« Logje van papier 5. Poëzie en onderwijs | Hoofdmenu | Onzichtbare bloemlezingen – Hans Groenewegen »

12-3-06

Er staat geen woord te weinig in

Over Exorbitans van Han van der Vegt

In 2001 vaardigen Peter Holvoet-Hanssen en Han van der Vegt (1961) een manifest uit, dat onder de titel De vegt-lijnen - Pathos, kapsones en conflict achtereenvolgens verschijnt in de Financieel Economische Tijd en Parmentier. Online is het in een aangepaste versie nog altijd te vinden op de website van de Wintertuin, getiteld Met je blote kont in de wind - Wat 'andere' poëzie anders maakt. Het manifest roept op tot een 'dynamischer, expansiever poëzie'.

Ondanks relativerende woorden:

'[...] het is niet te vermijden dat een vandaag de dag geschreven manifest vol zit met pastiche en parodie. We hebben dan ook altijd de belachelijkheid van onze actie ingezien.'

heeft het schriftuur wel degelijk een serieuze toon en is het een verklaring en ook verdediging van de poëtische opvattingen van Holvoet-Hanssen en Van der Vegt. Beide dichters zetten zich af tegen de 'verstilling' van de poëzie, die 'vanaf ongeveer de jaren zeventig' van de vorige eeuw tot 'norm' werd verheven:

'Vanaf die tijd geen baanbrekende woorden, geen hemelbestormende frasen meer. Soberheid en inkeer. [...] In plaats van de grote veranderingen en de consequenties daarvan werd het thema van de dichters het bijzondere van het alledaagse, de verbazing over het detail waarover iedereen behalve de dichter heenkijkt. [...] Ze gingen in stil, integer protest tegen de vluchtigheid van het moderne leven. Ze vertegenwoordigden in rust en traagheid de waarden van het beschouwelijk ego.'

Holvoet-Hanssen en Van der Vegt pleiten voor een terugkeer van de pathos - 'het overtuigen met gevoel, in strottenhoofd en tong' - in de poëzie. Ze willen niet 'stotteren en stamelen' maar 'stikken' in wat ze te zeggen hebben. Ze kiezen voor 'het weidse veld', met pathos, laten zich leiden door dat deel van hun luchtpijp waarin zich hun stembanden bevinden:

'Wie zich door zijn stem bij de hand laat nemen, die wordt als vanzelf weggeleid van zijn persoonlijke obsessies en kan nieuwe paden bewandelen. We willen de mogelijkheden van de stem vermenigvuldigen. We willen nieuwe regels ontdekken. Assonantie dwingt ons woorden te gebruiken die niet in ons vocabulaire te pas komen, rijmdwang brengt ons op gedachten die ons vreemd zijn, uit het tellen van lettergrepen komt een nieuwe ideologie naar voren. We zullen volgorden van klinkers ontdekken die door de mond direct tot in het centrale zenuwstelsel stappen. Zo zullen onze gedichten niet meer alleen eenzaam in een stoel zitten of verdoold over straat dwalen. Ze zullen zich langs de hemel bewegen als wolken, ze zullen opstijgen als raketten, ze zullen aardlagen splijten als boorkoppen op zoek naar onbekende fossielen en soorten energie. Met de stem die zich durft loszingen van de zanger, die niet de veilige polen opzoekt maar de spanning daartussen, kan de poëzie haar oude bewegingsvrijheid weer terugvinden. [...] Er moeten gedichten geschreven worden op de ruimtevaart, de supersnaartheorie, op genetische manipulatie.'

Han van der Vegt schrijft Exorbitans (BnM Uitgevers, 2006) tussen december 2000 en augustus 2003. Met dit lange 'episch sciencefictiongedicht' van ruim 1200 regels brengt hij zijn poëtische opvattingen in praktijk.

De bundel opent met het volgende motto, ontleent aan T.S. Eliot:

Do I dare,
Disturb the universe?

dat zowel in letterlijke als figuurlijke zin de intentie van het gedicht/de dichter weergeeft. Zo laat Van der Vegt het ruimteschip Exorbitans (Latijns, exorbĭto - van het spoor afwijken) naar de uiteinden van het heelal reizen in een overdaad van taal, op zoek naar dynamiek, spanning, beweging.

Zingend, ronkend, zwanger van horizonten,
rook van haar geschubde flanken slakend,
zo hangt ze boven het dok, de vliezen kloppend,
de vensters geloken, wachtend tot men haar gaan laat.
Exorbitans is haar naam, want zij zal buiten
elke bekende baan het heelal ontsluiten.
Aan ons de taak haar daarbij terzijde te staan.

