Logje van papier 2. Lof der luiheid
Dit wordt een lui logje. Dat heeft alles met de voorbije maand november te maken. November is de wreedste maand. De laatste echo’s van de zomer zijn met de toch al schaarse laatnazomerdagen van oktober geheel verdwenen, en de winter doet zijn uiterste best om alvast grote hompen donkerte en kou aan te kondigen, zo hoort dat met winters. De dagen zijn nog lang niet aan’t lengen, en op het werk is het hoogseizoen. Het werktempo, in onze noordelijke landen sowieso al hoog, krijgt in deze maand nog een tandje bijgestoken, want na november dreigt december, de maand waarin het einde zoek is, vanwege midwinterfeesten van heidense en christelijke oorsprong, lekkerbekkend uitmondend in consumptie allerhande. De productie raakt zo in december een tandje kwijt en daarvan zijn we in november met zijn allen de klos.
U ziet, een paragraaf vol, en we zijn nog nergens. Ik ga nog even verder over het werkklimaat. We hebben het niet voor niets over ‘werkethos’. Werken is de ritus van de westerling. De oude protestantse koppeling tussen werken en godsdienst die de motor was achter de industriële revolutie zal in protestantse kringen nog wel bestaan, maar de grote meerderheid van de bevolking werkt niet meer om zijn zielenheil veilig te stellen, maar om zijn brood te verdienen, en dat verdienen we tegenwoordig veelal door in de opgedreven snelheid mee te moeten draaien. Voor een aantal onder ons is werken bovendien een cultus op zich geworden: het werk levert niet alleen een inkomen, maar het geeft zin aan het leven. Werken brengt brood op de plank voor het nageslacht. Er kan status mee gemoeid zijn, of het gevoel een plicht te verrichten, aan een goede zaak mee te werken. Voor de gelukkigen is werken ook een stuk zelfontplooiing. Werken gaat vaak ook vergezeld van gezamenlijke rituelen zoals werklunches, vrijdagavondjes samen onderuit zakken, en wat nog al. Samenvattend: het werk wordt gevierd.
Ik stel voor dat we de teugels even vieren en met Bertrand Russell de lof der luiheid zingen. Hij schrijft namelijk dood en wel onder die titel een essay in het laatste nummer van Yang (nr 3, 2005)en dat is een themanummer over arbeid en literatuur. In dit nummer niet veel poëzie, wel essays. Er staan ook aantrekkelijke foto’s in. Ze zijn zo boeiend dat ze me een hele poos van de lectuur van de letters afhouden, en me vervolgens naar een dun werkje over fotografie leiden dat geheel in het Yang discours past: Camera Lucida van Roland Barthes. Rond het tijdschrift Yang hangt namelijk een filosofische wolk. Filosofen, zo stel ik hier positief maar door de geleden novembersomberte wel aan de luie en nonchalante kant, zijn de masseurs van de geest, en de geest moet vaak verwend of van stramheid bevrijd, anders wordt het een knoestige oude bromberenboom. Barthes is een veelzijdig denker. Ik zou nu graag eerst een stukje van zijn visie op fotografie meegeven. De lekkere luiheid van Bertrand Russell kan nog even wachten.
Camera Lucida (1) vertrekt van Barthes’ ongenoegen met wat hij over de fotografie las; niets ervan schijnt overeen te komen met hoe hij foto’s ervaart; daarom schrijft hij zelf maar een boekje. Filosofen zijn uiteraard eigenwijs. U kent zijn onderscheid tussen studium en punctum wellicht al, het werk heeft nogal wat invloed gehad. Een foto doet volgens Barthes appèl op de culturele verworvenheden die we met ons meedragen door onze opvoeding en opleiding. Een foto heeft daarom een studium: een plaatsbare herkenbaarheid, een context. Die context in foto’s doet niet veel met diegene die de foto’s bekijkt. Het komt echter ook voor dat we in een foto getroffen worden door iets wat in ons blikveld blijft haperen, iets wat ons kwetst, raakt of roert. Dat noemt Barthes het punctum. Het gaat vaak over een detail, iets wat de foto uit de haak trekt. In zijn boek bespreekt Barthes veel meer dan dat, o.a. verschillen en parallellen tussen foto’s en teksten, en van alles anders vrij persoonlijks en toch interessants; het is een vlot leesbaar boekje.
