« Vertalingen, hertalingen en pastiches in een | Hoofdmenu | De frauduleuze dichter - een essay van Stephen Oliver »

1-9-05

Stijgers en dalers in tijdschriftenland + reacties

Onderstaande tekst is van Abe de Vries. Hij schreef die naar aanleiding van het verschijnen van het ‘Rapport literaire tijdschriften – 2004. Eindbeoordeling jaargangen 2002, 2003, 2004’, dat wordt uitgegeven door het NLPVF. Het doet mij deugd te melden dat de Contrabas, een blad dat nog maar twee weken in deze vorm bestaat en waar nu al talloze essays, columns, interviews en nieuwsberichten in zijn verschenen, niet hoeft terug te vallen op het Productiefonds. Dat wel erg veel auteurs van goed gesubsidieerde bladen in zijn commissie laat zetelen – maar daar bedoel ik helemaal niets mee. Voorts vraag ik me af waarom Christa Widlund, beter bekend als Anna Enquist, zitting kan nemen als bestuurslid, wat mede dankzij haar auteurschap een wat moeizame functieverstrengeling oplevert. Doch. Echter. De tekst van De Vries nu:

Stijgers en dalers in tijdschriftenland

Elk jaar weegt een commissie van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds de moeilijk te meten prestaties van literaire tijdschriften. Wat doen ze? Rechtvaardigt de kwaliteit het toegekende subsidiebedrag? Kwaliteit, maar wat is dat, staat voorop. Op grond van een oordeel over de jaargangen 2002, 2003 en 2004 is nu vastgesteld in welke subsidiecategorie de tijdschriften in de periode 2005-2007 zullen vallen. Wie presteert bovenmatig goed en komt in aanmerking voor een premie bovenop het standaardbedrag? Wie zit op een vlak schema? En wie moet er wat harder aan trekken?

De toppers in 2004, volgens de beoordelende commissie ‘Literaire tijdschriften’, waren De Gids, Raster en Tirade. Alle drie hebben recht op het extraatje. De Gids en Raster zaten al op die Olympus, Tirade heeft de berg nu beklommen. ‘De vijf afleveringen van Tirade 2004 zijn ongemeen goed,’ vindt de commissie. ‘De spreiding tussen verhalend proza, poëzie en essayistiek is bij alle nummers opvallend harmonieus en het niveau is hoog. Het blad is grondig, ernstig, betrouwbaar en heeft beslist een eigen gezicht.’ Maar aan kop gaat  Raster: ‘onbetwist het beste, literair rijkste en origineelste letterkundige tijdschrift van Nederland’.

Min of meer ontevreden zijn de keurmeesters over Bunker Hill, Parmentier en Passionate: de eerste ‘komt met de hakken over de sloot’, de tweede heeft ‘net genoeg gewicht’ en de derde ‘wordt het voordeel van de twijfel gegund’. Bunker Hill maakt zijn ambitie van tegendraads te zijn niet waar en produceert te weinig, Parmentier voert een ad hoc-beleid en mag dieper graven en Passionate is oppervlakkig. De drie houden hun subsidie, maar de gele kaarten zijn getoond.

Armada, Liter, De Parelduiker, De Revisor en De Tweede Ronde geven weinig aanleiding tot zeer positieve of zeer negatieve opmerkingen. Niets aan de hand dus. Nieuw in de lijst met gesubsidieerde periodieken is… Hollands Maandblad. Was dat niet het blad dat in het verleden wel eens schamperde over subsidies? ‘Hollands Maandblad excelleert binnen het proza in een genre apart: dat van de memoires,’ schrijft de commissie. Maar het brengt ook 'de gedichten, die vergeleken met de verhalen beduidend minder van kwaliteit zijn'.