De verklaring van de keuze voor een episch dichtstuk moet voor een deel worden gezocht in Van der Vegts afkeer van het zuivere gedicht, dat voor hem net zoiets is als 'maagdelijkheid', 'een stadium waaraan normaal gezien een einde komt, zonder dat er daarmee iets verloren gaat. [...] Soberheid is zeker een manier om poëzie te schrijven, maar het is maar een manier van de ontelbare manieren.' Zo min mogelijk ballast meetorsen is geen natuurwet:

'De fysische werkelijkheid is opgebouwd volgens het principe van de overbodigheid, te veel sterren, te veel planeten, te veel materie en veel te veel tijd. [...] En op dit ogenblik is het hoog tijd dat we de andere manieren, die manieren die we hebben afgeleerd, gaan beproeven. Op dit ogenblik moeten we ons bekwamen in de hyperbool, het heldendicht, de dithyrambe.'

Het lange epische of verhalende gedicht is bij uitstek de vorm waarin Van der Vegt zijn hang naar 'pathos [...] retoriek, spel en willekeur' in een woordelijke overvloed kwijt kan.

Exorbitans is geïnspireerd op 'Sint Brandaan en veel slechte science fiction'. In een van zijn werkboeken zegt Van der Vegt hierover:

'Toen ik een paar jaar geleden het Middelnederlandse gedicht De reis van Sint Brandaan las, een verhaal over een groep monniken die in een schip de wereldzeeën afreist en daarbij allerlei wonderbaarlijke wezens en verschijnselen tegenkomt, kreeg ik het idee om daar een moderne versie van te schrijven. Over een ruimteschip dat de zonnestelsels afreist en daarbij allerlei wonderbaarlijke wezens en verschijnselen tegenkomt. Ik wilde mijn tanden zetten in een groot en ambitieus gedicht.'

De bemanning van Exorbitans wordt gevormd door vier aardelingen: Rolfo, Zark, Mim en Brand. Op enig moment in de toekomst kiezen ze het ruimtesop:

[...] Onder Exorbitants' kiel
spat het fluïdum van tijd en ruimte uiteen
in breed uitwaaierende sluiers van jaren en eeuwen.
In haar zog kolkt daar samen met hier.

Al snel komen ze aan de periferie van een mangaannevel de eerste wonderbaarlijke verschijning tegen, een enorm hoofd [...] Haar diep gekloven tronie, die met rijp/ bestoven, de eeuwigheid voor haar splijt,/ trekt de blauwe wapper van haar vuurstaart voort. Vaak met behulp van ons nog onbekende communicatieapparatuur weten de bemanningsleden telkens in contact te treden met de schepselen die ze op hun reis ontmoeten. Zo komt de lezer te weten dat het enorme hoofd is geboren uit de samenklontering/ van rondzwalkende brokstukken en ruimtepuin en dat de wezentjes op de volgende planeet, die zich voortbewegen op de stootkracht/ van hun buikjes, hun lichaam beheersen met de vrucht van een plant.

Op het kleinste hemellichaam langs hun weg door de ruimte, met een omtrek van dertig meter, vinden Mim en Zark een wezen zonder kop of staart/ of enig ander kenmerk in haar blauwgrijs vel/ dan de gele pulserende spleet waarmee ze zich houvast geeft. Ze nemen het wezen mee voor nader onderzoek en leggen haar in de quarantaineruimte van Exorbitants, waarna de reis wordt voortgezet.

De volgende ontmoeting betreft Jezus, wiens hemelvaart niet rechtstreeks blijkt te zijn verlopen, die verdwaald is:

De engelen die mijn wolk opwaarts dreven
jengelden aan mijn hoofd met vragen zo loos
dat ik heimwee kreeg naar mijn farizeeërs.
[...]
Ik stuurde hen vooruit: ik red me wel,
vertel mijn vader vast dat ik eraan kom.
[...]
Veel later werd ik wakker zonder richting.
[...]
Ik wist het niet meer, waarheen ik me ook wendde,
de hemel was ik kwijt. Soms vraag ik me af
of ze daarboven nog steeds op me wachten,
of dat ze genoeg hebben aan de vreugde der wet.

Hilarisch ook is het treffen op de volgende planeet met diersoorten die zich voortbewegen op organische wieltjes zonder profiel. Het dier op slechts een enkel wiel heeft exact het uiterlijk van onze hersenen, tot in de kleinste lobben. Deze dieren blijken in een ver verleden mee te zijn genomen naar de aarde, waar ze door (voorlopers van) apen levend op het hoofd worden gezet, tegen de zon en [om] ermee aan de haal te gaan.

