Liesbeth Lagemaat (Bergen op Zoom, 1962) studeerde Nederlands en Taal-en Literatuurwetenschap. Lagemaat heeft gewerkt als journalist, actrice, reclametekstschrijver, accountmanager en docent Nederlands. Ze publiceerde in Maatstaf, De Tweede Ronde, Awater en Armada. Werk van haar werd opgenomen in Gedichten 2001 van Davidsfonds Literair en op DBNL. In maart 2005 debuteerde Liesbeth Lagemaat bij Wereldbibliotheek met Een grimwoud in mijn keel. Op 22 juni 2005 werd haar de C. Buddingh’-prijs toegekend voor het beste poëziedebuut. Een snelle tweede druk volgde. In 2006 werd werk van haar opgenomen in diverse bloemlezingen. Naast de optredens op festivals en poëzienachten, geeft ze op verschillende plekken in het land poëzieworkshops. Liesbeth Lagemaat woont, met geliefde en vier gezamenlijke zonen, in Wijk bij Duurstede.
(1) Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Dit gedicht komt niet uit de bundel Een grimwoud in mijn keel, maar is een nieuw gedicht dat hoogstwaarschijnlijk ook in de volgende bundel komt.
Tijdmeten
Misschien sliepen we vroeger op een bed van graniet,
droeg ik de afdruk van je nagels op mijn borst, ten teken.
Kreeg ik zeventien kinderen, waarvan er één, de albino,
bleef leven. Misschien was de dood ons eenvoudig vergeten.
Jouw schedel van eierschaal, zo gemakkelijk schijnt het licht
erdoor. Kom. Laat me een nest van takjes adem blazen,
de hechting verzachten met bloed. De kieren dichten met stuifzand,
de kuch toedekken, het gruis van je wangen verwarmen, kom.
Of misschien moeten we, nauwgezet en tongkorrelig,
het skelet van de beuk gaan bereizen. En dan alleen de bast.
En dan alleen de geur. In fijne druppels regent het as op je
voorhoofd, je kunt niet gaan slapen zo. Wat moet ik zeggen?
Mijn lippen: granaat en vertakking van dood en de grens
in de nacht tussen jij en niet meer met één hand. Misschien
kunnen we ergens verdwijnen, in een plooi van het laken, of
erger nog, in onze ogen. Jij in de mijne, ik in - nou ja, nou. Kom.
(2) Waarom poëzie?
Sinds ik me herinner heb ik gedichtjes en korte verhaaltjes geschreven, zoals zoveel kinderen dat doen. Maar bij de meesten stopt het op een gegeven moment, bij sommigen niet. Gedichtjes worden gedichten, krijgen een eigen stijl, groeien, veranderen, lijken wel papieren levens te zijn. Die beschermd moeten worden. Ik heb heel lang gewacht met het publiceren van mijn poëzie, tot 1999. Toen heb ik werk opgestuurd naar Maatstaf en De Tweede Ronde. Tot mijn grote schrik namen ze het aan en vroegen allebei om meer. Toen moest ik wel verder, naar buiten komen.
Poëzie trekt je naar de kern, steeds. Je kan met je woorden de plank ongelofelijk misslaan en misschien een afschuwelijk lelijk vers schrijven, maar dat geeft niet: het gaat om de weg naar de binnenkant van de aarde, het gaat om het steeds opnieuw ontdekken van de bron van het bestaan. Als je poëzie schrijft maak je steeds omtrekkende bewegingen rond die bron, je kan er heel ver vandaan zijn en soms is het alsof het dak van je schedel wordt getild.
(3) Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Een mens = beïnvloeding, is een spons. Alles zuig je op, ieder woord, beeld, iedere geur, klank, iedere gedachte die over wordt gebracht door een ander mens, ieder gevoel dat onder je huid blijft zitten en plakt en nooit meer weggaat, iedere herinnering die ongevraagd binnensluipt en vervolgens de regie overneemt. Een mens zit gevangen in een caleidoscoop, zijn cel is tegelijkertijd zijn rijkdom en er is geen einde aan de stroom van gewaarwordingen.