De vele foto’s in dit nummer van Yang hebben alle hetzelfde studium: het zijn Oostblokfoto’s, uit de jaren ’30-’40 vermoed ik. De oorsprong van de foto’s staat nergens vermeld, een fout van het tijdschrift.* Ik zie aan de productielijnen, datsja’s en Russische tekst dat het om foto’s uit het sovjettijdperk gaat. Drie mannen liggen elk in een badkuip in een kuuroord te weken; het geheel baadt in een ontspannen sfeer, maar het betreft duidelijk ook een georganiseerde groepsbedoening. Een van hen fronst licht gekweld zijn wenkbrauwen in een punctum. Op een andere foto neemt een gewoontjes uitziende vrouwelijke dokter in witte jas en met wit kapje de bloeddruk van een jonge knappe fabrieksarbeider met zwarte hoofdband. Zij kijkt naar haar instrument, hij kijkt anders naar haar dan hij had gekeken als zij een man was geweest. Zijn blik lijkt me het punctum van de foto. Naast de foto staat de vertaling van een gedicht van Gwenaëlle Stubbe, een Waalse dichter; ‘Altijd die bewijzen dat de mens zogenaamd maar één hoofd zou hebben!’ bloklettert zij. ‘Hij is een man uit verschillende delen. /Een deel van hem gaat er vaak met zijn tweede hoofd vandoor. ‘
Voor ik lui met Russell eindig, een korte blik op enkele essays in dit nummer. In ‘Het werk als fabriek’ schetst Dirk van Hulle een aantal visies van o.a. Thomas Carlyle en Albert Camus op het schrijven. Hij parafraseert Rüdiger Safranski die ‘het niets’ het fabrieksgeheim van de kunst noemt. Van Hulle breidt vervolgens de metafoor uit door de schrijver als een arbeider voor te stellen. Niet helemaal eerlijk ten opzicht van de arbeider, vind ik met de wet der traagheid nog nanovembermopperend over deze metafoor. Verderop in het artikel nog meer over de arbeider, dit keer van Camus die stelt dat de arbeider alleen tragisch is op de zeldzame ogenblikken dat hij zich van zijn lot bewust wordt. Zeldzame ogenblikken. Zozo. Zou hij het ooit aan een arbeider gevraagd hebben, vraag ik me af. De conclusie na de knappe essayistische omzwervingen van Van Hulle is eerder praktisch: ‘Niet iedereen kan het zich permitteren om sisyfist te zijn (de Sisyfusarbeid van de schrijver zoals uitgelegd in Camus’ teksten; de schrijver dwingt zijn respect af vanwege de nutteloosheid van diens creatie). Wie geen beroep kan doen op een mecenas, is afhankelijk van de tekstenindustrie en dus ook van resultaten en van al dan niet nobele Captains of Industry.’ Hoe zit het dan met de meeste schrijvers, die schrijven naast hun werk? De meeste schrijvers zullen niet veel verdienen met hun schrijversschap (vermoedelijk wil Pol Hoste dat ook aantonen; in dit nummer publiceert hij zonder veel uitleg ettelijke bladzijden uit zijn belastingsaangiften; als ik al zin had om daar in te duiken, dan had ik er niet de tijd voor). Schrijvers zullen inkomsten willen, bv. om meer tijd te krijgen om te schrijven, maar boeken ze hun schrijven daarmee onder de hoofding ‘economische arbeid’? Is iets wat tijd inneemt ofwel arbeid ofwel een hobby? Er zit weinig rek in die categorieën.