Hierna beleven Rolfo, Zark, Mim en Brand nog verscheidene avonturen, waarbij Mim bijna het loodje legt, een konvooi ruimtearken wordt onderschept, een pak koffie (!) wordt geruild voor een kruik ingedikt licht en ze doodsangsten uitstaan in de ingewanden van een vuurspuwend roofdier.

Ondertussen worden de fysieke ontwikkelingen van het meegenomen wezen zonder kop of staart in de quarantaineruimte in de gaten gehouden. Op een gegeven moment groeit er op haar rug een spoor van grauwe builen/ en knobbels waarin Brand plots het patroon van het melkwegcluster herkent waar Exorbitans zich dan in bevindt. Ze stoppen een neusplug in het wezentje en:

Terstond verspreidt zich de rust der vervulling
over het lijf van onze gast. De zwelling
slinkt en verbleekt. Haar darmen staken gesust
hun weeën. De sluitspier om de gaten trekt
zich samen en slobbert de plug naar binnen. We voelen
hoe haar wil elke leiding doorstroomt en hoe
ze het schip in de lijn van haar ruggengraat legt.

Gestuurd door de wil van de buitenaardse loods zet het ruimteschip koers naar het holst van een leemte waar een gekleurde bal om eigen spil rolt. Exorbitans remt af en blijft op vijftig meter afstand hangen.

Nu zien we dat de bel bestaat uit twee figuren
die elkaar aanvullen op zijn oppervlak.

De twee figuren verhalen van het ontstaan van het heelal, waarbij de elf dimensies van de supersnaartheorie en goden een rol spelen. Gekomen aan de walsche randen/ van het universum zegt Brand:

Dit is het einde van het leven zoals we het kennen,
[...] hier houdt stof op stof te zijn.
Zeg je dierbare vlees vaarwel, verwelkom
je nieuwe lichaam met alle ongerijmde
mogelijkheden die hier op ons wachten.
Maar zoek geen ontsnapping in spijt of angst.
Niemand heeft een keuze aan het eind van de reis.

In de apotheose verdwijnt Exorbitans in de doorgang tussen de twee figuren en valt haar bemanningsleden onverklaarbare schoonheid ten deel.

Met Exorbitans schreef Han van der Vegt een bundel die met zijn gezwollenheid en vaak ongebruikelijke maar klinkende woorden likt aan mijn 'huid van de taal', die me verlokt, meesleept in zijn futuristisch onderwerp en een jongensachtig plezier in me naar boven haalt. Exorbitans betreedt lang geleden gebaande paden, ontwoekert ze en laat zien dat het episch gedicht ook heden ten dage nog boeien kan. Alhoewel ook andere dichters zich de afgelopen decennia af en toe aan een episch gedicht waagden (bijvoorbeeld Pieter Boksma met Quest en Peter Verhelst met Verhemelte) lijkt Van der Vegt het genre te hebben omarmd als de voor hem ideale uitdrukkingsvorm. Na Ratel en Exorbitans werkt hij momenteel opnieuw aan een lang verhalend gedicht, De paladijnen. Als bovendien zijn onderwerpen mede in beschouwing worden genomen, veelal futuristisch van aard, waardoor de gedichten een fantastische, soms sprookjesachtige schittering verkrijgen, blijkt Van der Vegt in het Nederlandstalige poëzielandschap een unieke plaats in te nemen.

Nog voor Exorbitans in boekvorm verschijnt, wordt het in mei 2004 als voorstelling met muziek op toneel gezet. Niet zo uitzonderlijk voor wie weet dat Van der Vegt een performer is in hart en nieren, zoals ook in het manifest uiteengezet:

'Voor sommige dichters zal het even slikken zijn, maar niemand van ons kan zonder publiek. [...] Wij schrijven en treden op om het publiek te verleiden, om het te veroveren, het aan ons te binden.'

En daar is Van der Vegt met Exorbitans in mijn geval glansrijk in geslaagd.

© Ton van 't Hof 2006

Exorbitans is Han van der Vegts vierde poëziebundel. Eerder verschenen Oker en Pilonder bij Uitgeverij IJzer en Ratel & Experimenten in de Windroosreeks bij Uitgeverij Holland.

Reacties

Ton, ben het alleen niet eens met de titel van het stukje. Van mij had Exorbitans best twee keer zo lang mogen duren. Niet veel meer dan 1000 regels, hoort U homerus al snuiven? Maar sois, ik eet dit soort spul. Ik heb niets dan sympathie sowieso voor gedichten geinspireerd op slechte SF, zeker in het Nederlandse taalgebied miste ik die invalshoek node, en dit is hier en daar ook nog eens op een rare manier ontroerend.

