« Nieuwe bundel Barnas: bezoeking of briljant? | Hoofdmenu | Berichtgeving tot vanavond gestremd... »

28-8-07

Reacties

Feed U kunt deze conversatie volgen door in te schrijven op de reactiefeed van dit bericht.

Ingmar Heytze

Harmens heeft gelijk. Dat goede dichters meestal ook (spaarzaam) goede enjambementen gebruiken, doet er weinig aan af dat een gedicht met opzichtige enjambementen bijna nooit een goed gedicht is, omdat de dichter in het beste geval verwarring probeert te zaaien met iets anders dan de tekst (en dat moet met niets dan de tekst) en in het slechtste geval gewoon niet weet wat hij wil zeggen en zijn gedicht daarom maar wat gaat bijknippen om meer diepte te suggereren. Een goed enjambement meestal een slimmigheidje dat het gedicht moet verfraaien, een slecht enjambement is een lolligheidje of erger.

Chrétien Breukers

Jaha. Maar dat staat er allemaal niet. Er staat dat, nu ja, wat er staat.

Uiteraard heb jij gelijk in de kwestie waarin je Harmens gelijk geeft. Maar dat is de kwestie in dit stukje niet.

Samuel Vriezen

Daarom is proza ook altijd zo stom. Daar heb je bijna alleen maar lukrake enjambementen.

RHCdG

Of neem dit stukje waardeloze poëzie, met op 20 regels niet minder dan 13 enjambementen:

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht,
In een oud stadje, langs de watergracht --
In huis was 't donker, maar de stille straat
Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn
Over de gevels van mijn raamkozijn.
Dan blies een jongen als een orgelpijp,
De klanken schudden in de lucht zoo rijp
Als jonge kersen, wen een lentewind
In 't boschje opgaat en zijn reis begint.
Hij dwaald' over de bruggn, op den wal
Van 't water, langzaam gaande, overal
Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust
Van eigen blijheid om de avondrust.
En menig moe man, die zijn avondmaal
Nam, luisterde, als naar een oud verhaal,
Glimlachend, en een hand die 't venster sloot,
Talmde een pooze wijl de jongen floot.

Bart FM Droog

Ach bah, is dat niet dat vreselijke Meigezever van, kom, hoe heet die onlangs overleden knakker ook al weer? Je weet wel, waarover Hendrik de Vries zoiets al dit schreef:

Gorter
ik heb uw Meimaand willen lezen
maar begon al snel te vrezen
dat het voor mijn dood
niet uit zou wezen
Korter! Korter! Korter!

Chrétien Breukers

Hij zei 'korter!', hij zei niet 'minder enjambementen!'

Bart FM Droog

Sorry, ik reproduceerde het uit mijn hoofd en wist niet dat het 'k'orter in onderkast moest zijn. Nogmaals, mijn nederige apologieën.

Erwin Troost

Wat zijn wij toch altijd aan het hekelen aan mekaar. Zelfs ik heb ooit een goed gedicht gelezen van CB en ook ik heb vandaag Ingmar Heytze weer gelezen, ondanks mijn vakantie en ik vind het heerlijk. Sorry. Ban mij maar van deze site omdat er ook andere leuke dingen in het leven zijn. Ik heb bijvoorbeeld ook 'Howl' van Allen Ginsberg weer even beetgepakt. Laten we elkaar geen Marietje noemen. Ik leer van jullie en ik zie iets in hen. Al kom ik hier de laatste tijd slechte poëzie tegen en meer een gewedijver, waar ik niet tegenover sta. Ik mis ook al wat bezoekers, de laatste tijd, dat vind ik jammer.

Je maakt je daar niet meer zo populair, CB, maar ik mag je. Ik kom iedere een paar keer kijken op je site.

Chrétien Breukers

Erwin... Al kom ik hier de laatste tijd slechte poëzie tegen en meer een gewedijver, waar ik niet tegenover sta....

Dat zeg je... over Spanninga, Vekemans, Stainer, die Cubaanse dichter, Whitman... nu ja.

En de bezoekers zijn er (volgens de cijfers) wel, maar reageren minder.

En voorts begrijp ik niet waarom dit stukje negatief zou zijn.

Adriaan Krabbendam

Vanwege het eufemistisch gesproken spierballenvertoon van sommige reagerenden is het niet altijd even zinvol om te reageren, helaas. Terug naar het onderwerp:

Dat het niet per se korter hoeft om effectief te zijn bewijzen de verzen van Pé Hawinkels. Hier het begin van een gedicht waar Gorter een puntje aan had kunnen zuigen:

Moet dit een wereldbeeld verbeelden?

Het aardoppervlak is plat & grof; het dobbert
huiselijk in een trouwring van water, — en die
is gevat in een overzichtelijke edelsteen, goed
voor een doorzichtig uitspansel, een koepel,
welks troebel evenbeeld als een hangende,
halve bel, groezelig & wel, een bovenmaats
scrotum, de onderwereld verzorgt.

En waarvoor nou helemaal?

