam Keesje Engelhart. In eerste instantie reageerde de redactie heel positief. Maar toch was er klaarblijkelijk een redactielid dat onraad rook.
Een tijdje later ontving ik namelijk een briefje van de redactiesecretaresse of Keesje Engelhart nu eigenlijk een man of een vrouw vermocht te zijn. Nu kan ik niet liegen, en ik ‘bekende’ ruiterlijk welk geslacht ik bezit. Ook vrij discriminerend natuurlijk, maar goed, je kunt niet op elke slak zout leggen. Weer later ontving ik opnieuw een briefje van de redactie, waarin mij -nogal bits meen ik mij te herinneren- te kennen werd gegeven dat Lust & Gratie geen dichtkunst plaatste die meningen, of niet gefundeerde beeldvorming over andere auteurs debiteerde. En dat was dan ook meteen het einde van mijn Lust & Gratie carrière.
Ook bezit ik nog een door K.L. Poll geschreven epistel, waarin hij mij dankt voor mijn aanbod betreffende Hollands Maandblad, maar dat er geen plaats was in zijn periodiek voor mijn, in zijn ogen, zeer, zeer eenvoudige dichtkunst. Voor de gelegenheid had ik een miniatuurtje ingezonden. Nooit heb ik na kunnen gaan of de heer Poll een en ander waarderend beschouwde, danwel dat hij een poging in het werk stelde mij voor eeuwig uit de markt te prijzen. Ik heb het hem nooit meer kunnen vragen.
Kortom in de periode tussen 1990 en 2000 heb ik niet veel aangeboden, noch pogingen ondernomen om op andere wijze, ik bezat een dergelijke ambitie niet, het circuit binnen te treden. Ook daar ben ik God, ik zal hem nog meermalen aanhalen, nog iedere dag dankbaar voor. In die periode was ik voornamelijk bezig met mijn: ontwenningskuur-gedichten-schrijven. Waarbij, zoals ik je al eerder vertelde, op geruisloze en niet al te schokkende wijze mijn productie teruggebracht moest worden van ongeveer dertig gedichten per week naar drie.
Eind jaren negentig, zo ongeveer tegelijkertijd met de definitieve opkomst van het internet, was ik zover. Drie gedichten per week waren het geworden. Deze naast de speciale projecten, die ik altijd heb ondernomen, en van mijzelf mocht blijven ondernemen.. En aldus had ik scheppen tijd over, die ik begon te gebruiken om mij opnieuw te oriënteren op de literaire tijdschriftenwereld. Ik wilde namelijk weleens weten waar ik stond. Hoewel niet ambitieus, ben ik wel zeer nieuwsgierig, een fijne karaktertrek, van aard. Alles bleek, voor de luie mens die ik nu eenmaal ben, veel makkelijker te zijn geworden. Dit onder andere via de mogelijkheid van het versturen van werken van dichtkunst en begeleidende briefjes, per elektronische post. Voor mij een verademing, geen enveloppen meer, geen postzegels, geen adressenlijsten nazoeken, alles waar ik vroeger zo een hekel aan had bleek als sneeuw voor de zon verdwenen. Nou ja, van die internetwereld, daar weet jij alles van! Niet?
Zo ongeveer het eerste tijdschrift dat mij weer oppikte, net als tijdens het papieren begin van de jaren negentig, vlak na Begane Grond, was De Brakke Hond. Vanaf dat moment was het allemaal, tot mijn niet geringe verbazing, niet meer te stuiten. Ik publiceerde, ik had dan ook materiaal zat, talloze malen in talloze tijdschriften van zeer verschillende signatuur. En dat, je kunt dat nazien, terwijl mijn stijl in al die zo verschillende tijdschriften altijd exact dezelfde bleef. Opmerkelijk wellicht, maar ontegenzeglijk waar. Ik was ‘uitgeslepen’, voor zover dat mogelijk is. Verder bevond ik mij uiterst veilig in deze provinciestad aan zee, en kon aldus doen en laten wat ik wilde, zonder al te veel gestoord te worden.
