Mini-interview met Peter Holvoet-Hanssen
Peter Holvoet-Hanssen (Antwerpen, 1960) probeert oude tegenpolen te overstijgen, zoals klassieke voordracht versus performen, wil hoogstens 'een troubadour in leerschool' genoemd worden. Hij publiceerde vier dichtbundels waaronder de spraakmakende trilogie Dwangbuis van Houdini (Vlaamse Debuutprijs 1999), de 'apocriefe bloemlezing' Strombolicchio. Uit de smidse van Vulcanus (Dirk Martensprijs 2001) en Santander. Ontboezemingen in het vossenvel met sonnetten, wolkenvormgedichten en gevaarlijke vossensprongen. Najaar 2005 verscheen bij uitg. Prometheus de troubadoursbundel Spinalonga. 44 gedichten.
Tussendoor stelde hij ook een Rimbaud-smaakmaker op (vertaling met Hilde Keteleer): Ik heb de zomerdageraad omarmd (Bert Bakker, 1999) en brak hij zijn 'schotelantenne' af (die was 'gericht op een ultieme melodie waarin geluk en lijden zijn vervat') in zijn prozadebuut De vliegende monnik (Prometheus, 2003), geen roman maar 'een hersenspinsel'.
Samen met zijn echtgenote Noëlla Elpers (jeugdauteur) richtte hij in 1994 Het Kapersnest op om bij kinderen en jongeren bravoure aan te zwengelen en liefde voor poëzie aan te sterken. Bezoek de website www.kapersnest.be – aanbevolen lectuur is 'Peter HH over zijn queeste' in de 'KapersBio'. Spinalonga begon windstil maar eindigde met een wereldstorm. Momenteel verzamelt Holvoet-Hanssen 'wrakhoutwoorden om er ondanks alles en tegen oprukkende zwarte gaten in een wrakhoutschip van te maken, gedoemd tot zinken': het poëzieproject Navagio.
(1) Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Een gedicht waaruit blijkt dat ik geen ongevaarlijke gek ben, onwelriekende kabbalablablabla verwerp en toch het recht opeis om als dichter op ontdekkingsreis te gaan ('echte reizen maak je in het hoofd,' zei mijn kaperskapiteine) is dit nieuwe gedicht, waarin ik constructie en verkenning wil verbinden. Het speelt zich af in een 'Dodenstad' – zoals de Antwerpse begraafplaats Schoonselhof, waar onder anderen Paul Van Ostaijen ligt en mijn moeder Annie Hanssen.
De handelsreiziger
de zottinnekes, ze bloeien – engelen te maken in de sneeuw
mensenkindjes zijn als opwindmechaniekjes, kijk eens hoe ze gaan
mensen zijn van tranen met een hart van zand, van maan of meteoor
ogen blauw en groen van mineralen, van graniet, kwartsiet of soms
van smaragd; van kraanvogels de armen, benen van de kikkers; zie
zandzwervers van aap tot Homo consumentio met implantaat
daarentegen scarabee de dodenzee, vervuilde grijsaardbaard
ik besta in dit gedicht: de dichter switcht drie schakelaars en ik
zet een stap, ik leef: Tritonius; blabla verkoop ik niet, mijn tour
volgt gewoon bewegingsleer (een vonk bespookt wel graag een ijle sfeer
met een drietand in het oude zeer); 't is prijs, ik maak reclame voor
Witte Pijp, een snelle dood (crash, nekschot) of mijn doodverzachters als
Super Vanish Droom want bikkelhard zag ik de sleep van gruwelleed
wereld alsmaar kleiner, schaduw groter, zwarte gaten in de tijd
met mijn ibissnavel wroet ik in je angsten, ik drink uit je hoofd
na je breinschipbreuk een bonustrip naar 't Schoonselhof van Antwerpen
onbekenden troef, beroemden van 't Stad, dikke nekken – moedergraf
schaduwen van schaduwen, een schaduw van een schaduw van een schim
hoor die troubadour: niet kortwieken, klasseer mij onder wolken, ay
daar de zot en ginds de dichters klaar op maat voor gevels, slagveldspijs
en verdronken vissers – hier, Lisetteke dankt u voor uw bezoek
(2) Waarom poëzie?
Ik ervaar de wereld als een waaier van werelden en dus ook: mogelijkheden, zo ook is het met mijn brein gesteld. Zo wil ik een waaier van werelden scheppen met toeval én niet-toeval tegelijk, sporen strooien (iets kan later weer opduiken of niet), levende organismen creëren, oplossende en van-wolkenpluim-tot-donderkoppen-evoluerende wolken begeesteren. Zet nu je gewicht op je linkerbeen en dan op je rechter, en dan weer op je linker: je zet geen stap vooruit. Een derde getal zet in beweging. Dat is elementaire bewegingsleer, één van de redenen waarom ik zo graag met dat derde getal – was niet met synthese bezig – experimenteerde (al is dat nu wel voorbij). Dankzij de poëzie kon ik afdalen in mijn hersenen en mijnen ontginnen – zo kun je in een donkere grot tasten, de uitersten van het leven verbinden, dingen beschrijven waar je net niet de vinger op kunt leggen (vandaar titels als Strombolicchio en Santander: plekken waar ik net niet geraakt ben).