Boven de triviale aarde klonten de wolken
plebeïsch tezamen; ze zitten aaneengeklit
het spaarzame licht, het ongeproduceerde,
niet weerkaatste schijnsel, nog dwars ook.
Zonder de medewerking van de geijkte
commissionaris hangt het licht wat rond,
boven de orbis terrarum, die de arbiter uithangt
tussen het luttele licht en zijn spekkige
antipode, de duisternis.

[...] Pé Hawinkels, “De tuin der lusten”

RHCdG

Het 'eufemistisch gesproken spierballenvertoon van sommige reagerenden': dan is 'RHCdG' toch veel korter?

Waarom Gorter hier vergeleken moet worden met Pé Hawinkels, en in hem wat enjambement betreft zijn meerdere zou moeten erkennen is weer zo'n gratuite opmerking die alleen maar van de kwestie afleidt. Hawinkels enjambeert helemaal niet; de regels lopen alleen in elkaar over. Het geciteerde Mei-fragment volgt in alle regels gepaard mannelijk eindrijm, waarvan de monotonie juist door enjambement wordt doorbroken; de manier waarop Gorter het inzet zorgt voor subtiliteit, afwisseling en vaart in het geheel - om het nu maar niet te hebben over meerduidigheid en de benadrukking van het verticale karakter van het gedicht (dat wat het gedicht tot gedicht maakt).

Over zoveel domheid - 'Gorter kan aan Hawinkels een puntje zuigen' - kun je eigenlijk alleen maar moedeloos je schouders ophalen: het kletst maar wat, het geeft maar weer eens een meninkje, het dringt zichzelf maar weer eens voor wat werkelijk mooi en bijzonder is - maar kom je ertegen in het geweer, dan ben je onredelijk en onsympathiek. Het mocht wat.

Frédéric Leroy

Hé! Ik ben het helemaal met Rutger eens! Moet ik me zorgen maken?

Adriaan Krabbendam

@ Rutger: 3 alinea’s = 2 te veel
1) RHCdG is inderdaad veel korter maar dekt de lading niet in dezen.
2) is een steekhoudend commentaar en welkome bijdrage aan de discussie. Mijn wat flauwe en gechargeerde opmerking over Gorter betrof de poëtische inhoud en niet zozeer het gebruik van enjambementen of de definitie daarvan. Uiteraard zijn beide verzen noch op poëtische inhoud noch op verstechnisch niveau vergelijkbaar. Dat ik van mening ben dat Hawinkels een veel groter dichter was dan Gorter doet hier niet ter zake.
3) (“Over zoveel [sic] domheid...” et cetera) slaat nergens op en is bezijden de discussie. “Het” kletst.

Frédéric Leroy

"Dat ik van mening ben dat Hawinkels een veel groter dichter was dan Gorter doet hier niet ter zake."

Je meent het?

Adriaan Krabbendam

@Frédéric: Dat het niet ter zake doet? Jij houdt bijvoorbeeld van frambozen, zeewind en zwartbittere chocolade, lees ik. Ook geen slechte voorliefdes.

RHCdG

Adriaan, je kunt dit soort dingen voorkomen door niet allerlei smaakoordelen tot waardeoordelen te promoveren. Er zijn mensen uit heden en verleden die hun best hebben gedaan ergens op en die, al zijn ze dood, niet zitten te wachten op vergelijkingen waar ze part noch deel aan hebben. Je kunt ook gewoon in ander verband een keer zeggen dat je Hawinkels graag leest, zonder Gorter meteen te depreciëren.

Ten slotte: De uitdrukking '[sic]' is erg pedant. '[Sic]' zeggen na 'zoveel' wijst op verregaande beroepsdeformatie. Zet de spellingscontrole van Word een tijdje uit.

Alexis de Roode

Zeg redactie, komt er nog een nieuwe post? Hebben jullie vakantie?

Koenraad Goudeseune

ENJAMBEMENT

Kijk: een vrachtwagen
op de fiets.

Adriaan Krabbendam

Rutger, je kunt dit soort dingen voorkomen door ze gewoon te voorkomen. Je kunt ook gewoon discussiëren of ervaringen uitwisselen en meer van dat fraais, zonder meteen te gaan schermen met termen als “pedant” en “domheid”. Grappen maken of je ernstige voorkeuren debiteren, zonder meteen te doen alsof je god bent en de rest van de wereld gek. Het gaat niet om sympathiek gevonden te worden of niet, het gaat om collegiale uitwisseling van kennis, voorliefde en inzicht. Bravoure en spot kunnen daarbij van pas komen, verongelijktheid en betweterigheid doorgaans niet. Ik weet niet wat het verschil is tussen een mening en een meninkje, maar het gebruik van de verkleinvorm is hier blijkbaar bewust denigrerend bedoeld en maakt daarmee slechts de gebruiker van de term ongeloofwaardig en slaat de discussie dood.
Ik had het ook liever over poëzie.

Adriaan Krabbendam

Dus: "Hawinkels enjambeert helemaal niet; de regels lopen alleen in elkaar over." Verklaar je nader. (Van Dale meent over "enjambement": "het doorlopen van de zin van de ene versregel in de volgende, zonder rustteken" en over "enjamberen": "enjambement toepassen, doen overlopen".) Het verschijnsel hoeft niet per se samen te vallen met het gebruik van metrum en/of eindrijm. Dat maakt Hawinkels net zo bruikbaar als voorbeeld als Gorter (of Dèr Mouw of Achterberg of Van Ostayen of Goudeseune of...)