Ergens in, ik meen tweeduizend en drie, kwam ik in contact met Alice Toledo, literair agent te Amsterdam. Alice bleek aardig gecharmeerd te zijn van mijn werk, maar wist natuurlijk bij God niet wat met die dichtende knaap aan te vangen. Mij toevoegen aan haar stal had geen enkele waarde. Dichters verdienen natuurlijk niets. En vijftien procent verkrijgen van niets, vond Alice toch echt te weinig. Wat Alice, ik heb haar merkwaardig genoeg nooit in levenden lijve ontmoet, noch op beeldmateriaal mogen aanschouwen, haar stem ken ik overigens wel: daarom heb ik Alice dan ook uitgenodigd voor de presentatie van Wereldsuccessen, ik zal haar namelijk op stem herkennen, wat Alice wel deed, was mij doorverwijzen naar uitgeverij Podium. Met daarbij het advies om eens wat gedichten te compileren, danwel een bundel samen te stellen. Dit alles sloot zij af met de woorden: ‘jij komt er wel’. En daarmee was onze relatie, op de jaarlijkse nieuwjaarsgelukwensen, en een enkel gedicht van mijn hand geheten: ‘Van Het Meisje Dat Niet Wilde’, na! Ken je dat gedicht? Wil je het eens horen? Wacht even, ik zoek het op.
Van Het Meisje Dat Niet Wilde
1
Ik heb gehoord dat in Lissabon
Zo in de eerste helft van de vorige eeuw
Een meisje woonde dat niet wilde
Iedere avond wanneer in de haven
De vissersscheepjes afmeerden en de mannen
De kroegen en bordelen gingen bezoeken
Knielde hij
Een jongeman nog
Een schrijver
Aan haar bed en altijd vroeg hij haar
Of ze wilde
Maar ze wilde niet
Als het een zomeravond was en drukkend warm
Liep hij door de wirwar van steegjes van de
Benedenstad naar de haven
Op een bankje zat hij dan uren en staarde
Moedeloos voor zich uit
Op gure winteravonden sloeg hij zijn kraag hoog op
Om zich zonder al te veel omhaal te spoeden
Naar zijn eenvoudige huurkamer waar hij snel
Het kleine houtkacheltje ontstak om vervolgens
Urenlang te staren naar de lekkende vlammen
En het smeulende hout
Met de jaren werd hij ouder en strammer
Naar de haven kwam hij in de zomer zo
Soepel niet meer
Op koude winteravonden duurde het
Langer en langer eerdat hij zijn huurkamer
Had bereikt
2
Op een goede avond in de vroege herfst
Is hij aan haar bed in zijn knieling gebleven
En iedereen van boven en beneden
En van het hele portaal
Die er de volgende dag lucht van kreeg
Vond het een genade
Zo kon het toch echt niet langer doorgaan
Meenden ze allen stellig
Hij was toch ook veel te oud geworden voor zoiets
Een tijdje terug is hij al eens van de trap gevallen
En nog wilde hij geen stok
Het is maar beter zo
Het meisje dat niet wilde heeft er toen en ook later
Met niemand over gesproken
Ze lag er zo stil bij en zo mager dat niemand het
Waagde haar over het een en ander aan te spreken
De volgende ochtend hebben ze hem weggehaald
Van de spaarcenten die ze op zijn kamer vonden
Kon nog juist een eenvoudige kist worden betaald
Het meisje dat niet wilde heeft zijn begrafenis niet
Bezocht op die zwoele herfstdag ergens in de eerste
Helft van de vorige eeuw
Ze bleef in bed en kwam er niet meer uit
De buurvrouwen klopten in het begin
Nog wel eens bij haar aan
Doch nooit werd er ook maar een van hen
Uitgenodigd binnen te komen
Na enige maanden lieten ze het er maar
Bij zitten
Dat is acht en zestig jaar geleden nu
Bij uitgeverij Podium werd het er echter niet veel beter op. In eerste instantie had ik een willekeurige greep gedaan uit mijn werk, en ‘het beste daarvan’, wat in feite neerkwam op een selectie uit de gedichten die ik de laatste vier maanden geschreven had, naar Podium, met name Carolien van Welij kan ik mij nog herinneren, opgestuurd. Een en ander werd welwillend ontvangen, met daarbij de vraag of ik wellicht een bundel wilde samenstellen. Dit om de mogelijkheid voor de redactie te scheppen zich een helderder beeld omtrent mijn dichtkunst te verschaffen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik zocht en vond een thema, en aldus stuurde ik de redactie niet veel later mijn bundel Wereldsuccessen toe. Vrijwel in de versie zoals die nu bij BnM verschijnen gaat. Ze waren er echter niet content mee.