In de loop van je leven leer je je in zekere mate af te sluiten. In sommige omstandigheden is dat per se noodzakelijk, anders kun je niet overleven. Dan word je gek.
Ik leef als dichter met open vizier, als ik een harnas draag, dan is dat van kristal, en vaak is het nog bloter hoe ik leef: mijn huid is een tent van licht, alle klank, beeld, herinnering, ieder appèl van buiten komt vrijwel ongefilterd binnen. Maar zo gaat het niet de hele dag: ik zou verongelukken op het eerste kruispunt. Waarschijnlijk is er een beschermende waaier om mij heen die zich dicht trekt op het moment dat dat nodig is in het praktische leven, en opengaat bij het sein ‘veilig’, na het oversteken van dat zebrapad bijvoorbeeld. En dat gaat meestal wonderbaarlijk goed.
Je vroeg naar beïnvloeding. De beïnvloeding is dus totaal. Inspiratie komt van alles: lichtflitsen aan het zijraam als je in de auto zit, het zoemen van elektrische apparatuur, het geluid van een deur die dichtslaat, de schaduw van een blad, of van je fiets, op de tegels, de adem van je geliefde, wijn of koffie of kauwgum of brood, of de winter in de gedichten van Hadewijch, de eenzame eigenwijsheid van Emily Dickinson, de bevlogenheid van Kees Ouwens, de stilte van Hans Groenewegen, de dwingende taal van Piet Gerbrandy, en wat heb je allemaal gelezen en wanneer? Ik was rondom de 17 en iemand liet mij Brodsky lezen, en Garcia Lorca. Ik was 27 en ik las Kafka, terwijl ik ‘s nachts mijn eerste kind voedde. Ik zal 87 worden en wat lees ik dan? Gerrit Kouwenaar, Ter Balkt, Eva Cox? Hoe beïnvloedt wat mij op welke manier waarom? Waar gaat die naald in mijn vlees?
Morgen ga ik Het vertrapte mysterie van Hans ten Berge ophalen bij mijn boekhandel. Ik ben ontzettend benieuwd. Zijn vertalingen in Op een mat van gele veren: alweer een fascinatie. De caleidoscoop, ja.
Wat ik bedoel te zeggen: alles en iedereen beïnvloedt mijn werk. Voortdurend. De buschauffeur, de buurman, de vissen in de vijver en de reiger die de vissen vreet, de regenwolken in de lucht die de reiger aan stukken scheuren, het oog in het gezicht van mijn jongste zoon die net voorbijloopt en dat oog dat flitste op in de lamp.
Ik ben een mens. Een spons. Ik ben nooit klaar met schrijven. Maar waarschijnlijk word ik ook 107.
(4) Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Een gedicht voor een online-bloemlezing, je laatste vraag, is voor mij, uit de bundel van Hans Groenewegen, en gingen uit sterven,
schepping
eieren legden zich
ze vonden de maan uit, lagen, braken
en gingen uit sterven
© Interview: Arnoud van Adrichem
© Foto: Theo de Groot
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Het spijt mij als ik zeg dat ik nog nooit van Liesbeth Lagemaat had gehoord, maar dat is ruimschoots goed gemaakt. Prachtig interview, mooie gedichten, althans mijn mening.
Geplaatst door: Erwin Troost | 10-8-06 om 7:00
Voor wat het waard is: ik vind Tijdmeten een erg mooi gedicht.
Geplaatst door: Frédéric Leroy | 10-8-06 om 17:39
Het gedicht is erg mooi, Liesbeth; niet anders, wel geevolueerd tov. het Grimwoud. Liefs.
Geplaatst door: Willem Robert Reilingh | 16-8-06 om 13:31