Catharina Blaauwendraad

@Koenraad: wat dacht je van een prijs voor het Enjambement van het Jaar? Jij mag van mij in de jury.

Ik ga alvast een alias e-mailadres aanmaken voor de, naar ik hoop, talrijke inzendingen, die natuurlijk afkomstig dienen te zijn uit de bundels die in het jaaroverzicht 2007 van De Contrabas komen te staan.

Ook niet-mietjes mogen meedoen.

Ingmar Heytze

Vooruit, zij het uit een vroeger jaar:

'Menig dichter stapte van de brug en viel
verder niemand lastig'

Uit: Schaduwboekhouding, Uitgeverij Podium, 2005

Ingmar Heytze

Oeps! Dat moet zijn: uit 'Liegend konijn', het gedicht haalde de bundel toen niet.

Koenraad Goudeseune

@Catharina: ik houd me aanbevolen en mijn agenda
vrij, vrij naar Ingmar. Dank.

RHCdG

Adriaan,
De discussie over enjambementen loopt meer kans dood te slaan wanneer jij plotseling met de nauwelijks prototypisch enjamberende (zie hieronder) Hawinkels aankomt en en passant de fantastisch enjamberende Gorter in zijn schaduw stelt. Die bijdragen vind ik eerder onredelijk en onsympathiek (tov Gorter en het onderwerp) dan mijn reactie erop. Mijn collegialiteit geldt in zulke gevallen de dichter in kwestie, en niet de in misplaatste vergelijkingen grossierende 'collega'. Enfin.

RHCdG

Over enjambement (en de daarbij passende voordracht): daar is hier en elders vorig jaar zeer uitvoerig gesproken; laten we dat maar niet herhalen. Volgens Bronzwaer, 'Lessen in lyriek' (1993) is enjambement 'een techniek om te vermijden dat het eind van een versregel samenvalt met het eind van een syntactische eenheid' (p. 118) en bovendien een middel om rijm te verdoezelen (128-9). Zelf vind ik het met enjambement samenhangende verschijnsel apoikonou erg aantrekkelijk, waarbij een (deel van een) regel op zichzelf kan worden gelezen, maar ook in combinatie wat daarop in de volgende regel volgt.

Voor de prijs voor het Enjambement van het Jaar wil ik bij deze graag de volgende strofe op p. 31 van de tot dusverre onopgemerkt gebleven bundel 'Schaduwwerk' (Uitgeverij P, 2006) van Bart Vonck voordragen:

Zo neemt hij.
Zo neemt hij
waar of niet,
en geeft zich
over. Wint

...

Elke regel vanaf de tweede is hier geïsoleerd maar ook in samenhang met de erop volgende te lezen. In de laatste regel neemt de punt de functie van het regeleinde over.

Eerder al heb ik eens gewezen op de volgende regels van Van Bastelaere uit diens 'voorbode':

Dit is waar
Het verhaal eindigt. In zijn Mustang Kust
de bomexpert het meisje
...

Een zuiver enjambement bij de overgang van regel 1 naar 2, waardoor de eerste regel zowel op zichzelf staat als deel uitmaakt van de hele eerste zin; wie is de dichter ook om te verkondigen wat waar is? ‘Waar’ is hier alleen maar een plaatsaanduiding, en wel van het enjambement zelf. Na de punt achter ‘eindigt’ in regel 2 zou de regel af kunnen breken, maar hij loopt door en eindigt zelfs voorbij het begin van de volgende, derde regel, die ofwel met het woord ‘Mustang’ ofwel met ‘Kust’ zou beginnen; doordat ‘Mustang’ een naam is en dus van zichzelf met een hoofdletter wordt geschreven, valt dat niet uit te maken, waarmee Van Bastelaere de onzekerheid verder opvoert. Maar goed, daar houdt Harmens dus allemaal niet van. De lezers van De Groene zijn gewaarschuwd.

Adriaan Krabbendam

Haha!
Hahaha!
Rutger, dank
voor de ongeloof-
lijk grappige
repliek!

Koenraad Goudeseune

Rutger. Ik citeer je even: 'In de laatste regel neemt de punt de functie van het regeleinde over.' Dat is allemaal wel waar en ik snap wel wat het wil zeggen, ook al vroeg ik me de laatste uren soms af of de punt, naast het beïndigen van een regel, nog een andere functie heeft? Ja allicht, maar ik gebaar me nu eens van krommen haas, ik bedoel alleen maar: wat je in die regel zegt, dat is van verf zeggen dat ze vooraleer ze droog is, nat is. Prima hoor, maar mij houd je daarmee niet wakker en dat ben ik niet van u gewend. Amice.

RHCdG

Koenraad,

Om niet te breedsprakig te zijn heb ik allicht te weinig van het gedicht geciteerd. Het gaat zo verder (ik herneem):

'Zo neemt hij.
Zo neemt hij
waar of niet,
en geeft zich
over. Wint

voor zonsopgang
de nacht woestijndroog
voor zich

terug.'