Wacht, ik pak een van de brieven van Podium er even bij. Hier heb ik hem, luister: ‘te anekdotisch, te verhalend. De gedichten missen vaak een sterke pointe of gedachte, waardoor je als lezer geen vervreemding, of ontroering, enz. ervaart. Veel van de gedichten blijven hangen op het niveau van schetsjes. Ook hadden we soms moeite met het ritme in je gedichten (voorbeeld: de eerste strofe van ‘Onderweg is een reiziger altijd’). Persoonlijk was ik gecharmeerd van ‘Zo zit zij daar en niets gebeurt werkelijk’ – een sterk gedicht, waarin de stilte en de beslotenheid van deze vrouw in mooie bewoordingen wordt neergezet. Je gedichten zijn bijzonder, apart, absurd. Een vraag die bij de redactie tijdens het lezen steeds naar voren kwam, is wat je ertoe bewogen heeft om de vorm van poëzie te kiezen. Waarom schrijf je in de vorm van gedichten? En schrijf je ook verhalen? Etc, etc.’
Ik persoonlijk vond het nogal paradoxaal allemaal. Maar goed, de natuur is paradoxaal, zo ook de literaire wereld.
Zij zagen op dat moment geen mogelijkheden voor publicatie: maar wilden wel graag mee blijven lezen betreffende mijn vervolgschrijverij. Je begrijpt natuurlijk: daar had ik niet veel zin in. Ook deze literaire relatie, deze maal met Podium, bleek dus geen lang leven beschoren.
Vrijwel tezelfdertijd, in mijn eenvoudige wijsheid, met als immer mijn vooruitziende blik en voorspellende vermogens, had ik nog twee exemplaren van Wereldsuccessen rondgestuurd, reageerden Koen Vergeer, redacteur van uitgeverij Atlas, en de heer Simons van uitgeverij De Beuk. En als klap op de vuurpijl belde, of mailde, jij mij ook nog eens, om een afspraak te maken, hetgeen is geschied. Dat waren er drie binnen een maand geloof ik. Een ongekende luxe. De bezwaren van Podium bleken toch niet zo verschrikkelijk zwaarwegend te zijn, dat besef had ik trouwens gelukkig zelf ook al spoedig ontwikkeld. Zowel jij als de heer Simons, inmiddels helaas overleden, die ik echter gelukkig toch nog eens, samen met mevrouw Cara Dura, uitgebreid heb mogen spreken: hij wist bijvoorbeeld precies waar ik in Amsterdam het ‘Rood Paleis’ van Bordewijk nog vinden kon, raadden mij aan om met Atlas in zee te gaan. Dat deed ik, maar bij Atlas, daar kon Koen niet veel aan doen, zat er ook niet veel schot in.
Een aantal jaren daarvoor had Koen de boedel van Benno Barnard overgenomen, inclusief zijn auteurs, waarvan hij met een aantal zelfs nauwelijks contact en weer anderen helemaal geen contact onderhield. Emile Brugman, directeur van Atlas, van wie ik eens een interview in de Volkskrant gelezen had, met daarin onder andere een prachtig gedachte, namelijk een schrijversontmoetingsplaats in het prachtige pand, aan de Herengracht. Weet je nog? Welk interview mij ertoe bracht een exemplaar van Wereldsuccessen naar Atlas te sturen, diezelfde Emile Brugman, die ik op een gelegenheid eens vroeg hoe dat nu eigenlijk afgelopen was met dat mooie idee van hem, die schrijversontmoetingsplaats, kon zich daar op dat moment, tot mijn stijgende verbazing, eigenlijk niet veel, zeg maar niets, meer van herinneren. Diezelfde Emile Brugman, besefte ik op datzelfde moment, was helemaal niet zo geboeid door dichters hun sores en mores. Kijk maar eens naar dat luttele poëziefonds van hem. Vier bundels per jaar. Emile Brugman is grotendeels, dunkt mij, geïnteresseerd in zijn paradepaardjes, de heren Mak: een goedaardig heer, en Nooteboom: het doodzieke aapje N., weet je nog?
