In zijn meest recente posting schrijft Xavier Roelens over mijn bloemlezing uit de poëzie tussen 1980-2005:
'Ook tijdschriftpublicaties en internetpublicaties tellen mee. Dat klinkt mooi en ik geloof dat Breukers dat tot een goed einde kan brengen en die enkele pareltjes zal vinden. Als persoonlijke vetes maar niet te veel meespelen... Komen ook bloemlezingen
in aanmerking? En wat verstaat hij onder “debuteren na 1 januari 1980”?
Slaat dat op de eerste tijdschriftpublicatie of gebruikt hij voor de
begingrens toch de bundel als eenheid? Concreet: komt iemand die in
1980 zijn debuutbundel uitbrengt, maar al in 1979 in enkele
tijdschriften gepubliceerd heeft, in aanmerking?'
Op de laatste vraag: dichters die in 1980 met
een bundel hebben gedebuteerd of die sinds 1 januari 1980 in de
tijdschriften publiceerden, komen in aanmerking, aangevuld met de
mensen die op het web publiceren en tot en met 31 december 2005 nog
geen bundel hebben uitgebracht. Het door Roelens gesignaleerde
pareltje heeft en in tijdschriften en op het web gepubliceerd – dus dat
komt goed. Of niet. Maar is gesignaleerd.
Is de grens die ik trek arbitrair? Ja. Maar ik moest ergens een
grens trekken en ben in 1980 uitgekomen – onder meer omdat de eerste
editie van de Dikke Komrij in dat jaar uitkwam, dacht ik, maar dat
blijkt dus in december 1979 te zijn geweest. Nu behandelt mijn
bloemlezing alle nieuwe poëzie die na het uitkomen van de Dikke Komrij is
verschenen.
Verder lijkt het uitvechten van door Roelens gesignaleerde persoonlijke vetes (die ik niet heb – de door Roelens gesignaleerde vete bestaat vooral in het hoofd en de attitude van de gelinkte dichter) mij een zaak die buiten de beoogde bloemlezing valt. Wel kan ik vast verraden dat een corpus van 5 gedichten op zichzelf nog niet groot genoeg is om voor bloemlezing in aanmerking te komen, en niet getuigt van een enorm schrijftemperament.
Roelens schrijft ook: 'Zijn criteria zullen zijn a) beheersing van het vakmanschap en b) het zich plaatsen in of afzetten tegen een bepaalde traditie. Vooral dat laatste mist hij bij de hedendaagse dichters, die elkaar volgens zijn bewoordingen allemaal te graag zien.' Daar geef ik een kleine aanvulling op: dichters zouden, vind ik, iets meer poëzie moeten lezen voordat ze de producten hunnes gekakels aan de openbaarheid prijsgeven. Zo ongeveer bedoelde ik dat van die traditie.
Dan stelt Roelens: 'Er zijn misschien nog te weinig poëziedebatten de laatste jaren. Daar
kan Breukers wel gelijk in hebben. Maar het criterium wordt natuurlijk
de tradities die hij kent. Ik ben bijvoorbeeld benieuwd hoe Arjen Duinker
in de bloemlezing zal voorkomen, want die hoort toch niet echt in een
Nederlandse traditie thuis en zet er zich ook niet tegenaf. Maar in een
bepaalde wereldtraditie dan weer wel. Of wat doet hij met mensen die in
een niet-gecanoniseerde traditie thuis horen? Ik denk maar aan Jaap Blonk, Jelle Meander + Maja Jantar, of ook nog ACG Vianen.'
Duinker is een van de grootste hedendaagse dichters. De traditie waar hij zich in thuis weet ken ik niet – maar suggereren dat ik die traditie niet ken, wil nog niet zeggen dat de suggerant hem wel kent. De wijsneus spelen, is nog geen uiting van geleerdheid. Voor de rest verwijs ik graag naar tekstblok twee, over die traditie. Jaap Blonk valt wat mij betreft onder de uitvoerende artiesten, en wat ik van hem heb gehoord en gezien boezemde mij een diepe weerzin in. Het werk van de andere mensen die Roelens noemt, ken ik niet goed, maar van ACG Vianen heb ik wel eens interessante gedichten gelezen.
Nog één citaat van Xavier: 'Breukers liet zich al ontvallen dat Daniël Dee en Erik Jan Harmens weinig weinig
kans tot opname maken. Over Dee kan ik me niet uitspreken, maar wat
Harmens betreft, vind ik dat jammer. Ik vond zijn laatste bundel van
begin tot einde sterk. En het is zo dat hij moeilijk te plaatsen is in
een bepaalde traditie – ik heb er in elk geval moeite mee om
hem te plaatsen – maar in dit geval lijkt dit criterium me zijn
beperkingen te tonen. Iemand die nieuwe wegen aan het exploreren is
door bepaalde “truukjes” bewust niet te doen, dreigt daarmee uit de
boot te vallen.'
Ik zei: 'De recente bundels van Dee en Harmens vind ik niet heel goed, daaruit zal ik waarschijnlijk niets opnemen.' Of iets dergelijks. Bij Harmens heeft dat niets te maken met het al dan niet geworteld zijn in een traditie, maar met de toon die hij aanslaat – en die mij niet bevalt. Of Harmens bewust bezig is met het omzeilen van 'truukjes'? Ik betwijfel het. Maar ik geef toe: misschien heb ik wel een blinde vlek voor zijn werk.
Laatste reacties