Door de toevoeging van het woord 'Wint' treedt dus hetzelfde effect als bij enjambement op: je kunt de regel lezen als 'overwint' - in oppositie tot 'overgeven', en in samenhang met 'nemen' en 'terugwinnen'. De regel biedt dus niet een deel van een geheel zoals bij enjambement, en ook niet 'de hele tekst' zoals Harmens wil, maar de hele tekst plús een overschot, een teveel. De betekenisvorming komt niet tot staan bij de punt, maar zet die voort.

Eerder in het gedicht staan nog de volgende regels:

'Ruimte zomaar laten liggen?
Ontrafelen? ontrafeld!

Alles mislukt zo
voorspelbaar, zo ontragisch'...

Adriaan Krabbendam

Harmens en enjambementen – één bericht, 30 reacties, 24 dichters: Beets, Boutens, Mey, Pfeijffer, Gorter, de Vries, Breukers, Heytze, Ginsberg, Spanninga, Vekemans, Stainer, die Cubaanse dichter, Whitman, Hawinkels, Leroy, Goudeseune, Dèr Mouw, Achterberg, Van Ostayen, Blaauwendraad, Vonck, Van Bastelaere. Ben ik iemand vergeten?

Micha Hamel

mijn dierbaarste
horloge loopt
onder water
niet zo goed
als gisteren toen
ik toevallig zwom
in het geld dus ik
snel met mijn Japanse
vrouw een oude vriendin
opzoeken die twee enorme
buitensportwinkels runt maar ook
Rolexen heelt

Wat ik problematisch vind, is dat in het bovenstaande gedicht de enjambementen voornamelijk zijn ingezet om de lezer op het verkeerde been te zetten, en om lollig te doen bovendien. Dit komt men heden ten dage vaak tegen, in de dichtkunst, en heeft weliswaar enige schijn van virtuositeit, maar zet niet echt iets onder spanning. Ik vind de voorliggende tekst van Pé Hawinkels mooi, maar de enjambementen wel plompjes. Het leest als proza, prima. Bij Gorter -of er van houdt of niet- is in ieder geval duidelijk waarom de regel wordt afgebroken; vanwege het rijm. De technische en artistieke kwestie moet m.i. blijven, kan het ook anders, d.w.z. wordt het slechter (betekenislozer, slapper) als je er iets aan verandert?
Ik ben van mening dat bij Hawinkels de kwaliteit op veel punten gelijk zou blijven, hetgeen natuurlijk ook voor hem spreekt. Toch blijf ik van mening dat veel gedichter er op een bepaalde manier uitzien omdat de dichter 'een gedicht' aan het maken is, en in het karrespoor van prescripties en ortografische reflexen aan het denderen is. Terwijl de poëzie het domein van de absolute vrijheid is, en het van belang zou moeten zijn dat een inhoud zijn ultieme vorm krijgt. En dat het iets zegt, liefst, of anders iets uitdrukt.

Adriaan Krabbendam

"Op het verkeerde been zetten" is hier wel een rake woordspeling. Voor een deel gaat de discussie over de al dan niet aanwezige inhoudelijke noodzaak en/of het met opzet verkregen (bij-)effect. Het kan net zo flauw als gratuit, net zo mooi als effectief zijn.
"Terwijl de poëzie het domein van de absolute vrijheid is, en het van belang zou moeten zijn dat een inhoud zijn ultieme vorm krijgt. En dat het iets zegt, liefst, of anders iets uitdrukt", inderdaad.

En zie wat vormgevers zoal met titels uitspoken:

UN
DER
PER
FOR
MER

er is
een spookrijder
gesignaleerd

Hoe je
geliefde
te herkennen

resist
ent

Piet
De zwijgende
Gerbrandy
man is
Gedichten
niet bitter

DE FEESTEN VAN
ANGST en PIJN

Alleen die laatste is door de dichter zelf vormgegeven.

RHCdG

Poëzie het domein van de absolute vrijheid? Een inhoud die zijn ultieme vorm krijgt?

Daar dachten niet alleen retorici en rederijkers, maar ook dichters van zowel klassieke als experimentele snit heel anders over. Niet de inhoud is voor hen primair, maar de vorm: die kan onderdak bieden aan de geest, - niet andersom. Of zoals Jan Schaeffer het eens uitdrukte: 'In gelul kun je niet wonen'.

Adriaan Krabbendam

Dat bepaalt precies het verschil tussen dichtkunst en poëzie. Vorm die onderdak biedt aan de geest? In gelul kun je inderdaad niet wonen. Ook weldoortimmerd gelul is gelul. Met poëzie heeft dat niks van doen. (Wat “de geest” ook moge zijn – een dakloze? een asielzoeker? een vent? adem? – die heeft niks aan een sponning zonder raam.) Maar hier wordt het diffuus; mogelijk doelen we op hetzelfde.