Over de Revisor wordt opgemerkt, half prijzend, half lakend: 'Er gebeurt wat in dit blad. De Revisor getuigt van literatuur met grote gebaren. De redactie is luid en duidelijk aanwezig en imponeert met het uit(een)zetten van de eigen koers. Het ontbreekt dan ook niet aan opiniërende artikelen. Wel maken steeds dezelfde stemmen van redacteuren en steeds dezelfde namen in de auteursstal, en daarbij nog de afwezigheid van vrouwelijke auteurs, het tijdschrift weinig verrassend. Nummer 1 van jaargang 2004 telt 110 bladzijden, het dubbelnummer 5/6 telt er 108, zodat er in feite een nummer te weinig is gemaakt. Ook het forse aantal voorpublicaties maar ook ‘napublicaties’ (reeds eerder gehouden lezingen) stelt teleur. Maar in de regel is de kwaliteit van de bijdragen goed, en het poëticale themanummer ronduit uitstekend.'

Voor de volledigheid: in de commissie ‘Literaire tijdschriften’ hebben op dit moment zitting: Tom van Deel (stafmedewerker moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam), Yra van Dijk (schrijver, criticus), Margot Engelen (medewerker bij Boekhandel Praamstra in Deventer), Atte Jongstra (schrijver, dichter, criticus) en Christa Widlund (namens het NLPVF-bestuur).

© Abe de Vries, 2005

Zie het Farsklog voor het oordeel over de Friese literaire tijdschriften.

Inmiddels zijn de eerste reacties binnen.

Eloquent als altijd laat Arnoud van Adrichem, redacteur van Parmentier, het volgende weten: 'Tot genoegen van de redactie krijgt Parmentier voor de subsidieperiode 2005 t/m 2007 structurele subsidie op standaardniveau. De commissie Literaire tijdschriften is in het bijzonder te spreken over de gedichten in ons tijdschrift, wat voor de poëzieliefhebbers op deze site misschien een interessant gegeven is. Zo staat er in het Rapport literaire tijdschriften 2004 onder meer: "Parmentiers kracht is duidelijk de poëzie. Naast de bekende namen en hun wat rijpere werk treden nogal wat onbekende of beginnende dichters naar voren, wat een pluspunt is." Ook de aankomende jaargangen hopen wij de lezer te kunnen verrassen met het werk van aanstormende talenten en gevestigde namen op het gebied van proza, poëzie en essayistiek.' Wel, dat hopen wij allemaal met hem, uiteraard.

Even eloquent, maar een stuk korter, is de reactie van de hoofdredacteur van Rottend Staal, Bart FM Droog: 'Hoofdzakelijk oninteressante materie, daar ik al jaren het standpunt inneem dat literaire tijdschriften geen subsidie zouden moeten krijgen.'

Bastiaan Bommeljé laat ons weten: 'Zoals bekend ben ik geen fan van deze vorm van subsidiëren van literaire tijdschriften, en ik ben nog minder een fan van de rapporten van de Commissie Literaire Tijdschriften (die heb ik wel een aantal jaren gelezen - deze jaargang nog niet); het zijn doorgaans droevige tractaten die in droevig Nederlands droevige platitudes te berde brengen over blaadjes met droevige oplages.  Hollands Maandblad is in 2003 weer mee gaan doen met de subsidierondes omdat het Productiefonds toen beloofde dat het systeem helemaal op de helling zou gaan. Helaas is dat nog niet gebeurd.

Soms vraagt men zich trouwens af of de Commissie Literaire Tijdschriften haar eigen rapporten wel leest, zoals dat van vorig jaar waarin HM - en ook de poëzie in HM - zo'n beetje de hemel in werd geprezen. In de commissie van toen zaten vrijwel dezelfde mensen die de in 2004 in HM gepubliceerde poëzie van Piet Gerbrandy, Mark Boog, Menno Wigman, Maarten Doorman, Leo Vroman, Ingmar Heytze, Bas van Putten, Chrétien Breukers, Wim Brands, Vrouwkje Tuinman, blijkbaar 'minder van kwaliteit' vinden. Dat is hun goed recht, ook al denkt de rest van Nederland er anders over.