Ahoy daar,

'echte reizen maak je in je hoofd', zegt mijn kaperskapiteine/juegdauteur Noëlla 'De Pimpernel' Elpers altijd, ik ben blij dat Han daar geen gepfeijfferde rekening voor krijgt maar zo'n mooie, haarscherpe recensie als deze (de Vegt-lijnen zijn trouwens waren voor meer dan 90% zijn ding en hij maakt ze tenmisnte wààr), ik moest als vos even opgejaagd worden. Sorry Han, maar nu zoek ik even - na de reis van windstilte naar orkaan in 'Spinalonga' - verstilling op in een Dodenstad, voor mijn (heel anders alweer:)
poëzieproject 'Navagio'. Maardan zal ik met wrakhoutwoorden een wrakhoutschip maken, gedoemd om te zinken maar de matrozen leren alvast het zalige einde van je bundel uit het hoofd. Don't do Exorbitans no h a r m! Deze poëzie zou in een sonde naar andere stelsels moeten gezonden worden nadat de moderne operaversie in Sydney werd opgevoerd incl. een superact van The Lost Jezus. (Dat had wat pathos hoor). Enteren -
op naar een tweede druk! Van A(ntwerpen) naar A(nhem) maar nooit blijft Ridder Han ter plaatse trappelen. Hulde ---
Kwakje, het Zalfje van Het Kapersnest

Beste Ton,

Ik heb een ambetante vraag: waarom verschijnt deze recensie hier (op een site met dezelfde naam als de reeks waarbinnen de bundel verscheen) en niet op bijvoorbeeld Poëzierapport? Persoonlijk heb ik alle vertrouwen in je goede bedoelingen, maar ik kan mij inbeelden dat buitenstaanders van zelfbevlekking zullen spreken.

Anders gezegd: zou je de recensie ook geschreven en hier gepubliceerd hebben als je de bundel slecht vond?

x

@ Samuel - Exorbitans had ook van mij langer mogen zijn, maar lekker is maar ene vinger lang. De titel is overigens ontleend aan een uitspraak in het manifest, die ik hieronder citeer:

'Maar wat bedoelen critici als ze zeggen dat er 'geen woord teveel instaat'? Dat er om de boodschap over te brengen niet meer woorden nodig waren? Maar een gedicht draait niet om de boodschap, en de boodschap verandert met ieder woord. Dat een gedicht in evenwicht is? Met meer woorden had evengoed een ander evenwicht bereikt kunnen worden. Waarom zeggen ze nooit: 'Er staat geen woord te weinig in'?'

@ Peter - Tja, 'echt reizen doe je niet in je hoofd' schrijf ik in één van mijn gedichten, maar in het geval van Han moet dat wellicht worden genuanceerd: op naar een 2e druk, indeed.

@ X - Het antwoord is een volmondig ja. De redactie van de Contrabas koestert al langer de wens om op de eigen website recensies te plaatsen. Het probleem van de 'zelfbevlekking' is binnen de redactie ook aan de orde geweest.

De keuze om Exorbitans te recenseren is geheel de mijne geweest. Ik kan me voorstellen dat sommige mensen daar ambivalente gevoelens bij hebben. Toch heb ik gemeend de recensie te moeten publiceren, niet in de laatste plaats om de in mijn ogen uitzonderlijke bundel van Han van der Vegt recht te doen.

Ik hoop ook dat ik op integere wijze heb kunnen onderbouwen waarom ik die mening ben toegedaan. Ik ben me bewust van het feit dat ik hier een gok heb genomen. Maar ook als de recensie minder goed was uitgevallen, had ik haar geplaatst.

Bedankt voor de verduidelijking.

x

Ik hoop dat de redactie dan de 'zelfbevlekking' die zij elders zo vaak tegenkomt met een dan nu wat passendere terughoudendheid zal signaleren

Nee.

Controleer uw reactie

Voorbeeld van uw reactie

Dit is slechts een voorbeeld. Uw reactie is nog niet ingediend.

Bezig...
Uw reactie kon niet worden ingediend. Fout type:
Uw reactie werd gepubliceerd. Nog een reactie achterlaten

De letters en cijfers die u invulde kwamen niet overeen met de afbeelding. Probeer opnieuw.

Als laatste stap voor uw reactie wordt gepubliceerd, gelieve de letters en cijfers in te vullen die die u ziet in de afbeelding hieronder. Dit voorkomt dat automatische programma's reacties achterlaten.

Problemen met het lezen van deze afbeelding? Alternatief bekijken.

Bezig...

Laat een reactie achter