Vanaf 1979 ben ik meer dan vijftien jaar aan het 'woordenjutten' geweest – op de bus, tijdens zwerftochten of een lunchpauze, voor of na een dj-sessie – in mijn 'smidse van Vulcanus'. Een reepje papier of bierviltje was voldoende – zo vulde ik een schatkist van woorden en beelden. Poëzie heeft niet echt handelswaarde maar een goed gedicht is goud waard in deze verstikkende, materialistische tijden. Dat mag meer zijn dan troost voor op het nachtkastje. To boldly go... – laat ons de geijkte paden af en toe verlaten, en elkaar die exploraties gunnen. Maar jezelf tijdig weer afbreken, is noodzakelijk. Mijn beste voordracht geschiedde ooit op een leeg stadsplein. Een duif kwam toen op mijn hoofd zitten: roekoe, roekoe. Dat is pas erkenning. Ik ben ook op het podium op verkenning gegaan, maar veel van mijn gedichten zijn zo goed als niet voorleesbaar. Een waaier van mogelijkheden biedt zich telkens weer aan. Al zink ik nu langzaam maar zeker naar de dieperik. Maar het antwoord op deze vraag was eigenlijk: 'Waarom niét?'
(3) Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Ik ben een generatiegenoot van Tom Lanoye en Dirk Van Bastelaere, maar voelde mij niet geroepen om in die gespleten tijd te publiceren. Als wellicht elke jonge dichter wou ik een eigen geluid verkrijgen – wat mij betreft wel met respect voor de grote voorgangers – en dus las ik als rosse vleermuis in het toenmalige Kapersnest meer Engelstalige poëzie dan Nederlandse, vooral oude krakers die nog steeds gensters slaan: Eliot, Auden, Yeats... Ik raakte bedwelmd door de oude balladen in onze gewesten, verslond François Villon. Van Ostaijen en Rimbaud waren boegbeelden – al verdiepte ik mij pas na mijn wilde jaren in hun werk.
Als 15-jarige keek ik op naar (het betere werk) van Paul Snoek en hoe Hugo Claus met vormen experimenteerde: ik was geen fan, maar absorbeerde alles – met Pernath in bad, met Lucebert in ’t Hijgend Hert. Her en der zou je bij mij echo's kunnen vinden, vooral van Snoek ten tijde van Strombolicchio. Tijdens mijn universiteitsjaren verdiepte ik mij in Rabelais (goor én verheven) – nu zou ik Michael Bakhtin terug moeten opgraven. Samengevat: geváárlijke narren waren mijn witte raven, bravoure was mijn boegbeeld, verkenningsdrift mijn vuurbaken. Daarom alleen al steunde ik de krijtlijnen van Han van der Vegt en spoor ik met Het Kapersnest jongeren aan om de klassiekers te bestuderen en tegelijkertijd ook je eigen Graal op te sporen – vechtend tegen frustratie, verbittering en krampachtige ver(s)t(r)akking, om poëzie (in je) vitaal te houden. Voor mij is zij levensnoodzakelijk – reikhalzend wankelend met een voet op Plato en d'ander op Aristoteles, strompelend én walsend naar d'open ton van de zee – en ben tot niet veel anders in staat (zonder overdrijving). Nu, naar de haaien!
(4) Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Ik twijfelde tussen iets van de onbekende Vlaamse dichter Kamiel Top (tijdens de Tweede Wereldoorlog omgekomen in een concentratiekamp) of het gedicht 'De Hascha Mia danst' van de mij nog onbekendere Jos Coveliers (1945) maar ik kies voor een gedicht dat mij als 15-jarige het poëzievirus deed krijgen, zodat ikzelf op 'rozentocht' vertrok – om met rozen én doornen uiteindelijk één roos te maken: voor mijn schuilhut, voor mijn havenkom. Dit is een gedicht dat mijns inziens de dichotomie van 'toegankelijk' versus 'ontoegankelijk' overstijgt. Je voelt het aan maar stop er een euro in: je krijgt niet onmiddellijk ontroering en zeker geen eenduidige betekenis terug. Vindt u het wat melig? Ik kan het blijven lezen, en zingen. Ik neem aan dat de Utrechtse dichter Theo van Baaren (1912) niet meer leeft, maar lang leve – uit een schone zakdoekbundel – zijn Lied.
LIED
Theo van Baaren
Nooit zal ik vergeten,
hoe de duizendpoot,
zonder het te weten
Händels Largo floot.
Rozen aan de kapstok,
rozen in het bed,
nachtegalen in 't buffet
en op de keukenmat.
Ach die schone dagen,
toen de bezemsteel
nog de heks kon dragen,
worden mij teveel.
Rozen aan de kapstok,
rozen in het bad,
nachtegalen in 't buffet
en op de keukenmat.
Dertien tranen vallen,
één op elke tree,
dertien kleine muizen
nemen mijn tranen mee.
Rozen aan de kapstok,
rozen in het bad,
nachtegalen in 't buffet
en op de keukenmat.
© Interview: Arnoud van Adrichem
© Foto: Jean-Marie Impens - Peter Holvoet-Hanssen oog in oog met Paul van Ostaijen

Theo van Baaren is al sinds 1989 niet meer onder ons. Maar dat zijn werk nog voortleeft, doet mij deugd!
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 22-8-06 at 15:02
Op http://ggf.regiobrugge.be/ poëzie van Peter Holvoet-Hanssen geschreven voor ondermeer zonevreemde Lappersfortbos Brugge
Geplaatst door: Lappersfort Poets Society | 2-9-06 at 12:44