Tsja, en wat kan ik zeggen over de drie 'uitzonderlijk' goede en eminente tijdschriften van de commissie ? Ik weet het niet, want ik kan er zelf niet doorheen komen, en ik ken eerlijk gezegd ook maar weinig mensen die er wel vreugdevol naar grijpen. Uit mijn ooghoek had ik zelfs de indruk dat één van deze tijdschriften in 2004 ongeveer de
magerste jaargang in z'n geschiedenis doormaakte. Zo zie je hoe een mens zich kan vergissen!

Wat de commissie schrijft en vindt interesseert me kortom niet. De visie van de leden van de commissie op literatuur en op literaire  tijdschriften is geheel en al niet de mijne, maar dat lijkt me alleen maar goed. Ik bedoel vooral goed voor Hollands Maandblad dan.'

Reacties

Tsja, het is me toch wat met al die 'onbeduidende gedichten' in Hollands Maandblad. Onbeduidende gedichten hoeven niet per sé door onbeduidende dichters geschreven te zijn, maar het is wel frappant dat o.a. Piet Gerbrandy, Ingmar Heytze, Leo Vroman, Jan de Bas en ene Chrétien Breukers hun 'onbeduidende gedichten' massaal naar het Hollands Maandblad sturen. Waarom zouden ze dat toch doen?

Om de commissie te kwellen?

't Is een bezigheid. Maar als ik dat rapport zo lees, bekruipt me toch de gedachte: waarom heeft die commissie niet naar de ongesubsidiëerde periodieken gekeken? Nu worden de gesubsidiëerde periodieken met elkaar vergeleken. Het zou toch een stuk boeiender en vooral 'beduidender' zijn álle grotere literaire tijdschriften eens naast elkaar te leggen.

En dan, gewoon voor de leuk, te kijken naar hoeveel mensen al die periodieken nu feitelijk lezen.

Onlangs leerde ik dat wat gold als het grootste literaire tijdschrift, Hard Gras, 2400 abonnees had en een te verwaarlozen aantal lezers middels losse verkoop. Hard Gras zie ik niet vermeld in bovenstaande artikel. Rottend Staal komt er ook niet in voor, met ruim 75.000 lezers in 2004.

Dus... waar heeft die commissie het in hemelsnaam over? Urenlang vergaderen over blaadjes die door een half paard en een hondenkarkas gelezen worden.

Raar land toch, dat Nederland.

Op praktisch vlak is er qua literaire tijdschriften ook wat loos in Nederland en Vlaanderen: de verspreiding van losse nummers van Nederlandse literaire tijdschriften in Vlaanderen zit niet goed (niet rendabel?); ongetwijfeld geldt dit ook voor Vlaamse tijdschriften in Nederland. Ik weet niet of het Nederlandse bankverkeer vrijelijker verloopt dan het onze; in ieder geval heb je voor de overschrijving van het abonnementsgeld van een Nederlands tijdschrift speciale nummers nodig die niet op de factuur vermeld staan: een BIC of SWIFT nummer, en een IBAN nummer. Zonder die nummers komt er hetzelfde bedrag of meer aan kosten bij, gewoon omdat de banken dat zo geregeld hebben. Doei Europa. Gelukkig krijg je die nummers op eenvoudig verzoek (of ook wel eens (of niet) na veelvoudig aandringen), maar iemand die voor het eerst een abonnement neemt, gaat naar de bank en kan meteen terug, tegengehouden door de bankgrens tussen Nederland en Vlaanderen. Grmff.

Ben het geheel eens met Bommeljé, als hoofdredacteur van het prachtblad Tzum (neem een abonnement). Twee jaar geleden hebben we eens een keer meegedaan met een subsidieronde. Je krijgt een rapportje van anderhalve pagina thuisgestuurd waarin aanwijsbare fouten staan en waarin de commissie blijk geeft van een totaal andere opvatting over literatuur dan wij uitdragen. Kwalijker vond ik dat de commissie zich ging bemoeien met de inhoud van de blad en onze keuze voor schrijvers. Zo vond de commissie dat wij koketteerden met bekende schrijvers en dat we in plaats daarvan ons meer moesten gaan richten op onbekend talent. Nou, dat bepalen we zelf wel. Je kunt pro forma wel in beroep gaan, maar alleen over de procedure. Over die procedure is veel te zeggen: je wacht een half jaar of meer voor je bericht krijgt over je subsidie en intussen moet je blad wel verschijnen. (Dat werd afgedaan met een excuus, ze hadden het zo druk daar).
Ook de manier waarop Awater is afgescheept (waarschijnlijk omdat er commissieleden een rekening te vereffenen hadden met redactieleden) is ronduit stuitend.
Ik ben overigens voor subsidie voor literaire bladen, want dan kan ik schrijvers en dichters (en vormgevers) een gewoon honorarium betalen.