Micha Hamel

Excuus als ik mij niet duidelijk genoeg heb uitgedrukt.
Wat ik probeerde te zeggen is het volgende. De technische keuzes zouden zo goed mogelijk aangescherpt moeten zijn op de inhoud, en andersom.
Zoals voor een Wiegelied een Hardrock-formatie misschien niet de beste instrumentkeuze is, zo is voor het beschrijven van een monomane gedachtenstroom het sonnet niet de ultieme vorm, denk ik (Je kunt dat ook JUIST wel doen, en dan heet het een contrainte; dat is weer een ander spel op een ander bord, maar dat gaat dan ook nog steeds over techniek), aangezien je dan met de chute in de knoop komt te zitten die het monomane zou moeten doorbreken of relativeren. Zo bijt vorm inhoud, en kun je beter iets anders kiezen, hetzij qua vorm, hetzij betreffende de inhoud. (Nogmaals, dat kan ook interessant zijn, maar dan moet DAT ook het artistieke project zijn; het treurigst zijn de onbewuste teksten). Wat ik bedoel dat het maken, dat elke operatie in het maken niet per ongeluk, maar expres moet gaan. En wat ik bedoel met ultieme vrijheid is dat in de hedendaagse poëzie er alles mogelijk is, dat je helemaal zelf mag bedenken hoe lang je regels zijn, of ze cursief zijn,hoe je interpuncteert. Maar toch lijken er bepaalde prescripties te bestaan, en taai in ons brein gebakken te blijven, waarin dichters soms gevangen lijkt te zitten, zoals het enjamberen om het visueel op een gedicht te laten lijken, terwijl het gedicht (de gedachte, de taal) er geen noodzaak voor geeft. Dan gaat de pracht lubberen, en verliest het aan kracht, spanning, urgentie (en meer van ditsoort spierballenwoorden), en onvergetelijkheid.
Maar inderdaad: 'Vorm is ook expressie" (Furtwängler), zo kun je het ook aanpakken. Dat is een ander beginpunt, waarvoor weer dezelfde kwesties van belang zijn. Wat voor de kwaliteit van een werk uitmaakt, is of alle keuzes expres zijn gemaakt, of de parameters onderling op elkaar betrokken zijn zodat ze een bestendig bouwwerkje vormen. (en inderdaad, ook expres-rafelig- onbestendig bouwwerkjes zijn stevig en bestendig).

groet,

Adriaan Krabbendam

Of misschien is poëzie wel daar te vinden waar vorm en inhoud zo sterk mogelijk samenvallen, net als in alle kunst. Enjambement of niet.

Micha Hamel

Yep. De uiteindelijke bedoeling is dat ze in elkaar oplossen zodat het lijkt alsof ze altijd hebben bestaan, en nog lang en gelukkig zullen leven.

RHCdG

Hallo Micha,

Uitgaan van een inhoud en daar dan 'technische keuzes' bij maken begunstigt in het algemeen een vrij vormloze poëzie - een poëzie althans waarvan de vormen vrij willekeurig aandoen. Ik heb het idee dat je in je bovenstaande stukje niet in de laatste plaats ook je eigen dichterlijke praktijk verantwoordt: het 'monomane' dat de ruimte moet krijgen en niet door zoiets als een chute in een sonnet gehinderd wil worden. (Overigens lijkt het mij dat Lucebert zijn hekelsonnet - ik/mij/ik/mij enz. - juist ook geschreven heeft om te wijzen op het monomane karakter van de toenmalige sonnettenproductie; echte monomanie laat zich nu eenmaal ook door formele grenzen niet in de weg zitten).

Als je de vorm niet stevig in de hand houdt - door je aandacht voor de inhoud - is de kans groot dat de taal met je op de loop gaat. Dat kun je wensen als dichter, vooral wanneer je meent dat de taal toch een eigen wil heeft waar je je als dichter maar aan hebt te onderwerpen; je wordt dan min of meer toeschouwer van je eigen maaksel, krijgt mogelijk het idee je aan hogere lyriek over te geven, en meent allicht spannende poëzie te schrijven. Maar voor de lezer ligt de zaak heel anders. Die wordt geconfronteerd met proeven uit een taallaboratorium die desondanks als voltooide eindproducten worden gepresenteerd. Het verschil met experimentele poëzie is dat de lezer geen getuige kan zijn van de wording van het gedicht, doordat die niet aan de vorm ervan kan worden afgelezen. In de poëzie van Lucebert en van Oosterhoff (en talloze anderen, maar met deze ben ik het meest vertrouwd) kun je nauwkeurig nagaan hoe niet een gedachte, maar een *woord* een volgend woord oproept, provoceert; poëtische middelen als rijm en ritme, spelling, typografie én enjambement, krijgen dan heuristische waarde, dwz: ze brengen je op ideeën. Zo wordt door de vorm gaandeweg onderdak geboden aan de geest.

Wat nog betreft de 'prescripties die taai in ons brein gebakken zijn': Jacques Lacan wijst erop dat ook ons onbewuste - deze kennelijke bron van wat jij inhoud, gedachte, gedicht, 'monomanie' noemt - gestructureerd is als een taal. Symptomen gedragen zich als betekenaars, ze maken deel uit van een termenketen, een structuur, en kunnen alleen van elkaar worden onderscheiden op grond van hun onderlinge verschillen - niet omdat ze van een essentiële betekenis zijn voorzien, een inhoud die aan hun verschijning vooraf gaat. Ook dat lijkt een reden om niet uit te gaan van inhoud, gedachte, etc. Het gelukkig huwelijk waarvan je spreekt is niet dat tussen vorm en inhoud, maar tussen vorm en vorm.