Dat alles bij elkaar genomen maakte volkomen aannemelijk en duidelijk dat Koen mij geen zekerheid omtrent de datum van het verschijnen van Wereldsuccessen kon bieden. En dat Koen zelf, nota bene als poëzieredacteur van Atlas, aan handen en voeten gebonden bleek. Ik bedoel maar! De vaste auteurs van Atlas gingen ten alle tijden voor. Alle beschikbare handen, te weten die van Brugman en Barnard, op de buiken van de favoriete auteurs van Brugman en Barnard, gingen zonder aanzien des persoons voor! First in last out, zal ik maar zeggen. Dus als zij iets: een bundeltje of zo gereed hadden, zonder ook maar, niet altijd natuurlijk, het geringste contact met hun redacteur vooraf, waren zij altijd spekkoper. File noemde Koen dat. De poëziefondsen van de vermaarde uitgeverijen zijn volkomen nep. Vergelijk die beschikbare gelden maar eens met die van hun proza- en vertaalfondsen. Je zult stijl achterover slaan. Dat garandeer ik je!
Op die manier werd ik snel volwassen in schrijversland, dat zul je begrijpen. Vervolgens, toen ik jou van een en ander vertelde, deed jij mij in samenspraak met Ton een aanbod dat ik absoluut niet weigeren kon. Toen ik Koen ervan vertelde, ik heb nog altijd prettig contact met Koen, adviseerde hij mij om onmiddellijk met BnM in zee te gaan, en alzo is geschied. Waarmee ik maar wil zeggen dat het dichtkunstwereldje, op zijn zachtst gezegd, merkwaardig in elkaar steekt.
Hoe gelaten ik mij ook opstel ten opzichte van uitgeverijen, zo furieus kan ik worden wanneer het individuele personen c.q. secundaire organisaties uit deze wereld betreft. Kleine artikeltjes in kranten en dergelijke kunnen mij zonder ook maar de geringste moeite tegen het plafond doen laten vliegen. Zoals bijvoorbeeld dat stukje van Arjan Peters in de Volkskrant van enige tijd geleden, in welk artikeltje Peters enige uitleg en inzicht verschaft omtrent het Fonds voor de Letteren. Ik ben gelukkig rijk van mijzelf, dus in dat opzicht heb ik er geen last van, maar toch, als ik dat lees… Het Fonds heeft bijna drie miljoen te besteden voor werkbeurzen, stipendia, enzovoort. Honderd en negentien schrijvers: hoe geselecteerd is mij een raadsel, mogen uit deze welgevulde ruif happen.
Allemaal prima natuurlijk, totdat je leest dat bijvoorbeeld Geerten Meijsing dertigduizend euro krijgt toegeschoven voor Stukwerk, een essaybundel die bleek te bestaan uit oude stukken die Meijsing ook nog eens door een ander bijeen heeft laten sprokkelen. Niet te geloven, werkelijk! Een regelrechte schande. Daarnaast bijvoorbeeld staat Jacques Hamelink op de rol voor zestigduizend euro. Dat zal dan wel een geweldige bundel worden! En mijn goede vriendin Elly de Waard moet het doen met het luttele bedrag van slechts vijftigduizend euro. Duizelt het je niet?
Gelukkig, nogmaals en daarom ten overvloede, ben ik rijk van mijzelf, dus heb ik al die narigheid niet nodig. Maar je zal toch maar een schrijver zijn die echt, omdat hij of zij, wellicht in een vlaag van volledige verstandsverbijstering, alle schepen achter zich heeft verbrand, financieel echt helemaal knijp zit, dan komt de stoom toch, een lelijke metafoor: maar ik weet zo gauw geen andere, je neusgaten en oren uit. Het is godgeklaagd, en dan druk ik mij nog, voor mijn doen, zeer mild uit. En zo een Eric Vlaminck, best een aardig en galante heer natuurlijk, vast en zeker, die nota bene het jaar daarvoor de geldzakjes uitdeelde, ontvangt nu plotseling vijf en zeventig duizend euro, van datzelfde Fonds voor de Letteren, voor een roman en een novelle. De goede man is directeur van –en docent aan- de Schrijversacademie te Antwerpen. Die man heeft dat geld helemaal niet nodig!