de blad is het blad
(oh ja, voordat Catharina kwaad wordt: toevoegen aan laatste zin 'en vertalers')

Coen, mogen wij eens een inkijkje in zo'n rapport. Het is ook schandelijk, koketteren met beroemde namen, dat doen de Revisor (Whitman), de Gids (Hermans) en Raster (Kertesz) helemaal nooit.

Ik zal eerst eens kijken of ik het terug kan vinden. Als ik het rapport vind zal ik de bevindingen overnemen (behalve over individuele schrijvers, want dat vind ik wat genant).

Dank alvast. Het gaat ook om de lijn, niet om oordelen over personen.

Wat pas echt genant zou zijn, zijn de oplagecijfers, het lezersbereik en - waar toepasselijk - het gesubsidieerde bedrag per lezer.

In gemekker van gepasseerde potentiële subsidieontvangers is niemamd geïnteresseerd: dat is een oud, voorspelbaar en te vaak gehoord lied.

Nou, je hebt over de oplagecijfers gelijk, maar ik ben verder vaak geïnteresseerd in 'gemekker'.

Goh Bart, toen je voor Tzum het Schetsboek schreef en die meteen wilde gebruiken als rapport voor een reisbeurs heb ik je daar niet over gehoord.

Ik laat even de formele in- en uitleiding weg. De uitslag kregen we op 6 september 2004, de aanvraag werd gedaan in december 2003.

Tzum
In 1998/’99 besloot de commissie Tzum niet te subsidiëren wegens de geringe kwaliteit. Niettemin is het tijdschrift onafgebroken verschenen. Een knappe prestatie, vindt de commissie, te meer omdat er in 2000 een overstap is gemaakt naar de Groningse Uitgeverij kleine Uil. De continuïteit weerspiegelt zich ook in de redactiesamenstelling: nog altijd zijn Coen Peppelenbos (oprichter) en Gideon van Ligten de drijvende krachten achter Tzum.
Jaargang 2003 maakt goede sier met onbekende schrijvers als Gert Boer, Rob van Essen [had al drie boeken op zijn naam staan!, cp] en Daphne Reghen. Tzum is geslaagd nieuw talent een podium te bieden, wat de commissie toejuicht. Hierin schuilt de grote kracht van Tzum.
Helaas wegen bovenstaande pluspunten onvoldoende op tegen de bezwaren die de commissie heeft. Tzum lijkt zichzelf gewichtig te maken met grote namen. Zo heeft Arthur Japin een eigen rubriek ‘Carte blanche’, die veel ruimte in beslag neemt [goddank, cp] en waarin Japin naast soms interessante notities, te veel ingaat op privé-kwesties, zoals een ruzie met Hugo Brandt Corstius [waarmee het meteen een literaire ruzie wordt. cp]. De interviews met Oek de Jong, Gijs IJlander en Doeschka Meijsing zijn te ongericht en onvoldoende professioneel, waardoor ze bleek afsteken bij het niveau van bijvoorbeeld een geslaagd kranteninterview. Ook de kwaliteit van de overige bijdragen is veelal onder de maat. De commissie vermoedt dat dit deels te wijten is aan de terughoudendheid van de redactie om een literatuuropvatting uit te dragen. Volgens de subsidieaanvraag wil de redactie ‘een makkelijk toegankelijk literair blad’ maken en heeft ze ‘een lichte afkeer van academische stukken’ [hierbij laten ze achterwege dat we een voorkeur hebben voor persoonlijke stukken, zoals in de rubriek Carte blanche en de rubriek Schetsboek, beiden dagboekachtige rubrieken, cp]. De commissie respecteert deze stellingname ten volle, maar denkt dat Tzum aan kracht wint als de redactie zich sterker zou profileren, zodat het tijdschrift meer eenheid en visie krijgt. Nu blijft Tzum in vergelijking met andere literaire tijdschriften te licht van gewicht om voor subsidie in aanmerking te komen. Tot slot raadt de commissie de redactie aan om haar sterke punt – een podium voor nieuw talent – verder uit te buiten.
De huidige commissie heeft zich overigens niet verdiept in eerdere oordelen over Tzum, aangezien de commissie volledig vernieuwd is.