Chrétien Breukers

Soms ben ik maar wat trots op al die bollebozen die ik hier een thuis bied.

Adriaan Krabbendam

Nieuwe wetgeving: huwelijk tussen vorm en vorm toegestaan. En die arme geest maar dakloos waaien. Daar komen slechte hollywoodproducties van, dat kan niet missen. Brekebeentjes.

Adriaan Krabbendam

In geval van inhoudswens wordt gehuwde vormen toegestaan een inhoud in den dop te adopteren.

hans kloos

@RHCdG
Vormloze poëzie bestaat niet, zoals je al lijkt te vermoeden. En als je het hebt over 'een poëzie althans waarvan de vormen vrij willekeurig aandoen' doel je denk ik op gedichten die geen regelmatige regellengte en strofeverdeling hebben, het vrije vers noemde men dat ooit. Dat zoiets willekeurig aandoet, gebeurt alleen bij slechte poëzie. In goede is altijd duidelijk waarom de ene regel veel langer is dan de andere. Het ontbreken van regelmaat is iets anders dan willekeur.
Juist die regelmaat van vastere vormen komt mij soms willekeurig voor. Zo schrijft de door mij hogelijk gewaardeerde Ter Balkt vaak in een soort loze sonnetvorm. Ik me vraag me wel eens af of zo'n gedicht niet nog beter zou worden, als hij van die regelmaat zou afzien.

hans kloos

minus 1x me

Catharina Blaauwendraad

@HK Misschien is de enige zin van regelmaat dat het des te meer opvalt, zodra er van (of ervan?) afgeweken wordt.

hanz mirck

Wat ik nog niet gehoord heb in al deze respons op Hamens'niet-kennen va het enjambement is dat a) enjambement ook werkt om woorden in extrapositie te plaatsen (dus b.v. aan een regeleinde omdat het woord dan meer opvalt, en je misschien over de dubbelzinnigheid ervan zou kunnen nadenken) en b) Dat het toch opmerkelijk modern is dat iemand die dergelijke vaktermen niet kent recenseert in Het parool (hoezeer hij overigens ook behept is met een fijne neus voor wat bekt en wat bestaansrecht heeft). Maar hij werd waarschijnlijk na pas zijn debuut (cq zijn kennismaking met de termologie) aangesteld.

hans kloos

@CB
Natuurlijk, maar regelmaat wordt ook vaak gebruikt om iets bij elkaar te houden wat anders uit elkaar flikkert. Ik ben dan eerder geneigd dat te laten gebeuren en dan te kijken wat je met de brokstukken kunt doen.

RHCdG

Hans,
Zijn de volstrekt originele typografische vormen die Henk van der Waal zichzelf oplegt willekeurig? Aan de opzichtige visuele vorm te zien zou je zeggen van wel; ze komen ook niet uit een traditie voort en behoren alleen deze dichter toe. Aan de andere kant zijn ze duidelijk het resultaat van het ritme, de ademhaling en de stem van de dichter, en in dat opzicht allesbehalve willekeurig. Misschien geldt hetzelfde voor Ter Balkt?

Wie zich verder in het onderwerp versregellengte wil verdiepen beveel ik van harte de volgende pagina aan: http://www.cornetsdegroot.com/queeste/explosieven2.html

RHCdG

Hans (vorige post was in reactie op HK, deze op HM),

Het is niet zo erg dat Harmens onbekend is met vaktermen (al zou ik me er in zijn plaats niet op voor laten staan); zorgelijk is dat hij, samen met mensen als Gerbrandy en Pfeijffer (die classici zijn) een bepaalde poëzie voorstaat, m.n. een die ronkt, klotst, bluft, zingt, spat, enz. 't Zijn geen Faverey-jongens of Van Dixhoorn-fans; veeleer is Lucebert hun grote held. Maar voor de stilte en bedachtzaamheid die zijn persoonlijkheid kenmerkt hebben ze weinig aandacht. Doordat ze over belangrijke platforms beschikken ontstaat het gevaar dat er op den duur nog maar één bepaalde poëzie gelezen, gewaardeerd en uitgegeven wordt.

Catharina Blaauwendraad

@ Hans Mirck: "Dat het toch opmerkelijk modern is dat iemand die dergelijke vaktermen niet kent recenseert in Het Parool" [...]

Het nare is, dat veel mensen die op grond van het talent, waarmee ze hun gebrek aan vakkennis overschreeuwen, op een sleutelpositie terechtgekomen zijn, uit ressentiment en/of onzekerheid en/of domheid alles neersabelen wat ze (op grond van datzelfde gebrek aan vakkennis) niet kunnen waarderen omdat het niet net zo hard schreeuwt als zij.

Adriaan Krabbendam

R, dat gevaar is niet groot en wordt ook niet groter. De "platforms" zijn even divers en rijk geschakeerd als de daadwerkelijke uitgaven en gelezen poëzie. Tot op heden neemt de diversiteit alleen maar toe. En hoezeer het ook voor de hand ligt waar het om stellingname en academische achtergrond gaat, ook Pfeijffer en Gerbrandy hanteren een onderling nauwelijks te vergelijken poetica. En als Lucebert als epigoon fungeert - juist hij was van alle markten thuis, zoals alleen al blijkt uit de link(s) die jij presenteert.