Die lui hebben allemaal modale letterkundige inkomens, zoniet meer! En die gaan er met de poet vandoor! Beurzen, in mijn ogen, zijn voor studenten, niet voor leraren, begrijp je? Ik kan mij daar mateloos over opwinden. Dat is helemaal niet goed voor mij, en voor de letterkunde in het bijzonder al helemaal niet. En dat terwijl de heer Halbertsma, de fondsbestuurvoorzitter, ijskoud bezweert dat het belangrijkste criterium bij het beoordelen van de aanvragen literaire kwaliteit is. Nou, nou, dat zal zeker een feest geweest zijn toen het Fonds voor de Letteren het in twee duizend en vijf bestond zijn veertig jarig bestaan eens feestelijk te vieren, met zang en drank en dans voor alle belanghebbenden. Jan Arends zou zich, mocht iemand hem van een en ander verwittigd hebben, in zijn graf omdraaien. Jan Arends: lees De Engelbewaarder uit negentien negen en zeventig er maar eens op na. Jan Arends die overigens altijd de Vereniging Voor Letterkundigen en het Fonds Voor De Letteren door elkaar haalde, opperde dit soort bezwaren al decennia voordat ik het nu opnieuw doe. Deze wereld van morele, financiële en letterkundige inteelt behoort terstond een halt te worden toegeroepen. Maar van wie hebben we iets te verwachten? Weet jij het? Nee toch?
En dan bijvoorbeeld dat ongelooflijke fenomeen van Querido, dat dan ook ongetwijfeld als de Querido-doctrine de letterkundige geschiedenisboeken in zal gaan. De grote en onaantastbare kinderboekenmetropool: een dergelijke omschrijving gebruikte Pjotr van Lenteren in een Volkskrant van enige tijd geleden. Querido dus, het befaamde schrijvershuis, dat de enorme prestatie tot stand bracht vanaf het jaar negentien vijf en tachtig, wacht ik zoek het even op anders ga ik rare dingen zeggen. Ja hier heb ik het, allemaal heel belangrijke uitgescheurde artikeltjes zie je, ik ben te lui om ze uit te knippen. Maar goed Querido dus: die het bestond zeggen en schrijven vijftien van de twintig Gouden Griffels, vijftien van de negentien Woutertje Pieterse’s alsmede zes van de zeven Theo Thijssen’s in de wacht te slepen. En dat alles, zonder ook maar de geringste blos op de wangen te ontwikkelen, als meer dan vanzelfsprekend, vanwege de kwaliteit van al dat werk natuurlijk, te ervaren. Je hoeft geen wetenschapper te zijn om te beseffen dat aldaar iets zeer eigenaardigs aan de hand moet zijn. Nogmaals ik bedoel maar!
En zo kun je, ik zal dat niet doen, natuurlijk oneindig doorgaan. Wanneer de mens in het algemeen zegt: ‘we deugen niet.’ Zo ijdel en stoer zijn we namelijk heus wel, dan menen wij dat wij dat oprecht menen tot diep in onze vezels. Maar wanneer je vervolgens stelt: ‘niet deugen geldt dus, als ik het goed begrijp, in het algemeen voor alle denkbare geledingen’, dan springen wij allen vervolgens als door vele adders gebeten eendrachtig en gezamenlijk op de bok. Samengevat: een dichter deugt niet meer of minder dan welke onwillekeurig gekozen persoon, uit welke laag van de samenleving dan ook. En dat geldt dan uiteraard evenzeer voor diegenen die zich, God zal weten hoe en waarom, naar de top van een door hen uitverkozen piramide gewerkt hebben. Godzijdank ben ik, nogmaals ik wil mij daar niet op voorstaan vanwege mijn financiële onafhankelijkheid, volkomen gevrijwaard van dat soort abject najagen van geld, status, of welke andere zaken dan ook denkbaar. Al dat oneigenlijke, in mijn ogen, valse en hypocriete toebedelen van al dat soort zaken, die daarbij ook nog eens gedragen worden door culturele gezagsdragers, zogenaamde uitdelers, politici, en meer van dat soort duistere personen, en daarnaast ook nog eens afhankelijk te zijn van dat soort zaken en lieden, doen mij huiveren en maken mij gezellig ziedend. Godzijdank bevind ik daar mij verre van. Daar dank ik, opnieuw en zal dat blijven doen, God dagelijks voor! Want waar het mij om gaat is altijd datgene wat het diepste snijdt. De zuivere dichtkunst: naast de muziek is er geen andere kunstvorm die dieper in de ziel, het weten, doordringen kan, kan niet bestaan zonder zuivere dichters. Waarom dichtkunst?