De commissie adviseert aan Tzum geen stimuleringssubsidie toe te kennen.

Voor de volledigheid: ons verweerschrift (het gemekker waar Droog op doelt), waarop alleen het antwoord kwam dat de commissie geen aanleiding zag om haar standpunt te wijzigen.

Geacht bestuur,

Op 6 september kregen we een officiële bevestiging van uw beslissing om de subsidieaanvraag voor het literaire blad niet te honoreren. Met deze brief maken we bezwaar tegen de door de commissie geleverde toelichting en vragen we een herzieningsprocedure aan.

Allereerst maken we bezwaar tegen de wachttijd die een literair tijdschrift in acht moet nemen. De aanvraag is in december 2003 gedaan en pas negen maanden later is er een uitslag. Geen enkele keer heeft het Fonds ons op de hoogte gehouden van vertragingen laat staan voortgang. Ongeacht of de uitslag positief of negatief uitvalt, een iets betere communicatie van uw kant zou zeer aan te bevelen zijn.

Belangrijker dan dit bezwaar zijn de bezwaren van literaire aard. Na een positief begin schrijft de commissie dat Tzum erin is geslaagd om nieuw talent een podium te bieden. Zij noemt: ‘Gert Boer, Rob van Essen en Daphne Reghen.’ Het compliment nemen wij in dank aan en het is inderdaad zo dat wij dat podium willen zijn. Wij scharen Rob van Essen (die op dat moment al drie romans had geschreven en deze zomer zijn vierde roman uitbracht) niet bij de onbekende schrijvers. We hopen dat de commissie bedoelt dat deze schrijver voor het grote publiek redelijk onbekend is.
Naast veel onbekende schrijvers (dat wil zeggen debutanten), brengt Tzum ook veel jonge schrijvers. Die vullen over het algemeen 50% of meer van het blad. Aangezien er over hun bijdragen niets gemeld wordt, nemen we aan dat die allemaal vallen onder het gunstige eerste oordeel van de commissie.

De commissie heeft twee grote bedenkingen bij Tzum. Zo vindt zij de interviews onder de maat. Zij zijn te ‘ongericht’ en kunnen de vergelijking met een kranteninterview niet doorstaan. De commissie noemt de interviews met Oek de Jong, Gijs IJlander en Doeschka Meijsing. Het interview met Meijsing vond plaats na het behalen van de Tzum-prijs en gaat voor een groot deel over de manier waarop ze schrijft. Volgens ons erg gericht.
Wij dagen de commissie uit om met een vergelijkbaar kranteninterview te komen met Oek de Jong waar zo diep ingegaan wordt op zijn roman Hokwerda’s kind, een door de auteur geautoriseerd interview (dat hijzelf geslaagd vond) waarin interpretaties van het werk voorkomen die niet in een ander tijdschrift of krant zijn terug te vinden.
Wij dagen de commissie uit om überhaupt met een kranteninterview met Gijs IJlander te komen.
De commissie vermoedt dat haar oordeel, ook over de overige bijdragen, te wijten is aan de terughoudendheid van de redactie om een literatuuropvatting uit te dragen. Zij noemt alleen de opvatting dat Tzum een ‘makkelijk toegankelijk’ blad wil maken met een ‘lichte afkeer van academische stukken’. Ze ziet daarbij het onderdeel over het hoofd dat wij wel noemden in de aanvraag, namelijk de voorkeur voor een persoonlijke inslag in de literatuur. Wie met die blik naar de interviews gaat kijken ziet dat deze niet zo ‘ongericht’ zijn als de commissie dacht. Wij betreuren dat de commissie die insteek van ons blad niet zwaarder heeft laten wegen.