(De 2 H's zijn overigens gemakkelijker te onderscheiden door de 4e letter van hun voornaam.)

Adriaan Krabbendam

Maar ik vergat te melden dat we hiermee zo langzamerhand het onderwerp hebben verlaten, zoals de hoofdredacteur wel snel zal opmerken. Of we keren terug naar de gamba's.

hanz mirck

Hoewel vast off-topic wil ik toch het volgende graag gezegd hebben: het hanteren van vaktermen brengt met zich mee dat je kunt benoemen wat je leest, het gaat me niet om dat Harmens destijds een woord niet kende maar om dat hij zich blijkbaar niet bewust was van wat daar op papier gebeurde.
Overigens vind ik hem nu een repectabele criticus. Wel vind ik teveel critici slechte lezers en zich te weinig bewust van hun eigen kaders. En de bekendheid van veel dichters heeft weinig te maken met hun talent maar meer met hoe de media al dan niet iets met ze kunnen. Ik denk dat Harmens, om een eind aan deze hele posting te breien, zich juist wel van zijn sterke en zwakke punten bewust is en ondertussen heel goed weet hoe je een enjambement kunt inzetten. En dat hij ons over dit alles laat nadenken maakt dat hij zijn vermeende luidheid goed heeft gebruikt.

RHCdG

Mijn indruk is dat het met die 'diversiteit' erg meevalt, en dat die bovendien zelf een functie is van het ronkende, swingende, spetterende, etc. Poëzie die niet herinnert aan de ervaring van het bliepje van de mail of de sms (Vaessens), dwz poëzie die zichzelf niet voortdurend onderbreekt, verschillende registers bespeelt en ervoor zorgt de korte aandachtspanne telkens een stap voor te blijven, lijkt in het algemeen de aandacht voor een volgehouden spanning, een klein verschil, het stille, ingetogene te verdringen. Men wil 'de hele tekst', kennelijk omdat men daar recht op heeft. Men is bereid engagement te aanvaarden, zolang die uit citeerbare statements bestaat. Men wil niet 'op het verkeerde been' worden gezet door een enjambement, maar doorlezen tot aan het regeleinde, en dan het licht uit. Morgen wacht weer een dag vol e-mails en sms-en, waarin nooit de informatie staat die men wenst, waarin men aan het lijntje wordt gehouden en men voortdurend op het verkeerde been wordt gezet.

Fred Papenhove

Erik Jan Harmens laat zich positief uit over Pfeijffer en Gerbrandy, maar: "" Tegelijkertijd is er ook behoefte aan goed onderbouwd tegengas. Het zou wat dat betreft goed zijn als bijv. Ingmar Heytze of Hagar Peeters zouden gaan recenseren. Zij kunnen uitstekend beargumenteren en vinden iets anders dan eerstgenoemden. Ik hou van diversiteit."

uit Bunker Hill 30, jaargang 8, oktober 2005

hans kloos

@RHCdG
Ik heb niets tegen regelmatige of onregelmatige vormen, zie mijn eigen werk, het ging me erom dat jij willekeur verbond aan onregelmatigheid. Volgens mij ontstaat de indruk van willekeur vooral bij een minder geslaagd gedicht ongeacht of dat nu regelmatig of onregelmatig van vorm is. Dat geldt mutatis mutandis ook voor het enjambement.
En nu ga ik voorlezen in een fietstaxi, kijken wat voor effect dat heeft op mijn enjambementen.

Adriaan Krabbendam

En de vraag die blijft: zijn al die enjambementen in Harmens' "In menigten" het werk van Henderson?

Catharina Blaauwendraad

Wel, het pleit in elk geval voor de redacteur in kwestie dat hij a) weet wat een enjambement is en b) een appelflauwte krijgt als zijn auteur "doe maar wat" roept.

Al is het natuurlijk de droom van elke redacteur, een auteur die "doe maar wat" roept en geen kruisvaart wijdt aan het behoud van elke tittel, jota of komma van zijn manuscript.

Adriaan Krabbendam

Nee, Catharina, dat is niet bepaald waar een redacteur van droomt. Integendeel, als een auteur "doe maar wat" begint te roepen, zou ik zeggen "doe zelf maar wat". Maar Harmens chargeert natuurlijk, en hoopte waarschijnlijk op een discussie als deze, ook al wordt die niet op z'n eigen blog gevoerd en mengt hij zich er zelf niet in.
Overigens is een van de grootste blunders die ik ooit maakte, in de tijd dat ik ook nog zelf zetwerk verrichtte, dat ik een nogal lange regel tot buiten de zetspiegel liet lopen, zodat ie bijna in het bindwerk verdween. De dichter in kwestie was zo sportief te reageren met iets als dat dat "ook eigenlijk wel weer mooi en betekenisvol" was.

hans kloos

Daar bestaat het fenomeen uitklappagina voor, u weet wel, als in dat blad dat voor de interviews wordt 'gelezen'. Ik heb er ooit een eerdere uitgeverij flink mee op kosten gejaagd omdat ik de ietwat lange regels niet wilde afbreken.