Daarom dichtkunst! Wie wil er deugen? Ik wel! Jij?
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Eén woord: herkenbaar!
Twee woorden: Mega - weergaloos!
Drie woorden: dank je wel!
Geplaatst door: Christian | 18-1-07 om 17:04
Beste Christian,
Dank je, koop binnenkort de nieuwe Heibel.
Met vriendelijke groet,
Kees Engelhart
Geplaatst door: Kees Engelhart | 19-9-07 om 23:48
Geachte redactie,
Waar eigenlijk, vraag ik mij in gemoede af, resideren de overige reacties van indertijd?
Ik herinner mij dat ik nog wel enige kanttekeningen plaatsen wilde, her en der. Waar ik vanwege vermoeidheid, op dat moment, niet aan toe kwam. Nu echter ben ik geheel hersteld en meen te moeten constateren dat de tijdgeest, klaarblijkelijk, een en ander heeft achterhaald. Dat zou mij zeer spijten, wanneer dat het geval is, dichtkunst en het van gedachten wisselen over dichtkunst behoort ten alle tijde levend en daarvanwege on-line te zijn. Zeker gezien in het licht van de oneindige middelen ter bevordering van de communicatie, waarvan men zegt dat zij ons ten dienste staan.
Daarom: geachte redactie wilt u mij bijlichten? Wellicht is het een eenvoudig technisch misverstand. Neemt u daarvanwege mijn woorden niet te zwaar op.
In afwachting van uw reactie,
Met vriendelijke groet,
Kees Engelhart
Geplaatst door: Kees Engelhart | 20-9-07 om 23:54
Beste Christian,
Ik besef dat het wel erg veel later is... maar toch, dat briefje van je, dat sterkt mij, plotseling opnieuw: het zoveel later gelezen hebbende doet daar niets aan af, in het aanstellen van de kaak, zoveel als maar mogelijk is. Opnieuw en altijd.
Nogmaals mijn dank daarvoor,
Met vriendelijke groet,
Kees Engelhart
Geplaatst door: Kees Engelhart | 22-9-07 om 0:06
Hoi Kees,
Ik wist al een tijdje dat je schrijver geworden was en ook dat ik je zou kunnen vinden op internet. Nu zocht ik geheel iets anders, maar plotseling kwam jouw foto voorbij. Dan moet ik nu maar eens wat van je gaan lezen, dacht ik. Niet alles, als ik eerlijk ben, daar gun ik me de tijd niet voor.
Leuk om te lezen dat je eindelijk hebt gevonden waar je echt goed in bent! Die zoektocht herken ik wel. Ik ben nu met de PABO bezig, en merk dat ik ook hier niet echt heel goed in ben, maar dat maakt mij niet uit. Ik doe wat ik kan en daar moet iedereen het maar mee doen. Ik ben blij met mezelf, niet meer op zoek naar mijn talenten. Vrede met mezelf, moet ik het zo noemen?
Nu is het wel zo dat ik mijn gangen overleg met mijn schepper, noem hem God. Hij heeft mij gemaakt, dus weet hij ook het best met welk doel hij dat gedaan heeft.
Succes Kees, ik gun het je van harte. Doe ook de groeten aan Angelique en Vronie!
groeten Linda (van de hbo-v)
Geplaatst door: Linda Tijdeman (laagland winder) | 19-4-08 om 13:39