Juist die persoonlijke invalshoek onderscheidt Tzum van andere literaire bladen en dat is duidelijk het geval in de stukken van Arthur Japin, waarover de commissie ook oordeelt. De commissie stelt allereerst dat Tzum zichzelf gewichtig lijkt te maken met grote namen. Daar zijn drie antwoorden op te formuleren:
1 Een tegenvraag: mag een klein literair blad geen medewerkers van naam hebben?
2 Arthur Japin heeft zich al jaren geleden aan ons blad verbonden, vlak na de verschijning van zijn roman De zwarte met het witte hart, toen hij nog niet die bekendheid had verworven die hij nu heeft.
3 Japin schrijft toegankelijke, prikkelende en persoonlijke stukken, die helemaal overeenkomen met onze literatuuropvatting. Dit laatste punt is voor ons het belangrijkst.

De commissie schrijft dat Japin ‘te veel ingaat op privé-kwesties, zoals een ruzie met Hugo Brandt Corstius’. Gezien het uitgangspunt van ons blad zijn we het daar niet mee eens. De stukken van Japin worden zelfs beter naarmate ze persoonlijker zijn. Intrigerend is het te zien hoe die persoonlijke stukken later op een fictieve wijze terecht komen in zijn romans. In De droom van de leeuw en in Een schitterend gebrek zijn passages aan te wijzen die vergelijkbaar zijn met de persoonlijke stukken in Tzum. De redactie vindt het fascinerend om die ontwikkeling te volgen.
De door de commissie aangehaalde kwestie heeft met de omgangsvormen in de literaire wereld te maken en is niet alleen persoonlijk, maar heeft ook een algemene strekking. De volle naam ‘Hugo Brandt Corstius’ wordt in Tzum overigens niet genoemd. Daarnaast is het opmerkelijk dat juist dit punt eruit gehaald wordt. Die persoonlijke inkleuring is juist een van de pijlers onder het blad (zie ook de rubriek Schetsboek). Stel dat een Russische commissie hetzelfde zou hebben geschreven over Paustovskij, dan blijkt direct dat de argumentatie van de commissie niet lang stand zou houden: ‘Zo heeft Konstantin Paustovskij een eigen rubriek, die veel ruimte in beslag neemt en waarin Paustovskij, naast soms interessante notities, te veel ingaat op privé-kwesties, zoals een ruzie met Maxim Gorki.’

Wij menen dat er onvoldoende rekening is gehouden met juist dat punt waarin Tzum zich onderscheidt van andere bladen. De commissie kan een andere literatuuropvatting hebben, maar die mag volgens ons geen leidraad zijn voor een oordeel over de literaire kwaliteit van de stukken.

Bart, die oplagecijfers zijn niet alleszeggend, dat moet jij toch ook weten als dichter. Dat Hard Gras een hoge oplage kent ligt meer aan de concentratie op voetbal dan aan het literaire karakter. Als we oplagecijfers met kijkcijfers vergelijken dan zien we dat een focus daarop intussen verschralend werkt op het tv-aanbod van de publieke omroepen.
Dat er wellicht een wervingsluiheid bestaat bij sommige bladen, ok. Wellicht zou een deel van de subsidie gekoppeld kunnen gaan worden aan de pogingen meer bekendheid onder de lezers te krijgen.
Bij festivals wordt wel gezegd dat 10% van het budget uit publiciteit zou moeten bestaan, maar uiteraard is de publiciteit vaak de sluitpost – en is betalend publiek niet belangrijk, want de buit (subsidie) is toch al binnen.
De subsidieverantwoordelijkheid moet niet alleen naar het periodiek zelf afgedragen worden, maar ook naar het bereik.

@ Ruben: Dit zegt het NLPVF daarover: 'De oplagecijfers en abonneeaantallen zijn bij ons bekend in verband met het berekenen van de subsidie.'