Net over schrijven en arbeid gaat het artikel van Harold Polis, uitgeefredacteur van Meulenhoff/Manteau, ‘Vooruit en voortgedaan. Over literatuur en arbeid’ Zijn artikel begint na een openingszin als in een schools essay: ‘Deze tekst handelt over de waardering van literatuur.’ met een weinig boeiende inleiding. Onder de subtitel ‘Wie leest er in godsnaam nog?’ stelt hij de gekende gegevens dat er te veel boeken zijn navenant de vraag. Hij vraagt zich af hoeveel van de gekochte boeken ook werkelijk gelezen worden, en vindt dat de leescultuur achteruit gaat en bedreigd wordt door een vermeende kwaliteitsdaling in het onderwijs. De groep lezers zal in de toekomst nog kleiner worden, waarschuwt hij. Aan het einde van het artikel, presenteert hij de noodzaak van een boekenprogramma op tv, als een stap in de goede richting voor het boekenbedrijf. Misschien. Wellicht. Eventueel. Maar de door Polis zelf aangehaalde regel dat uitgeverijen meer geld halen uit één bepaalde auteur dan wel uit een waaier van auteurs, zal ook hier wel gelden. Hij eindigt zijn artikel met de volgende uitspraak: ‘Geprangd tussen moed en raddraaierij, clichés en vooroordelen, hoog en laag, commercie en liefdewerk, vervreemding en herkenning, zal de literatuuur zich een weg moeten banen naar een nieuw publiek dat de arbeid van de schrijver wil vergoeden.’ Die zin begint goed, maar het punctum zit hem in het einde: een schrijver schrijft mijns inziens niet met als hoofdbezorgdheid dat zijn werk als arbeid vergoed wordt. Die hoofdbezorgdheid lijkt me het ‘voorrecht’ van arbeiders, werknemers en zelfstandigen.
Over Bertrand Russells artikel kan ik lui en kort zijn: het hier vertaalde essay uit 1932 vertolkt gelijklopende bezorgdheden als die waarmee ik dit logje begon: ‘In alle ernst wil ik beweren dat in de moderne wereld veel kwaad geschiedt door het geloof in de deugdzaamheid van werken en dat de weg naar geluk en welvaart in een georganiseerde reductie van werk ligt. ‘ En verder: ‘Als gewone kostwinners vier uur per dag zouden werken, dan zou er genoeg zijn voor iedereen en zou er, wanneer we een bescheiden mate van doelmatige organisatie mogen aannemen, geen werkloosheid meer bestaan. Dit idee schokt mensen van goeden doen, omdat zij ervan overtuigd zijn dat de armen zich geen raad zouden weten met zoveel vrije tijd.’ Hij vindt de werkethos een mechanisme dat zichzelf voortdrijft ten koste van werklozen die buitengesloten worden, alles in een taal geschreven als legde hij het uit aan een kind. Ik heb ervan genoten. Hij vond het in 1932 tijd om eens los te komen van die onzinnige werkethos: ‘Hierin zijn we dwaas gebleken, maar er is geen enkele reden om dwaas te blijven.’ Meer dan 70 jaar later zou hij, kennis nemend van onze werkritmes, ons wel erg dwaas vinden.
(1) Camera Lucida. Reflections on Photography. Vintage, London, 2000.
* Mijn fout (zie correctie van Yang hieronder)!
Website Yang: http://www.yangtijdschrift.be/
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
'De oorsprong van de foto’s staat nergens vermeld, een fout van het tijdschrift': een foutje van mevrouw Vekemans. Op het omslag, achterzijde, staat: Illustraties met dank aan DACOB, Documentatie- en Archief Centrum van de Communisische Beweging (Brussel).
Overigens maakt yang nooit 'themanummers', ook nu niet; het nummer bevat een dossier met het thema 'arbeid & productie', wat iets anders is dan een themanummmer. Nu ja, dat vindt de redac tie zelf althans.
Verder met dank vooor deze langoureuze bespreking.
redactie yang
Geplaatst door: yang | 8-12-05 om 11:02
Bedankt, ik heb binnenin zitten zoeken; de boodschap in het witte lettertype op het lichtgroene omslag is me geheel ontsnapt. Excuus voor de fout. Wat het woord themanummer betreft, ik was me er niet van bewust dat dat gevoelig lag, of sterker nog, in het nooit-gebied; misschien was het de bindende kracht van de foto's, en het stuk van Pol Hoste over werkbeurzen buiten het dossier dat me op het woord bracht; het is alleszins niet negatief bedoeld. Dank voor de ijverige rechtzettingen: ik zal mijn productielijn bijstellen!
Geplaatst door: Herlinda V. | 8-12-05 om 13:40