Adriaan Krabbendam

En dan is er nog de discrepantie tussen het geschreven en het tot klinken gebrachte gedicht. Bij een vers van Henk van der Waal telde ik zo'n veertien inconsequenties binnen een gedicht van zeventien regels (en drie strofen, die wél worden gehonoreerd in de voordracht). http://www.henkvanderwaal.nl/nieuw/html/vreemdgangframeset.html
Het is maar een voorbeeld.

hans kloos

Je kunt je bij het gedicht van Van der Waal afvragen of elke afbreking zo geslaagd is, maar dat er een discrepantie is tussen geschreven en gesproken versie is niet zo vreemd. Daaruit blijkt eerder dat de dichter doorheeft dat het ene medium soms andere wendingen vereist dan het andere. Als ik zelf voorlees, voeg ik soms zelfs woorden toe. Niet omdat ik een verbeterde versie heb, maar omdat een structuur die je moet horen ipv lezen andere eisen stelt.

Adriaan Krabbendam

Je hebt gelijk Hans, de twee disciplines stellen soms andere eisen. Ik bedoelde ook niet dat dat per se fout is; het valt gewoon op. Hoewel ik denk dat hoe meer beide zaken overeenkomen het betrokken gedicht des te geslaagder is. Dat was geen erg fraaie zin, en ik ben er ook niet zeker van dat dat klopt, maar dat lijkt me nu. Weer iets wat onderzocht zou kunnen worden...

RHCdG

Hebben jullie het wellicht over isochronie? http://www.dbnl.org/tekst/bork001lett01/lexicon_010.htm#I083

Aardig aan Van der Waals poëzie vind ik dat zijn vormen vaak alleen een optische effect lijken te willen sorteren, maar zich uiteindelijk toch aan zijn stem gewonnen moeten geven.

Adriaan Krabbendam

Nee, isochronie is niet echt de term die daarmee overeenkomt, lijkt me, in elk geval niet waar het regelafbreking of enjambement betreft. Het ligt dichter bij de witregel en het hoorbaar maken daarvan (zoals Van der Waal wél duidelijk doet). Zo uit het blote hoofd lijkt me de poëzie van Lucebert bijvoorbeeld doorgaans wel zo vormgegeven als ze ook klinkt (of zou klinken moeten, gezien de bestaande opnames van zijn voordracht).

Adriaan Krabbendam

Overigens doet zich een soortgelijke problematiek voor bij muzieknotatie, met dat verschil dat daar doorgaans de notatie zelf niet als het eigenlijk kunstwerk wordt gezien.

{{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

mooi dat Pé Hawinkels nog gelezen wordt. ik heb hem in 1968 voor het Dagblad voor Noord Limburg geïnterviewd. Een uiterst beminnelijke en royale vent.

interview n.a.v Bosch en Brueghel.

Freessemaxill

Good day
On-line pharmacy,offering online-prescription medication
uk order :)
and more. Buy from internet,drugius without prescription,at affordable discount prices.Order pill here now!
Goodluck!!!
------------------------------------
http://us.drugsrx.info

Controleer uw reactie

Voorbeeld van uw reactie

Dit is slechts een voorbeeld. Uw reactie is nog niet ingediend.

Bezig...
Uw reactie kon niet worden ingediend. Fout type:
Uw reactie werd gepubliceerd. Nog een reactie achterlaten

De letters en cijfers die u invulde kwamen niet overeen met de afbeelding. Probeer opnieuw.

Als laatste stap voor uw reactie wordt gepubliceerd, gelieve de letters en cijfers in te vullen die die u ziet in de afbeelding hieronder. Dit voorkomt dat automatische programma's reacties achterlaten.

Problemen met het lezen van deze afbeelding? Alternatief bekijken.

Bezig...

Laat een reactie achter

Jules de CorteWim Brands
De vijftig beste gedichten

Keuze uit het oeuvre van een van de beste Nederlandse dichters van dit moment Uitgeverij Compaan

Annick Vandorpe

A.H.J. Dautzenberg

Bart FM Droog

Het Gedichtenforum

Uitgeverij De ContrabasAntiquariaat Bij tij en ontij: Hoofdstraat 26, 9977 RD Kloosterburen
Telefoon: 0595 481056. Dagelijks geopend van 9.00 tot 18.00
Komt u van ver, bel eerst even!
Uitgeverij De Contrabas

Uitgeverij De Contrabas

Twitter

Zoeken

Colofon

Hoofdredactie: Chrétien Breukers. Redactie: Bart FM Droog, Joris Miedema en Jürgen Smit. Vaste medewerkers: A.H.J. Dautzenberg, Kees Klok, Hanz Mirck, Luc de Rooy, Willem Thies, Annick Vandorpe, en Abe de Vries. Reacties onder eigen naam of dichters- pseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Elders

Google Nieuws

Pagina's

Adverteren?

De Contrabas wordt meer dan 50.000 keer per maand bekeken. Wilt u ook tegen gunstige tarieven adverteren? Neem dan contact met ons op >> email. Bekijk onze advertentietarieven.

FeedCount

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005