Tsead Bruinja (Rinsumageest, 1974) debuteerde in 2000 met de Friestalinge bundel De wizers yn it read/ De wijzers in het rood (Bornmeer). De derde Friestalige bundel Gegrommel fan satyn /Gegrommel van satijn (Bornmeer) verscheen in 2003, evenals zijn Nederlandstalige debuut Dat het zo hoorde (Contact). Eind 2004 zag de tweede Nederlandstalige bundel Batterij het licht, gevolgd door de door Bruinja en Hein Jaap Hilarides samengestelde bloemlezing Droom in blauwe regenjas - Nieuwe Friese dichters (Contact & Bornmeer). Begin 2005 verscheen de bloemlezing Klotengedichten (Passage), die Bruinja, net als de bloemlezing Kutgedichten, samenstelde met Daniël Dee. Bruinja is vaste medewerker aan de pagina Boeken.vpro.nl, waarvoor hij samen met Stijn Ekkers eigenzinnige signaleringen en recensies van nieuwe poëziebundels verzorgt. Binnenkort verschijnt zijn nieuwe Friese bundel: Gers dat alfêst laket/ Gras dat alvast lacht.
1) Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Een gedicht dat ik schreef voor een galerie en dat hier te zien is.
Het is een gedicht dat je in meerdere richtingen kunt lezen, hoewel de betekenis niet al te veel verandert.
2) Waarom poëzie?
Poëzie omdat naast muziek dat de kunstvorm is die me het meest raakt. Het is een vrije manier van schrijven die dicht bij denken staat. Daarnaast vergt het een korte maar intense vorm van concentratie. Ik geloof dat ik die concentratie goed op kan brengen. Bij het schrijven van proza heb ik bijvoorbeeld moeite om lang stil te zitten en één ding te doen. Door het associatieve van poëzie kun je jezelf verrassen en dwing je jezelf om niet na te denken zoals je dat normaal doet. Muzikaal denken? Eerder heb ik in een interview gezegd dat ik het schrijven van een gedicht graag vergelijk met een droom. In een droom lijk je ervaringen te verwerken uit je dagelijkse leven. In een gedicht lijk je taal te verwerken uit datzelfde leven en probeer je de logica enigszins los te laten, maar misschien geldt dit wel alleen voor sterk associatieve poëzie. Hoewel dat zogenaamde 'de sluizen openzetten' gedeeltelijk ook weer iets gecontroleerds heeft. En zo bleef de dichter zichzelf tegenspreken tot aan het einde der tijden!
3) Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Op dit moment lees ik vooral graag het werk van Nachoem M. Wijnberg, Martin Reints en F. van Dixhoorn. In hun gedichten worden dikwijls keuzes gemaakt, terwijl ook de andere mogelijkheden duidelijk of open blijven. Vooral bij van Dixhoorn en Reints zie je de dichter hard op denken, waarbij dat denken ook weer iets vrolijks heeft. Wijnberg lijkt iets minder vrolijk, maar is even helder. Ik denk dat ik dat aan deze dichters waardeer, dat ze heldere en vooral ook precies schrijven en je ook nog eens het gevoel geven dat je mee zit te twijfelen.
Heerlijk en illustratief is in dit geval Martin Reints' gebruik van de woordjes 'of' en 'en'. Vanaf zijn eerste bundel werkt hij daar al mee. Binnenkort verschijnt zijn nieuwe bundel en ik heb het manuscript daar al van mogen lezen. Gelukkig weer met veel 'of' en 'en'. Mijn eigen werk is misschien meer troebel en ook meer barok, maar deze drie namen inspireren me om de gedichten niet al te veel te laten ontsporen.
Andere dichters die belangrijk voor me zijn geweest: Wouter Godijn, Elmar Kuiper (Friestalige poëzie), Anne Feddema (Fries), Cornelis van der Wal (Fries), Tsjêbbe Hettinga (Fries), Bart FM Droog, Tjitse Hofman, Maria van Daalen, Albertina Soepboer, Jack Kerouac, Allen Ginsberg, Mark Boog, Erik Lindner, Jan Baeke, Tonnus Oosterhoff, Hans Faveray, Arjen Duinker, Jan Arends en een hele rij die ik nu vergeten ben. Daarnaast zijn er tekstdichters / muzikanten die een grote invloed hebben gehad op mijn schrijven. Daarbij denk ik vooral aan: Steve Hogarth (van Marillion), Fish, Roger Waters en Jim Morrison. Wat mijn optredens met muzikanten betreft zijn De Dichters uit Epibreren van grote invloed geweest. Dat geldt zowel voor de muziek van Jan Klug als voor de voordrachten van Bart FM Droog en Tjitse Hofman.
4) Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Een gedicht van Wim Brands uit de bundel Ruimtevaart (Nieuw Amsterdam, 2005) - moet iedereen in zijn kast hebben staan!
Boodschappentas
Ze hangt als een boodschappentas
aan mijn arm en ik bedenk
wat er met haar
uit mijn leven verdwijnt: Buisman,
een stoof, de theemuts.
Niets houdt haar trouwens
nog warm.
Bevelend wijst ze naar
de supermarkt en
vraagt me
wat ik zie:
ik noem een naam.
Nee, idioot,
dat is de overkant
en hoe komen wij daar?
Ik wil haar nooit meer ontstemmen,
zeg me hoe.
Maak je maar klaar,
we zullen moeten zwemmen.
5) Welke dichter zou u voor het volgende interview willen uitnodigen?
Tjitse Hofman. Ik hoorde hem tijdens de presentatie van Anneke Claus een gedicht voorlezen dat hij oorspronkelijk voor de Kift had geschreven. Er zit een regel in 'laat me niet lachen man' die me sindsdien door het hoofd spookt. Ik hoop dat hij dat gedicht kiest voor zijn interview.
© Interview: Arnoud van Adrichem
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Reacties