Wat de oplage van Hard Gras is, daar heb ik me niet over uitgelaten. Ik had het over aantal abonnees.

Anyhow, uit pure nieuwsgierigheid ben ik nu op Rottend Staal bezig te onderzoeken hoeveel lezers alle literaire periodieken nu eigenlijk hebben.

Een schitterende verweerbrief aan de letteren-commissie vond ik dat schrijven van Tzum, met plezier gelezen en uit kameraderie hetvolgende geschreven:

Een tinnen vredesactivist
en andere gedichten,
dat wordt de titel
van mijn nieuwe bundel.

Of geen gedicht over de zee
willen schrijven en andere misdaden.

Of korter nog.
Puntje, puntje, puntje
en geen andere misdaden.
Of geen andere gedichten.
Alleen puntje puntje puntje.
Of alleen ...

Dat weet ik nog niet.
Daar moet ik nog over nadenken,
samen met de mensen van de lay-out.
Vermoedelijk maanden.

Beloofd.

@ Koenraad: Nou dat levert in ieder geval iets scheppends op, hoewel me de intertekstualiteit enigszins ontgaat.


Coen,ik wou er dan ook niks intertekstueels mee zeggen, ik wou er alleen mijn ervaringen met het Vlaams Fonds voor de Letteren mee ventileren en heb er een soort verbolgen briefje van gemaakt dat je die apothekers zou willen sturen als je weer eens bent afgewezen of als je weer eens je aanvraag moet motiveren. Het is hier en daar een beetje flauw allicht, maar ontevreden ben ik over een paar regels allerminst en die regels sla ik dan ergens in mijn hoofd op en komen dan weer ergens anders van pas. Ik meende in jullie brief een gelijkaardige verontwaardiging te lezen, maar erg pienter ben ik dus niet.

@ Koenraad: nu snap ik het beter. In die verontwaardiging vinden we elkaar.

Boeiend inderdaad. Toelichting als mosterd na de maaltijd: ik stuur meestal gedichten op naar een tijdschrift als de redacteur van een tijdschrift daarom verzoekt, als ik tenminste iets heb liggen en het blad me aanstaat. Vandaar dat er nog wel eens iets van me in HM verschijnt, want Bastiaan Bommeljé belt nog wel eens op met een dergelijk verzoek. Als ik zie welke collega's nog meer in HM publiceren, ben ik er trots op dat mijn werk daar tussen mag staan.

Boeiend inderdaad. Toelichting als mosterd na de maaltijd: ik stuur meestal gedichten op naar een tijdschrift als de redacteur van een tijdschrift daarom verzoekt, als ik tenminste iets heb liggen en het blad me aanstaat. Vandaar dat er nog wel eens iets van me in HM verschijnt, want Bastiaan Bommeljé belt enkele keren per jaar op met een dergelijk verzoek. Als ik zie welke collega's eveneens in HM publiceren, ben ik er trots op dat mijn werk daar tussen mag staan.

Met excuus voor de taalkundig corrigerende echo.

En het is niet om te slijmen, maar wat is 'Zen uit eigen werk' van Koenraad Goudeseune een goede bundel. Hulde.

Ik sluit me daar bij aan: 'Zen uit eigen werk' is de bevestiging van een talent. Nu heeft Goudeseune al twee quotes voor op de volgende bundel – alleen jammer dat ze bij Atlas niks op de bundels zetten.

Controleer uw reactie

Voorbeeld van uw reactie

Dit is slechts een voorbeeld. Uw reactie is nog niet ingediend.

Bezig...
Uw reactie kon niet worden ingediend. Fout type:
Uw reactie werd gepubliceerd. Nog een reactie achterlaten

De letters en cijfers die u invulde kwamen niet overeen met de afbeelding. Probeer opnieuw.

Als laatste stap voor uw reactie wordt gepubliceerd, gelieve de letters en cijfers in te vullen die die u ziet in de afbeelding hieronder. Dit voorkomt dat automatische programma's reacties achterlaten.

Problemen met het lezen van deze afbeelding? Alternatief bekijken.

Bezig...

Laat een reactie achter